6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17
O gij lijdende heiligen Gods! gij beproefde en bedroefde kinderen des Allerhoogsten! verheft uw gedachte, zo God er u toe in staat stelt, heft uw ogen opwaarts en ziet wat u wacht. Zijt gij bedroefd, verzocht, geoefend, bezocht? Dat is genade voor u; God handelt zo niet met iedereen. Het is omdat gij Zijn kinderen zijt, dat Hij Zijn kastijdende hand op u legt. Hij meent u gelijkvormig te maken aan het beeld Zijns verheerlijkten Zoons, en daarom maakt Hij u nu gelijkvormig aan het beeld Zijns lijdenden Zoons.
„Maar,” zegt gij, „dat kan ik niet aannemen!” Neen, zo gij dat kondet, zou het geen beproeving zijn. Dat is de beproeving des geloofs: kermende, worstelende, treurende en zuchtende zijn weg te betreden; gelovende tegen ongeloof; hopende tegen hope; en toch op de Heere te zien, ofschoon alles in de natuur daar is om de hoop en de verwachting uwer wachtende ziel te temperen.
En toch zal het einde goed zijn met Gods volk. Hun leven hier is een leven van verzoeking, van lijden en beproeving; maar de hemel zal alles vergoeden. En indien ons geloof nu beproefd is als „met vuur”, eens, bij de verschijning van Christus, zal het bevonden worden tot zijn lof, eer en heerlijkheid. In die dag, wanneer de geheimen van alle harten aan het licht zullen gebracht worden, zal het geloof van duizenden bevonden worden niet veel meer te zijn dan eigenwaan; maar het geloof van Gods dierbaar huisgezin zal dan gekroond worden met „lof, eer en heerlijkheid”, en zij zullen het Lam zien van aangezicht tot aangezicht, wanneer alle tranen van de ogen zullen afgewist worden.
’t Is de Heer, die ’t recht der armen,
der verdrukten gelden doet;
die uit liefderijk erbarmen
hongerigen midl’lijk voedt;
die gevang’nen vrijheid schenkt
en aan hun ellende denkt.
Ps. 146:5
Aan de lezer…
O beproefde ziel, die dit leest met een bezwaard hart: bent u bedroefd, verzocht, geoefend, bezocht? Dan wordt u hier iets gezegd wat u in uw verdriet licht vergeet: het is omdat u Zijn kind bent, dat de Heere Zijn kastijdende hand op u legt. Hij maakt u nu gelijkvormig aan het beeld van Zijn lijdenden Zoon, opdat u eens gelijkvormig zult zijn aan het beeld van Zijn verheerlijkten Zoon.
Kunt u dat niet aannemen? Dat is juist de beproeving des geloofs: kermend en zuchtend uw weg gaan, gelovend tegen ongeloof, hopend tegen hope, en toch op de Heere zien. Maar de verdrukking is licht en gaat zeer haast voorbij, en zij werkt een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Het einde zal goed zijn met Gods volk; de hemel zal alles vergoeden, en eenmaal worden alle tranen van uw ogen afgewist.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17
O lijdende heiligen van God! U beproefde en bedroefde kinderen van de Allerhoogste! Verhef uw gedachten, als God u daartoe in staat stelt, sla uw ogen omhoog en zie wat u wacht. Bent u bedroefd, verzocht, geoefend, bezocht? Dat is genade voor u, want zo handelt God niet met iedereen. Juist omdat u Zijn kinderen bent, legt Hij Zijn kastijdende hand op u. Hij wil u gelijkvormig maken aan het beeld van Zijn verheerlijkte Zoon, en daarom maakt Hij u nu gelijkvormig aan het beeld van Zijn lijdende Zoon.
„Maar,” zegt u, „dat kan ik niet aannemen!” Nee, als u dat wel kon, zou het geen beproeving zijn. Dat is nu juist de beproeving van het geloof: kermend, worstelend, treurend en zuchtend uw weg gaan, gelovend tegen ongeloof in, hopend tegen hoop, en toch op de Heere zien, hoewel alles in de natuur erop gericht is om de hoop en de verwachting van uw wachtende ziel te temperen.
En toch zal het einde goed zijn met Gods volk. Hun leven hier is een leven van verzoeking, lijden en beproeving, maar de hemel zal alles vergoeden. En al wordt ons geloof nu beproefd als „met vuur”, eens, bij de verschijning van Christus, zal het bevonden worden tot lof, eer en heerlijkheid. Op die dag, wanneer de verborgen dingen van alle harten aan het licht gebracht worden, zal het geloof van duizenden niet veel meer blijken te zijn dan eigenwaan. Maar het geloof van Gods dierbare huisgezin zal dan gekroond worden met „lof, eer en heerlijkheid”, en zij zullen het Lam zien van aangezicht tot aangezicht, wanneer alle tranen van hun ogen afgewist zullen worden.
’t Is de Heer, die ’t recht der armen,
der verdrukten gelden doet;
die uit liefderijk erbarmen
hongerigen midl’lijk voedt;
die gevang’nen vrijheid schenkt
en aan hun ellende denkt.
Ps. 146:5
Aan de lezer…
O beproefde ziel, die dit leest met een bezwaard hart: bent u bedroefd, verzocht, geoefend, bezocht? Dan wordt u hier iets gezegd wat u in uw verdriet gemakkelijk vergeet: juist omdat u Zijn kind bent, legt de Heere Zijn kastijdende hand op u. Hij maakt u nu gelijkvormig aan het beeld van Zijn lijdende Zoon, zodat u eens gelijkvormig zult zijn aan het beeld van Zijn verheerlijkte Zoon.
Kunt u dat niet aannemen? Dat is nu juist de beproeving van het geloof: kermend en zuchtend uw weg gaan, gelovend tegen ongeloof in, hopend tegen hoop, en toch op de Heere zien. Maar de verdrukking is licht en gaat zeer haast voorbij, en zij werkt een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Het einde zal goed zijn met Gods volk; de hemel zal alles vergoeden, en eenmaal worden alle tranen van uw ogen afgewist.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For our light affliction, which is but for a moment, worketh for us a far more exceeding and eternal weight of glory.
2 Corinthians 4:17
O suffering saints of God! tried and afflicted children of the most High! raise up your thoughts as God may enable you–lift up your eyes, and see what awaits you. Are you tried, tempted, exercised, afflicted? It is your mercy. God does not deal so with every one.
It is because you are His children, that He lays on you His chastening hand. He means to conform you to the image of His Son in glory, and therefore He now conforms you to the image of His Son in suffering. ‘O but,’ you say, ‘I cannot believe it is so!’ No; if you could, it would not be much of a trial.
This is the trial of faith–to go groaning on, struggling on, sorrowing on, sighing on; believing against unbelief, hoping against hope; and still looking to the Lord, though there is everything in nature to damp the hopes and expectations of your waiting souls. Yet all will end well with the people of God. Their life here is a life of temptation, of suffering and trial; but heaven will make amends for all. And if our faith is now tried as “with fire,” it will one day “be found unto praise and honor and glory at the appearing of Jesus Christ.” In that day when the secrets of all hearts will be brought to light, the faith of thousands will be found to be little else than presumption; but the faith of God’s dear family will then be crowned with “praise and honor and glory;” and they shall see the Lamb as He is face to face, when all tears are wiped away from all faces.
To the reader…
O tried soul, reading this with a burdened heart: are you afflicted, tempted, exercised, visited? Then you are told something here that you easily forget in your sorrow: it is precisely because you are His child that the Lord lays His chastening hand upon you. He is now conforming you to the image of His suffering Son, so that one day you will be conformed to the image of His glorified Son.
Can you not accept that? That is just the trial of faith: going on your way groaning and sighing, believing against unbelief, hoping against hope, and still looking to the Lord. But the affliction is light and is but for a moment, and it works a far more exceeding and eternal weight of glory. All will end well with God’s people; heaven will make amends for all, and one day all tears will be wiped from your eyes.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque lo que al presente es momentáneo y leve de nuestra tribulación, nos obra un sobremanera alto y eterno peso de gloria.
2 Corintios 4:17
¡Oh santos sufrientes de Dios! ¡Hijos probados y afligidos del Altísimo! Eleven sus pensamientos según Dios les capacite; alcen sus ojos y vean lo que les espera. ¿Están probados, tentados, ejercitados, afligidos? Es misericordia para ustedes. Dios no trata así a todos.
Es porque son Sus hijos que pone sobre ustedes Su mano que disciplina. Él se propone conformarles a la imagen de Su Hijo en la gloria, y por eso ahora les conforma a la imagen de Su Hijo en el sufrimiento. ‘Oh, pero’, dice usted, ‘¡no puedo creer que sea así!’ No; si pudiera, no sería gran prueba.
Esta es la prueba de la fe: seguir adelante gimiendo, luchando, entristecido, suspirando; creyendo contra la incredulidad, esperando contra esperanza; y mirando todavía al Señor, aunque todo en la naturaleza tienda a apagar las esperanzas y expectativas de sus almas que aguardan. Sin embargo, todo terminará bien para el pueblo de Dios. Su vida aquí es una vida de tentación, de sufrimiento y de prueba; pero el cielo lo compensará todo. Y si nuestra fe es ahora probada como “con fuego”, un día “será hallada en alabanza, gloria y honra, cuando Jesucristo fuere manifestado”. En aquel día, cuando los secretos de todos los corazones sean sacados a la luz, la fe de miles resultará ser poco más que presunción; pero la fe de la amada familia de Dios será entonces coronada con “alabanza, gloria y honra”; y verán al Cordero como Él es, cara a cara, cuando todas las lágrimas sean enjugadas de todos los rostros.
Al lector…
Oh alma probada, que lee esto con el corazón cargado: ¿está usted afligido, tentado, ejercitado, visitado? Entonces aquí se le dice algo que en su tristeza olvida fácilmente: es precisamente porque usted es Su hijo que el Señor pone sobre usted Su mano que disciplina. Él le está conformando ahora a la imagen de Su Hijo sufriente, para que un día sea conformado a la imagen de Su Hijo glorificado.
¿No puede aceptarlo? Esa es justamente la prueba de la fe: seguir su camino gimiendo y suspirando, creyendo contra la incredulidad, esperando contra esperanza, y mirando todavía al Señor. Pero la tribulación es leve y momentánea, y obra un sobremanera alto y eterno peso de gloria. Todo terminará bien para el pueblo de Dios; el cielo lo compensará todo, y un día toda lágrima será enjugada de sus ojos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14
Een ware, oprechte godsdienstige belijdenis gaat altijd met moeilijkheden gepaard. Niemand dan God Zelf, daar ben ik van overtuigd, kan ons tot Zijn heerlijkheid laten leven en het ons mogelijk maken die belijdenis met een goed geweten vast te houden. Ziet u om te beginnen bijvoorbeeld eens naar ons afvallige hart. Onze aard is uit op afvalligheid; hij is altijd vatbaar voor het kwaad; hij gaat even vanzelfsprekend achter afgoden aan als een steen op de grond valt, of zoals een vlam de lucht in stijgt. Als dit afvallige hart iemand voortdurend van het pad brengt, wat is het dan moeilijk om een eerlijke, oprechte en barmhartige belijdenis van krachtige godsvrucht in stand te houden!
En vervolgens valt de duivel Gods kinderen steeds opnieuw aan. Soms werkt hij in op hun ongeloof, soms wekt hij de ontrouw van hun gevallen aard op, soms werpt hij vurige pijlen in hun verstand, soms legt hij valstrikken aan om hun voeten te verstrengelen, soms werkt hij in op de hartstochten en begeerten van hun gevallen aard, soms probeert hij hen te misleiden als een engel des lichts, en soms brengt hij hun verstand zo in verwarring dat zij nauwelijks nog weten waar ze zijn of wat ze zijn. Ze kunnen hun tekenen niet zien, noch hun aanwijzingen duidelijk lezen.
Soms, in de derde plaats, doet juist iemands wens eerlijk en oprecht te zijn tegenover God hem bijna zeggen: „Ik kan geen belijdenis meer doen, want ik heb te weinig bewijzen en zo weinig tekenen van Gods genade gekregen; er zijn zo weinig vruchten van de Geest in mij dat het lijkt alsof ik met God spot als ik nog langer met mijn belijdenis doorga.” Zodat het, gezien de innerlijke kwaden van ons hart, de verlokkingen van de duivel, de talloze verwarringen waarin het verstand verstrengeld raakt, de doodsheid, duisternis, kou en het ongeloof waarmee we voortdurend worden bestookt, nu bijna net zo moeilijk lijkt als in vroeger tijden om een geloofwaardige belijdenis van krachtige godsvrucht in stand te houden, of zelfs maar het ene geestelijke been voor het andere te slepen.
Maar hoe pakt de apostel deze moeilijkheid aan? Welke grond biedt hij ons om onze belijdenis vast te houden? Deze: „Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden” (Hebr. 4:14). Alsof hij zegt: „Er is een ruime voorraad voor u aangelegd in de volheid van de Zoon van God. Als het een ware belijdenis is, is Jezus er de Leidsman en Voleinder van.”
Lezen: Hebreeën 4
Aan de lezer…
Hoe vaak bent u zo ver gekomen dat u dacht: ik kan mijn belijdenis niet langer vasthouden, want ik heb te weinig tekenen van genade, en het lijkt alsof ik met God spot als ik zo doorga? Uw afvallige hart trekt u telkens van het pad, de vijand werpt zijn vurige pijlen, en doodsheid, kou en ongeloof bestoken u zonder ophouden. Het ene geestelijke been nog voor het andere zetten lijkt u te zwaar.
Zie dan waar de Schrift de grond legt. Niet in de kracht van uw geloof, niet in de helderheid van uw tekenen, maar hierin: „Wij hebben een grote Hogepriester, Die door de hemelen doorgegaan is.” Er ligt een ruime voorraad voor u in de volheid van de Zoon van God. Is uw belijdenis waar, dan is Hij er de Leidsman en Voleinder van, en Hij laat het werk van Zijn handen niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14
Een ware, oprechte belijdenis van de godsdienst gaat altijd met moeilijkheden gepaard. Ik ben ervan overtuigd dat niemand dan God Zelf ons tot Zijn eer kan laten leven en ons in staat kan stellen die belijdenis met een goed geweten vast te houden. Kijk om te beginnen bijvoorbeeld eens naar ons afkerige hart. Onze natuur is geneigd tot afwijken; zij is altijd vatbaar voor het kwaad. Zij gaat even vanzelf achter afgoden aan als een steen naar de grond valt of een vlam omhoog stijgt. Als dit afkerige hart iemand voortdurend van het pad brengt, hoe moeilijk is het dan om een eerlijke, oprechte en genadige belijdenis van krachtige godsvrucht staande te houden!
Daarnaast valt de duivel Gods kinderen steeds opnieuw aan. Soms werkt hij in op hun ongeloof; soms wekt hij de ontrouw van hun gevallen natuur op; soms werpt hij vurige pijlen in hun gedachten; soms legt hij strikken om hun voeten te verstrikken; soms werkt hij in op de hartstochten en begeerten van hun gevallen natuur; soms probeert hij hen te misleiden als een engel des lichts. En soms brengt hij hun gedachten zo in verwarring dat zij nauwelijks meer weten waar ze zijn of wat ze zijn. Ze kunnen hun tekenen niet zien en hun kenmerken niet duidelijk lezen.
In de derde plaats brengt soms juist iemands verlangen om eerlijk en oprecht te zijn tegenover God hem ertoe bijna te zeggen: „Ik kan geen belijdenis meer doen, want ik heb te weinig bewijzen en zo weinig tekenen van Gods genade gekregen; er zijn zo weinig vruchten van de Geest in mij dat het lijkt alsof ik met God spot als ik nog langer met mijn belijdenis doorga.” Denk aan het innerlijk kwaad van ons hart, de verleidingen van de duivel, de talloze verwarringen waarin onze gedachten verstrikt raken, de doodsheid, duisternis, koude en het ongeloof waardoor we voortdurend worden bestookt. Dan lijkt het nu bijna even moeilijk als in vroeger tijden om een geloofwaardige belijdenis van krachtige godsvrucht staande te houden, of zelfs maar het ene geestelijke been voor het andere te slepen.
Maar hoe gaat de apostel met deze moeilijkheid om? Welke grond geeft hij ons om onze belijdenis vast te houden? Deze: „Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden” (Hebr. 4:14). Het is alsof hij zegt: „Er is een ruime voorraad voor u aangelegd in de volheid van de Zoon van God. Als het een ware belijdenis is, is Jezus er de Leidsman en Voleinder van.”
Lezen: Hebreeën 4
Aan de lezer…
Hoe vaak bent u zo ver gekomen dat u dacht: ik kan mijn belijdenis niet langer vasthouden, want ik heb te weinig tekenen van genade, en het lijkt alsof ik met God spot als ik zo doorga? Uw afkerige hart trekt u telkens van het pad, de vijand werpt zijn vurige pijlen, en doodsheid, koude en ongeloof bestoken u zonder ophouden. Het ene geestelijke been nog voor het andere zetten lijkt u te zwaar.
Zie dan waar de Schrift de grond legt. Niet in de kracht van uw geloof, niet in de helderheid van uw tekenen, maar hierin: „Wij hebben een grote Hogepriester, Die door de hemelen doorgegaan is.” Er ligt een ruime voorraad voor u in de volheid van de Zoon van God. Is uw belijdenis waar, dan is Hij er de Leidsman en Voleinder van, en Hij laat het werk van Zijn handen niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Seeing then that we have a great High Priest, that is passed into the heavens, Jesus the Son of God, let us hold fast our profession.
Hebrews 4:14
A true, sincere profession of religion is always attended with difficulties. I am persuaded that none but God Himself can make us live to His glory and enable us to hold fast that profession with a good conscience. Look, to begin with, at our backsliding heart. Our nature is prone to wander; it is ever liable to evil. It goes after idols as naturally as a stone falls to the ground or a flame rises upward. If this backsliding heart is continually drawing a man from the path, how hard it is to maintain an honest, sincere and gracious profession of vital godliness!
Besides this, the devil is ever assaulting the children of God. Sometimes he works upon their unbelief; sometimes he stirs up the infidelity of their fallen nature; sometimes he casts fiery darts into their minds; sometimes he lays snares to entangle their feet; sometimes he works upon the passions and lusts of their fallen nature; sometimes he seeks to deceive them as an angel of light. And sometimes he so confuses their minds that they scarcely know where they are or what they are. They cannot see their tokens nor read their evidences clearly.
In the third place, sometimes a man’s very desire to be honest and sincere before God brings him almost to say, “I can make no profession any longer, for I have had so few evidences and so few tokens of God’s grace; there are so few fruits of the Spirit in me that it seems as though I were mocking God if I go on any longer with my profession.” Think of the inward evil of our heart, the temptations of the devil, the countless perplexities in which our minds become entangled, the deadness, darkness, coldness and unbelief by which we are continually beset. Then it seems almost as hard now as in former days to maintain a credible profession of vital godliness, or even to drag one spiritual leg after the other.
But how does the apostle meet this difficulty? What ground does he give us for holding fast our profession? This: “Seeing then that we have a great High Priest, that is passed into the heavens, Jesus the Son of God, let us hold fast our profession” (Heb. 4:14). It is as though he said, “There is an ample supply laid up for you in the fulness of the Son of God. If it is a true profession, Jesus is the Author and Finisher of it.”
Reading: Hebrews 4
To the reader…
How often have you come to the point of thinking: I cannot hold fast my profession any longer, for I have so few tokens of grace, and it seems as though I am mocking God if I go on like this? Your backsliding heart keeps drawing you from the path, the enemy casts his fiery darts, and deadness, coldness and unbelief beset you without ceasing. To set one spiritual foot before the other seems too heavy for you.
Then see where Scripture lays the ground. Not in the strength of your faith, not in the clearness of your tokens, but in this: “We have a great High Priest, that is passed into the heavens.” There is an ample supply laid up for you in the fulness of the Son of God. If your profession is true, He is the Author and Finisher of it, and He will not forsake the work of His own hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto, teniendo un gran Pontífice, que penetró los cielos, Jesús el Hijo de Dios, retengamos nuestra profesión.
Hebreos 4:14
Una profesión de fe verdadera y sincera va siempre acompañada de dificultades. Estoy persuadido de que nadie sino Dios mismo puede hacernos vivir para Su gloria y capacitarnos para retener esa profesión con buena conciencia. Mire, para empezar, nuestro corazón rebelde. Nuestra naturaleza es propensa a extraviarse; está siempre expuesta al mal. Va tras los ídolos tan naturalmente como una piedra cae al suelo o una llama sube hacia arriba. Si este corazón rebelde aparta continuamente a un hombre del camino, ¡cuán difícil es mantener una profesión sincera, honrada y llena de gracia de la piedad vital!
Además de esto, el diablo está siempre asaltando a los hijos de Dios. A veces obra sobre su incredulidad; a veces aviva la infidelidad de su naturaleza caída; a veces lanza dardos de fuego a su mente; a veces tiende lazos para enredar sus pies; a veces obra sobre las pasiones y concupiscencias de su naturaleza caída; a veces procura engañarlos como ángel de luz. Y a veces confunde de tal modo su mente que apenas saben dónde están ni qué son. No pueden ver sus señales ni leer con claridad sus evidencias.
En tercer lugar, a veces el mismo deseo de un hombre de ser honrado y sincero delante de Dios le lleva casi a decir: “Ya no puedo hacer ninguna profesión, porque he tenido tan pocas evidencias y tan pocas señales de la gracia de Dios; hay tan pocos frutos del Espíritu en mí que parece como si me burlara de Dios si sigo adelante con mi profesión”. Piense en el mal interior de nuestro corazón, en las tentaciones del diablo, en las innumerables perplejidades en que se enreda nuestra mente, en la muerte, la oscuridad, la frialdad y la incredulidad que continuamente nos acosan. Entonces parece casi tan difícil ahora como en días pasados mantener una profesión creíble de piedad vital, o siquiera arrastrar una pierna espiritual tras la otra.
Pero ¿cómo hace frente el apóstol a esta dificultad? ¿Qué fundamento nos da para retener nuestra profesión? Este: “Por tanto, teniendo un gran Pontífice, que penetró los cielos, Jesús el Hijo de Dios, retengamos nuestra profesión” (Heb. 4:14). Es como si dijera: “Hay una provisión abundante guardada para usted en la plenitud del Hijo de Dios. Si es una profesión verdadera, Jesús es su Autor y Consumador”.
Lectura: Hebreos 4
Al lector…
¿Cuántas veces ha llegado al punto de pensar: ya no puedo retener mi profesión, porque tengo tan pocas señales de gracia, y parece como si me burlara de Dios si sigo así? Su corazón rebelde le aparta una y otra vez del camino, el enemigo lanza sus dardos de fuego, y la muerte, la frialdad y la incredulidad le acosan sin cesar. Poner un pie espiritual delante del otro le parece demasiado pesado.
Entonces vea dónde pone la Escritura el fundamento. No en la fuerza de su fe, no en la claridad de sus señales, sino en esto: “Teniendo un gran Pontífice, que penetró los cielos”. Hay una provisión abundante guardada para usted en la plenitud del Hijo de Dios. Si su profesión es verdadera, Él es su Autor y Consumador, y no abandonará la obra de Sus propias manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want Ik ben God en geen mens.
Hosea 11:9
Wij spreken soms van eigenschappen van God, en wij gebruiken de woorden voor ons begrip. Maar strikt genomen heeft God geen eigenschappen. Zijn eigenschappen zijn Hemzelf. Wij spreken bijvoorbeeld van de liefde van God, maar God is liefde; van de rechtvaardigheid Gods, maar God is rechtvaardig; van de heiligheid Gods, maar God is heilig; van de vlekkeloosheid van God, maar God is vlekkeloos. Gelijk Hij geheel en al liefde is, zo is Hij geheel en al rechtvaardig, heilig, rein en vlekkeloos.
De liefde is dan oneindig, omdat God oneindig is. Hij zou ophouden God te zijn indien Hij niet liefhad, en indien de liefde niet zo uitgebreid was als Hij Zelf is, zo uitgebreid als Zijn eigen, onbegrijpelijk bestaan. De liefde van de Zoon van God is mede gelijk en mede eeuwig met de liefde des Vaders, want de heilige Drie-eenheid heeft niet drie onderscheiden liefden, noch in tijd, noch in graad. De Vader bemint van alle eeuwigheid, de Heilige Geest bemint van alle eeuwigheid. De liefde van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, als één gelijke, onscheidbare, oneindige Jehova, kan slechts één zijn.
Daarom lezen wij van „de liefde van God”, dat is de Vader (2 Kor. 13:14); van de liefde des Zoons (Gal. 2:20); en van de liefde des Heiligen Geestes (Rom. 15:30). Deze oneindige liefde kan al onze zwakheden, al die zware zonden dragen, en zij was lang geleden reeds geheel en al verbroken geweest, ware het niet dat de liefde onbegrensd is. Dit wordt zo schoon door de profeet uitgedrukt: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama? u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd; al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven, want Ik ben God en geen mens” (Hosea 11:8, 9).
Aan de lezer…
Misschien, lezer, meet u Gods liefde af aan de liefde van mensen, en vreest u dat zij eens op zal raken, zoals menselijke liefde soms opraakt onder het gewicht van ontrouw en zonde. U kent uw zwakheden, uw zware zonden, en het lijkt u onmogelijk dat God dat alles zou blijven dragen. Juist daarom zegt Hij: „Want Ik ben God en geen mens.” Zijn liefde is niet iets wat Hij heeft, het is wat Hij is: oneindig, omdat Hij oneindig is.
Daarom was die liefde lang geleden al verbroken geweest, als zij niet onbegrensd was. Hoor dan hoe Hij spreekt tot een afkerig volk: „Hoe zou Ik u overgeven? Mijn hart is in Mij omgekeerd.” Dat is de taal van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, één in liefde van alle eeuwigheid. Laat uw schuld u dan naar Hem drijven, niet van Hem af. Zijn liefde is groter dan uw val.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Ik ben God en geen mens.
Hosea 11:9
Wij spreken soms van eigenschappen van God, en wij gebruiken die woorden om het te kunnen begrijpen. Maar strikt genomen heeft God geen eigenschappen. Zijn eigenschappen zijn Hijzelf. Wij spreken bijvoorbeeld van de liefde van God, maar God is liefde; van de rechtvaardigheid van God, maar God is rechtvaardig; van de heiligheid van God, maar God is heilig; van de vlekkeloosheid van God, maar God is vlekkeloos. Zoals Hij helemaal liefde is, zo is Hij ook helemaal rechtvaardig, heilig, rein en vlekkeloos.
De liefde is dus oneindig, omdat God oneindig is. Hij zou ophouden God te zijn als Hij niet liefhad, en als Zijn liefde niet even groot was als Hijzelf, even groot als Zijn eigen onbegrijpelijk bestaan. De liefde van de Zoon van God is even groot en even eeuwig als de liefde van de Vader, want de heilige Drie-eenheid heeft geen drie verschillende liefdes, niet in tijd en niet in graad. De Vader heeft lief van alle eeuwigheid, de Heilige Geest heeft lief van alle eeuwigheid. De liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, als één gelijke, ondeelbare, oneindige Jehova, kan alleen maar één zijn.
Daarom lezen wij van „de liefde van God”, dat is de Vader (2 Kor. 13:14), van de liefde van de Zoon (Gal. 2:20) en van de liefde van de Heilige Geest (Rom. 15:30). Deze oneindige liefde kan al onze zwakheden en al die zware zonden dragen. Zij was allang helemaal verbroken geweest, als die liefde niet onbegrensd was. De profeet drukt dat zo mooi uit: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama? u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd; al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven, want Ik ben God en geen mens” (Hosea 11:8, 9).
Aan de lezer…
Misschien meet u Gods liefde af aan de liefde van mensen, en vreest u dat zij eens op zal raken, zoals menselijke liefde soms opraakt onder het gewicht van ontrouw en zonde. U kent uw zwakheden en uw zware zonden, en het lijkt u onmogelijk dat God dat alles zou blijven dragen. Juist daarom zegt Hij: „Want Ik ben God en geen mens.” Zijn liefde is niet iets wat Hij heeft; het is wat Hij is: oneindig, omdat Hij oneindig is.
Daarom zou die liefde allang verbroken zijn geweest, als zij niet onbegrensd was. Hoor dan hoe Hij spreekt tot een afkerig volk: „Hoe zou Ik u overgeven? Mijn hart is in Mij omgekeerd.” Dat is de taal van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, één in liefde van alle eeuwigheid. Laat uw schuld u dan naar Hem drijven, en niet van Hem af. Zijn liefde is groter dan uw val.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For I am God, and not man.
Hosea 11:9
We speak sometimes of the attributes of God, and we use the words to help our conception. But God, strictly speaking, has no attributes. His attributes are Himself. We speak, for instance, of the love of God, but God is love; of the justice of God, but God is just; of the holiness of God, but God is holy; of the purity of God, but God is pure. As He is all love, so He is all justice, all purity, all holiness. Love, then, is infinite, because God is infinite; His very name, His very character, His very nature, His very essence is infinite love. He would cease to be God if He did not love, and if that love were not as large as Himself, as infinite as His own self-existent, incomprehensible essence.
The love of the Son of God, as God the Son, is co-equal and co-eternal with the love of the Father; for the holy Trinity has not three distinct loves, either in date or degree. The Father loves from all eternity; the Holy Spirit loves from all eternity. The love of the Father, of the Son, and of the Holy Spirit, as one, equal, indivisible, infinite Jehovah cannot be otherwise but One. We therefore read of “the love of God,” that is the Father (2 Cor. 13:14); of “the love of the Son” (Gal. 2:20); and of “the love of the Spirit” (Rom. 15:30).
This love being infinite, can bear with all our infirmities, with all those grievous sins that would, unless that love were boundless, have long ago broken it utterly through. This is beautifully expressed by the prophet—“How shall I give thee up, Ephraim? how shall I deliver thee, Israel? how shall I make thee as Admah? how shall I set thee as Zeboim? Mine heart is turned within Me, My repentings are kindled together. I will not execute the fierceness of Mine anger, I will not return to destroy Ephraim: for I am God, and not man; the Holy One in the midst of thee.” Hosea 11:8–9
To the reader…
Perhaps you measure God’s love by the love of men, and fear that it will one day run out, as human love sometimes runs out under the weight of unfaithfulness and sin. You know your infirmities and your grievous sins, and it seems impossible to you that God would go on bearing all that. That is exactly why He says: “For I am God, and not man.” His love is not something He has; it is what He is: infinite, because He is infinite.
That is why this love would long ago have been broken through, if it were not boundless. Hear, then, how He speaks to a backsliding people: “How shall I give thee up? Mine heart is turned within Me.” That is the language of the Father, the Son and the Holy Spirit, one in love from all eternity. Let your guilt, then, drive you to Him, and not away from Him. His love is greater than your fall.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Dios soy, y no hombre.
Oseas 11:9
A veces hablamos de los atributos de Dios, y usamos estas palabras para ayudar a nuestra comprensión. Pero Dios, en sentido estricto, no tiene atributos. Sus atributos son Él mismo. Hablamos, por ejemplo, del amor de Dios, pero Dios es amor; de la justicia de Dios, pero Dios es justo; de la santidad de Dios, pero Dios es santo; de la pureza de Dios, pero Dios es puro. Así como Él es todo amor, así también es todo justicia, todo pureza, todo santidad. El amor, pues, es infinito, porque Dios es infinito; Su mismo nombre, Su mismo carácter, Su misma naturaleza, Su misma esencia es amor infinito. Dejaría de ser Dios si no amara, y si ese amor no fuera tan grande como Él mismo, tan infinito como Su propia esencia existente por Sí misma e incomprensible.
El amor del Hijo de Dios, como Dios el Hijo, es coigual y coeterno con el amor del Padre; porque la santa Trinidad no tiene tres amores distintos, ni en tiempo ni en grado. El Padre ama desde toda la eternidad; el Espíritu Santo ama desde toda la eternidad. El amor del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo, como un solo Jehová, igual, indivisible e infinito, no puede ser sino Uno. Por eso leemos del “amor de Dios”, es decir, del Padre (2 Co. 13:14); del amor del Hijo (Gá. 2:20); y del “amor del Espíritu” (Ro. 15:30).
Siendo infinito este amor, puede soportar todas nuestras flaquezas, todos aquellos pecados graves que, si ese amor no fuera ilimitado, lo habrían quebrantado del todo hace mucho tiempo. Esto lo expresa hermosamente el profeta: “¿Cómo tengo de dejarte, oh Efraín? ¿he de entregarte yo, Israel? ¿cómo podré yo hacerte como Adma, ni ponerte como a Zeboim? Mi corazón se revuelve dentro de mí, inflámanse todas mis conmiseraciones. No ejecutaré el furor de mi ira, no volveré para destruir a Efraín: porque Dios soy, y no hombre; el Santo en medio de ti”. Oseas 11:8–9
Al lector…
Quizás usted mide el amor de Dios por el amor de los hombres, y teme que un día se agote, como el amor humano a veces se agota bajo el peso de la infidelidad y del pecado. Conoce sus flaquezas y sus pecados graves, y le parece imposible que Dios siga soportando todo eso. Precisamente por eso dice Él: “Porque Dios soy, y no hombre”. Su amor no es algo que Él tiene; es lo que Él es: infinito, porque Él es infinito.
Por eso este amor se habría quebrantado hace mucho tiempo, si no fuera ilimitado. Escuche, pues, cómo habla a un pueblo rebelde: “¿Cómo tengo de dejarte? Mi corazón se revuelve dentro de mí”. Ese es el lenguaje del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo, uno en amor desde toda la eternidad. Deje, pues, que su culpa le lleve a Él, y no lejos de Él. Su amor es mayor que su caída.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl