5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En gij zult gedenken aan al de weg, die u de Heere uw God deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige om u te verzoeken, om te weten wat in uw hart was; of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.
Deuteronomium 8:2
Wanneer u een blik werpt op de weg die de Heere u zoveel jaren door de woestijn heeft geleid, ziet u dan niet, hoe de ene omstandigheid na de andere, de ene gebeurtenis na de andere zich voordeed, om te tonen wat er in u was? Is het de vreze Gods, of eenvoud en oprechtheid, of een verlangen om God te vrezen, of een vrees om Hem te honen, of het leven en de kracht van ware godsvrucht? Of is het weinig anders dan een loze belijdenis zonder de levendmakende kracht van God in de ziel?
Wat is het een genade voor u om terug te kunnen kijken en te zien hoe de Heere aan u verscheen in een tijd dat u zonder Hem zou zijn omgekomen; als u tot troost van uw ziel kunt voelen dat de Heere uw Sterkte was in het uur van beproeving. Dat Hij aan u verscheen in moeilijke omstandigheden; dat Hij Zijn rechterarm blootlegde toen u geen kracht in uzelf had; u leidde toen u de weg kwijt was; u veilig door alles heen droeg, terwijl u, als hulpeloze, volkomen verloren zou zijn geraakt. Wat een genade is het om door de werking van een levend geloof (want dat moet er toch zijn) terug te kijken op de weg en te geloven dat de genade van God werkelijk in uw hart was. Dat de Heere het beproefde en door alle omstandigheden heen liet zien dat het een waar geloof was.
Vraagt naar de Heer en zijne sterkte;
Naar Hem, die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks zijn aangezicht,
gedenkt aan ’t geen Hij heeft verricht,
Aan Zijn doorluchte wonderdaan,
en wilt zijn straffen gadeslaan.
Ps. 105:3
Aan de lezer…
Hoe dikwijls hebt u stilgestaan bij de weg die de Heere u door de woestijn geleid heeft? De ene omstandigheid na de andere kwam op uw pad, en zij moesten openbaar maken wat er in uw hart was. Ik vraag het u ernstig: was het de vreze Gods, oprechtheid en het leven van ware godsvrucht, of was het weinig meer dan een loze belijdenis? Die vraag is niet bedoeld om u te verschrikken, maar om u eerlijk te maken voor God.
En zie dan ook de genade op die weg. Was er geen tijd waarin u zonder Hem zou zijn omgekomen, en Hij uw Sterkte werd in het uur van beproeving? Legde Hij Zijn rechterarm niet bloot toen u geen kracht had, en leidde Hij u niet toen u de weg kwijt was? Gedenk dan aan wat Hij verricht heeft. Die u door alles heen gedragen heeft, beproeft uw geloof niet om het te vernietigen, maar om te tonen dat het waar is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En gij zult gedenken aan al de weg, die u de Heere uw God deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige om u te verzoeken, om te weten wat in uw hart was; of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.
Deuteronomium 8:2
Wanneer u terugkijkt op de weg die de Heere u zoveel jaren door de woestijn heeft geleid, ziet u dan niet hoe de ene omstandigheid na de andere en de ene gebeurtenis na de andere zich voordeed om te tonen wat er in u was? Is het de vreze Gods, of eenvoud en oprechtheid? Is het een verlangen om God te vrezen, een vrees om Hem te onteren, of het leven en de kracht van ware godsvrucht? Of is het weinig meer dan een loze belijdenis, zonder de levendmakende kracht van God in de ziel?
Wat is het een genade als u kunt terugkijken en zien hoe de Heere aan u verscheen in een tijd waarin u zonder Hem zou zijn omgekomen. Wat een genade als u tot troost van uw ziel kunt voelen dat de Heere uw Sterkte was in het uur van beproeving. Dat Hij aan u verscheen in moeilijke omstandigheden, dat Hij Zijn rechterarm ontblootte toen u geen kracht in uzelf had, dat Hij u leidde toen u de weg kwijt was, en dat Hij u veilig door alles heen droeg, terwijl u in uw hulpeloosheid volkomen verloren zou zijn geraakt. Wat een genade is het om door de werking van een levend geloof (want dat moet er toch zijn) terug te kijken op de weg en te geloven dat de genade van God werkelijk in uw hart was. Wat een genade om te zien dat de Heere haar beproefde en door alle omstandigheden heen liet zien dat het een waar geloof was.
Vraagt naar de Heer en zijne sterkte;
Naar Hem, die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks zijn aangezicht,
gedenkt aan ’t geen Hij heeft verricht,
Aan Zijn doorluchte wonderdaan,
en wilt zijn straffen gadeslaan.
Ps. 105:3
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u stilgestaan bij de weg die de Heere u door de woestijn geleid heeft? De ene omstandigheid na de andere kwam op uw pad, en zij moesten openbaar maken wat er in uw hart was. Ik vraag het u ernstig: was het de vreze Gods, oprechtheid en het leven van ware godsvrucht, of was het weinig meer dan een loze belijdenis? Die vraag is niet bedoeld om u te verschrikken, maar om u eerlijk te maken voor God.
En zie dan ook de genade op die weg. Was er geen tijd waarin u zonder Hem zou zijn omgekomen, en Hij uw Sterkte werd in het uur van beproeving? Ontblootte Hij Zijn rechterarm niet toen u geen kracht had, en leidde Hij u niet toen u de weg kwijt was? Gedenk dan wat Hij gedaan heeft. Hij Die u door alles heen gedragen heeft, beproeft uw geloof niet om het te vernietigen, maar om te tonen dat het echt is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And thou shalt remember all the way which the LORD thy God led thee these forty years in the wilderness, to humble thee, and to prove thee, to know what was in thine heart, whether thou wouldest keep His commandments, or no.
Deuteronomy 8:2
When you look back upon the way the Lord has led you these many years in the wilderness, can you not see how circumstance after circumstance, and event after event arose, to prove what was in you; whether godly fear, whether simplicity and sincerity, whether a desire to fear God, whether a dread to offend Him, whether the life and power of vital godliness, or whether little else than an empty profession without the life-giving power of God in the soul?
What a mercy for you to be able to look back and see how the Lord appeared for you, when without Him you must have sunk; when you can feel, to your soul’s comfort, that the Lord did uphold you in the trying hour, did appear for you in distressing circumstances, did make bare His right arm when you had no strength of your own, did guide you when you had lost all clue, did bring you safe through all when, without His help, you must have been utterly lost. What a mercy it is to be able, by the actings of living faith (and sure I am, there must be faith in exercise), to look back upon the way, and believe that indeed the grace of God was in your heart, that the Lord proved it, and showed it to be genuine by every circumstance that has taken place.
To the reader…
How often have you paused to consider the way the Lord has led you through the wilderness? One circumstance after another came across your path, and they had to bring to light what was in your heart. I ask you earnestly: was it the fear of God, sincerity and the life of true godliness, or was it little more than an empty profession? That question is not meant to frighten you, but to make you honest before God.
And then see the grace along that way as well. Was there not a time when you would have perished without Him, and He became your strength in the hour of trial? Did He not make bare His right arm when you had no strength, and did He not guide you when you had lost the way? Remember, then, what He has done. He Who has carried you through everything does not try your faith in order to destroy it, but to show that it is genuine.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y acordarte has de todo el camino por donde te ha traído Jehová tu Dios estos cuarenta años en el desierto, para afligirte, por probarte, para saber lo que estaba en tu corazón, si habías de guardar Sus mandamientos, o no.
Deuteronomio 8:2
Cuando usted mira hacia atrás al camino por el que el Señor le ha conducido estos muchos años en el desierto, ¿no puede ver cómo surgió una circunstancia tras otra, y un suceso tras otro, para probar lo que había en usted: si había temor piadoso, si había sencillez y sinceridad, si había deseo de temer a Dios, si había miedo de ofenderle, si había la vida y el poder de la piedad viva, o si no había mucho más que una profesión vacía, sin el poder vivificador de Dios en el alma?
¡Qué misericordia es poder mirar atrás y ver cómo el Señor se mostró a favor de usted cuando sin Él se habría hundido; cuando puede sentir, para consuelo de su alma, que el Señor sí le sostuvo en la hora de la prueba, sí se mostró a su favor en circunstancias angustiosas, sí desnudó Su brazo derecho cuando usted no tenía fuerza propia, sí le guió cuando había perdido toda pista, sí le hizo pasar a salvo por todo cuando, sin Su ayuda, se habría perdido por completo! ¡Qué misericordia es poder, por las operaciones de una fe viva (y estoy seguro de que tiene que haber fe en ejercicio), mirar atrás al camino y creer que verdaderamente la gracia de Dios estaba en su corazón, que el Señor la probó y mostró que era genuina por medio de cada circunstancia que ha ocurrido!
Al lector…
¿Cuántas veces se ha detenido usted a considerar el camino por el que el Señor le ha conducido a través del desierto? Una circunstancia tras otra se cruzó en su senda, y tenían que sacar a la luz lo que había en su corazón. Le pregunto con seriedad: ¿era el temor de Dios, la sinceridad y la vida de la verdadera piedad, o no era mucho más que una profesión vacía? Esa pregunta no pretende asustarle, sino hacerle sincero delante de Dios.
Y vea también la gracia a lo largo de ese camino. ¿No hubo un tiempo en que habría perecido sin Él, y Él se hizo su fuerza en la hora de la prueba? ¿No desnudó Su brazo derecho cuando usted no tenía fuerza, y no le guió cuando había perdido el camino? Acuérdese, pues, de lo que Él ha hecho. Aquel que le ha llevado a través de todo no prueba su fe para destruirla, sino para mostrar que es genuina.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zij zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:24-25
Het eerste geval van barmhartigheid dat Salomo in alle nederigheid aan de Heere voorlegt, is: „Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben” (vs. 24). Hoe vaak worden wij voor het aangezicht des vijands geslagen! Vijanden hebben we beslist; en we moeten ze ook hebben, als we het pad bewandelen dat naar de heerlijkheid leidt, want: „Allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12).
Maar de grootste vijand waarmee we te maken krijgen, is die vijand van het eigen ik. U hebt wellicht vele vijanden; slechts weinigen hebben er geen; maar er is geen vijand zo geslepen, zo gevaarlijk, zo onvermoeibaar, en altijd zo dichtbij als degene die u in uw eigen borst draagt. Iemand kan zichzelf in vijf minuten meer kwaad doen dan al zijn vijanden bij elkaar in vijftig jaar zouden kunnen. Het eigen ik is daarom iemands grootste en ergste vijand en zal dit altijd zijn. En hoe vaak worden we voor het aangezicht van deze vijand geslagen!
Het eigen ik wint het van ons. Hoogmoed, begerigheid of vleselijke begeerten, zinnelijkheid en wereldsheid, ongeloof, een bepaald kwaad of een omringende zonde overwinnen enige tijd de ziel. We worden voor het aangezicht des vijands geslagen. Salomo heeft de juiste reden aangegeven voor het feit dat we „voor het aangezicht des vijands worden geslagen”. Als we ons in onze wachttoren bevonden, sterk in de genade en het geloof, zouden we zegevieren. Maar al te vaak worden Gods kinderen voor het aangezicht des vijands geslagen „omdat zij tegen U gezondigd hebben”.
We hoeven geen enkele vijand te vrezen, behalve als we onszelf eerst verzwakken door tegen God te zondigen; en hierdoor worden we geslagen voor het aangezicht van de drie machtigste vijanden: wet, geweten en duivel. Maar als er geen zonde was, zou de wet niet onze vijand zijn; als de wet niets kon ontdekken om ons voor te veroordelen, zouden we nooit voor zijn aangezicht worden geslagen. Is een schuldig geweten, hoewel in één opzicht onze vriend, niet in een ander opzicht onze vijand? Maar zou een schuldig geweten macht over ons kunnen hebben, of zouden we ooit voor het aangezicht van deze vijand kunnen worden geslagen, tenzij we tegen God hadden gezondigd?
Lezen: 2 Kronieken 6:12-28
Aan de lezer…
Misschien vraagt u zich af wie uw grootste vijand is. Niet de wereld, niet de mensen die u tegenstaan, maar die vijand die u in uw eigen borst draagt. Hoe vaak hebt u al ervaren dat hoogmoed, wereldsgezindheid, ongeloof of een omringende zonde het een tijd van u won, en u voor het aangezicht des vijands geslagen werd? Het is pijnlijk dat te erkennen, maar Salomo noemt de oorzaak eerlijk: omdat wij tegen de Heere gezondigd hebben.
Toch staat er niet alleen een oorzaak in deze bede, maar ook een weg terug. Wet, geweten en duivel hebben alleen macht over ons waar de zonde hun die macht geeft. Laat het u dan uitdrijven naar Hem Die de zonde wegneemt. Hij, Die het gebed in het huis des gebeds beloofde te horen, hoort ook nu de zucht van een geslagen ziel. Zoek uw kracht niet in uzelf, maar in Zijn genade, want daar alleen staat u sterk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zij zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:24-25
Het eerste geval waarin Salomo de Heere nederig om barmhartigheid vraagt, is: „Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben” (vs. 24). Hoe vaak worden wij voor het aangezicht van de vijand geslagen! Vijanden hebben we zeker, en we moeten ze ook hebben als we de weg gaan die naar de heerlijkheid leidt, want: „Allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12).
Maar de grootste vijand met wie we te maken krijgen, is de vijand van het eigen ik. Misschien hebt u veel vijanden; maar weinigen hebben er geen. Toch is geen vijand zo listig, zo gevaarlijk, zo onvermoeibaar en altijd zo dichtbij als de vijand die u in uw eigen borst meedraagt. Iemand kan zichzelf in vijf minuten meer kwaad doen dan al zijn vijanden samen in vijftig jaar zouden kunnen. Het eigen ik is daarom de grootste en ergste vijand van een mens, en zal dat altijd blijven. En hoe vaak worden we voor het aangezicht van deze vijand geslagen!
Het eigen ik krijgt de overhand. Hoogmoed, hebzucht of vleselijke begeerten, zinnelijkheid en wereldsgezindheid, ongeloof, een bepaald kwaad of een zonde die ons gemakkelijk omringt, overwinnen een tijdlang de ziel. Dan worden we voor het aangezicht van de vijand geslagen. Salomo heeft de juiste reden genoemd waarom we „voor het aangezicht des vijands worden geslagen”. Als we op onze wachttoren stonden, sterk in genade en geloof, zouden we overwinnen. Maar al te vaak worden Gods kinderen voor het aangezicht van de vijand geslagen „omdat zij tegen U gezondigd hebben”.
We hoeven geen enkele vijand te vrezen, tenzij we onszelf eerst verzwakken door tegen God te zondigen. Daardoor worden we geslagen voor het aangezicht van de drie machtigste vijanden: de wet, het geweten en de duivel. Als er geen zonde was, zou de wet onze vijand niet zijn; als de wet niets kon vinden om ons te veroordelen, zouden we nooit voor haar aangezicht geslagen worden. Is een schuldig geweten, hoewel in één opzicht onze vriend, niet in een ander opzicht onze vijand? Maar zou een schuldig geweten macht over ons kunnen hebben, of zouden we ooit voor het aangezicht van deze vijand geslagen kunnen worden, als we niet tegen God gezondigd hadden?
Lezen: 2 Kronieken 6:12-28
Aan de lezer…
Misschien vraagt u zich af wie uw grootste vijand is. Niet de wereld, niet de mensen die u tegenstaan, maar die vijand die u in uw eigen borst meedraagt. Hoe vaak hebt u al ervaren dat hoogmoed, wereldsgezindheid, ongeloof of een omringende zonde het een tijd van u won, en u voor het aangezicht van de vijand geslagen werd? Het is pijnlijk dat te erkennen, maar Salomo noemt de oorzaak eerlijk: omdat wij tegen de Heere gezondigd hebben.
Toch staat er in deze bede niet alleen een oorzaak, maar ook een weg terug. Wet, geweten en duivel hebben alleen macht over ons waar de zonde hun die macht geeft. Laat het u dan uitdrijven naar Hem Die de zonde wegneemt. Hij, Die beloofde het gebed in het huis des gebeds te horen, hoort ook nu de zucht van een geslagen ziel. Zoek uw kracht niet in uzelf, maar in Zijn genade, want alleen daar staat u sterk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And if Thy people Israel be put to the worse before the enemy, because they have sinned against Thee; and shall return and confess Thy Name, and pray and make supplication before Thee in this house; then hear Thou from the heavens, and forgive the sin of Thy people Israel.
2 Chronicles 6:24-25
The first case in which Solomon humbly asks the Lord for mercy is: “And if Thy people Israel be put to the worse before the enemy, because they have sinned against Thee” (verse 24). How often are we put to the worse before the enemy! Enemies we certainly have, and we must have them if we walk in the way that leads to glory, for “all that will live godly in Christ Jesus shall suffer persecution” (2 Tim. 3:12).
But the greatest enemy we have to do with is the enemy of self. Perhaps you have many enemies; but few have none. Yet no enemy is so subtle, so dangerous, so untiring and always so near as the enemy you carry in your own bosom. A man can do himself more harm in five minutes than all his enemies together could do him in fifty years. Self is therefore a man’s greatest and worst enemy, and always will be. And how often are we put to the worse before this enemy!
Self gains the upper hand. Pride, covetousness or carnal lusts, sensuality and worldly-mindedness, unbelief, some particular evil or a sin that easily besets us, overcome the soul for a time. Then we are put to the worse before the enemy. Solomon has named the true reason why we are “put to the worse before the enemy.” If we stood upon our watch-tower, strong in grace and faith, we would overcome. But all too often God’s children are put to the worse before the enemy “because they have sinned against Thee.”
We need fear no enemy unless we first weaken ourselves by sinning against God. By this we are put to the worse before the three mightiest enemies: the law, conscience and the devil. If there were no sin, the law would not be our enemy; if the law could find nothing to condemn us for, we would never be put to the worse before it. Is not a guilty conscience, though in one respect our friend, in another respect our enemy? But could a guilty conscience have power over us, or could we ever be put to the worse before this enemy, if we had not sinned against God?
Reading: 2 Chronicles 6:12-28
To the reader…
Perhaps you wonder who your greatest enemy is. Not the world, not the people who oppose you, but the enemy you carry in your own bosom. How often have you found that pride, worldly-mindedness, unbelief or a besetting sin gained the upper hand over you for a time, and you were put to the worse before the enemy? It is painful to acknowledge, but Solomon names the cause honestly: because we have sinned against the Lord.
Yet this petition holds not only a cause, but also a way back. Law, conscience and the devil only have power over us where sin gives them that power. Let it drive you, then, to Him Who takes away sin. He Who promised to hear prayer in the house of prayer hears now too the sigh of a soul that has been put to the worse. Do not seek your strength in yourself, but in His grace, for only there do you stand strong.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si Tu pueblo Israel cayere delante de los enemigos, por haber prevaricado contra Ti, y se convirtieren, y confesaren Tu Nombre, y rogaren delante de Ti en esta casa, Tú oirás desde los cielos, y perdonarás el pecado de Tu pueblo Israel.
2 Crónicas 6:24-25
El primer caso en que Salomón pide humildemente misericordia al Señor es: “Si Tu pueblo Israel cayere delante de los enemigos, por haber prevaricado contra Ti” (versículo 24). ¡Cuántas veces caemos delante del enemigo! Enemigos ciertamente tenemos, y hemos de tenerlos si andamos por el camino que lleva a la gloria, porque “todos los que quieren vivir píamente en Cristo Jesús, padecerán persecución” (2 Tim. 3:12).
Pero el mayor enemigo con que tenemos que tratar es el enemigo del yo. Quizá usted tiene muchos enemigos; pero pocos no tienen ninguno. Sin embargo, ningún enemigo es tan sutil, tan peligroso, tan incansable y siempre tan cercano como el enemigo que usted lleva en su propio pecho. Un hombre puede hacerse más daño a sí mismo en cinco minutos que todos sus enemigos juntos en cincuenta años. El yo es, pues, el mayor y peor enemigo del hombre, y siempre lo será. ¡Y cuántas veces caemos delante de este enemigo!
El yo se impone. El orgullo, la avaricia o las concupiscencias carnales, la sensualidad y la mundanalidad, la incredulidad, algún mal particular o un pecado que fácilmente nos asedia, vencen al alma por un tiempo. Entonces caemos delante del enemigo. Salomón ha nombrado la verdadera razón por la que “caemos delante del enemigo”. Si estuviéramos sobre nuestra atalaya, fuertes en la gracia y en la fe, venceríamos. Pero con demasiada frecuencia los hijos de Dios caen delante del enemigo “por haber prevaricado contra Ti”.
No necesitamos temer a ningún enemigo a menos que primero nos debilitemos pecando contra Dios. Por ello caemos delante de los tres enemigos más poderosos: la ley, la conciencia y el diablo. Si no hubiera pecado, la ley no sería nuestra enemiga; si la ley no hallara nada por qué condenarnos, nunca caeríamos delante de ella. ¿No es una conciencia culpable, aunque en un sentido sea nuestra amiga, en otro sentido nuestra enemiga? Pero ¿podría una conciencia culpable tener poder sobre nosotros, o podríamos jamás caer delante de este enemigo, si no hubiéramos pecado contra Dios?
Lectura: 2 Crónicas 6:12-28
Al lector…
Quizá se pregunta quién es su mayor enemigo. No el mundo, no las personas que se le oponen, sino el enemigo que lleva en su propio pecho. ¿Cuántas veces ha experimentado que el orgullo, la mundanalidad, la incredulidad o un pecado que le asedia se impusieron sobre usted por un tiempo, y cayó delante del enemigo? Es doloroso reconocerlo, pero Salomón nombra la causa con sinceridad: porque hemos pecado contra el Señor.
Sin embargo, esta petición contiene no solo una causa, sino también un camino de vuelta. La ley, la conciencia y el diablo solo tienen poder sobre nosotros donde el pecado les da ese poder. Deje, pues, que eso le impulse hacia Aquel que quita el pecado. El que prometió oír la oración en la casa de oración oye también ahora el suspiro de un alma que ha caído delante del enemigo. No busque su fuerza en usted mismo, sino en Su gracia, porque solo allí está firme.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt.
Romeinen 6:17
Wat hebben wij reden om God te danken, dat Hij de apostel zo onderwezen heeft om te beschrijven hoe een zondaar gerechtvaardigd wordt. Want hoe zouden wij tot de kennis van deze verborgenheid gekomen zijn, zonder Goddelijke openbaring? Hoe konden wij weten in welke weg God rechtvaardig kon zijn en toch de Rechtvaardiger van de goddeloze? Hoe zouden wij al de volmaaktheden Gods kunnen zien, overeenstemmend in de Persoon en het werk van Jezus? Zijn wet gehandhaafd in al haar strikte zuiverheid en rechtvaardigheid, en hoe toch barmhartigheid, genade en liefde zich vrijelijk kunnen uitlaten tot zaligheid van de zondaar?
Doch de Geest Gods leidde Paulus diep in dit gezegende onderwerp en in het bijzonder deed Hij dit in de brief aan de Romeinen. Daarin beschreef Paulus deze grote fundamentele waarheid met zulk een kracht en klaarheid, gewicht en kracht, dat de kerk van God niet genoeg dankbaar kan zijn voor dit gedeelte van de Goddelijke openbaring. Zijn voornaamste onderwerp is aan te tonen, hoe God de goddeloze rechtvaardigt door het bloed en de gehoorzaamheid van Zijn beminde Zoon, zodat, gelijk door de ongehoorzaamheid van één velen tot zondaars zijn gesteld geworden, zo ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden. Hij verklaart, dat de rechtvaardigheid Gods is tot en over allen, die geloven, en dat door de verlossing, die in Christus Jezus is, Die God tot een verzoening heeft voorgesteld, door het geloof in Zijn bloed, Hij de zondaar de zonden vergeeft, de goddeloze rechtvaardigt en hem aanziet als rechtvaardig in de Zoon Zijner liefde.
De apostel, in Romeinen 5 dit onderwerp nader behandelende, brengt deze rechtvaardigmaking tot de vereniging van de kerk met haar Verbondshoofd. Hij toont ons haar stand in Christus, zowel als in Adam, en dat al haar ellende, die zij trekt uit het staan in Adam, wordt overtroffen door de barmhartigheden, die vloeien uit haar staan in Christus; besluitende met die hartverlevendigende waarheid, dat waar de zonde meerder geworden is, de genade veel meer overvloedig geweest is. Opdat gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.
Dit is dan ook een vorm van onderwijs of stof voor lering, waarin de ziel wordt verlost, wanneer zij deze bevindelijk mag smaken en proeven. En doordat zij min of meer geleid wordt tot de waarachtige bevinding daarvan, wordt zij begunstigd met een eerbiedig berusten in en een kinderlijke onderwerping aan dit leerstuk als al haar zaligheid en al haar begeerte. En zoals de vorm haar gelijkenis afdrukt op het vochtige gips, of het gesmolten metaal in de vorm gegoten, zijn gedaante aanneemt, zo wordt het hart door het gezegend onderwijs van de Geest vertederd en ontvangt het de indruk van Zijn Goddelijke waarheid met kinderlijk vertrouwen. Het gevoelt haar zoetheid en kracht en is vervuld met een heilige verwondering daarvoor, als de enige weg, waarin God een goddeloze kan rechtvaardigen. En dit niet alleen zonder opoffering van enige Zijner deugden, maar Hij verheerlijkt zelfs daardoor de reinheid van Zijn natuur en de eisen van Zijn onveranderlijke rechtvaardigheid.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zich afvraagt hoe een heilig God een goddeloze kan rechtvaardigen. U kent uw zonden en weet dat de wet niets van haar eisen laat vallen. Hoe kan God dan rechtvaardig blijven en toch u vergeven? Dat konden wij nooit zelf bedenken. Maar God heeft het geopenbaard: door het bloed en de gehoorzaamheid van Zijn beminde Zoon worden velen tot rechtvaardigen gesteld.
Waar de zonde meerder geworden is, is de genade veel meer overvloedig geweest. Vraag de Heere dat die leer niet alleen in uw hoofd blijft, maar uw hart vertedert, zoals gesmolten metaal de gedaante van de vorm aanneemt. Dan zult u er met kinderlijk vertrouwen in berusten als al uw zaligheid en al uw begeerte, en met de apostel zeggen: „Gode zij dank.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt.
Romeinen 6:17
Wat hebben wij een reden om God te danken dat Hij de apostel zo onderwezen heeft om te beschrijven hoe een zondaar gerechtvaardigd wordt. Want hoe zouden wij zonder goddelijke openbaring tot de kennis van deze verborgenheid gekomen zijn? Hoe konden wij weten op welke weg God rechtvaardig kon zijn en toch de Rechtvaardiger van de goddeloze? Hoe zouden wij al Gods volmaaktheden in de Persoon en het werk van Jezus met elkaar in overeenstemming kunnen zien? Hoe zouden wij kunnen zien dat Zijn wet gehandhaafd wordt in al haar strikte zuiverheid en rechtvaardigheid, en dat barmhartigheid, genade en liefde zich toch vrij kunnen uitstromen tot zaligheid van de zondaar?
Maar de Geest van God leidde Paulus diep in dit gezegende onderwerp binnen, en vooral deed Hij dit in de brief aan de Romeinen. Daarin beschreef Paulus deze grote fundamentele waarheid met zoveel kracht en helderheid, gewicht en kracht, dat de kerk van God niet dankbaar genoeg kan zijn voor dit deel van de goddelijke openbaring. Zijn voornaamste doel is aan te tonen hoe God de goddeloze rechtvaardigt door het bloed en de gehoorzaamheid van Zijn beminde Zoon, zodat, zoals door de ongehoorzaamheid van één velen tot zondaars gesteld zijn, zo ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden. Hij verklaart dat de rechtvaardigheid van God is tot allen en over allen die geloven. En hij verklaart dat God, door de verlossing die in Christus Jezus is, Die God tot een verzoening heeft voorgesteld door het geloof in Zijn bloed, de zondaar de zonden vergeeft, de goddeloze rechtvaardigt en hem aanziet als rechtvaardig in de Zoon van Zijn liefde.
De apostel behandelt dit onderwerp nader in Romeinen 5 en brengt deze rechtvaardigmaking daar terug tot de vereniging van de kerk met haar Verbondshoofd. Hij toont ons haar staat in Christus, maar ook die in Adam, en laat zien dat al haar ellende, die voortkomt uit haar staan in Adam, overtroffen wordt door de barmhartigheden die voortvloeien uit haar staan in Christus. Hij besluit met die hartverkwikkende waarheid dat, waar de zonde meerder geworden is, de genade veel meer overvloedig geweest is. Opdat, zoals de zonde geheerst heeft tot de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.
Dit is dan ook een vorm van onderwijs of leerstof waaraan de ziel wordt overgegeven, wanneer zij die bevindelijk mag smaken en proeven. En doordat zij in meerdere of mindere mate tot de ware bevinding daarvan geleid wordt, wordt zij begunstigd met een eerbiedig berusten in en een kinderlijke onderwerping aan deze leer, als al haar zaligheid en al haar begeerte. Zoals de vorm zijn afdruk achterlaat in het vochtige gips, of zoals het gesmolten metaal dat in de vorm gegoten wordt, de gedaante daarvan aanneemt, zo wordt het hart door het gezegende onderwijs van de Geest vertederd en ontvangt het met kinderlijk vertrouwen de indruk van Zijn goddelijke waarheid. Het voelt haar zoetheid en kracht en is vervuld van een heilige verwondering daarover, omdat dit de enige weg is waarin God een goddeloze kan rechtvaardigen. En dat niet alleen zonder dat Hij één van Zijn deugden opoffert, maar Hij verheerlijkt daardoor zelfs de reinheid van Zijn natuur en de eisen van Zijn onveranderlijke rechtvaardigheid.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zich afvraagt hoe een heilig God een goddeloze kan rechtvaardigen. U kent uw zonden en weet dat de wet niets van haar eisen laat vallen. Hoe kan God dan rechtvaardig blijven en u toch vergeven? Dat hadden wij nooit zelf kunnen bedenken. Maar God heeft het geopenbaard: door het bloed en de gehoorzaamheid van Zijn beminde Zoon worden velen tot rechtvaardigen gesteld.
Waar de zonde meerder geworden is, is de genade veel meer overvloedig geweest. Vraag de Heere of die leer niet alleen in uw hoofd blijft, maar uw hart vertedert, zoals gesmolten metaal de gedaante van de vorm aanneemt. Dan zult u er met kinderlijk vertrouwen in berusten als al uw zaligheid en al uw begeerte, en met de apostel zeggen: „Gode zij dank.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But God be thanked, that ye were the servants of sin, but ye have obeyed from the heart that form of doctrine which was delivered you.”
Romans 6:17
What reason have we to bless God that He so instructed His Apostle to set forth how a sinner is justified! For how could we have attained to the knowledge of this mystery without divine revelation? How could we know in what way God could be just, and yet the justifier of the ungodly? How could we see all the perfections of God harmonizing in the Person and work of Jesus? His law maintained in all its rigid purity and strictest justice, and yet mercy, grace, and love to have full play in a sinner’s salvation?
But the Spirit of God led Paul deeply into this blessed subject; and especially in the Epistle to the Romans does he trace out this grand foundation truth with such clearness, weight, and power, that the Church of God can never be sufficiently thankful for this portion of divine revelation. His grand object is to show how God justifies the ungodly by the blood and obedience of His dear Son; so that “as by one man’s disobedience many were made sinners, so by the obedience of one shall many be made righteous.” He declares that “the righteousness of God is unto and upon all those who believe;” and that “through the redemption that is in Christ Jesus, whom God has set forth to be an atoning sacrifice through faith in His blood,” He pardons the sinner, justifies the ungodly, and views him as righteous in the Son of His love.
In opening up this subject, the Apostle (Romans 5) traces up this justification to the union of the Church with her covenant Head; shows us her standing in Christ as well as in Adam; and that all the miseries which she derives from her standing in the latter are overbalanced by the mercies that flow from her standing in the former; winding up with that heart-reviving truth, that “where sin abounded, grace did much more abound; that as sin has reigned unto death, even so might grace reign through righteousness unto eternal life.”
This then is a “form of doctrine,” or mold of teaching, into which the soul is delivered when it is brought into a heart-felt reception of, and a feeling acquaintance with it; and by being led more or less into the experimental enjoyment of it, is favored with a solemn acquiescence in, and a filial submission to it, as all its salvation and all its desire. And as the mold impresses its image upon the moist plaster or melted metal poured into it, so the heart, softened and melted by the blessed Spirit’s teaching, receives the impress of this glorious truth with filial confidence, feels its sweetness and power, and is filled with a holy admiration of it as the only way in which God can justify an ungodly wretch, not only without sacrificing any one attribute of His holy character, but rather magnifying thereby the purity of His nature, and the demands of His unbending justice.
To the reader…
There are times when you wonder how a holy God can justify the ungodly. You know your sins, and you know that the law lets go of none of its demands. How, then, can God remain just and still forgive you? We could never have worked that out ourselves. But God has revealed it: through the blood and obedience of His beloved Son many are made righteous.
Where sin abounded, grace did much more abound. Ask the Lord that this doctrine may not stay only in your head, but may soften your heart, as melted metal takes the shape of the mold. Then you will rest in it with childlike trust as all your salvation and all your desire, and say with the apostle, “God be thanked.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Gracias a Dios, que aunque fuisteis siervos del pecado, habéis obedecido de corazón a aquella forma de doctrina a la cual sois entregados.”
Romanos 6:17
¡Qué motivo tenemos para bendecir a Dios porque instruyó así a Su apóstol para exponer cómo es justificado un pecador! Pues ¿cómo habríamos llegado al conocimiento de este misterio sin revelación divina? ¿Cómo podríamos saber de qué manera Dios podía ser justo y, sin embargo, el que justifica al impío? ¿Cómo podríamos ver todas las perfecciones de Dios armonizando en la Persona y obra de Jesús? ¿Su ley mantenida en toda su rígida pureza y su más estricta justicia, y, sin embargo, la misericordia, la gracia y el amor teniendo pleno juego en la salvación de un pecador?
Pero el Espíritu de Dios condujo a Pablo profundamente a este bendito tema; y especialmente en la Epístola a los Romanos traza esta gran verdad fundamental con tal claridad, peso y poder, que la Iglesia de Dios nunca podrá estar suficientemente agradecida por esta porción de la revelación divina. Su gran propósito es mostrar cómo Dios justifica al impío por la sangre y la obediencia de Su amado Hijo; de modo que “como por la desobediencia de un hombre los muchos fueron constituidos pecadores, así por la obediencia de uno los muchos serán constituidos justos”. Declara que “la justicia de Dios es para todos y sobre todos los que creen”; y que “por la redención que es en Cristo Jesús, al cual Dios ha propuesto en propiciación por la fe en Su sangre”, Él perdona al pecador, justifica al impío y le mira como justo en el Hijo de Su amor.
Al desarrollar este tema, el apóstol (Romanos 5) remonta esta justificación a la unión de la Iglesia con su Cabeza del pacto; nos muestra su posición en Cristo así como en Adán; y que todas las miserias que le vienen de su posición en este último son sobrepasadas por las misericordias que fluyen de su posición en el primero; concluyendo con aquella verdad que reaviva el corazón: que “cuando el pecado creció, sobrepujó la gracia; para que, de la manera que el pecado reinó para muerte, así también la gracia reine por la justicia para vida eterna”.
Esta es, pues, una “forma de doctrina”, o molde de enseñanza, al cual el alma es entregada cuando es llevada a recibirla de corazón y a conocerla con sentimiento; y al ser conducida, más o menos, a gozarla en la experiencia, es favorecida con un solemne asentimiento a ella y una filial sumisión a ella, como toda su salvación y todo su deseo. Y así como el molde imprime su imagen en el yeso húmedo o en el metal fundido que se vierte en él, así el corazón, ablandado y derretido por la enseñanza del bendito Espíritu, recibe la impresión de esta gloriosa verdad con confianza filial, siente su dulzura y su poder, y se llena de una santa admiración por ella como el único camino por el cual Dios puede justificar a un impío miserable, no solo sin sacrificar ninguno de los atributos de Su santo carácter, sino más bien engrandeciendo con ello la pureza de Su naturaleza y las demandas de Su inflexible justicia.
Al lector…
Hay momentos en que usted se pregunta cómo un Dios santo puede justificar al impío. Conoce sus pecados, y sabe que la ley no renuncia a ninguna de sus demandas. ¿Cómo, entonces, puede Dios seguir siendo justo y aun así perdonarle? Nunca habríamos podido descubrirlo nosotros mismos. Pero Dios lo ha revelado: por la sangre y la obediencia de Su amado Hijo, los muchos son constituidos justos.
Cuando el pecado creció, sobrepujó la gracia. Pida al Señor que esta doctrina no se quede solo en su cabeza, sino que ablande su corazón, como el metal fundido toma la forma del molde. Entonces descansará en ella con confianza de niño como toda su salvación y todo su deseo, y dirá con el apóstol: “Gracias a Dios.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl