9 de abril
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Indien wij het gevoelen, dat wij onze eigen zielen hebben verdorven, dat geen menselijke arm ons kan redden, dat wij geen zaligheid in ons eigen geweten kunnen brengen, noch van ons enige schoonheid, heerlijkheid, liefelijkheid of overeenkomst in de Heere Jezus Christus zien, en toch worstelen in smeking en gebeden om de zoom van Zijn kleed aan te raken, de zoetheid van Zijn stervende liefde te smaken, de kracht van Zijn verzoenend bloed te voelen, gewikkeld te worden in het heerlijke kleed der gerechtigheid, en Hem te kennen in de liefelijke openbaringen Zijner genade, kunnen wij ook zeggen: „Behoud mij, Heere, zo zal ik behouden zijn.”
Hier is deze zonde! red mij; hier is deze valstrik! verbrijzel hem; hier is deze lust! Heere, dood hem; hier is deze verzoeking! verlos mij ervan; hier is mijn trotse hart! Heere, verneder het; mijn ongelovig hart! neem het weg, en geef mij geloof; geef mij onderwerping aan Uw zin en wil; neem mij, zoals ik ben, met al mijn zonde en schande, en werk in mij alles wat welbehagelijk is in Uw oog, want „Gij zijt mijn lof.”
Indien ik U ooit geprezen heb, is het voor Uw goedheid aan mijn ziel betoond; indien mijn hart ooit tot Uw lof gestemd was, indien mijn lippen U ooit gedankt hebben, is het geweest voor de rijkdom Uwer genade en de openbaringen Uwer goedertierenheid. Ik ben niets en zal nooit iets anders zijn dan een schuldig zondaar in Uw ogen; maar ik moet U prijzen voor alles wat voorbij is, en op U hopen voor alles wat nog komt; „want Gij, en Gij alleen, o Heere! zijt mijn lof.”
Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven,
U prijz’ ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,
want goed is d’ Oppermajesteit:
zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Ps. 118:14
Aan de lezer…
Voelt u dat u uw eigen ziel verdorven hebt, en dat geen menselijke arm u redden kan? Ziet u in uzelf niets dan zonde en schande, en worstelt u toch om de zoom van Zijn kleed aan te raken? Waarde lezer, dan mag u met de profeet zeggen: „Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden.”
Breng Hem dan alles, één voor één: deze zonde, deze valstrik, deze verzoeking, dit trotse en ongelovige hart. Vraag niet eerst beter te worden, maar zeg: neem mij zoals ik ben. Hij geneest en Hij behoudt. En als u terugziet, zult u moeten erkennen dat elke lofzang die ooit uit uw hart opkwam, haar oorsprong had in Zijn goedheid en niet in uw waardigheid. Prijs Hem dan voor alles wat voorbij is, en hoop op Hem voor alles wat nog komt, want Hij alleen is uw lof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Wanneer wij voelen dat wij onze eigen ziel verdorven hebben, dat geen menselijke arm ons kan redden en dat wij geen zaligheid in ons eigen geweten kunnen brengen; wanneer wij in onszelf geen enkele schoonheid, heerlijkheid, lieflijkheid of overeenkomst met de Heere Jezus Christus zien, en toch worstelen in smeekbeden en gebeden om de zoom van Zijn kleed aan te raken, de zoetheid van Zijn stervende liefde te smaken, de kracht van Zijn verzoenend bloed te voelen, gehuld te worden in het heerlijke kleed van de gerechtigheid, en Hem te kennen in de lieflijke openbaringen van Zijn genade, dan kunnen ook wij zeggen: „Behoud mij, Heere, zo zal ik behouden zijn.”
Hier is deze zonde: red mij! Hier is deze valstrik: verbreek hem! Hier is deze begeerte: Heere, dood haar! Hier is deze verzoeking: verlos mij ervan! Hier is mijn trotse hart: Heere, verneder het! Mijn ongelovig hart: neem het weg en geef mij geloof! Geef mij onderwerping aan Uw zin en wil. Neem mij zoals ik ben, met al mijn zonde en schande, en werk in mij alles wat welbehaaglijk is in Uw oog, want „Gij zijt mijn lof.”
Als ik U ooit geprezen heb, dan was het om Uw goedheid die U aan mijn ziel bewezen hebt. Als mijn hart ooit gestemd was tot Uw lof, als mijn lippen U ooit gedankt hebben, dan was het om de rijkdom van Uw genade en de openbaringen van Uw goedertierenheid. Ik ben niets en zal in Uw ogen nooit iets anders zijn dan een schuldig zondaar. Maar ik moet U prijzen voor alles wat voorbij is en op U hopen voor alles wat nog komt, „want Gij, en Gij alleen, o Heere! zijt mijn lof.”
Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven,
U prijz’ ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,
want goed is d’ Oppermajesteit:
zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Ps. 118:14
Aan de lezer…
Voelt u dat u uw eigen ziel verdorven hebt en dat geen menselijke arm u kan redden? Ziet u in uzelf niets dan zonde en schande, en worstelt u toch om de zoom van Zijn kleed aan te raken? Dan mag u met de profeet zeggen: „Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden.”
Breng Hem dan alles, één voor één: deze zonde, deze valstrik, deze verzoeking, dit trotse en ongelovige hart. Vraag niet eerst om beter te worden, maar zeg: neem mij zoals ik ben. Hij geneest en Hij behoudt. En wanneer u terugkijkt, zult u moeten erkennen dat elke lofzang die ooit uit uw hart opkwam, haar oorsprong had in Zijn goedheid en niet in uw waardigheid. Prijs Hem dan voor alles wat voorbij is, en hoop op Hem voor alles wat nog komt, want Hij alleen is uw lof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
If we feel that we have ruined our own souls, that no human arm can save us, that we cannot bring salvation into our own consciences, nor of ourselves see any beauty, glory, sweetness, or suitability in the Lord Jesus Christ, and yet are striving with prayer and supplication to touch the hem of His garment, to taste the sweetness of His dying love, to feel the efficacy of His atoning blood, to be wrapped up in His glorious robe of righteousness, and to know Him in the sweet manifestations of His grace, we too can say, “Save me, and I shall be saved.”
Here is this sin! save me from it—here is this snare! break it to pieces; here is this lust! Lord, subdue it; here is this temptation! deliver me out of it; here is my proud heart! Lord, humble it; my unbelieving heart! take it away, and give me faith; give me submission to your mind and will; take me as I am with all my sin and shame and work in me everything well-pleasing in your sight, for “You are my praise.”
If ever I have blessed you, it has been for your goodness to my soul; if ever my heart has been tuned to your praise, if ever my lips have thanked you, it has been for the riches of your grace, and the manifestations of your mercy. I am nothing, and never shall be anything but a poor guilty sinner in your eyes; but I have to praise you for all that is past, and to hope in you for all that is to come; “for you,” and you alone, O Lord, “are my praise.”
To the reader…
Do you feel that you have ruined your own soul and that no human arm can save you? Do you see nothing in yourself but sin and shame, and yet do you strive to touch the hem of His garment? Then you may say with the prophet, “Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved.”
Then bring Him everything, one by one: this sin, this snare, this temptation, this proud and unbelieving heart. Do not first ask to become better, but say: take me as I am. He heals and He saves. And when you look back, you will have to acknowledge that every song of praise that ever rose from your heart had its source in His goodness and not in your worthiness. Praise Him, then, for all that is past, and hope in Him for all that is to come, for He alone is your praise.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Si sentimos que hemos arruinado nuestras propias almas, que ningún brazo humano puede salvarnos, que no podemos traer la salvación a nuestra propia conciencia, ni ver por nosotros mismos ninguna hermosura, gloria, dulzura o idoneidad en el Señor Jesucristo, y sin embargo nos esforzamos con oración y ruego por tocar el borde de Su manto, por gustar la dulzura de Su amor hasta la muerte, por sentir la eficacia de Su sangre expiatoria, por ser envueltos en Su glorioso manto de justicia y por conocerle en las dulces manifestaciones de Su gracia, también nosotros podemos decir: “Sálvame, y seré salvo”.
¡Aquí está este pecado: sálvame de él! ¡Aquí está este lazo: hazlo pedazos! ¡Aquí está esta concupiscencia: Señor, sujétala! ¡Aquí está esta tentación: líbrame de ella! ¡Aquí está mi corazón orgulloso: Señor, humíllalo! ¡Mi corazón incrédulo: quítalo y dame fe! Dame sumisión a Tu mente y Tu voluntad; tómame como soy, con todo mi pecado y mi vergüenza, y obra en mí todo lo que sea agradable delante de Ti, porque “Tú eres mi alabanza”.
Si alguna vez te he bendecido, ha sido por Tu bondad para con mi alma; si alguna vez mi corazón ha sido templado para Tu alabanza, si alguna vez mis labios te han dado gracias, ha sido por las riquezas de Tu gracia y las manifestaciones de Tu misericordia. No soy nada, y nunca seré otra cosa que un pobre pecador culpable a Tus ojos; pero tengo que alabarte por todo lo pasado y esperar en Ti para todo lo venidero; “porque Tú”, y solo Tú, oh Señor, “eres mi alabanza”.
Al lector…
¿Siente usted que ha arruinado su propia alma y que ningún brazo humano puede salvarle? ¿No ve en sí mismo nada sino pecado y vergüenza, y sin embargo se esfuerza por tocar el borde de Su manto? Entonces puede decir con el profeta: “Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo”.
Tráigale entonces todo, una cosa tras otra: este pecado, este lazo, esta tentación, este corazón orgulloso e incrédulo. No pida primero llegar a ser mejor, sino diga: tómame como soy. Él sana y Él salva. Y cuando mire atrás, tendrá que reconocer que todo canto de alabanza que alguna vez subió de su corazón tuvo su fuente en Su bondad y no en su dignidad. Alábele, pues, por todo lo pasado, y espere en Él para todo lo venidero, porque solo Él es su alabanza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl