6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
Psalm 51:3
Deze Psalm is zo juist geschikt voor de behoeften en gevoelens van elke overtuigde zondaar; want men behoeft Davids zonde niet bedreven te hebben om de mate van Davids berouw en belijdenis te gevoelen, en Davids verlangen, ontboezemingen en smekingen tot de zijne te maken. „Zijt mij genadig, o God!” zegt hij, „naar Uwe goedertierenheid.”
Aan God te vragen ons genadig te zijn, is een van de eerste beden die een overtuigd zondaar tot God opzendt. Zo was het met de zondaar in de tempel; en waar die bede oprecht is, zal God haar zekerlijk verhoren, „naar Zijn goedertierenheid”. Hoe smeekt de psalmdichter ook van de Heere „zijn overtredingen uit te delgen, naar de grootheid Zijner barmhartigheden”. Daar onze zonden in gedachten, woorden en daden talloos zijn en elk derzelve de hel verdient, behoeven wij „de grootheid Zijner barmhartigheden” om ze uit te delgen.
Wij mogen de sterren zien aan de hemel, het zand aan de oever der zee, de dauwdroppels op het gras, de golven die op het strand rollen; maar zowel onze zonden als Gods barmhartigheid overtreffen die alle. Hoe toonde Hij die barmhartigheden door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren; en hoe hebben wij al die barmhartigheden nodig, om met ons en onze overtredingen medelijden te hebben en ze te vergeven.
En hoe ernstig bad David: „Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonden.” Alleen het wassen van God Zelf kan ons wel, dat is, geheel en al wassen. Zo wij een oceaan van tranen konden storten, zouden ze geen enkele zonde kunnen afwassen; maar het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden en schenkt ons vergeving. Vergeving moet Zijn eigen vrije gave zijn, en dat is het wat elke ontdekte zondaar moet leren gevoelen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al Uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, een overtuigd zondaar, die zijn overtredingen niet meer kan tellen? U behoeft Davids zonde niet bedreven te hebben om zijn gebed tot het uwe te maken. Uw zonden in gedachten, woorden en daden zijn talloos als de sterren en het zand der zee, en elk daarvan verdient de hel. Een oceaan van tranen zou er niet één van kunnen afwassen.
Maar zie, Gods barmhartigheid overtreft ze alle. Hij toonde haar door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren, en het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zeg dan met de zondaar in de tempel en met David: „Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid.” Waar die bede oprecht is, zal God haar zekerlijk verhoren. Vergeving is Zijn eigen vrije gave; zij wordt niet verdiend, maar ontvangen door wie met lege handen komt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
Psalm 51:3
Deze psalm past zo goed bij de behoeften en gevoelens van elke overtuigde zondaar. Men hoeft immers Davids zonde niet bedreven te hebben om iets te voelen van de mate van Davids berouw en belijdenis, en om Davids verlangens, uitroepen en smekingen tot de zijne te maken. „Zijt mij genadig, o God!” zegt hij, „naar Uwe goedertierenheid.”
God vragen ons genadig te zijn, is een van de eerste beden die een overtuigd zondaar tot God opzendt. Zo was het met de zondaar in de tempel. En waar die bede oprecht is, zal God haar zeker verhoren, „naar Zijn goedertierenheid”. Zo smeekt de psalmdichter de Heere ook „zijn overtredingen uit te delgen, naar de grootheid Zijner barmhartigheden”. Omdat onze zonden in gedachten, woorden en daden talloos zijn en elk daarvan de hel verdient, hebben wij „de grootheid Zijner barmhartigheden” nodig om ze uit te delgen.
Wij kunnen de sterren aan de hemel zien, het zand aan de oever van de zee, de dauwdruppels op het gras en de golven die op het strand rollen; maar zowel onze zonden als Gods barmhartigheid overtreffen die alle. Hoe toonde Hij die barmhartigheden door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren! En hoe hebben wij al die barmhartigheden nodig, zodat Hij medelijden heeft met ons en onze overtredingen, en ze vergeeft!
En hoe ernstig bad David: „Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonden.” Alleen het wassen door God Zelf kan ons wel wassen, dat wil zeggen: helemaal en volkomen. Al konden wij een oceaan van tranen storten, dan zouden die nog geen enkele zonde kunnen afwassen; maar het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden en schenkt ons vergeving. Vergeving moet Zijn eigen vrije gave zijn, en dat is wat elke ontdekte zondaar moet leren voelen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al Uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Bent u een overtuigd zondaar, die zijn overtredingen niet meer kan tellen? U hoeft Davids zonde niet bedreven te hebben om zijn gebed tot het uwe te maken. Uw zonden in gedachten, woorden en daden zijn talloos als de sterren en als het zand van de zee, en elk daarvan verdient de hel. Een oceaan van tranen zou er niet één van kunnen afwassen.
Maar zie, Gods barmhartigheid overtreft ze alle. Hij toonde haar door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren, en het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zeg dan met de zondaar in de tempel en met David: „Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid.” Waar die bede oprecht is, zal God haar zeker verhoren. Vergeving is Zijn eigen vrije gave; zij wordt niet verdiend, maar ontvangen door wie met lege handen komt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Have mercy upon me, O God, according to Thy lovingkindness: according unto the multitude of Thy tender mercies blot out my transgressions.
Psalm 51:1
This psalm is very suitable to the needs and feelings of every sensible sinner, for it is not necessary to have committed David’s sin to have a measure of David’s repentance and confessions, and of David’s desires, breathings, and supplications. “Have mercy upon me, O God,” he says, “according to Your loving-kindness.” To ask God to have mercy upon us is one of the first cries that a convinced sinner puts up to God. It was so with the tax-collector in the temple; and where it is sincere, God will certainly hear it “according to His loving-kindness,” for He is full of love and kindness to poor, mourning sinners.
How the psalmist also begs of the Lord to “blot out his transgressions according unto the multitude of His tender mercies.” As our sins in thought, word, and deed are a countless multitude, of which every one deserves hell, we need “the multitude of His most tender mercies” to blot them out. We may see the stars in the sky, the sands on the sea-shore, the drops of dew on the grass, the waves rolling in upon the beach; but both our sins and God’s tender mercies exceed them all. How He showed these tender mercies in giving His dear Son to suffer, bleed, and die for miserable sinners; and how we need all these tender mercies to pity and pardon us and our transgressions.
And how earnestly David begged, “Wash me throughly from my iniquity, and cleanse me from my sin.” It is only the washing of God Himself that can wash us throughly. If we could shed an ocean of tears it would not wash away one sin; but the blood of Christ cleanses from all sin. In order to make us know this, the Lord shows us and makes us feel the guilt and burden of sin, and that we can do nothing to put it away. Pardon must be His own free gift, and that every sensible sinner is made to feel.
To the reader…
Are you a convinced sinner who can no longer count his transgressions? You need not have committed David’s sin to make his prayer your own. Your sins in thought, word and deed are as countless as the stars and the sand of the sea, and every one of them deserves hell. An ocean of tears could not wash away a single one.
But see, God’s mercy exceeds them all. He showed it by giving His dear Son to suffer, bleed and die for miserable sinners, and the blood of Jesus Christ cleanses from all sin. Say, then, with the sinner in the temple and with David: “Have mercy upon me, O God, according to Thy lovingkindness.” Where that prayer is sincere, God will surely hear it. Pardon is His own free gift; it is not earned, but received by those who come with empty hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ten piedad de mí, oh Dios, conforme a Tu misericordia: conforme a la multitud de Tus piedades borra mis rebeliones.
Salmo 51:1
Este salmo es muy apropiado a las necesidades y sentimientos de todo pecador sensible, porque no es necesario haber cometido el pecado de David para tener una medida del arrepentimiento y las confesiones de David, y de los deseos, suspiros y súplicas de David. “Ten piedad de mí, oh Dios”, dice, “conforme a Tu misericordia”. Pedir a Dios que tenga piedad de nosotros es uno de los primeros clamores que un pecador convencido eleva a Dios. Así fue con el publicano en el templo; y donde es sincero, Dios ciertamente lo oirá “conforme a Su misericordia”, porque Él está lleno de amor y bondad para con los pobres pecadores que lloran.
Cómo ruega también el salmista al Señor que “borre sus rebeliones conforme a la multitud de Sus piedades”. Como nuestros pecados de pensamiento, palabra y obra son una multitud incontable, y cada uno de ellos merece el infierno, necesitamos “la multitud de Sus más tiernas piedades” para borrarlos. Podemos ver las estrellas del cielo, la arena de la orilla del mar, las gotas de rocío sobre la hierba, las olas que ruedan sobre la playa; pero tanto nuestros pecados como las tiernas piedades de Dios los sobrepasan a todos. ¡Cómo mostró Él estas tiernas piedades al dar a Su amado Hijo para padecer, sangrar y morir por pecadores miserables; y cómo necesitamos todas estas tiernas piedades para que se compadezcan de nosotros y nos perdonen a nosotros y nuestras rebeliones!
¡Y con qué fervor rogó David: “Lávame más y más de mi maldad, y límpiame de mi pecado”! Solo el lavamiento de Dios mismo puede lavarnos más y más. Si pudiéramos derramar un océano de lágrimas, no lavaría un solo pecado; pero la sangre de Cristo limpia de todo pecado. Para hacernos saber esto, el Señor nos muestra y nos hace sentir la culpa y la carga del pecado, y que no podemos hacer nada para quitarlo. El perdón ha de ser Su propio don gratuito, y eso se le hace sentir a todo pecador sensible.
Al lector…
¿Es usted un pecador convencido que ya no puede contar sus rebeliones? No necesita haber cometido el pecado de David para hacer suya su oración. Sus pecados de pensamiento, palabra y obra son tan incontables como las estrellas y la arena del mar, y cada uno de ellos merece el infierno. Un océano de lágrimas no podría lavar ni uno solo.
Pero mire: la misericordia de Dios los sobrepasa a todos. Él la mostró dando a Su amado Hijo para padecer, sangrar y morir por pecadores miserables, y la sangre de Jesucristo limpia de todo pecado. Diga, pues, con el pecador en el templo y con David: “Ten piedad de mí, oh Dios, conforme a Tu misericordia”. Donde esa oración es sincera, Dios ciertamente la oirá. El perdón es Su propio don gratuito; no se gana, sino que lo reciben los que vienen con las manos vacías.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Als we voor het eerst voelen wat een arme, blinde en onwetende schepselen we zijn, nemen we vaak onze toevlucht tot menselijke geneesmiddelen. We denken wellicht dat studeren onze blindheid kan genezen, dat als we een aantal degelijke boeken verzamelen, veel in de Bijbel lezen en naar de beste predikers luisteren, we die ziekte kunnen genezen. Maar helaas, we komen er al spoedig achter dat we van al deze middelen alleen maar blinder en duisterder en onwetender worden dan eerst.
Als we merken hoe blind we zijn, hoe weinig we weten, dat er een sluier van onwetendheid over ons hart ligt, zuchten en roepen en smeken en bidden we en richten we ons tot de Heere om onze blinde ogen te openen, om licht en kennis en waarheid in ons hart te brengen. Dit is in feite een deel van wat onze tekst zegt: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
En als het de Heere belieft onze ogen te openen, en ons iets van Zijn eigen schoonheid, gezegendheid en heerlijkheid te tonen; als de gezegende Geest onze ogen zalft met hemelse ogenzalf om iets te kunnen zien van de heerlijke Persoon Christus, de rijkdommen van Zijn genade, de kracht van Zijn bloed, en de zoetheid en geschiktheid van alle personen en taken van Zijn verbond – als Hij zo een hoeveelheid goddelijk licht, leven en kracht in onze ziel legt, verhoort Hij dat gebed, en geneest Hij onze blindheid.
Lezen: Jeremia 17:1-18
Aan de lezer…
Hoe velen hebben het met menselijke geneesmiddelen beproefd, en wellicht u ook! Hebt u gelezen, gestudeerd en geluisterd, in de hoop dat uw blindheid zou wijken, en bemerkt dat u er alleen maar duisterder en onwetender door werd? Dat is een pijnlijke les, maar geen verloren les. Want juist wie merkt hoe weinig hij weet en hoe dik de sluier over zijn hart ligt, leert zuchten en roepen tot de Heere.
Laat dan de tekst uw gebed zijn: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.” Uw ogen kan geen mens openen, maar de gezegende Geest kan ze zalven met hemelse ogenzalf. Wanneer Hij u iets doet zien van de heerlijke Persoon van Christus, van de rijkdom van Zijn genade en de kracht van Zijn bloed, dan verhoort Hij dat gebed. Houd daarom aan; Die de blinde ogen opent, is Dezelfde Die u leert om licht te vragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Wanneer we voor het eerst voelen wat een arme, blinde en onwetende schepselen we zijn, zoeken we vaak onze toevlucht bij menselijke geneesmiddelen. We denken misschien dat studie onze blindheid kan genezen. We menen dat we die ziekte kunnen genezen door een aantal degelijke boeken te verzamelen, veel in de Bijbel te lezen en naar de beste predikers te luisteren. Maar helaas, we ontdekken al snel dat we door al die middelen alleen maar blinder, duisterder en onwetender worden dan eerst.
Wanneer we merken hoe blind we zijn, hoe weinig we weten en dat er een sluier van onwetendheid over ons hart ligt, dan zuchten, roepen, smeken en bidden we. We wenden ons tot de Heere, dat Hij onze blinde ogen opent en licht, kennis en waarheid in ons hart brengt. Dat is in feite een deel van wat onze tekst zegt: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
En wanneer het de Heere behaagt onze ogen te openen en ons iets van Zijn eigen schoonheid, gezegendheid en heerlijkheid te tonen, dan verhoort Hij dat gebed. Dat gebeurt wanneer de gezegende Geest onze ogen zalft met hemelse ogenzalf, zodat we iets kunnen zien van de heerlijke Persoon van Christus, de rijkdom van Zijn genade, de kracht van Zijn bloed, en de zoetheid en geschiktheid van alle personen en ambten in Zijn verbond. Wanneer Hij zo een mate van goddelijk licht, leven en kracht in onze ziel legt, verhoort Hij dat gebed en geneest Hij onze blindheid.
Lezen: Jeremia 17:1-18
Aan de lezer…
Hoe velen hebben het met menselijke geneesmiddelen geprobeerd, en misschien u ook! Hebt u gelezen, gestudeerd en geluisterd, in de hoop dat uw blindheid zou wijken, en gemerkt dat u er alleen maar duisterder en onwetender door werd? Dat is een pijnlijke les, maar geen verloren les. Want juist wie merkt hoe weinig hij weet en hoe dik de sluier over zijn hart ligt, leert zuchten en roepen tot de Heere.
Laat de tekst dan uw gebed zijn: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.” Uw ogen kan geen mens openen, maar de gezegende Geest kan ze zalven met hemelse ogenzalf. Wanneer Hij u iets laat zien van de heerlijke Persoon van Christus, van de rijkdom van Zijn genade en de kracht van Zijn bloed, dan verhoort Hij dat gebed. Houd daarom aan; Hij Die de blinde ogen opent, is Dezelfde Die u leert om licht te vragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
When we first feel what poor, blind and ignorant creatures we are, we often fly for refuge to human remedies. We think perhaps that study may cure our blindness. We fancy we can heal that disease by gathering together a number of sound books, reading much in the Bible and hearing the best preachers. But alas, we soon find that by all these means we only become blinder, darker and more ignorant than before.
When we discover how blind we are, how little we know, and that a veil of ignorance lies over our heart, then we sigh, cry, beg and pray. We turn to the Lord, that He would open our blind eyes and bring light, knowledge and truth into our heart. That is in fact a part of what our text says: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.”
And when it pleases the Lord to open our eyes and show us something of His own beauty, blessedness and glory, then He answers that prayer. This takes place when the blessed Spirit anoints our eyes with heavenly eyesalve, so that we can see something of the glorious Person of Christ, the riches of His grace, the efficacy of His blood, and the sweetness and suitability of all the persons and offices in His covenant. When He thus lays a measure of divine light, life and power in our soul, He answers that prayer and heals our blindness.
Reading: Jeremiah 17:1-18
To the reader…
How many have tried human remedies, and perhaps you have too! Have you read, studied and listened, in the hope that your blindness would depart, and found that you only grew darker and more ignorant? That is a painful lesson, but not a lost one. For it is just the one who finds how little he knows and how thick the veil lies over his heart who learns to sigh and cry to the Lord.
Then let the text be your prayer: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.” No man can open your eyes, but the blessed Spirit can anoint them with heavenly eyesalve. When He lets you see something of the glorious Person of Christ, of the riches of His grace and the efficacy of His blood, then He answers that prayer. So hold on; He Who opens the blind eyes is the same One Who teaches you to ask for light.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Cuando sentimos por primera vez qué criaturas tan pobres, ciegas e ignorantes somos, a menudo huimos en busca de refugio a remedios humanos. Pensamos quizá que el estudio puede curar nuestra ceguera. Imaginamos que podemos sanar esa enfermedad reuniendo un buen número de libros sanos, leyendo mucho la Biblia y oyendo a los mejores predicadores. Pero, ¡ay!, pronto hallamos que por todos estos medios solo nos volvemos más ciegos, más oscuros y más ignorantes que antes.
Cuando descubrimos cuán ciegos somos, cuán poco sabemos, y que un velo de ignorancia yace sobre nuestro corazón, entonces suspiramos, clamamos, suplicamos y oramos. Nos volvemos al Señor, para que abra nuestros ojos ciegos y traiga luz, conocimiento y verdad a nuestro corazón. Eso es de hecho una parte de lo que dice nuestro texto: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”.
Y cuando place al Señor abrir nuestros ojos y mostrarnos algo de Su propia hermosura, bienaventuranza y gloria, entonces Él responde esa oración. Esto sucede cuando el bendito Espíritu unge nuestros ojos con colirio celestial, de modo que podemos ver algo de la gloriosa Persona de Cristo, de las riquezas de Su gracia, de la eficacia de Su sangre, y de la dulzura e idoneidad de todas las personas y oficios de Su pacto. Cuando Él pone así una medida de luz, vida y poder divinos en nuestra alma, responde esa oración y sana nuestra ceguera.
Lectura: Jeremías 17:1-18
Al lector…
¡Cuántos han probado remedios humanos, y quizá usted también! ¿Ha leído, estudiado y escuchado, con la esperanza de que su ceguera se fuera, y ha hallado que solo se volvía más oscuro y más ignorante? Es una lección dolorosa, pero no perdida. Porque es precisamente quien descubre cuán poco sabe y cuán espeso es el velo sobre su corazón el que aprende a suspirar y clamar al Señor.
Haga, pues, del texto su oración: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”. Ningún hombre puede abrir sus ojos, pero el bendito Espíritu puede ungirlos con colirio celestial. Cuando Él le deja ver algo de la gloriosa Persona de Cristo, de las riquezas de Su gracia y de la eficacia de Su sangre, entonces responde esa oración. Persevere, pues; el que abre los ojos ciegos es el mismo que le enseña a pedir luz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg.
Johannes 14:6
Hoe is Jezus de weg? In alles wat Hij voor Gods volk is, is Hij de weg. Het bloed is de weg tot de hemel, want de gehele weg, gelijk Hart spreekt, is omlijnd met bloed. Door Zijn dierbaar bloed, op Golgotha’s kruis vergoten, heeft Hij de zonde weggenomen door Zijns Zelfs offerande en daardoor een weg van toenadering tot God ontsloten. Zijn gerechtigheid is ook een deel van die weg, want alleen in zover wij gekleed staan in Zijn heerlijke gerechtigheid, hebben wij enige toenadering tot en gunstige ontvangst bij God de Vader. En Zijn liefde is de weg; want indien wij wandelen in de liefde, wandelen wij in Hem, want Hij is liefde. Elk gedeelte van de weg was bepaald en uitgewerkt door de liefde van Zijn teder hart.
Maar ook is de weg de weg van verdrukking. Was niet Jezus Zelf de grote Lijder? En indien Hij de weg is, de enige weg, dan moet ik Zijn lijden gelijkvormig worden. Christus niet te kennen in verdrukkingen en smarten, is Hem niet te kennen. Hij was een Man van smarten en verzocht in krankheid, en niets van die smart te kennen, wil met alle nadruk zeggen dat wij geen vereniging en gemeenschap hebben met de Heere Jezus Christus.
Doch wij keren ons gewoonlijk terzijde, óf ter rechter-, óf ter linkerhand. De lafhartigheid kan het kruis niet dragen; er is een afglijden tot vleselijk gemak en een vleselijke gerustheid, om weg te komen van onder het smartelijke kruis van verdrukking en lijden. Doch wanneer wij ons óf ter rechter-, óf ter linkerhand wenden, dan zendt de Heere ons de stem achterna: „Dit is de weg”, de weg der verdrukking, en geen andere; de weg van moeite, van beproeving, van oefening. Dit is de weg die de Koning van ouds bewandelde; en dit is de weg waarop al Zijn volk vóór en na Hem gewandeld heeft, want dit is de enige weg waarin de voetstappen der schapen kunnen gevonden worden.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U hebt wel eens gedacht dat u van de weg af was, omdat uw pad zo vol moeite, beproeving en smart is. Zie dan naar Hem, Die de weg is. Was Hij niet Zelf de grote Lijder, een Man van smarten en verzocht in krankheid? Christus niet te kennen in verdrukking, is Hem niet te kennen. Uw kruis is dus geen teken dat Hij u vergeten heeft; het kan juist het spoor zijn waarin u Hem gelijkvormig wordt.
Ach, hoe graag glijden wij af naar vleselijk gemak, ter rechter- of ter linkerhand, om onder het kruis vandaan te komen! Maar de Heere zendt Zijn stem ons achterna: „Dit is de weg.” Het is een weg omlijnd met bloed, gekleed in Zijn gerechtigheid en uitgewerkt door de liefde van Zijn teder hart. Wandel daarin met moed, want het is de weg die de Koning bewandelde, en daar worden de voetstappen der schapen gevonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg.
Johannes 14:6
Hoe is Jezus de weg? In alles wat Hij voor Gods volk is, is Hij de weg. Het bloed is de weg naar de hemel, want de hele weg is, zoals Hart zegt, omlijnd met bloed. Door Zijn dierbaar bloed, vergoten aan het kruis op Golgotha, heeft Hij de zonde weggenomen door de offerande van Zichzelf en zo een weg geopend om tot God te naderen. Zijn gerechtigheid is ook een deel van die weg, want alleen voor zover wij gekleed staan in Zijn heerlijke gerechtigheid, kunnen wij tot God de Vader naderen en worden wij door Hem gunstig ontvangen. En Zijn liefde is de weg; want als wij wandelen in de liefde, wandelen wij in Hem, want Hij is liefde. Elk deel van de weg werd bepaald en uitgewerkt door de liefde van Zijn teder hart.
Maar de weg is ook de weg van verdrukking. Was Jezus niet Zelf de grote Lijder? En als Hij de weg is, de enige weg, dan moet ik aan Zijn lijden gelijkvormig worden. Christus niet kennen in verdrukkingen en smarten, is Hem niet kennen. Hij was een Man van smarten en verzocht in krankheid. Niets van die smart kennen, betekent met alle nadruk dat wij geen vereniging en gemeenschap hebben met de Heere Jezus Christus.
Maar wij wijken gewoonlijk af, naar rechts of naar links. De lafheid kan het kruis niet dragen; er is een afglijden naar vleselijk gemak en vleselijke gerustheid, om onder het smartelijke kruis van verdrukking en lijden vandaan te komen. Maar wanneer wij ons naar rechts of naar links wenden, zendt de Heere ons Zijn stem achterna: „Dit is de weg”, de weg van de verdrukking, en geen andere; de weg van moeite, van beproeving, van oefening. Dit is de weg die de Koning van oudsher ging. En dit is de weg waarop heel Zijn volk vóór en na Hem gewandeld heeft, want het is de enige weg waarop de voetstappen van de schapen te vinden zijn.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U hebt wel eens gedacht dat u van de weg af was, omdat uw pad zo vol moeite, beproeving en smart is. Zie dan naar Hem, Die de weg is. Was Hij niet Zelf de grote Lijder, een Man van smarten en verzocht in krankheid? Christus niet kennen in verdrukking, is Hem niet kennen. Uw kruis is dus geen teken dat Hij u vergeten heeft; het kan juist het spoor zijn waarin u aan Hem gelijkvormig wordt.
Ach, wat glijden wij graag af naar vleselijk gemak, naar rechts of naar links, om onder het kruis vandaan te komen! Maar de Heere zendt ons Zijn stem achterna: „Dit is de weg.” Het is een weg omlijnd met bloed, waarop wij gekleed gaan in Zijn gerechtigheid, uitgewerkt door de liefde van Zijn teder hart. Wandel daarop met moed, want het is de weg die de Koning ging, en daar zijn de voetstappen van de schapen te vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Jesus saith unto him, I am the way.”
John 14:6
How is Jesus the way? In everything that He is to God’s people He is the way. His blood is the way to heaven; “for the whole path,” as Hart speaks, “is lined with blood.” By His precious blood shed upon Calvary’s tree He has put away sin by the sacrifice of Himself, and opened a way of access to God. His righteousness, also, is part of the way; for only so far as we stand clothed in His glorious righteousness have we any access unto, any acceptance with God the Father. And His love is the way; for if we walk in love, we walk in Him, for He is love. Every part of the way was devised and is executed by the love of His tender heart.
But the way, also, is the way of tribulation. Was not Jesus Himself the great Sufferer? And if He be the way, the only way, I must be conformed to His likeness in suffering. Not to know afflictions and tribulations, is not to know Christ. He was “a Man of sorrows and acquainted with grief!” And if so, to have no sorrow, to have no acquaintance with grief, and to know nothing of tribulation, is to proclaim to all with a loud voice that we have no union and communion with the Lord Jesus Christ.
But we are continually turning aside “to the right hand” or “to the left.” There is that cowardice in the heart which cannot bear the cross; there is that slipping into carnal ease and fleshly security, so as to get away from under the painful cross of affliction and suffering. But when we thus turn aside “to the right hand” or “to the left,” the voice the Lord sends after us is, “This is the way”—the way of affliction; no other; the way of tribulation, the way of trial, the way of exercise. This is the way in which the King walked of old; and this is the way in which all His people have walked before Him and after Him; for this is the only path in which the footsteps of the flock can be found.
To the reader…
Do you recognize this? You have sometimes thought that you were off the way, because your path is so full of trouble, trial, and sorrow. Look, then, to Him Who is the way. Was He not Himself the great Sufferer, a Man of sorrows and acquainted with grief? Not to know Christ in tribulation is not to know Him. Your cross, then, is no sign that He has forgotten you; it may be precisely the track in which you are being conformed to Him.
Ah, how readily we slip away into carnal ease, to the right hand or to the left, to get out from under the cross! But the Lord sends His voice after us: “This is the way.” It is a way lined with blood, on which we go clothed in His righteousness, wrought out by the love of His tender heart. Walk on it with courage, for it is the way the King walked, and there the footsteps of the flock are to be found.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Jesús le dice: Yo soy el camino.”
Juan 14:6
¿Cómo es Jesús el camino? En todo lo que Él es para el pueblo de Dios, Él es el camino. Su sangre es el camino al cielo; “porque toda la senda”, como dice Hart, “está bordeada de sangre”. Por Su preciosa sangre derramada en el madero del Calvario ha quitado el pecado por el sacrificio de Sí mismo, y ha abierto un camino de acceso a Dios. Su justicia es también parte del camino; porque solo en cuanto estamos revestidos de Su gloriosa justicia tenemos algún acceso a Dios el Padre, alguna aceptación ante Él. Y Su amor es el camino; porque si andamos en amor, andamos en Él, pues Él es amor. Cada parte del camino fue ideada y es llevada a cabo por el amor de Su tierno corazón.
Pero el camino es también el camino de la tribulación. ¿No fue Jesús mismo el gran Sufriente? Y si Él es el camino, el único camino, he de ser conformado a Su semejanza en el padecimiento. No conocer aflicciones y tribulaciones es no conocer a Cristo. ¡Él fue “varón de dolores, experimentado en quebranto”! Y si es así, no tener dolor, no tener experiencia del quebranto y no saber nada de la tribulación es proclamar a todos a gran voz que no tenemos unión ni comunión con el Señor Jesucristo.
Pero continuamente nos desviamos “á la mano derecha” o “á la mano izquierda”. Hay en el corazón aquella cobardía que no puede soportar la cruz; hay aquel deslizarse hacia la comodidad carnal y la seguridad de la carne, para escapar de debajo de la dolorosa cruz de la aflicción y el padecimiento. Pero cuando así nos desviamos “a la mano derecha” o “a la mano izquierda”, la voz que el Señor envía tras nosotros es: “Este es el camino”: el camino de la aflicción, y ningún otro; el camino de la tribulación, el camino de la prueba, el camino del ejercicio. Este es el camino por el que anduvo el Rey antiguamente; y este es el camino por el que todo Su pueblo ha andado antes de Él y después de Él; porque esta es la única senda en la que pueden hallarse las huellas del rebaño.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? A veces ha pensado que estaba fuera del camino, porque su senda está tan llena de angustia, prueba y dolor. Mire, entonces, a Aquel Que es el camino. ¿No fue Él mismo el gran Sufriente, varón de dolores, experimentado en quebranto? No conocer a Cristo en la tribulación es no conocerle. Su cruz, pues, no es señal de que Él le ha olvidado; puede ser precisamente la huella en la que usted está siendo conformado a Él.
¡Ah, con qué facilidad nos deslizamos hacia la comodidad carnal, a la mano derecha o a la izquierda, para salir de debajo de la cruz! Pero el Señor envía Su voz tras nosotros: “Este es el camino.” Es un camino bordeado de sangre, por el que vamos revestidos de Su justicia, obrado por el amor de Su tierno corazón. Ande por él con valor, porque es el camino por el que anduvo el Rey, y allí se hallan las huellas del rebaño.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl