Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zij zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:24-25
Het eerste geval van barmhartigheid dat Salomo in alle nederigheid aan de Heere voorlegt, is: „Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben” (vs. 24). Hoe vaak worden wij voor het aangezicht des vijands geslagen! Vijanden hebben we beslist; en we moeten ze ook hebben, als we het pad bewandelen dat naar de heerlijkheid leidt, want: „Allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12).
Maar de grootste vijand waarmee we te maken krijgen, is die vijand van het eigen ik. U hebt wellicht vele vijanden; slechts weinigen hebben er geen; maar er is geen vijand zo geslepen, zo gevaarlijk, zo onvermoeibaar, en altijd zo dichtbij als degene die u in uw eigen borst draagt. Iemand kan zichzelf in vijf minuten meer kwaad doen dan al zijn vijanden bij elkaar in vijftig jaar zouden kunnen. Het eigen ik is daarom iemands grootste en ergste vijand en zal dit altijd zijn. En hoe vaak worden we voor het aangezicht van deze vijand geslagen!
Het eigen ik wint het van ons. Hoogmoed, begerigheid of vleselijke begeerten, zinnelijkheid en wereldsheid, ongeloof, een bepaald kwaad of een omringende zonde overwinnen enige tijd de ziel. We worden voor het aangezicht des vijands geslagen. Salomo heeft de juiste reden aangegeven voor het feit dat we „voor het aangezicht des vijands worden geslagen”. Als we ons in onze wachttoren bevonden, sterk in de genade en het geloof, zouden we zegevieren. Maar al te vaak worden Gods kinderen voor het aangezicht des vijands geslagen „omdat zij tegen U gezondigd hebben”.
We hoeven geen enkele vijand te vrezen, behalve als we onszelf eerst verzwakken door tegen God te zondigen; en hierdoor worden we geslagen voor het aangezicht van de drie machtigste vijanden: wet, geweten en duivel. Maar als er geen zonde was, zou de wet niet onze vijand zijn; als de wet niets kon ontdekken om ons voor te veroordelen, zouden we nooit voor zijn aangezicht worden geslagen. Is een schuldig geweten, hoewel in één opzicht onze vriend, niet in een ander opzicht onze vijand? Maar zou een schuldig geweten macht over ons kunnen hebben, of zouden we ooit voor het aangezicht van deze vijand kunnen worden geslagen, tenzij we tegen God hadden gezondigd?
Lezen: 2 Kronieken 6:12-28
Aan de lezer…
Misschien vraagt u zich af wie uw grootste vijand is. Niet de wereld, niet de mensen die u tegenstaan, maar die vijand die u in uw eigen borst draagt. Hoe vaak hebt u al ervaren dat hoogmoed, wereldsgezindheid, ongeloof of een omringende zonde het een tijd van u won, en u voor het aangezicht des vijands geslagen werd? Het is pijnlijk dat te erkennen, maar Salomo noemt de oorzaak eerlijk: omdat wij tegen de Heere gezondigd hebben.
Toch staat er niet alleen een oorzaak in deze bede, maar ook een weg terug. Wet, geweten en duivel hebben alleen macht over ons waar de zonde hun die macht geeft. Laat het u dan uitdrijven naar Hem Die de zonde wegneemt. Hij, Die het gebed in het huis des gebeds beloofde te horen, hoort ook nu de zucht van een geslagen ziel. Zoek uw kracht niet in uzelf, maar in Zijn genade, want daar alleen staat u sterk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zij zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:24-25
Het eerste geval waarin Salomo de Heere nederig om barmhartigheid vraagt, is: „Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben” (vs. 24). Hoe vaak worden wij voor het aangezicht van de vijand geslagen! Vijanden hebben we zeker, en we moeten ze ook hebben als we de weg gaan die naar de heerlijkheid leidt, want: „Allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12).
Maar de grootste vijand met wie we te maken krijgen, is de vijand van het eigen ik. Misschien hebt u veel vijanden; maar weinigen hebben er geen. Toch is geen vijand zo listig, zo gevaarlijk, zo onvermoeibaar en altijd zo dichtbij als de vijand die u in uw eigen borst meedraagt. Iemand kan zichzelf in vijf minuten meer kwaad doen dan al zijn vijanden samen in vijftig jaar zouden kunnen. Het eigen ik is daarom de grootste en ergste vijand van een mens, en zal dat altijd blijven. En hoe vaak worden we voor het aangezicht van deze vijand geslagen!
Het eigen ik krijgt de overhand. Hoogmoed, hebzucht of vleselijke begeerten, zinnelijkheid en wereldsgezindheid, ongeloof, een bepaald kwaad of een zonde die ons gemakkelijk omringt, overwinnen een tijdlang de ziel. Dan worden we voor het aangezicht van de vijand geslagen. Salomo heeft de juiste reden genoemd waarom we „voor het aangezicht des vijands worden geslagen”. Als we op onze wachttoren stonden, sterk in genade en geloof, zouden we overwinnen. Maar al te vaak worden Gods kinderen voor het aangezicht van de vijand geslagen „omdat zij tegen U gezondigd hebben”.
We hoeven geen enkele vijand te vrezen, tenzij we onszelf eerst verzwakken door tegen God te zondigen. Daardoor worden we geslagen voor het aangezicht van de drie machtigste vijanden: de wet, het geweten en de duivel. Als er geen zonde was, zou de wet onze vijand niet zijn; als de wet niets kon vinden om ons te veroordelen, zouden we nooit voor haar aangezicht geslagen worden. Is een schuldig geweten, hoewel in één opzicht onze vriend, niet in een ander opzicht onze vijand? Maar zou een schuldig geweten macht over ons kunnen hebben, of zouden we ooit voor het aangezicht van deze vijand geslagen kunnen worden, als we niet tegen God gezondigd hadden?
Lezen: 2 Kronieken 6:12-28
Aan de lezer…
Misschien vraagt u zich af wie uw grootste vijand is. Niet de wereld, niet de mensen die u tegenstaan, maar die vijand die u in uw eigen borst meedraagt. Hoe vaak hebt u al ervaren dat hoogmoed, wereldsgezindheid, ongeloof of een omringende zonde het een tijd van u won, en u voor het aangezicht van de vijand geslagen werd? Het is pijnlijk dat te erkennen, maar Salomo noemt de oorzaak eerlijk: omdat wij tegen de Heere gezondigd hebben.
Toch staat er in deze bede niet alleen een oorzaak, maar ook een weg terug. Wet, geweten en duivel hebben alleen macht over ons waar de zonde hun die macht geeft. Laat het u dan uitdrijven naar Hem Die de zonde wegneemt. Hij, Die beloofde het gebed in het huis des gebeds te horen, hoort ook nu de zucht van een geslagen ziel. Zoek uw kracht niet in uzelf, maar in Zijn genade, want alleen daar staat u sterk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And if Thy people Israel be put to the worse before the enemy, because they have sinned against Thee; and shall return and confess Thy Name, and pray and make supplication before Thee in this house; then hear Thou from the heavens, and forgive the sin of Thy people Israel.
2 Chronicles 6:24-25
The first case in which Solomon humbly asks the Lord for mercy is: “And if Thy people Israel be put to the worse before the enemy, because they have sinned against Thee” (verse 24). How often are we put to the worse before the enemy! Enemies we certainly have, and we must have them if we walk in the way that leads to glory, for “all that will live godly in Christ Jesus shall suffer persecution” (2 Tim. 3:12).
But the greatest enemy we have to do with is the enemy of self. Perhaps you have many enemies; but few have none. Yet no enemy is so subtle, so dangerous, so untiring and always so near as the enemy you carry in your own bosom. A man can do himself more harm in five minutes than all his enemies together could do him in fifty years. Self is therefore a man’s greatest and worst enemy, and always will be. And how often are we put to the worse before this enemy!
Self gains the upper hand. Pride, covetousness or carnal lusts, sensuality and worldly-mindedness, unbelief, some particular evil or a sin that easily besets us, overcome the soul for a time. Then we are put to the worse before the enemy. Solomon has named the true reason why we are “put to the worse before the enemy.” If we stood upon our watch-tower, strong in grace and faith, we would overcome. But all too often God’s children are put to the worse before the enemy “because they have sinned against Thee.”
We need fear no enemy unless we first weaken ourselves by sinning against God. By this we are put to the worse before the three mightiest enemies: the law, conscience and the devil. If there were no sin, the law would not be our enemy; if the law could find nothing to condemn us for, we would never be put to the worse before it. Is not a guilty conscience, though in one respect our friend, in another respect our enemy? But could a guilty conscience have power over us, or could we ever be put to the worse before this enemy, if we had not sinned against God?
Reading: 2 Chronicles 6:12-28
To the reader…
Perhaps you wonder who your greatest enemy is. Not the world, not the people who oppose you, but the enemy you carry in your own bosom. How often have you found that pride, worldly-mindedness, unbelief or a besetting sin gained the upper hand over you for a time, and you were put to the worse before the enemy? It is painful to acknowledge, but Solomon names the cause honestly: because we have sinned against the Lord.
Yet this petition holds not only a cause, but also a way back. Law, conscience and the devil only have power over us where sin gives them that power. Let it drive you, then, to Him Who takes away sin. He Who promised to hear prayer in the house of prayer hears now too the sigh of a soul that has been put to the worse. Do not seek your strength in yourself, but in His grace, for only there do you stand strong.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si Tu pueblo Israel cayere delante de los enemigos, por haber prevaricado contra Ti, y se convirtieren, y confesaren Tu Nombre, y rogaren delante de Ti en esta casa, Tú oirás desde los cielos, y perdonarás el pecado de Tu pueblo Israel.
2 Crónicas 6:24-25
El primer caso en que Salomón pide humildemente misericordia al Señor es: “Si Tu pueblo Israel cayere delante de los enemigos, por haber prevaricado contra Ti” (versículo 24). ¡Cuántas veces caemos delante del enemigo! Enemigos ciertamente tenemos, y hemos de tenerlos si andamos por el camino que lleva a la gloria, porque “todos los que quieren vivir píamente en Cristo Jesús, padecerán persecución” (2 Tim. 3:12).
Pero el mayor enemigo con que tenemos que tratar es el enemigo del yo. Quizá usted tiene muchos enemigos; pero pocos no tienen ninguno. Sin embargo, ningún enemigo es tan sutil, tan peligroso, tan incansable y siempre tan cercano como el enemigo que usted lleva en su propio pecho. Un hombre puede hacerse más daño a sí mismo en cinco minutos que todos sus enemigos juntos en cincuenta años. El yo es, pues, el mayor y peor enemigo del hombre, y siempre lo será. ¡Y cuántas veces caemos delante de este enemigo!
El yo se impone. El orgullo, la avaricia o las concupiscencias carnales, la sensualidad y la mundanalidad, la incredulidad, algún mal particular o un pecado que fácilmente nos asedia, vencen al alma por un tiempo. Entonces caemos delante del enemigo. Salomón ha nombrado la verdadera razón por la que “caemos delante del enemigo”. Si estuviéramos sobre nuestra atalaya, fuertes en la gracia y en la fe, venceríamos. Pero con demasiada frecuencia los hijos de Dios caen delante del enemigo “por haber prevaricado contra Ti”.
No necesitamos temer a ningún enemigo a menos que primero nos debilitemos pecando contra Dios. Por ello caemos delante de los tres enemigos más poderosos: la ley, la conciencia y el diablo. Si no hubiera pecado, la ley no sería nuestra enemiga; si la ley no hallara nada por qué condenarnos, nunca caeríamos delante de ella. ¿No es una conciencia culpable, aunque en un sentido sea nuestra amiga, en otro sentido nuestra enemiga? Pero ¿podría una conciencia culpable tener poder sobre nosotros, o podríamos jamás caer delante de este enemigo, si no hubiéramos pecado contra Dios?
Lectura: 2 Crónicas 6:12-28
Al lector…
Quizá se pregunta quién es su mayor enemigo. No el mundo, no las personas que se le oponen, sino el enemigo que lleva en su propio pecho. ¿Cuántas veces ha experimentado que el orgullo, la mundanalidad, la incredulidad o un pecado que le asedia se impusieron sobre usted por un tiempo, y cayó delante del enemigo? Es doloroso reconocerlo, pero Salomón nombra la causa con sinceridad: porque hemos pecado contra el Señor.
Sin embargo, esta petición contiene no solo una causa, sino también un camino de vuelta. La ley, la conciencia y el diablo solo tienen poder sobre nosotros donde el pecado les da ese poder. Deje, pues, que eso le impulse hacia Aquel que quita el pecado. El que prometió oír la oración en la casa de oración oye también ahora el suspiro de un alma que ha caído delante del enemigo. No busque su fuerza en usted mismo, sino en Su gracia, porque solo allí está firme.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl