Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

9 augustus Korenaren uit de volle oogst

De godzaligheid is tot alle dingen nut.
1 Timotheüs 4:8

Wat betekent „nut”? Ik kan het in een paar woorden zeggen: wat goed is voor de ziel. Nu is de „godzaligheid” tot alle dingen nut, omdat zij in alle omstandigheden goed is voor de ziel. Hier staat zij alleen, afgescheiden van alles wat tot een wereldse natuur behoort. Hier wordt zij onderscheiden van de „lichamelijke oefening, die tot weinig nut is. Zij is nut tot alle dingen.” In ziekte en gezondheid, bij zonneschijn en storm, op de bergen en in de dalen, in welke omstandigheid het kind van God zich ook bevindt: de „godzaligheid”, of liever de „oefening” van de godzaligheid, is nuttig.

En juist door die omstandigheden wordt zij geoefend. Zij leeft te midden van beproevingen; zij wordt versterkt door tegenstand; zij zegeviert door een nederlaag; zij overwint ondanks elke vijand; zij doorstaat elke storm en blijft leven. Zij verslapt niet zoals de „lichamelijke oefening”; zij bloeit niet om in een uur te verwelken; zij is niet als de wonderboom van Jona, die in één nacht opgroeide en verdorde. Zij verlaat de ziel niet wanneer die door de verschrikkingen van de wanhoop bestormd wordt en de vertroosting het meest nodig heeft. Zij is geen wispelturige, valse vriend die ons in de duisternis en op de bewolkte dagen van tegenspoed de rug toekeert.

Zij is „een vriend, die ons altijd liefheeft”, want Hij Die haar werkt, is ons nader dan een broeder. Zij kan bij een ziekbed komen, wanneer het lichaam gekweld wordt door pijn. Zij kan een gevangenis binnengaan, zoals bij Paulus en Silas, met hun voeten in de stok. Zij kan met de martelaren de brandstapel beklimmen, en heeft bewezen dat zij dat kan. Zij spreidt het sterfbed zacht; zij voert de ziel naar de eeuwigheid, en daarom is zij „tot alle dingen nut”.

Zij is een trouwe vriend, een goede reisgenoot, het leven van de ziel, de gezondheid van het hart. Wat meer is: zij is „Christus” Zelf in u, „de hope der heerlijkheid”. Zij is Gods eigen werk, Gods eigen genade, Gods eigen Geest, Gods eigen leven, en daarom is zij „tot alle dingen nut”.

In God is al mijn heil, mijn eer,
mijn sterke rots, mijn tegenweer,
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart,
stort voor Hem uit uw ganse hart,
God is een toevlucht t’ alle tijden.

Psalm 62:5

Aan de lezer…

Misschien ligt u op een ziekbed, of zit u als in een gevangenis, met de voeten als in de stok. Vraagt u zich af of uw geloof en godsvrucht nu nog iets waard zijn, nu alles zo donker is? Weet dan dat ware godzaligheid juist in zulke omstandigheden geoefend wordt. Zij leeft te midden van beproevingen, zij wordt versterkt door tegenstand en zegeviert door een nederlaag.

Zij is niet als de wonderboom van Jona, die in één nacht opgroeide en verdorde; zij laat de ziel niet in de steek wanneer de wanhoop haar bestormt. Zij is geen valse vriend die u op bewolkte dagen de rug toekeert, want zij is Gods eigen werk, en Hij Die haar werkt, is u nader dan een broeder. Vertrouw daarom in uw smart op Hem, en stort heel uw hart voor Hem uit; Hij zal u naar de eeuwigheid voeren.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

9 augustus 365 dagen met Philpot

Genees mij

Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14

Er is de kennis van de ernstige en verontrustende kwaal van de zonde, en die ligt aan alles ten grondslag. Aan elke zucht, elke uitroep, elk gebed en elk gekerm ligt een innerlijke, aan den lijve ondervonden kennis van de ernstige en verontrustende ziekte van de zonde ten grondslag. Als iemand daarom niet vanbinnen zelf de ellendige ziekte voelt waarmee hij besmet is van zijn hoofdschedel tot zijn voetzool toe, durf ik te beweren dat er nooit een geestelijk kreunen, uitroepen of zuchten uit zijn hart opkomt.

Laten we eens kijken naar de verschillende kwalen waarmee Gods kinderen zich besmet weten. Er is de ziekte van blindheid. Dat is wat de mens van nature niet aanvoelt. Toen de Heere de Farizeeërs hun toestand en gesteldheid uitlegde, stonden zij daar toen voor open?

Dit was hun antwoord: „Wij zien”; daarom zei de Heere: „Uw zonde blijft.” Ze kenden de vreselijke ziekte van blindheid niet. Ze dachten dat ze zagen en waren er volkomen van overtuigd dat ze alles wisten wat ze moesten weten. Maar Gods kinderen leren beseffen hoe blind ze zijn, en dat ze helemaal niets kunnen zien, tenzij het de Heere behaagt hun ogen met Zijn goddelijke ogenzalf te zalven. Zo kunnen ze niet zien wat of waar ze zijn. Ze zien niet de betekenis van enig deel van Gods waarheid, en ook niet de heerlijkheid en schoonheid van Jezus. Ze kunnen Zijn heerlijke Persoon, Zijn verzoenend bloed, Zijn rechtvaardigende gerechtigheid, Zijn stervende liefde en Zijn zoete geschiktheid niet zien, en ook niet de dierbaarheid van al Zijn verbondskenmerken en goddelijke ambten, terwijl ze zich, gebukt onder de ziekte van blindheid, voortslepen.

Lezen: Lukas 18:35-43

Aan de lezer…

Vandaag wordt u gevraagd of u de kwaal van de zonde vanbinnen hebt leren voelen. Het is geen lichte zaak te ontdekken dat men besmet is van de hoofdschedel tot de voetzool toe. Toch is dat juist de grond van elke zucht en elk gebed dat uit een ontdekt hart opkomt. Wie, zoals de Farizeeërs, zegt: „Wij zien”, blijft in zijn zonde. Maar wie zijn blindheid leert kennen, is niet ver van de Geneesmeester.

Voelt u zich dan arm en blind, zodat u Zijn heerlijke Persoon, Zijn verzoenend bloed en Zijn liefde niet kunt zien zoals u dat zou willen? Sleept u zich gebukt voort onder die ziekte? Wanhoop dan niet. Het is de Heere Die u dit heeft doen beseffen, en het is dezelfde Heere Die uw ogen met Zijn goddelijke ogenzalf kan zalven. Breng uw kwaal daarom bij Hem en roep: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

9 augustus Door Baca’s vallei

De oprechten gaat het licht op in de duisternis.
Psalm 112:4

Wij gaan vaak over zulke duistere paden dat wij het spoor helemaal bijster zijn. Dan hebben wij het gevoel dat er evenmin genade in onze ziel is als bij iemand die geheel dood is in de zonden en de misdaden. En of wij nu terugkijken naar het verleden, het heden beschouwen of onze ogen op de toekomst richten, er lijkt een donkere wolk over alles te liggen. Ook kunnen wij met al ons onderzoek niet tot onze voldoening ontdekken dat wij een greintje ware godsdienst bezitten, een stofje genade of levende godzaligheid, of enig bewijs dat de Geest van God ons geweten met Zijn vinger heeft aangeraakt.

Welnu, wanneer wij in deze donkere verlatenheid verkeren, hebben wij licht nodig. Wij hebben nodig dat de gezegende Zon der gerechtigheid over ons opgaat. Wij hebben nodig dat de zuidenwind een hemelse koelte over onze ziel blaast en de mist verdrijft. Wij hebben nodig dat het wolkendek breekt en het licht van Gods aangezicht in onze ziel schijnt, zodat wij mogen weten waar en wat wij zijn. Dan wordt het ons duidelijk dat wij, hoe laag en onrein wij ook zijn, toch deel hebben aan de liefde van de Vader, aan het bloed van de Zoon en aan het onderwijs van de Heilige Geest.

En wanneer Zijn Woord begint te druppelen als de regen en te vloeien als de dauw, wanneer het de Heere behaagt een vriendelijk bewijs, een woordje of een vriendelijke wenk in ons hart te brengen, wat een verandering vindt er dan plaats! De wolken gaan uiteen, de mist trekt op, de dampen verdwijnen, en de ziel wordt op zoete wijze overtuigd van haar deel aan het bloed en de liefde van het Lam.

Aan de lezer…

Weet u geen weg meer, en bent u het spoor helemaal bijster? Kijkt u terug, om u heen en vooruit, en ligt er over alles een donkere wolk? Kunt u met al uw onderzoek geen greintje genade in uzelf ontdekken, zodat u vreest dat u nog dood bent in de zonden? Weet dan dat zulke duistere paden ook door de oprechten betreden worden, en dat het niet aan u is om het licht te laten opgaan.

Hier helpt geen eigen kracht; u hebt licht nodig, en dat licht moet van boven komen. Maar de belofte staat: „De oprechten gaat het licht op in de duisternis.” Eén woordje van de Heere, één vriendelijke wenk in het hart, en de wolken gaan uiteen, de mist trekt op. Wacht dan op Hem, Wiens Woord druppelt als de regen en vloeit als de dauw. Hoe laag en onrein u ook bent, Hij kan uw ziel op zoete wijze overtuigen van haar deel aan het bloed en de liefde van het Lam.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina