8 de agosto
Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
Psalm 51:3
Deze Psalm is zo juist geschikt voor de behoeften en gevoelens van elke overtuigde zondaar; want men behoeft Davids zonde niet bedreven te hebben om de mate van Davids berouw en belijdenis te gevoelen, en Davids verlangen, ontboezemingen en smekingen tot de zijne te maken. „Zijt mij genadig, o God!” zegt hij, „naar Uwe goedertierenheid.”
Aan God te vragen ons genadig te zijn, is een van de eerste beden die een overtuigd zondaar tot God opzendt. Zo was het met de zondaar in de tempel; en waar die bede oprecht is, zal God haar zekerlijk verhoren, „naar Zijn goedertierenheid”. Hoe smeekt de psalmdichter ook van de Heere „zijn overtredingen uit te delgen, naar de grootheid Zijner barmhartigheden”. Daar onze zonden in gedachten, woorden en daden talloos zijn en elk derzelve de hel verdient, behoeven wij „de grootheid Zijner barmhartigheden” om ze uit te delgen.
Wij mogen de sterren zien aan de hemel, het zand aan de oever der zee, de dauwdroppels op het gras, de golven die op het strand rollen; maar zowel onze zonden als Gods barmhartigheid overtreffen die alle. Hoe toonde Hij die barmhartigheden door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren; en hoe hebben wij al die barmhartigheden nodig, om met ons en onze overtredingen medelijden te hebben en ze te vergeven.
En hoe ernstig bad David: „Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonden.” Alleen het wassen van God Zelf kan ons wel, dat is, geheel en al wassen. Zo wij een oceaan van tranen konden storten, zouden ze geen enkele zonde kunnen afwassen; maar het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden en schenkt ons vergeving. Vergeving moet Zijn eigen vrije gave zijn, en dat is het wat elke ontdekte zondaar moet leren gevoelen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al Uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, een overtuigd zondaar, die zijn overtredingen niet meer kan tellen? U behoeft Davids zonde niet bedreven te hebben om zijn gebed tot het uwe te maken. Uw zonden in gedachten, woorden en daden zijn talloos als de sterren en het zand der zee, en elk daarvan verdient de hel. Een oceaan van tranen zou er niet één van kunnen afwassen.
Maar zie, Gods barmhartigheid overtreft ze alle. Hij toonde haar door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren, en het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zeg dan met de zondaar in de tempel en met David: „Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid.” Waar die bede oprecht is, zal God haar zekerlijk verhoren. Vergeving is Zijn eigen vrije gave; zij wordt niet verdiend, maar ontvangen door wie met lege handen komt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
Psalm 51:3
Deze psalm past zo goed bij de behoeften en gevoelens van elke overtuigde zondaar. Men hoeft immers Davids zonde niet bedreven te hebben om iets te voelen van de mate van Davids berouw en belijdenis, en om Davids verlangens, uitroepen en smekingen tot de zijne te maken. „Zijt mij genadig, o God!” zegt hij, „naar Uwe goedertierenheid.”
God vragen ons genadig te zijn, is een van de eerste beden die een overtuigd zondaar tot God opzendt. Zo was het met de zondaar in de tempel. En waar die bede oprecht is, zal God haar zeker verhoren, „naar Zijn goedertierenheid”. Zo smeekt de psalmdichter de Heere ook „zijn overtredingen uit te delgen, naar de grootheid Zijner barmhartigheden”. Omdat onze zonden in gedachten, woorden en daden talloos zijn en elk daarvan de hel verdient, hebben wij „de grootheid Zijner barmhartigheden” nodig om ze uit te delgen.
Wij kunnen de sterren aan de hemel zien, het zand aan de oever van de zee, de dauwdruppels op het gras en de golven die op het strand rollen; maar zowel onze zonden als Gods barmhartigheid overtreffen die alle. Hoe toonde Hij die barmhartigheden door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren! En hoe hebben wij al die barmhartigheden nodig, zodat Hij medelijden heeft met ons en onze overtredingen, en ze vergeeft!
En hoe ernstig bad David: „Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonden.” Alleen het wassen door God Zelf kan ons wel wassen, dat wil zeggen: helemaal en volkomen. Al konden wij een oceaan van tranen storten, dan zouden die nog geen enkele zonde kunnen afwassen; maar het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden en schenkt ons vergeving. Vergeving moet Zijn eigen vrije gave zijn, en dat is wat elke ontdekte zondaar moet leren voelen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al Uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Bent u een overtuigd zondaar, die zijn overtredingen niet meer kan tellen? U hoeft Davids zonde niet bedreven te hebben om zijn gebed tot het uwe te maken. Uw zonden in gedachten, woorden en daden zijn talloos als de sterren en als het zand van de zee, en elk daarvan verdient de hel. Een oceaan van tranen zou er niet één van kunnen afwassen.
Maar zie, Gods barmhartigheid overtreft ze alle. Hij toonde haar door Zijn lieve Zoon over te geven aan lijden, bloedstorting en sterven voor ellendige zondaren, en het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zeg dan met de zondaar in de tempel en met David: „Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid.” Waar die bede oprecht is, zal God haar zeker verhoren. Vergeving is Zijn eigen vrije gave; zij wordt niet verdiend, maar ontvangen door wie met lege handen komt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Have mercy upon me, O God, according to Thy lovingkindness: according unto the multitude of Thy tender mercies blot out my transgressions.
Psalm 51:1
This psalm is very suitable to the needs and feelings of every sensible sinner, for it is not necessary to have committed David’s sin to have a measure of David’s repentance and confessions, and of David’s desires, breathings, and supplications. “Have mercy upon me, O God,” he says, “according to Your loving-kindness.” To ask God to have mercy upon us is one of the first cries that a convinced sinner puts up to God. It was so with the tax-collector in the temple; and where it is sincere, God will certainly hear it “according to His loving-kindness,” for He is full of love and kindness to poor, mourning sinners.
How the psalmist also begs of the Lord to “blot out his transgressions according unto the multitude of His tender mercies.” As our sins in thought, word, and deed are a countless multitude, of which every one deserves hell, we need “the multitude of His most tender mercies” to blot them out. We may see the stars in the sky, the sands on the sea-shore, the drops of dew on the grass, the waves rolling in upon the beach; but both our sins and God’s tender mercies exceed them all. How He showed these tender mercies in giving His dear Son to suffer, bleed, and die for miserable sinners; and how we need all these tender mercies to pity and pardon us and our transgressions.
And how earnestly David begged, “Wash me throughly from my iniquity, and cleanse me from my sin.” It is only the washing of God Himself that can wash us throughly. If we could shed an ocean of tears it would not wash away one sin; but the blood of Christ cleanses from all sin. In order to make us know this, the Lord shows us and makes us feel the guilt and burden of sin, and that we can do nothing to put it away. Pardon must be His own free gift, and that every sensible sinner is made to feel.
To the reader…
Are you a convinced sinner who can no longer count his transgressions? You need not have committed David’s sin to make his prayer your own. Your sins in thought, word and deed are as countless as the stars and the sand of the sea, and every one of them deserves hell. An ocean of tears could not wash away a single one.
But see, God’s mercy exceeds them all. He showed it by giving His dear Son to suffer, bleed and die for miserable sinners, and the blood of Jesus Christ cleanses from all sin. Say, then, with the sinner in the temple and with David: “Have mercy upon me, O God, according to Thy lovingkindness.” Where that prayer is sincere, God will surely hear it. Pardon is His own free gift; it is not earned, but received by those who come with empty hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ten piedad de mí, oh Dios, conforme a Tu misericordia: conforme a la multitud de Tus piedades borra mis rebeliones.
Salmo 51:1
Este salmo es muy apropiado a las necesidades y sentimientos de todo pecador sensible, porque no es necesario haber cometido el pecado de David para tener una medida del arrepentimiento y las confesiones de David, y de los deseos, suspiros y súplicas de David. “Ten piedad de mí, oh Dios”, dice, “conforme a Tu misericordia”. Pedir a Dios que tenga piedad de nosotros es uno de los primeros clamores que un pecador convencido eleva a Dios. Así fue con el publicano en el templo; y donde es sincero, Dios ciertamente lo oirá “conforme a Su misericordia”, porque Él está lleno de amor y bondad para con los pobres pecadores que lloran.
Cómo ruega también el salmista al Señor que “borre sus rebeliones conforme a la multitud de Sus piedades”. Como nuestros pecados de pensamiento, palabra y obra son una multitud incontable, y cada uno de ellos merece el infierno, necesitamos “la multitud de Sus más tiernas piedades” para borrarlos. Podemos ver las estrellas del cielo, la arena de la orilla del mar, las gotas de rocío sobre la hierba, las olas que ruedan sobre la playa; pero tanto nuestros pecados como las tiernas piedades de Dios los sobrepasan a todos. ¡Cómo mostró Él estas tiernas piedades al dar a Su amado Hijo para padecer, sangrar y morir por pecadores miserables; y cómo necesitamos todas estas tiernas piedades para que se compadezcan de nosotros y nos perdonen a nosotros y nuestras rebeliones!
¡Y con qué fervor rogó David: “Lávame más y más de mi maldad, y límpiame de mi pecado”! Solo el lavamiento de Dios mismo puede lavarnos más y más. Si pudiéramos derramar un océano de lágrimas, no lavaría un solo pecado; pero la sangre de Cristo limpia de todo pecado. Para hacernos saber esto, el Señor nos muestra y nos hace sentir la culpa y la carga del pecado, y que no podemos hacer nada para quitarlo. El perdón ha de ser Su propio don gratuito, y eso se le hace sentir a todo pecador sensible.
Al lector…
¿Es usted un pecador convencido que ya no puede contar sus rebeliones? No necesita haber cometido el pecado de David para hacer suya su oración. Sus pecados de pensamiento, palabra y obra son tan incontables como las estrellas y la arena del mar, y cada uno de ellos merece el infierno. Un océano de lágrimas no podría lavar ni uno solo.
Pero mire: la misericordia de Dios los sobrepasa a todos. Él la mostró dando a Su amado Hijo para padecer, sangrar y morir por pecadores miserables, y la sangre de Jesucristo limpia de todo pecado. Diga, pues, con el pecador en el templo y con David: “Ten piedad de mí, oh Dios, conforme a Tu misericordia”. Donde esa oración es sincera, Dios ciertamente la oirá. El perdón es Su propio don gratuito; no se gana, sino que lo reciben los que vienen con las manos vacías.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl