6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De godzaligheid is tot alle dingen nut.
1 Timotheüs 4:8
Wat betekent „nut”? Ik kan het in weinige woorden zeggen: wat goed voor de ziel is. „Godzaligheid” nu is tot alle dingen nut, daar zij in alle omstandigheden voor de ziel goed is. Hier staat zij alleen en afgescheiden van alles in een wereldse natuur. Hier is zij afgescheiden van „lichamelijke oefening, die tot weinig nut is. Zij is nut tot alle dingen.” In krankheid en gezondheid; bij zonneschijn en storm; op de bergen en in de valleien; onder welke omstandigheid het kind Gods zich moge bevinden – de „godzaligheid” of liever de „oefening” van godzaligheid is nut.
En door deze omstandigheid wordt zij geoefend. Zij leeft in het gezicht der beproevingen; zij wordt versterkt door tegenkanting; zij zegeviert door een nederlaag; zij overwint, in spijt van elke vijand; zij weerstaat elke storm en leeft. Zij verslapt, niet zoals „lichamelijke oefening”; zij bloeit en verwelkt niet in een uur; zij is niet gelijk de wonderboom van Jona, die in één nacht opgroeide en verdorde; zij verlaat de ziel niet, wanneer deze door de afgrijselijkheden der wanhoop wordt bestormd en zij het meest vertroosting behoeft; zij is geen veranderlijke, valse vriend, die ons in de duisternis en bij de bewolkte dagen van de tegenspoed de rug toekeert. Zij is „een vriend, die ons altijd liefheeft”, want Hij, Die ze werkt, is ons nader dan een broeder.
Zij kan komen aan een krankbed, wanneer het lichaam gekweld wordt door smarten; zij kan een gevangenis binnentreden, zoals bij Paulus en Silas, met hun voeten in de stok; zij kan met de martelaars de brandstapel beklimmen en heeft bewezen dit te kunnen; zij schudt het doodsbed zacht; zij voert de ziel naar de eeuwigheid, en daarom is zij „tot alle dingen nut”. Zij is een standvastige vriend; een goed reisgezel; het leven van de ziel; de gezondheid van het hart; wat meer is, zij is „Christus” Zelf in u, „de hope der heerlijkheid”. Zij is Gods eigen werk, Gods eigen genade, Gods eigen Geest, Gods eigen leven, en daarom is zij „tot alle dingen nut”.
In God is al mijn heil, mijn eer,
mijn sterke rots, mijn tegenweer,
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart,
stort voor Hem uit uw ganse hart,
God is een toevlucht t’ alle tijden.
Psalm 62:5
Aan de lezer…
Misschien ligt u op een krankbed, of zit u als in een gevangenis, met de voeten als in de stok. Vraagt u zich af of uw geloof en godsvrucht nu nog iets waard zijn, nu alles zo donker is? Weet dan dat ware godzaligheid juist in zulke omstandigheden geoefend wordt. Zij leeft in het gezicht der beproevingen, zij wordt versterkt door tegenkanting en zegeviert door een nederlaag.
Zij is niet als de wonderboom van Jona, die in één nacht opgroeide en verdorde; zij laat de ziel niet in de steek wanneer de wanhoop haar bestormt. Zij is geen valse vriend die u bij bewolkte dagen de rug toekeert, want zij is Gods eigen werk, en Hij, Die haar werkt, is u nader dan een broeder. Vertrouw daarom op Hem in uw smart, en stort voor Hem uw ganse hart uit; Hij zal u naar de eeuwigheid voeren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De godzaligheid is tot alle dingen nut.
1 Timotheüs 4:8
Wat betekent „nut”? Ik kan het in een paar woorden zeggen: wat goed is voor de ziel. Nu is de „godzaligheid” tot alle dingen nut, omdat zij in alle omstandigheden goed is voor de ziel. Hier staat zij alleen, afgescheiden van alles wat tot een wereldse natuur behoort. Hier wordt zij onderscheiden van de „lichamelijke oefening, die tot weinig nut is. Zij is nut tot alle dingen.” In ziekte en gezondheid, bij zonneschijn en storm, op de bergen en in de dalen, in welke omstandigheid het kind van God zich ook bevindt: de „godzaligheid”, of liever de „oefening” van de godzaligheid, is nuttig.
En juist door die omstandigheden wordt zij geoefend. Zij leeft te midden van beproevingen; zij wordt versterkt door tegenstand; zij zegeviert door een nederlaag; zij overwint ondanks elke vijand; zij doorstaat elke storm en blijft leven. Zij verslapt niet zoals de „lichamelijke oefening”; zij bloeit niet om in een uur te verwelken; zij is niet als de wonderboom van Jona, die in één nacht opgroeide en verdorde. Zij verlaat de ziel niet wanneer die door de verschrikkingen van de wanhoop bestormd wordt en de vertroosting het meest nodig heeft. Zij is geen wispelturige, valse vriend die ons in de duisternis en op de bewolkte dagen van tegenspoed de rug toekeert.
Zij is „een vriend, die ons altijd liefheeft”, want Hij Die haar werkt, is ons nader dan een broeder. Zij kan bij een ziekbed komen, wanneer het lichaam gekweld wordt door pijn. Zij kan een gevangenis binnengaan, zoals bij Paulus en Silas, met hun voeten in de stok. Zij kan met de martelaren de brandstapel beklimmen, en heeft bewezen dat zij dat kan. Zij spreidt het sterfbed zacht; zij voert de ziel naar de eeuwigheid, en daarom is zij „tot alle dingen nut”.
Zij is een trouwe vriend, een goede reisgenoot, het leven van de ziel, de gezondheid van het hart. Wat meer is: zij is „Christus” Zelf in u, „de hope der heerlijkheid”. Zij is Gods eigen werk, Gods eigen genade, Gods eigen Geest, Gods eigen leven, en daarom is zij „tot alle dingen nut”.
In God is al mijn heil, mijn eer,
mijn sterke rots, mijn tegenweer,
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart,
stort voor Hem uit uw ganse hart,
God is een toevlucht t’ alle tijden.
Psalm 62:5
Aan de lezer…
Misschien ligt u op een ziekbed, of zit u als in een gevangenis, met de voeten als in de stok. Vraagt u zich af of uw geloof en godsvrucht nu nog iets waard zijn, nu alles zo donker is? Weet dan dat ware godzaligheid juist in zulke omstandigheden geoefend wordt. Zij leeft te midden van beproevingen, zij wordt versterkt door tegenstand en zegeviert door een nederlaag.
Zij is niet als de wonderboom van Jona, die in één nacht opgroeide en verdorde; zij laat de ziel niet in de steek wanneer de wanhoop haar bestormt. Zij is geen valse vriend die u op bewolkte dagen de rug toekeert, want zij is Gods eigen werk, en Hij Die haar werkt, is u nader dan een broeder. Vertrouw daarom in uw smart op Hem, en stort heel uw hart voor Hem uit; Hij zal u naar de eeuwigheid voeren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But godliness is profitable unto all things.
1 Timothy 4:8
What is “profitable?” I may define it in one short sentence—that which does the soul good. Now “godliness” is profitable unto all things, as doing the soul good in all circumstances. Here it stands apart and separate from everything of a worldly nature. Here it is distinguished from the “bodily exercise that profits little.” It is “profitable unto all things.” In sickness, in health; in sunshine, in storm; upon the mount, in the valley; under whatever circumstances the child of God may be, “godliness” or rather the “exercise” of godliness is profitable. And it is drawn out by these circumstances. It lives in the face of trials; it is strengthened by opposition; it becomes victorious through defeat; it gains the day in spite of every foe—“Stands every storm, and lives at last.”
It does not die away like “bodily exercise;” it does not bloom and fade away in an hour; it is not like Jonah’s gourd that grew and withered in a night; it does not leave the soul in the horrors of despair when it most needs comfort; it is not a fickle, false friend that turns its back in the dark and cloudy days of adversity. It is “a friend that loves at all times,” for the Author of it “sticks closer than a brother.”
It can come to a bed of sickness when the body is racked with pain; it can enter a dungeon, as with Paul and Silas when their feet were in the stocks; it can go, and has gone with martyrs to the stake; it soothes the pillow of death; it takes the soul into eternity; and therefore it is “profitable unto all things.” It is a firm friend; a blessed companion; the life of the soul; the health of the heart; yes, “Christ Himself in you, the hope of glory.” It is God’s own work, God’s own grace, God’s own Spirit, God’s own life, God’s own power, God’s own dealings, which end in God’s own happiness; and therefore it is “profitable unto all things.”
To the reader…
Perhaps you are lying on a sickbed, or sitting as if in a prison, with your feet as it were in the stocks. Do you wonder whether your faith and godliness are still worth anything now that everything is so dark? Then know that true godliness is exercised precisely in such circumstances. It lives in the midst of trials, it is strengthened by opposition and becomes victorious through defeat.
It is not like Jonah’s gourd, which grew up and withered in a single night; it does not abandon the soul when despair assails it. It is no false friend that turns its back on you in cloudy days, for it is God’s own work, and He Who works it sticks closer than a brother. So in your sorrow trust in Him, and pour out your whole heart before Him; He will carry you through into eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas la piedad para todo aprovecha.
1 Timoteo 4:8
¿Qué es “aprovechar”? Puedo definirlo en una frase breve: lo que hace bien al alma. Ahora bien, la “piedad” para todo aprovecha, por cuanto hace bien al alma en todas las circunstancias. Aquí se mantiene aparte y separada de todo lo que es de naturaleza mundana. Aquí se distingue del “ejercicio corporal, que para poco es provechoso”. “Para todo aprovecha”. En la enfermedad, en la salud; en el sol, en la tormenta; en el monte, en el valle; en cualesquiera circunstancias en que se halle el hijo de Dios, la “piedad”, o más bien el “ejercicio” de la piedad, aprovecha. Y estas circunstancias la hacen salir. Vive frente a las pruebas; se fortalece con la oposición; sale victoriosa por la derrota; gana la batalla a pesar de todo enemigo: “Resiste toda tormenta, y vive al final”.
No se desvanece como el “ejercicio corporal”; no florece y se marchita en una hora; no es como la calabacera de Jonás, que creció y se secó en una noche; no deja al alma en los horrores de la desesperación cuando más necesita consuelo; no es un amigo inconstante y falso que vuelve la espalda en los días oscuros y nublados de la adversidad. Es “amigo que en todo tiempo ama”, porque su Autor es “amigo más conjunto que el hermano”.
Puede venir a un lecho de enfermedad cuando el cuerpo está atormentado de dolor; puede entrar en un calabozo, como con Pablo y Silas cuando sus pies estaban en el cepo; puede ir, y ha ido, con los mártires a la hoguera; suaviza la almohada de la muerte; lleva al alma a la eternidad; y por eso “para todo aprovecha”. Es un amigo firme; un compañero bendito; la vida del alma; la salud del corazón; sí, “Cristo mismo en vosotros, la esperanza de gloria”. Es la obra de Dios mismo, la gracia de Dios mismo, el Espíritu de Dios mismo, la vida de Dios mismo, el poder de Dios mismo, los tratos de Dios mismo, que terminan en la felicidad de Dios mismo; y por eso “para todo aprovecha”.
Al lector…
Quizá esté usted postrado en un lecho de enfermedad, o sentado como en una cárcel, con los pies como en el cepo. ¿Se pregunta si su fe y su piedad valen todavía algo ahora que todo está tan oscuro? Sepa entonces que la verdadera piedad se ejercita precisamente en tales circunstancias. Vive en medio de las pruebas, se fortalece con la oposición y sale victoriosa por la derrota.
No es como la calabacera de Jonás, que creció y se secó en una sola noche; no abandona al alma cuando la desesperación la asalta. No es un amigo falso que le vuelve la espalda en los días nublados, porque es obra de Dios mismo, y Aquel que la obra es más conjunto que un hermano. Confíe, pues, en Él en su tristeza, y derrame delante de Él todo su corazón; Él le llevará hasta la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Er is de kennis van de ernstige en verontrustende kwaal van de zonde; en deze ligt aan alles ten grondslag. Ten grondslag aan elke zucht, elke uitroep, elk gebed, elk gekerm ligt een innerlijke en aan den lijve ondervonden bekendmaking met de ernstige en verontrustende ziekte van de zonde. Als iemand derhalve niet vanbinnen zelf de ellendige ziekte voelt, waarmee hij is besmet van zijn hoofdschedel tot zijn voetzool toe, durf ik te beweren dat er nooit een geestelijk kreunen, uitroepen of zuchten uit zijn hart tevoorschijn komt.
Laten we eens kijken naar de verschillende kwalen waarmee Gods kinderen zich besmet weten. Er is de ziekte van blindheid. Dit is wat de mens van nature niet aanvoelt. Toen de Heere de Farizeeërs hun toestand en gesteldheid uitlegde, stonden zij er toen voor open?
Dit was hun antwoord: „Wij zien”; daarom zei de Heere: „Uw zonde blijft.” Ze waren niet bekend met de vreselijke ziekte blindheid; ze dachten dat ze zagen; ze waren er geheel van overtuigd dat ze alles wisten wat ze moesten weten. Maar Gods kinderen wordt geleerd te beseffen hoe blind ze zijn, en helemaal niet in staat iets te zien behalve als het de Heere belieft hun ogen met Zijn goddelijke ogenzalf te zalven. Dus kunnen ze niet zien wat of waar ze zijn, noch zien ze de betekenis van enig stuk van Gods waarheid, noch de heerlijkheid en schoonheid van Jezus; ze kunnen Zijn heerlijke Persoon, verzoenende bloed, rechtvaardigende rechtvaardigheid, sterfelijke liefde, zoete geschiktheid niet zien, noch de dierbaarheid van al Zijn verbondskenmerken en goddelijke ambten, terwijl ze zich, gebukt onder de ziekte blindheid, voortslepen.
Lezen: Lukas 18:35-43
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd of u de kwaal van de zonde vanbinnen hebt leren voelen. Het is geen lichte zaak te ontdekken dat men besmet is van de hoofdschedel tot de voetzool toe. Toch is dat juist de grond van elke zucht en elk gebed dat uit een ontdekt hart opkomt. Wie, als de Farizeeërs, zegt: „Wij zien”, blijft in zijn zonde; maar wie zijn blindheid leert kennen, staat niet ver van de Geneesmeester.
Voelt u zich dan arm en blind, zodat u Zijn heerlijke Persoon, Zijn verzoenend bloed en Zijn liefde niet kunt zien zoals u wel zou willen? Sleept u zich gebukt voort onder die ziekte? Wanhoop niet. Het is de Heere Die u dit heeft doen beseffen, en het is dezelfde Heere Die de ogen met Zijn goddelijke ogenzalf kan zalven. Breng uw kwaal dan bij Hem en roep: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Er is de kennis van de ernstige en verontrustende kwaal van de zonde, en die ligt aan alles ten grondslag. Aan elke zucht, elke uitroep, elk gebed en elk gekerm ligt een innerlijke, aan den lijve ondervonden kennis van de ernstige en verontrustende ziekte van de zonde ten grondslag. Als iemand daarom niet vanbinnen zelf de ellendige ziekte voelt waarmee hij besmet is van zijn hoofdschedel tot zijn voetzool toe, durf ik te beweren dat er nooit een geestelijk kreunen, uitroepen of zuchten uit zijn hart opkomt.
Laten we eens kijken naar de verschillende kwalen waarmee Gods kinderen zich besmet weten. Er is de ziekte van blindheid. Dat is wat de mens van nature niet aanvoelt. Toen de Heere de Farizeeërs hun toestand en gesteldheid uitlegde, stonden zij daar toen voor open?
Dit was hun antwoord: „Wij zien”; daarom zei de Heere: „Uw zonde blijft.” Ze kenden de vreselijke ziekte van blindheid niet. Ze dachten dat ze zagen en waren er volkomen van overtuigd dat ze alles wisten wat ze moesten weten. Maar Gods kinderen leren beseffen hoe blind ze zijn, en dat ze helemaal niets kunnen zien, tenzij het de Heere behaagt hun ogen met Zijn goddelijke ogenzalf te zalven. Zo kunnen ze niet zien wat of waar ze zijn. Ze zien niet de betekenis van enig deel van Gods waarheid, en ook niet de heerlijkheid en schoonheid van Jezus. Ze kunnen Zijn heerlijke Persoon, Zijn verzoenend bloed, Zijn rechtvaardigende gerechtigheid, Zijn stervende liefde en Zijn zoete geschiktheid niet zien, en ook niet de dierbaarheid van al Zijn verbondskenmerken en goddelijke ambten, terwijl ze zich, gebukt onder de ziekte van blindheid, voortslepen.
Lezen: Lukas 18:35-43
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd of u de kwaal van de zonde vanbinnen hebt leren voelen. Het is geen lichte zaak te ontdekken dat men besmet is van de hoofdschedel tot de voetzool toe. Toch is dat juist de grond van elke zucht en elk gebed dat uit een ontdekt hart opkomt. Wie, zoals de Farizeeërs, zegt: „Wij zien”, blijft in zijn zonde. Maar wie zijn blindheid leert kennen, is niet ver van de Geneesmeester.
Voelt u zich dan arm en blind, zodat u Zijn heerlijke Persoon, Zijn verzoenend bloed en Zijn liefde niet kunt zien zoals u dat zou willen? Sleept u zich gebukt voort onder die ziekte? Wanhoop dan niet. Het is de Heere Die u dit heeft doen beseffen, en het is dezelfde Heere Die uw ogen met Zijn goddelijke ogenzalf kan zalven. Breng uw kwaal daarom bij Hem en roep: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
There is the knowledge of the grievous and alarming malady of sin, and this lies at the root of all. At the root of every sigh, every cry, every prayer and every groan lies an inward, experimental knowledge of the grievous and alarming disease of sin. If a man, therefore, does not feel within himself the wretched disease with which he is infected from the crown of the head to the sole of the foot, I venture to affirm that no spiritual groan, cry or sigh ever comes up out of his heart.
Let us look, then, at the various maladies with which God’s children know themselves to be infected. There is the disease of blindness. That is what man by nature does not feel. When the Lord explained to the Pharisees their state and condition, were they open to it?
This was their answer, “We see”; therefore the Lord said, “Your sin remaineth.” They knew nothing of the dreadful disease of blindness. They thought they saw, and were fully persuaded that they knew all they needed to know. But God’s children learn to feel how blind they are, and that they can see nothing at all, unless it please the Lord to anoint their eyes with His divine eyesalve. Thus they cannot see what or where they are.
They do not see the meaning of any part of God’s truth, nor the glory and beauty of Jesus. They cannot see His glorious Person, His atoning blood, His justifying righteousness, His dying love and His sweet suitability, nor the preciousness of all His covenant characters and divine offices, while they drag themselves along, bowed down under the disease of blindness.
Reading: Luke 18:35-43
To the reader…
Today you are asked whether you have learned to feel within the malady of sin. It is no light thing to discover that one is infected from the crown of the head to the sole of the foot. Yet that is the very ground of every sigh and every prayer that rises from a heart that has been shown its true state. Whoever says, like the Pharisees, “We see,” remains in his sin. But whoever learns to know his blindness is not far from the Physician.
Do you feel poor and blind, then, so that you cannot see His glorious Person, His atoning blood and His love as you would wish? Do you drag yourself along, bowed down under that disease? Then do not despair. It is the Lord Who has made you feel this, and it is the same Lord Who can anoint your eyes with His divine eyesalve. So bring your malady to Him and cry, “Heal me, O LORD, and I shall be healed.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Existe el conocimiento de la grave y alarmante enfermedad del pecado, y esto está en la raíz de todo. En la raíz de cada suspiro, cada clamor, cada oración y cada gemido yace un conocimiento interior y experimental de la grave y alarmante enfermedad del pecado. Si un hombre, por tanto, no siente dentro de sí la miserable enfermedad de la que está infectado desde la coronilla de la cabeza hasta la planta del pie, me atrevo a afirmar que ningún gemido, clamor ni suspiro espiritual sube jamás de su corazón.
Miremos, pues, las diversas enfermedades de las que los hijos de Dios se saben infectados. Está la enfermedad de la ceguera. Eso es lo que el hombre por naturaleza no siente. Cuando el Señor explicó a los fariseos su estado y condición, ¿estaban abiertos a ello?
Esta fue su respuesta: “Vemos”; por eso el Señor dijo: “Vuestro pecado permanece”. No sabían nada de la terrible enfermedad de la ceguera. Pensaban que veían, y estaban plenamente persuadidos de que sabían todo lo que necesitaban saber. Pero los hijos de Dios aprenden a sentir cuán ciegos están, y que no pueden ver nada en absoluto, a menos que plazca al Señor ungir sus ojos con Su colirio divino. Así no pueden ver qué son ni dónde están.
No ven el sentido de ninguna parte de la verdad de Dios, ni la gloria y hermosura de Jesús. No pueden ver Su gloriosa Persona, Su sangre expiatoria, Su justicia justificadora, Su amor hasta la muerte y Su dulce idoneidad, ni lo precioso de todos Sus caracteres de pacto y oficios divinos, mientras se arrastran encorvados bajo la enfermedad de la ceguera.
Lectura: Lucas 18:35-43
Al lector…
Hoy se le pregunta si ha aprendido a sentir por dentro la enfermedad del pecado. No es cosa ligera descubrir que uno está infectado desde la coronilla de la cabeza hasta la planta del pie. Sin embargo, ese es precisamente el fundamento de cada suspiro y cada oración que sube de un corazón al que se le ha mostrado su verdadero estado. Quien dice, como los fariseos: “Vemos”, permanece en su pecado. Pero quien aprende a conocer su ceguera no está lejos del Médico.
¿Se siente, pues, pobre y ciego, de modo que no puede ver Su gloriosa Persona, Su sangre expiatoria y Su amor como quisiera? ¿Se arrastra encorvado bajo esa enfermedad? Entonces no se desespere. Es el Señor quien le ha hecho sentir esto, y es el mismo Señor quien puede ungir sus ojos con Su colirio divino. Lleve, pues, su enfermedad a Él y clame: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De oprechten gaat het licht op in de duisternis.
Psalm 112:4
Wij gaan menigmaal op zulke duistere paden, dat wij het spoor geheel bijster zijn en in de gewaarwording verkeren dat er evenmin genade in onze ziel is als bij iemand die geheel dood is in de zonde en in de misdaden. En of wij nu terugblikken in het verleden, of het tegenwoordige beschouwen, of onze ogen slaan in de toekomst, er schijnt een donkere wolk over alles te liggen. Ook kunnen wij met al ons onderzoek niet tot onze bevrediging bespeuren dat wij een greintje ware godsdienst of een stofje genade of levendige godzaligheid bezitten, of enig bewijs dat de Geest Gods onze consciëntie met Zijn vinger heeft aangeraakt.
Welnu, wanneer wij ons in deze donkere verlatenheid bevinden, hebben wij licht nodig. Wij hebben nodig dat de gezegende Zon der gerechtigheid over ons opgaat; wij hebben nodig dat de Zuidenwind een hemelse koelte over onze zielen blaast en de mist verdrijft; wij hebben nodig dat het wolkendek breekt en het licht van Gods aanschijn in onze zielen schijnt, opdat wij weten mogen waar en wat wij zijn, en het ons duidelijk worde dat, hoe laag en onrein wij ook zijn, wij nochtans deel hebben in de liefde des Vaders, in het bloed des Zoons en in de onderwijzingen des Heiligen Geestes.
En wanneer Zijn Woord begint te druppen als de regen en te vloeien als de dauw, wanneer het de Heere behaagt een vriendelijk bewijs, een woordje of een vriendelijke wenk in ons hart te brengen, wat een verandering heeft dan plaats! De wolken scheiden zich vaneen, de mist klaart op, de dampen verdwijnen, en de ziel wordt zoetelijk overreed van haar aandeel in het bloed en de liefde van het Lam.
Aan de lezer…
Weet u geen weg meer, en bent u het spoor geheel bijster? Ziet u terug, rondom en vooruit, en ligt er over alles een donkere wolk? Kunt u met al uw onderzoek geen greintje genade in uzelf ontdekken, zodat u vreest dat u nog dood bent in de zonden? Weet dan dat zulke duistere paden ook door de oprechten betreden worden, en dat het niet aan u is het licht te doen opgaan.
Hier helpt geen eigen kracht; u hebt licht nodig, en dat licht moet van boven komen. Maar de belofte staat: „De oprechten gaat het licht op in de duisternis.” Eén woordje van de Heere, één vriendelijke wenk in het hart, en de wolken scheiden zich, de mist klaart op. Wacht dan op Hem, Wiens Woord druppelt als de regen en vloeit als de dauw. Hoe laag en onrein u ook bent, Hij kan uw ziel zoetelijk overreden van haar aandeel in het bloed en de liefde van het Lam.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De oprechten gaat het licht op in de duisternis.
Psalm 112:4
Wij gaan vaak over zulke duistere paden dat wij het spoor helemaal bijster zijn. Dan hebben wij het gevoel dat er evenmin genade in onze ziel is als bij iemand die geheel dood is in de zonden en de misdaden. En of wij nu terugkijken naar het verleden, het heden beschouwen of onze ogen op de toekomst richten, er lijkt een donkere wolk over alles te liggen. Ook kunnen wij met al ons onderzoek niet tot onze voldoening ontdekken dat wij een greintje ware godsdienst bezitten, een stofje genade of levende godzaligheid, of enig bewijs dat de Geest van God ons geweten met Zijn vinger heeft aangeraakt.
Welnu, wanneer wij in deze donkere verlatenheid verkeren, hebben wij licht nodig. Wij hebben nodig dat de gezegende Zon der gerechtigheid over ons opgaat. Wij hebben nodig dat de zuidenwind een hemelse koelte over onze ziel blaast en de mist verdrijft. Wij hebben nodig dat het wolkendek breekt en het licht van Gods aangezicht in onze ziel schijnt, zodat wij mogen weten waar en wat wij zijn. Dan wordt het ons duidelijk dat wij, hoe laag en onrein wij ook zijn, toch deel hebben aan de liefde van de Vader, aan het bloed van de Zoon en aan het onderwijs van de Heilige Geest.
En wanneer Zijn Woord begint te druppelen als de regen en te vloeien als de dauw, wanneer het de Heere behaagt een vriendelijk bewijs, een woordje of een vriendelijke wenk in ons hart te brengen, wat een verandering vindt er dan plaats! De wolken gaan uiteen, de mist trekt op, de dampen verdwijnen, en de ziel wordt op zoete wijze overtuigd van haar deel aan het bloed en de liefde van het Lam.
Aan de lezer…
Weet u geen weg meer, en bent u het spoor helemaal bijster? Kijkt u terug, om u heen en vooruit, en ligt er over alles een donkere wolk? Kunt u met al uw onderzoek geen greintje genade in uzelf ontdekken, zodat u vreest dat u nog dood bent in de zonden? Weet dan dat zulke duistere paden ook door de oprechten betreden worden, en dat het niet aan u is om het licht te laten opgaan.
Hier helpt geen eigen kracht; u hebt licht nodig, en dat licht moet van boven komen. Maar de belofte staat: „De oprechten gaat het licht op in de duisternis.” Eén woordje van de Heere, één vriendelijke wenk in het hart, en de wolken gaan uiteen, de mist trekt op. Wacht dan op Hem, Wiens Woord druppelt als de regen en vloeit als de dauw. Hoe laag en onrein u ook bent, Hij kan uw ziel op zoete wijze overtuigen van haar deel aan het bloed en de liefde van het Lam.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Unto the upright there ariseth light in the darkness.”
Psalm 112:4
We often get into such dark paths, that we seem altogether out of the ways of God, and feel as if there were no more grace in our souls, than in one altogether dead in trespasses and sins. And whether we look back at the past, or view the present, or turn our eyes to the future, one dark cloud seems to rest upon the whole; nor can we, with all our searching, find to our satisfaction that we have one spark of true religion, or one atom of grace, or one grain of vital godliness, or any trace that the Spirit of God has touched our consciences with His finger.
Now, when we are in this dark, benighted state, we need light; we need the blessed Sun of righteousness to arise; we need the south wind to blow a heavenly gale, and drive the mists away; we need the clouds to part, and the light of God’s countenance to shine into our souls, so as to show us where we are, and what we are, and make it clear, that base and vile as we are, yet that we have a saving interest in the love of the Father, the blood of the Son, and the teachings of the Holy Spirit.
And when His Word begins to distill like the rain and to drop like the dew, when the Lord Himself is pleased to speak home one sweet testimony, one little word, one kind intimation—what a change it makes! The clouds break away, the fog clears off, the mists dissolve, and the soul becomes sweetly persuaded of its saving interest in the blood and love of the Lamb.
To the reader…
Are you at your wits’ end, and have you lost the track altogether? Do you look back, around you, and ahead, and does a dark cloud rest over everything? Can you, with all your searching, discover no grain of grace in yourself, so that you fear you are still dead in sins? Know, then, that such dark paths are trodden by the upright too, and that it is not up to you to make the light arise.
No strength of your own helps here; you need light, and that light must come from above. But the promise stands: “Unto the upright there ariseth light in the darkness.” One little word from the Lord, one kind intimation in the heart, and the clouds break apart, the mist lifts. Wait, then, upon Him, Whose Word drops as the rain and distils as the dew. However base and vile you may be, He can sweetly persuade your soul of its interest in the blood and love of the Lamb.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Resplandeció en las tinieblas luz a los rectos.
Salmo 112:4
Con frecuencia entramos en sendas tan oscuras que parecemos estar del todo fuera de los caminos de Dios, y sentimos como si no hubiera más gracia en nuestra alma que en uno que está enteramente muerto en delitos y pecados. Y ya sea que miremos atrás al pasado, o consideremos el presente, o volvamos los ojos al futuro, una nube oscura parece descansar sobre todo; ni podemos, con todo nuestro buscar, hallar a nuestra satisfacción que tengamos una chispa de verdadera religión, o un átomo de gracia, o un grano de piedad vital, o huella alguna de que el Espíritu de Dios haya tocado nuestra conciencia con Su dedo.
Ahora bien, cuando estamos en este estado oscuro y entenebrecido, necesitamos luz; necesitamos que el bendito Sol de justicia se levante; necesitamos que el viento del sur sople una brisa celestial y disipe las brumas; necesitamos que las nubes se abran y que la luz del rostro de Dios brille en nuestra alma, para mostrarnos dónde estamos y qué somos, y dejar claro que, por bajos y viles que seamos, tenemos sin embargo una parte salvadora en el amor del Padre, la sangre del Hijo y las enseñanzas del Espíritu Santo.
Y cuando Su Palabra comienza a destilar como la lluvia y a caer como el rocío, cuando el Señor mismo se complace en hablar al corazón un dulce testimonio, una pequeña palabra, una bondadosa insinuación, ¡qué cambio produce! Las nubes se deshacen, la niebla se aclara, las brumas se disuelven, y el alma llega a estar dulcemente persuadida de su parte salvadora en la sangre y el amor del Cordero.
Al lector…
¿Está usted al límite de sus fuerzas y ha perdido del todo el rastro? ¿Mira atrás, alrededor y adelante, y descansa una nube oscura sobre todo? ¿No puede, con todo su buscar, descubrir en sí mismo ni un grano de gracia, de modo que teme estar aún muerto en pecados? Sepa, entonces, que también los rectos andan por tales sendas oscuras, y que no le corresponde a usted hacer que la luz se levante.
Ninguna fuerza propia sirve aquí; usted necesita luz, y esa luz ha de venir de lo alto. Pero la promesa permanece: “Resplandeció en las tinieblas luz a los rectos.” Una pequeña palabra del Señor, una bondadosa insinuación en el corazón, y las nubes se abren, la bruma se levanta. Espere, pues, en Aquel cuya Palabra cae como la lluvia y destila como el rocío. Por bajo y vil que usted sea, Él puede persuadir dulcemente a su alma de su parte en la sangre y el amor del Cordero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl