5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Indien wij het gevoelen, dat wij onze eigen zielen hebben verdorven, dat geen menselijke arm ons kan redden, dat wij geen zaligheid in ons eigen geweten kunnen brengen, noch van ons enige schoonheid, heerlijkheid, liefelijkheid of overeenkomst in de Heere Jezus Christus zien, en toch worstelen in smeking en gebeden om de zoom van Zijn kleed aan te raken, de zoetheid van Zijn stervende liefde te smaken, de kracht van Zijn verzoenend bloed te voelen, gewikkeld te worden in het heerlijke kleed der gerechtigheid, en Hem te kennen in de liefelijke openbaringen Zijner genade, kunnen wij ook zeggen: „Behoud mij, Heere, zo zal ik behouden zijn.”
Hier is deze zonde! red mij; hier is deze valstrik! verbrijzel hem; hier is deze lust! Heere, dood hem; hier is deze verzoeking! verlos mij ervan; hier is mijn trotse hart! Heere, verneder het; mijn ongelovig hart! neem het weg, en geef mij geloof; geef mij onderwerping aan Uw zin en wil; neem mij, zoals ik ben, met al mijn zonde en schande, en werk in mij alles wat welbehagelijk is in Uw oog, want „Gij zijt mijn lof.”
Indien ik U ooit geprezen heb, is het voor Uw goedheid aan mijn ziel betoond; indien mijn hart ooit tot Uw lof gestemd was, indien mijn lippen U ooit gedankt hebben, is het geweest voor de rijkdom Uwer genade en de openbaringen Uwer goedertierenheid. Ik ben niets en zal nooit iets anders zijn dan een schuldig zondaar in Uw ogen; maar ik moet U prijzen voor alles wat voorbij is, en op U hopen voor alles wat nog komt; „want Gij, en Gij alleen, o Heere! zijt mijn lof.”
Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven,
U prijz’ ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,
want goed is d’ Oppermajesteit:
zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Ps. 118:14
Aan de lezer…
Voelt u dat u uw eigen ziel verdorven hebt, en dat geen menselijke arm u redden kan? Ziet u in uzelf niets dan zonde en schande, en worstelt u toch om de zoom van Zijn kleed aan te raken? Waarde lezer, dan mag u met de profeet zeggen: „Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden.”
Breng Hem dan alles, één voor één: deze zonde, deze valstrik, deze verzoeking, dit trotse en ongelovige hart. Vraag niet eerst beter te worden, maar zeg: neem mij zoals ik ben. Hij geneest en Hij behoudt. En als u terugziet, zult u moeten erkennen dat elke lofzang die ooit uit uw hart opkwam, haar oorsprong had in Zijn goedheid en niet in uw waardigheid. Prijs Hem dan voor alles wat voorbij is, en hoop op Hem voor alles wat nog komt, want Hij alleen is uw lof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Wanneer wij voelen dat wij onze eigen ziel verdorven hebben, dat geen menselijke arm ons kan redden en dat wij geen zaligheid in ons eigen geweten kunnen brengen; wanneer wij in onszelf geen enkele schoonheid, heerlijkheid, lieflijkheid of overeenkomst met de Heere Jezus Christus zien, en toch worstelen in smeekbeden en gebeden om de zoom van Zijn kleed aan te raken, de zoetheid van Zijn stervende liefde te smaken, de kracht van Zijn verzoenend bloed te voelen, gehuld te worden in het heerlijke kleed van de gerechtigheid, en Hem te kennen in de lieflijke openbaringen van Zijn genade, dan kunnen ook wij zeggen: „Behoud mij, Heere, zo zal ik behouden zijn.”
Hier is deze zonde: red mij! Hier is deze valstrik: verbreek hem! Hier is deze begeerte: Heere, dood haar! Hier is deze verzoeking: verlos mij ervan! Hier is mijn trotse hart: Heere, verneder het! Mijn ongelovig hart: neem het weg en geef mij geloof! Geef mij onderwerping aan Uw zin en wil. Neem mij zoals ik ben, met al mijn zonde en schande, en werk in mij alles wat welbehaaglijk is in Uw oog, want „Gij zijt mijn lof.”
Als ik U ooit geprezen heb, dan was het om Uw goedheid die U aan mijn ziel bewezen hebt. Als mijn hart ooit gestemd was tot Uw lof, als mijn lippen U ooit gedankt hebben, dan was het om de rijkdom van Uw genade en de openbaringen van Uw goedertierenheid. Ik ben niets en zal in Uw ogen nooit iets anders zijn dan een schuldig zondaar. Maar ik moet U prijzen voor alles wat voorbij is en op U hopen voor alles wat nog komt, „want Gij, en Gij alleen, o Heere! zijt mijn lof.”
Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven,
U prijz’ ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,
want goed is d’ Oppermajesteit:
zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Ps. 118:14
Aan de lezer…
Voelt u dat u uw eigen ziel verdorven hebt en dat geen menselijke arm u kan redden? Ziet u in uzelf niets dan zonde en schande, en worstelt u toch om de zoom van Zijn kleed aan te raken? Dan mag u met de profeet zeggen: „Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden.”
Breng Hem dan alles, één voor één: deze zonde, deze valstrik, deze verzoeking, dit trotse en ongelovige hart. Vraag niet eerst om beter te worden, maar zeg: neem mij zoals ik ben. Hij geneest en Hij behoudt. En wanneer u terugkijkt, zult u moeten erkennen dat elke lofzang die ooit uit uw hart opkwam, haar oorsprong had in Zijn goedheid en niet in uw waardigheid. Prijs Hem dan voor alles wat voorbij is, en hoop op Hem voor alles wat nog komt, want Hij alleen is uw lof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
If we feel that we have ruined our own souls, that no human arm can save us, that we cannot bring salvation into our own consciences, nor of ourselves see any beauty, glory, sweetness, or suitability in the Lord Jesus Christ, and yet are striving with prayer and supplication to touch the hem of His garment, to taste the sweetness of His dying love, to feel the efficacy of His atoning blood, to be wrapped up in His glorious robe of righteousness, and to know Him in the sweet manifestations of His grace, we too can say, “Save me, and I shall be saved.”
Here is this sin! save me from it—here is this snare! break it to pieces; here is this lust! Lord, subdue it; here is this temptation! deliver me out of it; here is my proud heart! Lord, humble it; my unbelieving heart! take it away, and give me faith; give me submission to your mind and will; take me as I am with all my sin and shame and work in me everything well-pleasing in your sight, for “You are my praise.”
If ever I have blessed you, it has been for your goodness to my soul; if ever my heart has been tuned to your praise, if ever my lips have thanked you, it has been for the riches of your grace, and the manifestations of your mercy. I am nothing, and never shall be anything but a poor guilty sinner in your eyes; but I have to praise you for all that is past, and to hope in you for all that is to come; “for you,” and you alone, O Lord, “are my praise.”
To the reader…
Do you feel that you have ruined your own soul and that no human arm can save you? Do you see nothing in yourself but sin and shame, and yet do you strive to touch the hem of His garment? Then you may say with the prophet, “Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved.”
Then bring Him everything, one by one: this sin, this snare, this temptation, this proud and unbelieving heart. Do not first ask to become better, but say: take me as I am. He heals and He saves. And when you look back, you will have to acknowledge that every song of praise that ever rose from your heart had its source in His goodness and not in your worthiness. Praise Him, then, for all that is past, and hope in Him for all that is to come, for He alone is your praise.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Si sentimos que hemos arruinado nuestras propias almas, que ningún brazo humano puede salvarnos, que no podemos traer la salvación a nuestra propia conciencia, ni ver por nosotros mismos ninguna hermosura, gloria, dulzura o idoneidad en el Señor Jesucristo, y sin embargo nos esforzamos con oración y ruego por tocar el borde de Su manto, por gustar la dulzura de Su amor hasta la muerte, por sentir la eficacia de Su sangre expiatoria, por ser envueltos en Su glorioso manto de justicia y por conocerle en las dulces manifestaciones de Su gracia, también nosotros podemos decir: “Sálvame, y seré salvo”.
¡Aquí está este pecado: sálvame de él! ¡Aquí está este lazo: hazlo pedazos! ¡Aquí está esta concupiscencia: Señor, sujétala! ¡Aquí está esta tentación: líbrame de ella! ¡Aquí está mi corazón orgulloso: Señor, humíllalo! ¡Mi corazón incrédulo: quítalo y dame fe! Dame sumisión a Tu mente y Tu voluntad; tómame como soy, con todo mi pecado y mi vergüenza, y obra en mí todo lo que sea agradable delante de Ti, porque “Tú eres mi alabanza”.
Si alguna vez te he bendecido, ha sido por Tu bondad para con mi alma; si alguna vez mi corazón ha sido templado para Tu alabanza, si alguna vez mis labios te han dado gracias, ha sido por las riquezas de Tu gracia y las manifestaciones de Tu misericordia. No soy nada, y nunca seré otra cosa que un pobre pecador culpable a Tus ojos; pero tengo que alabarte por todo lo pasado y esperar en Ti para todo lo venidero; “porque Tú”, y solo Tú, oh Señor, “eres mi alabanza”.
Al lector…
¿Siente usted que ha arruinado su propia alma y que ningún brazo humano puede salvarle? ¿No ve en sí mismo nada sino pecado y vergüenza, y sin embargo se esfuerza por tocar el borde de Su manto? Entonces puede decir con el profeta: “Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo”.
Tráigale entonces todo, una cosa tras otra: este pecado, este lazo, esta tentación, este corazón orgulloso e incrédulo. No pida primero llegar a ser mejor, sino diga: tómame como soy. Él sana y Él salva. Y cuando mire atrás, tendrá que reconocer que todo canto de alabanza que alguna vez subió de su corazón tuvo su fuente en Su bondad y no en su dignidad. Alábele, pues, por todo lo pasado, y espere en Él para todo lo venidero, porque solo Él es su alabanza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het lijden en sterven van Christus
En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.
Luk. 24:21
Wat moet de dood van Jezus het geloof van Zijn discipelen en gelovige volgelingen op de proef hebben gesteld! Toen hun Heere en Meester stierf, scheen hun hoop, in ieder geval even, bijna met Hem te zijn gestorven. Dit blijkt uit de woorden van de twee discipelen die naar Emmaüs reisden: „En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.” Wat bracht het hun geloof aan het wankelen dat de Heere des levens ter dood werd gebracht; de Koning der ere in schaamte en schande werd gehuld; en dat Degene Die de hemel der hemelen niet zou bevatten, in een klein graf kwam te liggen!
Maar er komt nog een gedachte op bij de geestelijke overpeinzing van dit vruchtbare onderwerp — de ogenschijnlijke overwinning van het kwade en de krachten van het duister door de dood en begrafenis van de Heere Jezus. Het gezonde verstand gaf in dat waarheid, heiligheid en onschuld alle werden verpletterd door de arm van het geweld toen Jezus aan het kruis hing. Voor de toeschouwer werden al Zijn wonderen van liefde en barmhartigheid, Zijn woorden van genade en waarheid, Zijn heilige smetteloze leven, Zijn belijdenis de Zoon van God, de beloofde Messias, de Verlosser van Israël te zijn, met elke belofte en elke voorspelling over Hem, alle uitgedoofd toen Hij, tijdens de triomf van Zijn vijanden, Zijn laatste adem uitblies.
We begrijpen nu dat door Zijn bloed te vergieten en te sterven de lieve Heere verlossing tot stand bracht, het werk volbracht dat de Vader Hem had opgedragen, de zonde uitbande door Zichzelf te offeren, de Kerk met God verzoende, zegevierde over dood en hel, de satan overwon, de wet onderhield en heerlijk maakte, gerechtigheid loofde, barmhartigheid deed, alle botsende eigenschappen verenigde, Zijn hemelse Vader verheerlijkte, en miljoenen verloste met een eeuwige verlossing. Maar als we dit hadden gezien zoals we het nu zien, als we aan het kruis hadden gestaan met de huilende Maria en een diepbedroefde Johannes, het geschimp en gehoon hadden gehoord van de Farizeeën en Schriftgeleerden, het ruwe gelach van de Romeinse soldaten, en het spottende geschreeuw van de joodse menigte, de donker geworden hemel hadden gezien, en de vaste grond onder onze voeten hadden voelen schudden? Wat zou er met ons geloof zijn gebeurd? Wat behalve een wonder van de Almachtige genade en kracht zou het in stand hebben kunnen houden te midden van zulke donkere wolken, zo’n kracht van het verstand, zo’n menigte tegenstrijdige hartstochten, zo’n tegenwerking van ongeloof?
Lezen: Lukas 24:13-35
Aan de lezer…
Er zijn tijden waarin ook u met die twee bedroefde discipelen moet zeggen: „En wij hoopten…” Was er een tijd dat het scheen alsof uw hoop met al uw verwachtingen begraven werd, en het kwade de overhand kreeg? Dan bent u niet de eerste. Toen de Heere des levens ter dood gebracht werd en de Koning der ere in een klein graf lag, wankelde het geloof van Zijn eigen volgelingen. Het verstand zag niets dan nederlaag.
En toch was het juist daar dat de verlossing volbracht werd, de zonde uitgebannen en de satan overwonnen. Wat voor het oog het einde scheen, was het werk dat de Vader Hem had opgedragen. Laat dit u bemoedigen in uw donkere uren. Uw geloof wordt niet in stand gehouden door wat u ziet, maar door een wonder van de almachtige genade. Die het geloof van die verslagen discipelen niet liet sterven, zal ook het uwe dragen te midden van donkere wolken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.
Luk. 24:21
Wat moet de dood van Jezus het geloof van Zijn discipelen en gelovige volgelingen op de proef hebben gesteld! Toen hun Heere en Meester stierf, scheen hun hoop, in elk geval voor even, bijna met Hem gestorven te zijn. Dat blijkt uit de woorden van de twee discipelen die naar Emmaüs reisden: „En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.” Hoe moest het hun geloof doen wankelen dat de Heere van het leven ter dood werd gebracht, dat de Koning der ere met smaad en schande werd overladen, en dat Hij Die de hemel der hemelen niet kan bevatten, in een klein graf kwam te liggen!
Maar bij de geestelijke overdenking van dit vruchtbare onderwerp komt nog een gedachte op: de schijnbare overwinning van het kwaad en van de machten van de duisternis door de dood en de begrafenis van de Heere Jezus. Het natuurlijke verstand zei dat waarheid, heiligheid en onschuld alle werden verpletterd door de arm van het geweld toen Jezus aan het kruis hing. Voor de toeschouwer werd alles uitgedoofd toen Hij, terwijl Zijn vijanden triomfeerden, Zijn laatste adem uitblies. Al Zijn wonderen van liefde en barmhartigheid, Zijn woorden van genade en waarheid, Zijn heilig en smetteloos leven, Zijn belijdenis de Zoon van God, de beloofde Messias, de Verlosser van Israël te zijn, met elke belofte en elke voorzegging over Hem: het scheen allemaal gedoofd.
We begrijpen nu dat de dierbare Heere door Zijn bloed te vergieten en te sterven de verlossing tot stand bracht. Hij volbracht het werk dat de Vader Hem had opgedragen, deed de zonde weg door Zichzelf te offeren, verzoende de Kerk met God, zegevierde over dood en hel, overwon de satan, hield de wet en maakte haar heerlijk, eerde de gerechtigheid, bewees barmhartigheid, verenigde alle schijnbaar strijdige eigenschappen, verheerlijkte Zijn hemelse Vader en verloste miljoenen met een eeuwige verlossing. Maar stel dat wij dit niet hadden gezien zoals we het nu zien. Stel dat wij bij het kruis hadden gestaan met de wenende Maria en een diepbedroefde Johannes, en het geschimp en gehoon van de Farizeeën en Schriftgeleerden hadden gehoord, het ruwe gelach van de Romeinse soldaten en het spottende geschreeuw van de Joodse menigte, en dat we de donker geworden hemel hadden gezien en de vaste grond onder onze voeten hadden voelen schudden. Wat zou er dan met ons geloof gebeurd zijn? Wat anders dan een wonder van almachtige genade en kracht had het in stand kunnen houden te midden van zulke donkere wolken, zo’n macht van het verstand, zo’n menigte van tegenstrijdige hartstochten, zo’n tegenwerking van het ongeloof?
Lezen: Lukas 24:13-35
Aan de lezer…
Er zijn tijden waarin ook u met die twee bedroefde discipelen moet zeggen: „En wij hoopten…” Was er een tijd dat het scheen alsof uw hoop met al uw verwachtingen begraven werd, en het kwaad de overhand kreeg? Dan bent u niet de eerste. Toen de Heere van het leven ter dood gebracht werd en de Koning der ere in een klein graf lag, wankelde het geloof van Zijn eigen volgelingen. Het verstand zag niets dan nederlaag.
En toch werd juist daar de verlossing volbracht, de zonde weggedaan en de satan overwonnen. Wat voor het oog het einde leek, was het werk dat de Vader Hem had opgedragen. Laat dit u bemoedigen in uw donkere uren. Uw geloof wordt niet in stand gehouden door wat u ziet, maar door een wonder van de almachtige genade. Hij Die het geloof van die verslagen discipelen niet liet sterven, zal ook het uwe dragen te midden van donkere wolken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we trusted that it had been He which should have redeemed Israel.
Luke 24:21
How the death of Jesus must have tried the faith of His disciples and believing followers! When their Lord and Master died, their hope seemed, at least for a time, almost to have died with Him. That appears from the words of the two disciples who journeyed to Emmaus: “But we trusted that it had been He which should have redeemed Israel.” How it must have shaken their faith that the Lord of life was put to death, that the King of glory was loaded with reproach and shame, and that He Whom the heaven of heavens cannot contain came to lie in a little tomb!
But in the spiritual contemplation of this fruitful subject another thought arises: the apparent victory of evil and of the powers of darkness through the death and burial of the Lord Jesus. Natural reason said that truth, holiness and innocence were all crushed by the arm of violence when Jesus hung upon the cross. To the onlooker everything was extinguished when He, while His enemies triumphed, breathed His last. All His miracles of love and mercy, His words of grace and truth, His holy and spotless life, His profession to be the Son of God, the promised Messiah, the Redeemer of Israel, with every promise and every prophecy concerning Him: all seemed quenched.
We understand now that the precious Lord, by shedding His blood and dying, accomplished redemption. He finished the work which the Father gave Him to do, put away sin by the sacrifice of Himself, reconciled the Church to God, triumphed over death and hell, overcame Satan, kept the law and made it honourable, honoured justice, showed mercy, harmonised all seemingly conflicting attributes, glorified His heavenly Father, and redeemed millions with an everlasting redemption. But suppose we had not seen this as we now see it.
Suppose we had stood by the cross with the weeping Mary and a deeply sorrowing John, and had heard the railing and taunts of the Pharisees and scribes, the rough laughter of the Roman soldiers and the mocking cries of the Jewish crowd, and had seen the darkened sky and felt the solid ground shake beneath our feet. What would then have become of our faith? What but a miracle of almighty grace and power could have upheld it amid such dark clouds, such force of reason, such a host of conflicting passions, such opposition of unbelief?
Reading: Luke 24:13-35
To the reader…
There are times when you, too, must say with those two sorrowing disciples, “But we trusted…” Was there a time when it seemed as if your hope was buried with all your expectations, and evil gained the upper hand? Then you are not the first. When the Lord of life was put to death and the King of glory lay in a little tomb, the faith of His own followers wavered. Reason saw nothing but defeat.
And yet it was just there that redemption was accomplished, sin put away and Satan overcome. What to the eye seemed the end was the work the Father had given Him to do. Let this encourage you in your dark hours. Your faith is not upheld by what you see, but by a miracle of almighty grace. He Who did not let the faith of those downcast disciples die will also bear up yours amid dark clouds.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas nosotros esperábamos que Él era el que había de redimir a Israel.
Lucas 24:21
¡Cómo debió de probar la muerte de Jesús la fe de Sus discípulos y seguidores creyentes! Cuando murió su Señor y Maestro, su esperanza pareció, al menos por un tiempo, haber muerto casi con Él. Así se ve en las palabras de los dos discípulos que iban de camino a Emaús: “Mas nosotros esperábamos que Él era el que había de redimir a Israel”. ¡Cómo debió de sacudir su fe que el Señor de la vida fuera muerto, que el Rey de gloria fuera cargado de oprobio y vergüenza, y que Aquel a Quien los cielos de los cielos no pueden contener llegara a yacer en un pequeño sepulcro!
Pero en la contemplación espiritual de este fructífero tema surge otro pensamiento: la aparente victoria del mal y de los poderes de las tinieblas por la muerte y la sepultura del Señor Jesús. La razón natural decía que la verdad, la santidad y la inocencia fueron todas aplastadas por el brazo de la violencia cuando Jesús colgaba de la cruz. Para el espectador todo se apagó cuando Él, mientras Sus enemigos triunfaban, exhaló Su último aliento. Todos Sus milagros de amor y misericordia, Sus palabras de gracia y verdad, Su vida santa e inmaculada, Su declaración de ser el Hijo de Dios, el Mesías prometido, el Redentor de Israel, con toda promesa y toda profecía acerca de Él: todo pareció extinguirse.
Ahora comprendemos que el precioso Señor, al derramar Su sangre y morir, consumó la redención. Acabó la obra que el Padre le dio que hiciese, quitó el pecado por el sacrificio de Sí mismo, reconcilió a la Iglesia con Dios, triunfó sobre la muerte y el infierno, venció a Satanás, guardó la ley y la engrandeció, honró la justicia, mostró misericordia, armonizó todos los atributos en apariencia opuestos, glorificó a Su Padre celestial y redimió a millones con una redención eterna. Pero supongamos que no lo hubiéramos visto como ahora lo vemos.
Supongamos que hubiéramos estado junto a la cruz con la llorosa María y un Juan profundamente entristecido, y hubiéramos oído los insultos y las burlas de los fariseos y escribas, las toscas risas de los soldados romanos y los gritos burlones de la multitud judía, y hubiéramos visto el cielo oscurecido y sentido temblar el suelo firme bajo nuestros pies. ¿Qué habría sido entonces de nuestra fe? ¿Qué, sino un milagro de gracia y poder omnipotentes, habría podido sostenerla en medio de nubes tan oscuras, de tal fuerza de la razón, de tal multitud de pasiones encontradas, de tal oposición de la incredulidad?
Lectura: Lucas 24:13-35
Al lector…
Hay momentos en que también usted tiene que decir con aquellos dos discípulos entristecidos: “Mas nosotros esperábamos…”. ¿Hubo un tiempo en que pareció como si su esperanza hubiera sido sepultada con todas sus expectativas, y el mal ganara la partida? Entonces no es usted el primero. Cuando el Señor de la vida fue muerto y el Rey de gloria yacía en un pequeño sepulcro, la fe de Sus propios seguidores vaciló. La razón no veía más que derrota.
Y sin embargo, fue precisamente allí donde se consumó la redención, se quitó el pecado y se venció a Satanás. Lo que a la vista parecía el fin era la obra que el Padre le había dado que hiciese. Que esto le anime en sus horas oscuras. Su fe no se sostiene por lo que ve, sino por un milagro de gracia omnipotente. El que no dejó morir la fe de aquellos discípulos abatidos sostendrá también la suya en medio de nubes oscuras.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en Uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Matth. 5:16
God te mogen verheerlijken is de hoogste eer der engelen. De blinkendste seraf voor de troon heeft geen hoger bedoeling, geen groter gelukzaligheid dan Zijn Naam de eer toe te brengen. En toch mag een arm zondaar op aarde God evenzeer verheerlijken, en in zeker opzicht nog meer dan de schitterendste engel in de zalen van eeuwige gelukzaligheid. Wat verschillen de gedachten Gods van de gedachten des mensen ten opzichte van de gebeurtenissen die op aarde plaatsvinden! Welke eer wordt God toegebracht voor al de behaalde overwinningen door het ene volk over een ander volk?
Ik heb weleens gedacht dat een arme, oude man, of een zwakke, afgeleefde vrouw, liggende op een strobed in een of ander werkhuis, strijdende tegen de zonde, tegen het eigen ik en de duivel, in staat gesteld wordende om te midden van al deze omstandigheden op de Heere Jezus te zien, en door een woord van Zijn lippen èn dood èn hel overwinnende; die, gestorven zijnde, in een ruwe olmen doodkist gelegd wordt om in een bedelaarsgraf aan de ontbinding te worden prijsgegeven, Gode meer eer toebrengt dan al de heldendaden van een Nelson of Wellington dit kunnen doen, en dat de overwinning van zulk één heerlijker is dan die van Trafalgar of Waterloo. Het is waar dat de ambtsbeden van de parochie zulk een overwinning niet zullen uitbazuinen, noch de klokken zullen luiden of de kanonnen zullen doen bulderen; maar de God van hemel en aarde zal meer eer worden toegebracht door zulk een veracht schepsel dan Hij ontvangen zal van al de generaals en admiraals die een leger in slagorde gesteld hebben of vijandelijke vloten in de wateren hebben doen ondergaan. „Waarlijk,” zegt de Heere, „Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet Mijn wegen.”
Het is inderdaad wonderlijk dat Zijn grote Naam eer zou worden toegebracht door hetgeen Zijn volk hier op aarde doet en lijdt; dat hun zwakke pogingen om in Hem te geloven, Hem te beminnen en op Hem te hopen, om goed van Zijn Naam te spreken en Zijn leerstellingen in hun leven door handel en wandel te versieren, zouden strekken tot Zijn eer en lof. Wonderlijk inderdaad is het, dat een arme, onbeduidende worm, die mogelijk door zijn medemens niet eens wordt aangezien of wordt voorbijgelopen met een schouderophalende minachting, dat zulk één de grote God, Die in de eeuwigheid woont en voor Wie de heilige engelen en serafijnen zich in heilige aanbidding nederbuigen, eer mag toebrengen. Wel mogen wij zeggen: „Wat zijn al de heerlijke heldendaden, waar de mensen zo prat op gaan, in vergelijking met de schat van heerlijkheid die Zijn lijdende heiligen Gode toebrengen?”
Gij moogt uzelf een van de ellendigste, vuilste en nooddruftigste wormen achten die op aarde zijn, maar indien gij gelooft in de Heere Jezus Christus met een levend geloof, op Zijn barmhartigheid hoopt, Zijn dierbare Naam bemint, en in uw beroep Zijn leer door een godzalig en bestendig leven versiert, dan zijt gij bevoorrecht boven prinsen en edelen, ja boven gekroonde hoofden en al de heerlijkheid des mensen, omdat gij Gode eer toebrengt. Het is om het even wat uw staat in dit leven is. Gij moogt een knecht of meester, vrouw, man of kind zijn, uw rang moge hoog of laag zijn, wat zij ook zijn mag, gij moogt daarin God de eer geven. Indien een knecht, gij doet dit door gehoorzaamheid, zindelijkheid, vlijt en opmerkzaamheid te tonen aan uw meester of meesteres. Indien een meester of meesteres, gij doet dit door vriendelijkheid en vrijgevigheid tegenover uw onderhorigen te bewijzen en door alles te doen om het juk der dienstbaarheid te verzachten.
Er is niet één christen, of hij mag God verheerlijken, in welke wereldse omstandigheden hij ook verkeert of zou komen te verkeren. Gode wordt heerlijkheid toegebracht door degenen die in Zijn vreze wandelen, en dikwijls meer nog door armen dan door rijken. Versier slechts de leer van God in alle opzichten en gij zult in alle opzichten God de eer geven.
Aan de lezer…
Denkt u soms, lezer, dat uw leven te klein en te onbeduidend is om voor God iets te betekenen? Dat u voorbijgelopen wordt en niemand naar u omziet? Bedenk dan hoezeer de gedachten Gods verschillen van de gedachten des mensen. Een arme, oude man op een strobed die, strijdende tegen de zonde en het eigen ik, op de Heere Jezus mag zien, brengt Gode meer eer toe dan alle heldendaden waarop de wereld zo prat gaat.
U mag u de nooddruftigste worm op aarde achten; gelooft u in Hem, hoopt u op Zijn barmhartigheid en bemint u Zijn dierbare Naam, dan mag u Hem verheerlijken, wat uw staat ook zij. Niet met klokgelui of kanongebulder, maar in de stille trouw van elke dag: in gehoorzaamheid, vlijt en vriendelijkheid. Laat zo uw licht schijnen, en uw Vader, Die in de hemelen is, zal eer ontvangen van uw zwakke, maar oprechte wandel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en Uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Matth. 5:16
God te mogen verheerlijken is de hoogste eer van de engelen. De stralendste seraf voor de troon heeft geen hoger doel en geen groter geluk dan Zijn Naam eer te brengen. En toch mag een arme zondaar op aarde God evengoed verheerlijken, en in zeker opzicht zelfs meer dan de schitterendste engel in de zalen van eeuwige gelukzaligheid. Wat verschillen de gedachten van God van de gedachten van de mens over de gebeurtenissen die op aarde plaatsvinden! Welke eer wordt God gebracht door alle overwinningen die het ene volk op het andere behaald heeft?
Ik heb weleens gedacht aan een arme, oude man of een zwakke, afgeleefde vrouw, liggend op een strobed in een of ander armenhuis, strijdend tegen de zonde, tegen het eigen ik en de duivel. Midden in al die omstandigheden wordt zo iemand in staat gesteld op de Heere Jezus te zien, en door een woord van Zijn lippen overwint hij zowel de dood als de hel. Na zijn sterven wordt hij in een ruwe iepenhouten doodkist gelegd om in een armengraf tot ontbinding te komen. Toch brengt zo iemand God meer eer toe dan alle heldendaden van een Nelson of een Wellington dat kunnen, en is zijn overwinning heerlijker dan die van Trafalgar of Waterloo.
Het is waar dat de ambtsdragers van de parochie zo’n overwinning niet zullen rondbazuinen; er zullen geen klokken luiden en geen kanonnen bulderen. Maar de God van hemel en aarde zal meer eer ontvangen van zo’n veracht schepsel dan van alle generaals en admiraals die een leger in slagorde hebben opgesteld of vijandelijke vloten in de golven hebben doen ondergaan. „Waarlijk,” zegt de Heere, „Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet Mijn wegen.”
Het is werkelijk wonderlijk dat Zijn grote Naam eer zou ontvangen door wat Zijn volk hier op aarde doet en lijdt. Hun zwakke pogingen om in Hem te geloven, Hem lief te hebben en op Hem te hopen, om goed van Zijn Naam te spreken en Zijn leer in hun leven door handel en wandel te versieren, dienen tot Zijn eer en lof. Wonderlijk is het inderdaad dat een arme, onbeduidende worm, die door zijn medemens misschien niet eens wordt aangekeken of met minachtend schouderophalen wordt voorbijgelopen, eer mag brengen aan de grote God, Die in de eeuwigheid woont en voor Wie de heilige engelen en serafs zich in heilige aanbidding neerbuigen. Wel mogen wij zeggen: „Wat zijn al de heerlijke heldendaden, waar de mensen zo prat op gaan, in vergelijking met de schat van heerlijkheid die Zijn lijdende heiligen Gode toebrengen?”
U mag uzelf een van de ellendigste, vuilste en armste wormen op aarde achten. Maar als u met een levend geloof in de Heere Jezus Christus gelooft, op Zijn barmhartigheid hoopt, Zijn dierbare Naam liefhebt en in uw beroep Zijn leer versiert door een godzalig en standvastig leven, dan bent u bevoorrecht boven prinsen en edelen, ja, boven gekroonde hoofden en alle heerlijkheid van de mens, omdat u God eer toebrengt. Het is om het even wat uw positie in dit leven is. U kunt knecht of meester zijn, vrouw, man of kind, uw rang kan hoog of laag zijn; wat die ook is, u mag daarin God de eer geven. Bent u een knecht, dan doet u dit door gehoorzaamheid, netheid, vlijt en oplettendheid tegenover uw meester of meesteres. Bent u een meester of meesteres, dan doet u dit door vriendelijkheid en vrijgevigheid te betonen aan wie onder u staan, en door alles te doen om het juk van de dienstbaarheid te verzachten.
Er is niet één christen of hij mag God verheerlijken, in welke aardse omstandigheden hij ook verkeert of zou komen te verkeren. God wordt verheerlijkt door hen die in Zijn vreze wandelen, en vaak meer nog door armen dan door rijken. Versier slechts de leer van God in alle opzichten, en u zult in alle opzichten God de eer geven.
Aan de lezer…
Denkt u soms dat uw leven te klein en te onbeduidend is om voor God iets te betekenen? Dat u voorbijgelopen wordt en niemand naar u omkijkt? Bedenk dan hoezeer de gedachten van God verschillen van de gedachten van de mens. Een arme, oude man op een strobed die, strijdend tegen de zonde en het eigen ik, op de Heere Jezus mag zien, brengt God meer eer toe dan alle heldendaden waarop de wereld zo prat gaat.
U mag uzelf de armste worm op aarde achten; maar gelooft u in Hem, hoopt u op Zijn barmhartigheid en hebt u Zijn dierbare Naam lief, dan mag u Hem verheerlijken, wat uw positie ook is. Niet met klokgelui of kanongebulder, maar in de stille trouw van elke dag: in gehoorzaamheid, vlijt en vriendelijkheid. Laat zo uw licht schijnen, en uw Vader, Die in de hemelen is, zal eer ontvangen van uw zwakke, maar oprechte wandel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Let your light so shine before men, that they may see your good works, and glorify your Father which is in heaven.”
Matthew 5:16
To glorify God is the highest ambition of angels. The brightest seraph before the throne has no higher aim, no greater happiness, than to bring glory to His Name. And yet a poor sinner on earth may glorify God as much, and in some way more, than the brightest angel in the courts of eternal bliss. What different views the eyes of God and the eyes of men take of events passing on the earth. What glory is brought to God by all the victories gained by one country over another?
I have thought sometimes that a poor old man, or feeble, decrepit woman, lying on a workhouse pallet, fighting with sin, self and Satan, yet enabled amid all to look to the Lord Jesus, and by a word from His lips overcoming death and hell, though when dead thrust into a cheap coffin, to rot in a pauper’s grave, brings more glory to God than all the exploits of Nelson or Wellington, and that such victories are more glorious than those of Waterloo or Trafalgar.
It is true that the parish officers will not proclaim such a victory; nor will bells ring or cannons roar at such exploits; but the God of heaven and earth may get more glory from such a despised creature, than from all the generals and admirals who have ever drawn up armies in battle, or sunk hostile fleets beneath the wave. Truly does the Lord say, “My thoughts are not your thoughts, neither are your ways My ways.”
It is indeed astonishing that glory should be brought to His great Name by what His people do and suffer upon earth; that their feeble attempts to believe, to love, and to hope in Him; to speak well of His Name; and to adorn His doctrine in their life and conversation, should redound to His honor and praise. Wondrous indeed is it that a poor, insignificant worm, whom perhaps his fellow-mortal will scarcely deign to look at, or passes by with a shrug of contempt, should add glory to the great God that inhabits eternity, before Whom the highest angels and brightest seraphs bow with holy adoration!
Well may we say, “What are all the glorious exploits that men are so proud of, compared with the tribute of glory rendered to God by His suffering saints?” You may feel yourself one of the poorest, vilest, neediest worms of earth; and yet if you believe in the Lord Jesus Christ with a living faith, hope in His mercy, love His dear Name, and in your vocation adorn His doctrine by a godly, consistent life, you are privileged above princes and nobles, yes, even above crowned heads, and all the glory of man, because you are bringing glory to God.
It matters not what may be your station in life. You may be a servant, master, wife, husband, child; your rank and station may be high or low; but whatever it be, still in it you may bring glory to God. If a servant, by obedience, cleanliness, industry, and attention to the directions of your master or mistress. If a master or mistress, by kindness and liberality to your dependents, and doing all that you can to render the yoke of servitude light. There is not a single Christian who may not glorify God, though in worldly circumstances he be, or seem to be, totally insignificant. Glory is brought to God by those who live and walk in His fear, and more sometimes by the poor than by the rich. Only adorn the doctrine of God in all things, and you will bring glory to God in all things.
To the reader…
Do you sometimes think that your life is too small and too insignificant to mean anything to God? That you are passed by and no one looks your way? Remember, then, how much the thoughts of God differ from the thoughts of man. A poor old man on a pallet of straw who, fighting against sin and self, may look to the Lord Jesus, brings God more glory than all the heroic deeds the world is so proud of.
You may count yourself the poorest worm on earth; but if you believe in Him, hope in His mercy and love His dear Name, you may glorify Him, whatever your station. Not with ringing bells or roaring cannons, but in the quiet faithfulness of every day: in obedience, diligence and kindness. Let your light so shine, and your Father which is in heaven will receive glory from your weak but sincere walk.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así alumbre vuestra luz delante de los hombres, para que vean vuestras obras buenas, y glorifiquen a vuestro Padre que está en los cielos.
Mateo 5:16
Glorificar a Dios es la más alta ambición de los ángeles. El serafín más resplandeciente ante el trono no tiene meta más alta ni mayor felicidad que traer gloria a Su Nombre. Y, sin embargo, un pobre pecador en la tierra puede glorificar a Dios tanto, y en cierto modo más, que el ángel más resplandeciente en los atrios de la dicha eterna. ¡Qué distintas son las miradas de los ojos de Dios y de los ojos de los hombres sobre los sucesos que pasan en la tierra! ¿Qué gloria se le da a Dios por todas las victorias obtenidas por un país sobre otro?
He pensado a veces que un pobre anciano, o una mujer débil y decrépita, acostados en un jergón del asilo de pobres, luchando con el pecado, el yo y Satanás, y sin embargo capacitados en medio de todo para mirar al Señor Jesús, y venciendo por una palabra de Sus labios la muerte y el infierno, aunque una vez muertos sean metidos en un ataúd barato para pudrirse en una fosa de indigentes, traen más gloria a Dios que todas las hazañas de Nelson o de Wellington, y que tales victorias son más gloriosas que las de Waterloo o Trafalgar.
Es verdad que los funcionarios de la parroquia no proclamarán tal victoria; ni sonarán las campanas ni rugirán los cañones por tales hazañas; pero el Dios del cielo y de la tierra puede obtener más gloria de una criatura tan despreciada que de todos los generales y almirantes que jamás hayan formado ejércitos en batalla o hundido flotas enemigas bajo las olas. Con verdad dice el Señor: “Porque Mis pensamientos no son vuestros pensamientos, ni vuestros caminos Mis caminos.”
Es en verdad asombroso que se traiga gloria a Su gran Nombre por lo que Su pueblo hace y sufre en la tierra; que sus débiles esfuerzos por creer, amar y esperar en Él, por hablar bien de Su Nombre y por adornar Su doctrina en su vida y conducta, redunden en Su honra y alabanza. ¡Maravilloso es en verdad que un pobre e insignificante gusano, a quien quizá su semejante mortal apenas se digne mirar, o junto al cual pase con un encogimiento de hombros de desprecio, añada gloria al gran Dios que habita la eternidad, ante Quien los más altos ángeles y los más resplandecientes serafines se inclinan en santa adoración!
Bien podemos decir: “¿Qué son todas las gloriosas hazañas de las que los hombres se enorgullecen tanto, comparadas con el tributo de gloria que rinden a Dios Sus santos que sufren?” Usted puede sentirse uno de los gusanos más pobres, viles y necesitados de la tierra; y, sin embargo, si cree en el Señor Jesucristo con una fe viva, espera en Su misericordia, ama Su precioso Nombre y en su vocación adorna Su doctrina con una vida piadosa y consecuente, usted es privilegiado por encima de príncipes y nobles, sí, aun por encima de cabezas coronadas y de toda la gloria del hombre, porque está trayendo gloria a Dios.
No importa cuál sea su posición en la vida. Puede ser siervo, amo, esposa, esposo, hijo; su rango y posición pueden ser altos o bajos; pero sea cual sea, aun en ella puede traer gloria a Dios. Si es siervo, por la obediencia, la limpieza, la diligencia y la atención a las indicaciones de su amo o ama. Si es amo o ama, por la bondad y la generosidad hacia los que dependen de usted, y haciendo todo lo posible por hacer ligero el yugo de la servidumbre. No hay un solo cristiano que no pueda glorificar a Dios, aunque en sus circunstancias mundanas sea, o parezca ser, totalmente insignificante. Se trae gloria a Dios por medio de los que viven y andan en Su temor, y a veces más por los pobres que por los ricos. Solamente adorne la doctrina de Dios en todas las cosas, y traerá gloria a Dios en todas las cosas.
Al lector…
¿Piensa usted a veces que su vida es demasiado pequeña e insignificante para significar algo para Dios? ¿Que pasan de largo junto a usted y nadie le mira? Recuerde entonces cuánto difieren los pensamientos de Dios de los pensamientos del hombre. Un pobre anciano en un jergón de paja que, luchando contra el pecado y el yo, puede mirar al Señor Jesús, trae a Dios más gloria que todas las hazañas heroicas de las que el mundo tanto se enorgullece.
Puede tenerse por el gusano más pobre de la tierra; pero si cree en Él, espera en Su misericordia y ama Su precioso Nombre, puede glorificarlo, sea cual sea su posición. No con campanas que suenan ni cañones que rugen, sino en la callada fidelidad de cada día: en la obediencia, la diligencia y la bondad. Así alumbre su luz, y su Padre que está en los cielos recibirá gloria de su andar débil pero sincero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl