6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.
Romeinen 8:1
Er is in het gehele Woord der Waarheid geen zaliger verklaring. Het is de zoetste toon van de bazuin des Evangelies, want deze zet de kroon op aan het ganse jubilee. Is de verdoemenis niet de bitterste droppel in de beker van de bevenden; de schrilste, schelste toon dier geduchte bazuin, die zo lang en zo breed van Sinaï’s brandende kruin weerklonk, zodat allen die in de legerplaats waren, beefden (Exod. 19:13,16)?
Verdoemenis is de laatste volvoering van Gods rechtvaardige wet, en voert daarom met zich alles wat de dood met zijn prikkel en het graf met zijn verschrikking wapent. De vrees daarvoor — de vrees en de schrik van voor eeuwig uit de tegenwoordigheid Gods verbannen te zijn, onherstelbaar verloren te zijn, te zinken onder de brandende toorn van Hem, Die een verterend vuur is — heeft duizenden harten met schrik vervuld. En zo moet het zijn, zolang de wet spreekt in haar donderslagen, zolang de stem van het geweten haar uitspraak herhaalt en zolang de toorn Gods brandt in het diepst der hel. O! gezegend woord van genade en waarheid, dat waardig is door de stem van cherubijnen en serafijnen in hemel en op aarde te weerklinken: „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn!”
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons dag aan dag
met zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid:
wie zou die hoogste Majesteit
dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil,
Hij schenkt uit goedheid, zonder peil,
ons ’t eeuwig zalig leven.
Hij kan en wil en zal in nood,
zelfs bij het naad’ren van de dood,
volkomen uitkomst geven.
Ps. 68:10
Aan de lezer…
Klonken de donderslagen van Sinaï ooit in uw geweten? Kent u iets van die schrik, van voor eeuwig uit de tegenwoordigheid Gods verbannen te zijn en te zinken onder de toorn van Hem, Die een verterend vuur is? Ik verzwijg het niet: zo moet het zijn, zolang de wet spreekt en het geweten haar uitspraak herhaalt. Het is de bitterste droppel in de beker van de bevenden.
Maar luister dan ook naar de zoetste toon van de bazuin des Evangelies: „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.” Niet straks, niet wanneer u beter bent, maar nu. Wie in Hem is, op die rust de vloek niet meer. Zoek dan uw schuilplaats niet in uzelf, maar in Christus Jezus. Dat woord is waardig door cherubijnen en serafijnen te worden bezongen, en het is gesproken voor zulke bevende zondaren als u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.
Romeinen 8:1
Er is in het hele Woord van de Waarheid geen zaliger verklaring. Het is de zoetste toon van de bazuin van het Evangelie, want die zet de kroon op het hele jubeljaar. Is de verdoemenis niet de bitterste druppel in de beker van de bevenden? Is zij niet de schrilste, scherpste toon van die geduchte bazuin die zo lang en zo luid van de brandende top van de Sinaï weerklonk, zodat allen die in de legerplaats waren, beefden (Exod. 19:13,16)?
Verdoemenis is de uiteindelijke voltrekking van Gods rechtvaardige wet. Daarom brengt zij alles met zich mee wat de dood met zijn prikkel en het graf met zijn verschrikking bewapent. De vrees daarvoor, de vrees en de schrik om voor eeuwig uit de tegenwoordigheid van God verbannen te zijn, onherstelbaar verloren te zijn en weg te zinken onder de brandende toorn van Hem, Die een verterend vuur is, heeft duizenden harten met schrik vervuld. En zo moet het ook zijn, zolang de wet spreekt in haar donderslagen, zolang de stem van het geweten haar uitspraak herhaalt en zolang de toorn van God brandt in het diepst van de hel. O, gezegend woord van genade en waarheid, dat het waard is door de stem van cherubs en serafs in de hemel en op aarde te weerklinken: „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn!”
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons dag aan dag
met zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid:
wie zou die hoogste Majesteit
dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil,
Hij schenkt uit goedheid, zonder peil,
ons ’t eeuwig zalig leven.
Hij kan en wil en zal in nood,
zelfs bij het naad’ren van de dood,
volkomen uitkomst geven.
Ps. 68:10
Aan de lezer…
Klonken de donderslagen van de Sinaï ooit in uw geweten? Kent u iets van die schrik om voor eeuwig uit de tegenwoordigheid van God verbannen te zijn en weg te zinken onder de toorn van Hem, Die een verterend vuur is? Ik verzwijg het niet: zo moet het zijn, zolang de wet spreekt en het geweten haar uitspraak herhaalt. Het is de bitterste druppel in de beker van de bevenden.
Maar luister dan ook naar de zoetste toon van de bazuin van het Evangelie: „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.” Niet straks, niet wanneer u beter bent, maar nu. Op wie in Hem is, rust de vloek niet meer. Zoek uw schuilplaats dan niet in uzelf, maar in Christus Jezus. Dat woord is het waard door cherubs en serafs te worden bezongen, en het is gesproken voor zulke bevende zondaars als u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
There is therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus.
Romans 8:1
There is not a more blessed declaration than this in the whole word of truth. It is the sweetest note sounded by the gospel trumpet, for it is the very crown of the whole jubilee. Is not condemnation the bitterest drop in the cup of trembling? the most chilling, piercing note of that terrible trumpet which sounded so long and so loud from Sinai’s blazing top that all the people that were in the camp trembled? (Exod. 19:13, 16.) Condemnation is the final execution of God’s righteous law, and therefore carries with it all that arms death with its sting and the grave with its terror.
The apprehension of this; the dread and fear of being banished forever from the presence of God; of being lost, and that without remedy; of sinking under the blazing indignation of Him Who is a consuming fire, has filled thousands of hearts with horror. And it must be so as long as the law speaks in its thunders, as long as conscience re-echoes its verdict, and as long as the wrath of God burns to the lowest hell. O the blessedness, then, of that word of grace and truth, worthy to be sounded through heaven and earth by the voice of cherubim and seraphim, “There is no condemnation to those who are in Christ Jesus!”
To the reader…
Did the thunders of Sinai ever sound in your conscience? Do you know anything of that terror of being banished forever from the presence of God and of sinking under the wrath of Him Who is a consuming fire? I will not hide it: so it must be, as long as the law speaks and conscience repeats its verdict. It is the bitterest drop in the cup of trembling.
But then listen also to the sweetest note of the gospel trumpet: “There is therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus.” Not later, not when you are better, but now. On those who are in Him the curse no longer rests. So do not seek your refuge in yourself, but in Christ Jesus. That word is worthy to be sung by cherubim and seraphim, and it was spoken for trembling sinners such as you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ahora pues, ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús.
Romanos 8:1
No hay en toda la palabra de verdad una declaración más bienaventurada que esta. Es la nota más dulce que suena la trompeta del evangelio, porque es la corona misma de todo el jubileo. ¿No es la condenación la gota más amarga del cáliz de aturdimiento? ¿La nota más helada y penetrante de aquella terrible trompeta que sonó tanto tiempo y tan fuerte desde la cumbre ardiente del Sinaí, que se estremeció todo el pueblo que estaba en el real? (Éxodo 19:13, 16). La condenación es la ejecución final de la justa ley de Dios, y por tanto lleva consigo todo lo que arma a la muerte con su aguijón y al sepulcro con su terror.
La aprensión de esto; el pavor y el temor de ser desterrado para siempre de la presencia de Dios; de estar perdido, y eso sin remedio; de hundirse bajo la ardiente indignación de Aquel que es fuego consumidor, ha llenado de horror a miles de corazones. Y así tiene que ser mientras la ley hable con sus truenos, mientras la conciencia repita su veredicto, y mientras la ira de Dios arda hasta el infierno más profundo. ¡Oh, cuán bienaventurada es, pues, aquella palabra de gracia y de verdad, digna de ser proclamada por cielo y tierra con la voz de querubines y serafines: “Ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús”!
Al lector…
¿Sonaron alguna vez los truenos del Sinaí en su conciencia? ¿Conoce algo de aquel terror de ser desterrado para siempre de la presencia de Dios y de hundirse bajo la ira de Aquel que es fuego consumidor? No lo ocultaré: así tiene que ser, mientras la ley hable y la conciencia repita su veredicto. Es la gota más amarga del cáliz de aturdimiento.
Pero escuche entonces también la nota más dulce de la trompeta del evangelio: “Ahora pues, ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús”. No más tarde, no cuando usted sea mejor, sino ahora. Sobre los que están en Él ya no reposa la maldición. No busque, pues, su refugio en sí mismo, sino en Cristo Jesús. Esa palabra es digna de ser cantada por querubines y serafines, y fue dicha para pecadores temblorosos como usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
Hier wordt gezegd dat de arend haar jongen „neemt”, dat wil zeggen, zo kunnen we afleiden, naar de rand van het nest. De arendsjongen die nu in het nest liggen, zullen op een dag hun vleugels uitspreiden en uitvliegen. Op dit moment echter, als ze een kijkje over de rand van hun nest nemen en langs de steile rotswand omlaag kijken waarop het arendsnest is gebouwd, zullen ze doodsbang terugdeinzen. Maar de arend leert hun de steile afgrond in te kijken, zodat ze de diepte leren inschatten en er niet bang voor zijn.
Zo laat de Heere Zijn kinderen soms in de afgrond van de eeuwigheid kijken. Ze bevinden zich nu nog veilig in het nest onder Zijn vleugels, maar soms, in moeilijke ogenblikken, zoals tijdens ziekte, schrikken ze terug voor de dood en de eeuwigheid. Ze deinzen terug voor de onmetelijke afgrond en deinzen achteruit het nest in. Maar de arend houdt ze stevig vast en laat ze kijken, tot ze door haar aanwezigheid en warmte aangemoedigd worden zonder vrees omlaag te kijken.
Ze laat ze dan hun kracht beproeven, en om ze tijdens hun vlucht hoog te houden, draagt zij ze op haar vlerken, draagt zij ze op haar rug, waar ze veilig zijn onder de boog van haar uitgespreide vlerken. Zo neemt de Heere hen in Zijn genadige omgang met Zijn Israël, als Hij hen de eeuwigheid in heeft laten kijken en ze voor de aanblik terugschrikken, op Zijn vlerken, geeft hun enkele zoete en hartverwarmende beelden van hun recht op Zijn bloed en neemt de angst voor de dood weg, tot Hij hen leert weg te snellen en omhoog te vliegen naar de hemelgalerijen.
Lezen: Exodus 19:1-9
Aan de lezer…
Herkent u dit? U hebt ook weleens over de rand van het nest gekeken en bent teruggedeinsd. Misschien in een tijd van ziekte, toen de dood en de eeuwigheid ineens zo dichtbij kwamen, en uw hart beefde voor die onmetelijke afgrond. Schaam u daarover niet; zo gaat het de jonge arenden, en zo gaat het ook vele kinderen van God. De Heere laat hen soms in die diepte kijken, niet om hen te verschrikken, maar om hen te leren.
Want de arend laat haar jongen niet los. Zij houdt hen vast, verwarmt hen en draagt hen op haar vlerken. Zo neemt ook de Heere Zijn bevende kinderen op en geeft hun zoete, hartverwarmende blikken op hun recht op Zijn bloed. Daar wordt de angst voor de dood weggenomen. Vraag Hem dan niet in de eerste plaats om de afgrond weg te nemen, maar om u op Zijn vlerken te dragen; dan zult u eens zonder vrees omhoogvliegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
Hier wordt gezegd dat de arend haar jongen „neemt”, dat wil zeggen, zo kunnen we afleiden, naar de rand van het nest. De jonge arenden die nu in het nest liggen, zullen op een dag hun vleugels uitspreiden en uitvliegen. Maar nu, wanneer ze over de rand van hun nest gluren en langs de steile rotswand naar beneden kijken waarop het arendsnest gebouwd is, deinzen ze doodsbang terug. Maar de arend leert hun in de steile afgrond te kijken, zodat ze de diepte leren peilen en er niet bang voor zijn.
Zo laat de Heere Zijn kinderen soms in de afgrond van de eeuwigheid kijken. Nu zijn ze nog veilig in het nest onder Zijn vleugels, maar soms, in moeilijke ogenblikken, zoals bij ziekte, schrikken ze terug voor de dood en de eeuwigheid. Ze deinzen terug voor de onmetelijke afgrond en kruipen achteruit het nest in. Maar de arend houdt hen stevig vast en laat hen kijken, totdat ze door haar nabijheid en warmte de moed krijgen om zonder vrees naar beneden te kijken.
Dan laat zij hen hun krachten beproeven, en om hen tijdens hun vlucht omhoog te houden, draagt zij hen op haar vlerken, draagt zij hen op haar rug, waar ze veilig zijn onder de boog van haar uitgespreide vlerken. Zo is het ook in Gods genadige omgang met Zijn Israël. Wanneer Hij hen de eeuwigheid heeft laten inkijken en ze voor die aanblik terugschrikken, neemt Hij hen op Zijn vlerken. Hij geeft hun enkele zoete en hartverwarmende blikken op hun recht op Zijn bloed en neemt de angst voor de dood weg, totdat Hij hen leert weg te vliegen en op te stijgen naar de hemelse hoogten.
Lezen: Exodus 19:1-9
Aan de lezer…
Herkent u dit? U hebt ook weleens over de rand van het nest gekeken en bent teruggedeinsd. Misschien in een tijd van ziekte, toen de dood en de eeuwigheid ineens zo dichtbij kwamen, en uw hart beefde voor die onmetelijke afgrond. Schaam u daar niet voor; zo gaat het de jonge arenden, en zo gaat het ook veel kinderen van God. De Heere laat hen soms in die diepte kijken, niet om hen te verschrikken, maar om hen te onderwijzen.
Want de arend laat haar jongen niet los. Zij houdt hen vast, verwarmt hen en draagt hen op haar vlerken. Zo neemt ook de Heere Zijn bevende kinderen op en geeft hun zoete, hartverwarmende blikken op hun recht op Zijn bloed. Daar wordt de angst voor de dood weggenomen. Vraag Hem dan niet in de eerste plaats om de afgrond weg te nemen, maar om u op Zijn vlerken te dragen; dan zult u eens zonder vrees omhoogvliegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As an eagle stirreth up her nest, fluttereth over her young, spreadeth abroad her wings, taketh them, beareth them on her wings: so the LORD alone did lead him, and there was no strange god with him.
Deuteronomy 32:11, 12
Here the eagle is said to “take” her young, that is, as we may gather, to the edge of the nest. The young eagles now lying in the nest will one day spread their wings and fly away. But now, when they peep over the edge of their nest and look down the steep face of the rock on which the eagle’s nest is built, they shrink back in terror. But the eagle teaches them to look into the steep precipice, so that they may learn to measure the depth and not be afraid of it.
So the Lord sometimes makes His children look into the abyss of eternity. Now they are still safe in the nest under His wings, but sometimes, in trying moments, as in illness, they shrink back from death and eternity. They recoil from the boundless gulf and creep back into the nest. But the eagle holds them firmly and makes them look, until by her nearness and warmth they gain the courage to look down without fear.
Then she makes them try their strength, and to bear them up in their flight she carries them on her wings, bears them on her back, where they are safe beneath the arch of her outspread wings. So it is in God’s gracious dealings with His Israel. When He has made them look into eternity and they shrink back from the sight, He takes them up on His wings. He gives them some sweet and heart-warming views of their interest in His blood and takes away the fear of death, until He teaches them to fly away and mount up to the heavenly heights.
Reading: Exodus 19:1-9
To the reader…
Do you recognise this? You too have sometimes looked over the edge of the nest and shrunk back. Perhaps in a time of illness, when death and eternity suddenly came so near, and your heart trembled before that boundless gulf. Do not be ashamed of it; so it is with the young eagles, and so it is with many children of God. The Lord sometimes makes them look into that depth, not to terrify them, but to teach them.
For the eagle does not let go of her young. She holds them fast, warms them and bears them on her wings. So the Lord also takes up His trembling children and gives them sweet, heart-warming views of their interest in His blood. There the fear of death is taken away. Do not ask Him first of all to take away the gulf, then, but to bear you on His wings; then one day you will mount up without fear.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como el águila despierta su nidada, revolotea sobre sus pollos, extiende sus alas, los toma, los lleva sobre sus plumas: Jehová solo le guió, que no hubo con él dios ajeno.
Deuteronomio 32:11, 12
Aquí se dice que el águila “toma” a sus pollos, es decir, según podemos deducir, hasta el borde del nido. Los aguiluchos que ahora están en el nido un día extenderán sus alas y se irán volando. Pero ahora, cuando se asoman por el borde de su nido y miran hacia abajo por la pared escarpada de la roca sobre la cual está construido el nido del águila, retroceden aterrados. Pero el águila les enseña a mirar al precipicio escarpado, para que aprendan a medir la profundidad y no tenerle miedo.
Así el Señor a veces hace que Sus hijos miren al abismo de la eternidad. Ahora están todavía seguros en el nido bajo Sus alas, pero a veces, en momentos de prueba, como en la enfermedad, retroceden ante la muerte y la eternidad. Se apartan del abismo sin límites y se vuelven a meter en el nido. Pero el águila los sujeta firmemente y les hace mirar, hasta que por su cercanía y calor cobran el valor de mirar hacia abajo sin temor.
Luego les hace probar sus fuerzas, y para sostenerlos en su vuelo los lleva sobre sus alas, los lleva sobre su espalda, donde están seguros bajo el arco de sus alas extendidas. Así sucede en los tratos misericordiosos de Dios con Su Israel. Cuando les ha hecho mirar a la eternidad y ellos retroceden ante esa vista, los toma sobre Sus alas. Les da algunas vistas dulces y reconfortantes de su parte en Su sangre y les quita el temor de la muerte, hasta que les enseña a echar a volar y a remontarse a las alturas celestiales.
Lectura: Éxodo 19:1-9
Al lector…
¿Reconoce usted esto? También usted se ha asomado a veces por el borde del nido y ha retrocedido. Quizá en un tiempo de enfermedad, cuando la muerte y la eternidad se acercaron de repente tanto, y su corazón tembló ante ese abismo sin límites. No se avergüence de ello; así les pasa a los aguiluchos, y así les pasa a muchos hijos de Dios. El Señor a veces les hace mirar a esa profundidad, no para aterrarlos, sino para enseñarles.
Porque el águila no suelta a sus pollos. Los sujeta firmemente, los calienta y los lleva sobre sus alas. Así también el Señor toma a Sus hijos temblorosos y les da vistas dulces y reconfortantes de su parte en Su sangre. Allí se quita el temor de la muerte. No le pida, pues, ante todo que quite el abismo, sino que le lleve sobre Sus alas; entonces un día se remontará usted sin temor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
Psalm 91:14
Iemand zal eerst des Heeren Naam moeten kennen, zal hij de ware liefde tot Hem kunnen oefenen. Nu, dit is noodzakelijk, en het is wat de Heere aan Zijn volk doet. Hij doet hen Zijn Naam kennen. „Zij zullen Mij allen kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen” (Jer. 31:34). Zij allen zullen, zij zullen. De Heere heeft het gezegd. Zij zullen Mij kennen.
Nu, wat is de Naam van God? Toen de Heere Zich aan Mozes openbaarde, zei Hij toen niet: „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”? Dit was de wijze waarop de Heere Mozes inzake Zijn Naam onderwees, en wij mogen eruit opmaken dat hetgeen God is, Zijn Naam is. God is heilig; God is rechtvaardig; God is barmhartig; God is een God van liefde.
Nu, dit moet de zondaar kennen. Hij moet kennen dat God een vlekkeloos en heilig God is. En wanneer hij dit in den beginne gaat leren, dan wordt hij erdoor verpletterd en is hij verbaasd. Het doet hem beven en hij verbergt zich voor God. „Hoe zal ik voor God kunnen verschijnen, Die te rein van ogen is dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen?”, zo roept hij uit. En zo ziet gij dat het beroering brengt in zijn consciëntie.
Het eerste werk van de Geest is te overtuigen van zonde, en een gevoel van Gods heiligheid is het, hetwelk ons tot de overtuiging brengt van onze zonden en van Gods vlekkeloosheid. Hoe kan de zondaar voor God verschijnen en tot Hem naderen? En terwijl hij is onder de verschrikking van de wet, is hij vol kommer, en bij tijden wenst hij wel nooit geboren te zijn geweest, en op andere tijden wordt hij aangevallen met harde gedachten van God, maaiende waar Hij niet gezaaid heeft en vandaar vergaderende waar Hij niet gestrooid heeft. Zo wordt de Heere beschouwd in zijn verdorven hart.
De duivel is nabij hem en tracht aldoor zijn hart tegen de Almachtige te verharden. Maar de verschrikkingen des Almachtigen grijpen hem aan, en hij tracht op menigerlei wijze deze pijlen uit zijn hart te trekken; doch al dit trekken en duwen maakt de wond slechts erger. En zo tobt hij voort, totdat hij gaat zien dat God een God van barmhartigheid is, en dit wordt hem geopenbaard in en door de Heere Jezus.
Dit is het, hetgeen de verborgenheid verklaart, als hij Christus ziet, bloedende aan het kruis. Hier ziet hij dat God is beide een rechtvaardig God en een Heiland. God is zuiver en heilig en vordert tot de laatste penning van de enorme schuld die hij schuldig is. En toch openbaart en bewijst Hij Zijn genade door Christus aan een bloedend en verbroken hart.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie de heiligheid van God tot een verschrikking geworden is. Hebt u met bevende lippen gevraagd hoe u ooit voor Hem kunt verschijnen, Die te rein van ogen is om het kwade te aanschouwen? Misschien wenst u soms nooit geboren te zijn, en fluistert de vijand u harde gedachten van God in. Ach, al dat trekken aan de pijlen maakt de wond slechts erger. Maar weet: dit is het eerste werk van de Geest, Die overtuigt van zonde. Hij verplettert om te leren.
Want God blijft niet alleen de Heilige voor uw ziel; Hij wil ook gekend worden als een God van barmhartigheid, en dat wordt geopenbaard in de Heere Jezus, bloedende aan het kruis. Daar ziet een verbroken hart dat God tegelijk een rechtvaardig God en een Heiland is. Hij vordert de schuld tot de laatste penning, en toch bewijst Hij genade door Christus. Wie Zijn Naam zo leert kennen, die zal Hij op een hoogte stellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
Psalm 91:14
Iemand moet eerst de Naam van de Heere kennen, wil hij ware liefde tot Hem kunnen beoefenen. Dat is noodzakelijk, en dat is wat de Heere aan Zijn volk doet. Hij doet hen Zijn Naam kennen. „Zij zullen Mij allen kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen” (Jer. 31:34). Zij allen zullen, zij zullen. De Heere heeft het gezegd. Zij zullen Mij kennen.
Wat is dan de Naam van God? Toen de Heere Zich aan Mozes openbaarde, zei Hij toen niet: „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”? Zo onderwees de Heere Mozes over Zijn Naam, en wij mogen eruit opmaken dat wat God is, Zijn Naam is. God is heilig; God is rechtvaardig; God is barmhartig; God is een God van liefde.
Dit moet de zondaar kennen. Hij moet weten dat God een vlekkeloos en heilig God is. En wanneer hij dat in het begin gaat leren, wordt hij erdoor verpletterd en staat hij verbijsterd. Het doet hem beven en hij verbergt zich voor God. „Hoe zal ik voor God kunnen verschijnen, Die te rein van ogen is dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen?”, roept hij uit. Zo ziet u dat het onrust brengt in zijn geweten.
Het eerste werk van de Geest is te overtuigen van zonde, en het is een besef van Gods heiligheid dat ons tot de overtuiging brengt van onze zonden en van Gods vlekkeloosheid. Hoe kan de zondaar voor God verschijnen en tot Hem naderen? Zolang hij onder de verschrikking van de wet is, is hij vol kommer. Soms wenst hij wel nooit geboren te zijn, en op andere momenten wordt hij aangevallen door harde gedachten over God, alsof Hij maait waar Hij niet gezaaid heeft en vergadert waar Hij niet gestrooid heeft. Zo wordt de Heere in zijn verdorven hart gezien.
De duivel is dicht bij hem en probeert steeds zijn hart tegen de Almachtige te verharden. Maar de verschrikkingen van de Almachtige grijpen hem aan, en hij probeert op allerlei manieren deze pijlen uit zijn hart te trekken; maar al dat trekken en duwen maakt de wond alleen maar erger. Zo tobt hij voort, totdat hij gaat zien dat God een God van barmhartigheid is, en dat wordt hem geopenbaard in en door de Heere Jezus.
Dat is wat de verborgenheid verklaart, wanneer hij Christus ziet, bloedend aan het kruis. Hier ziet hij dat God zowel een rechtvaardig God als een Heiland is. God is zuiver en heilig en eist tot de laatste penning van de enorme schuld die hij schuldig is. En toch openbaart en bewijst Hij Zijn genade door Christus aan een bloedend en verbroken hart.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie de heiligheid van God tot een verschrikking geworden is. Hebt u met bevende lippen gevraagd hoe u ooit voor Hem kunt verschijnen, Die te rein van ogen is om het kwade te aanschouwen? Misschien wenst u soms nooit geboren te zijn, en fluistert de vijand u harde gedachten over God in. Ach, al dat trekken aan de pijlen maakt de wond alleen maar erger. Maar weet: dit is het eerste werk van de Geest, Die overtuigt van zonde. Hij verplettert om te onderwijzen.
Want God blijft voor uw ziel niet alleen de Heilige; Hij wil ook gekend worden als een God van barmhartigheid, en dat wordt geopenbaard in de Heere Jezus, bloedend aan het kruis. Daar ziet een verbroken hart dat God tegelijk een rechtvaardig God en een Heiland is. Hij eist de schuld tot de laatste penning, en toch bewijst Hij genade door Christus. Wie Zijn Naam zo leert kennen, die zal Hij op een hoogte stellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I will set him on high, because he hath known my name.”
Psalm 91:14
A man must know the Lord’s Name before ever he can feel any real love to Him. Now this is needful, this is what the Lord does for His people, He causes them to know His Name. “They shall all know Me, from the least of them unto the greatest” (Jer. 31:34). “They shall all;” they shall. The Lord has declared it. They shall know Me.
Now what is the Name of the Lord? When God revealed Himself unto Moses, did He not say, “I AM THAT I AM?” This was the way God taught Moses His Name, and we may gather from it that whatever God is, that is His Name. God is holy, God is just, God is merciful, God is a God of love. Now the sinner must know this. He must know that God is a pure and holy God, and at first when he is beginning to learn this lesson, he is completely astonished and appalled by it. It causes him to shrink away and hide himself from God. “How can I appear before God, Who is of purer eyes than to behold iniquity?” he cries. And so you see it brings distress into his conscience.
It is the first work of the Spirit to “convince of sin,” and a sense of God’s holiness is that which brings us this conviction—our sin and God’s purity. How can the sinner appear before and approach to God? And while he is under the terrors of the law, he is full of distress, and at times, perhaps, wishes he had never been born, and at other times he is tempted with hard thoughts of God, reaping where He had not sown, and gathering where He had not strawed. This is how God is seen in his perverted mind. The devil is at him, and tries all he can to harden his heart against the Almighty.
But the terrors of the Almighty have taken hold of him, and he tries many ways to get these arrows extracted; but all his tugging and pulling only make the wound worse. And so he goes on until he is brought to see that God is a God of mercy—and this is revealed to him in and through the Lord Jesus. This is what clears up the mystery—when he sees Christ bleeding on the cross. Here he sees God is both a just God and a Saviour. God is pure and holy, and exacts to the utmost farthing all the enormous debt he owes, and yet to the bleeding, broken heart, He, through Christ, can and does manifest His mercy.
To the reader…
Here is a word for those to whom the holiness of God has become a terror. Have you asked with trembling lips how you can ever appear before Him Who is of purer eyes than to behold evil? Perhaps you sometimes wish you had never been born, and the enemy whispers hard thoughts of God into your ear. Ah, all that tugging at the arrows only makes the wound worse. But know this: it is the first work of the Spirit, Who convinces of sin. He crushes in order to teach.
For God does not remain to your soul only the Holy One; He also wills to be known as a God of mercy, and that is revealed in the Lord Jesus, bleeding on the cross. There a broken heart sees that God is at once a just God and a Saviour. He exacts the debt to the last farthing, and yet He shows mercy through Christ. Whoever comes to know His Name in this way, him will He set on high.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Ponerlo he en alto, por cuanto ha conocido mi nombre.”
Salmo 91:14
El hombre tiene que conocer el Nombre del Señor antes de poder sentir algún amor verdadero hacia Él. Ahora bien, esto es necesario, y esto es lo que el Señor hace por Su pueblo: les hace conocer Su Nombre. “Todos me conocerán, desde el más pequeño de ellos hasta el más grande” (Jer. 31:34). “Todos”; lo harán. El Señor lo ha declarado. Me conocerán.
Ahora bien, ¿cuál es el Nombre del Señor? Cuando Dios Se reveló a Moisés, ¿no dijo: “YO SOY EL QUE SOY”? Así enseñó Dios a Moisés Su Nombre, y de ello podemos deducir que todo lo que Dios es, eso es Su Nombre. Dios es santo, Dios es justo, Dios es misericordioso, Dios es un Dios de amor. Ahora bien, el pecador tiene que saber esto. Tiene que saber que Dios es un Dios puro y santo, y al principio, cuando empieza a aprender esta lección, queda del todo asombrado y espantado por ella. Le hace retroceder y esconderse de Dios. “¿Cómo podré comparecer ante Dios, Que es muy limpio de ojos para ver la iniquidad?”, clama. Y así ve usted que ello trae angustia a su conciencia.
La primera obra del Espíritu es “redargüir de pecado”, y el sentido de la santidad de Dios es lo que nos trae esta convicción: nuestro pecado y la pureza de Dios. ¿Cómo puede el pecador comparecer ante Dios y acercarse a Él? Y mientras está bajo los terrores de la ley, está lleno de angustia, y a veces quizá desearía no haber nacido nunca, y otras veces es tentado con duros pensamientos de Dios, como si segara donde no sembró y recogiera donde no esparció. Así es como se ve a Dios en su mente pervertida. El diablo lo acosa y hace cuanto puede por endurecer su corazón contra el Todopoderoso.
Pero los terrores del Todopoderoso se han apoderado de él, y prueba muchas maneras de que le saquen esas saetas; pero todos sus tirones y forcejeos solo empeoran la herida. Y así sigue hasta que es llevado a ver que Dios es un Dios de misericordia, y esto se le revela en y por medio del Señor Jesús. Esto es lo que aclara el misterio: cuando ve a Cristo sangrando en la cruz. Aquí ve que Dios es a la vez Dios justo y Salvador. Dios es puro y santo, y exige hasta el último cuadrante toda la enorme deuda que él debe; y sin embargo, al corazón sangrante y quebrantado, Él, por medio de Cristo, puede manifestar y manifiesta Su misericordia.
Al lector…
He aquí una palabra para aquellos a quienes la santidad de Dios se les ha vuelto un terror. ¿Ha preguntado usted con labios temblorosos cómo podrá jamás comparecer ante Aquel Que es muy limpio de ojos para ver el mal? Quizá a veces desea no haber nacido nunca, y el enemigo le susurra al oído duros pensamientos de Dios. Ah, todo ese tirar de las saetas solo empeora la herida. Pero sepa esto: es la primera obra del Espíritu, Que redarguye de pecado. Él quebranta para enseñar.
Porque Dios no sigue siendo para su alma solo el Santo; también quiere ser conocido como un Dios de misericordia, y eso se revela en el Señor Jesús, sangrando en la cruz. Allí un corazón quebrantado ve que Dios es a la vez Dios justo y Salvador. Él exige la deuda hasta el último cuadrante, y sin embargo muestra misericordia por medio de Cristo. Al que llega a conocer así Su Nombre, Él lo pondrá en alto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl