Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

8 juni Korenaren uit de volle oogst

Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17

O lijdende heiligen van God! U beproefde en bedroefde kinderen van de Allerhoogste! Verhef uw gedachten, als God u daartoe in staat stelt, sla uw ogen omhoog en zie wat u wacht. Bent u bedroefd, verzocht, geoefend, bezocht? Dat is genade voor u, want zo handelt God niet met iedereen. Juist omdat u Zijn kinderen bent, legt Hij Zijn kastijdende hand op u. Hij wil u gelijkvormig maken aan het beeld van Zijn verheerlijkte Zoon, en daarom maakt Hij u nu gelijkvormig aan het beeld van Zijn lijdende Zoon.

„Maar,” zegt u, „dat kan ik niet aannemen!” Nee, als u dat wel kon, zou het geen beproeving zijn. Dat is nu juist de beproeving van het geloof: kermend, worstelend, treurend en zuchtend uw weg gaan, gelovend tegen ongeloof in, hopend tegen hoop, en toch op de Heere zien, hoewel alles in de natuur erop gericht is om de hoop en de verwachting van uw wachtende ziel te temperen.

En toch zal het einde goed zijn met Gods volk. Hun leven hier is een leven van verzoeking, lijden en beproeving, maar de hemel zal alles vergoeden. En al wordt ons geloof nu beproefd als „met vuur”, eens, bij de verschijning van Christus, zal het bevonden worden tot lof, eer en heerlijkheid. Op die dag, wanneer de verborgen dingen van alle harten aan het licht gebracht worden, zal het geloof van duizenden niet veel meer blijken te zijn dan eigenwaan. Maar het geloof van Gods dierbare huisgezin zal dan gekroond worden met „lof, eer en heerlijkheid”, en zij zullen het Lam zien van aangezicht tot aangezicht, wanneer alle tranen van hun ogen afgewist zullen worden.

’t Is de Heer, die ’t recht der armen,
der verdrukten gelden doet;
die uit liefderijk erbarmen
hongerigen midl’lijk voedt;
die gevang’nen vrijheid schenkt
en aan hun ellende denkt.

Ps. 146:5

Aan de lezer…

O beproefde ziel, die dit leest met een bezwaard hart: bent u bedroefd, verzocht, geoefend, bezocht? Dan wordt u hier iets gezegd wat u in uw verdriet gemakkelijk vergeet: juist omdat u Zijn kind bent, legt de Heere Zijn kastijdende hand op u. Hij maakt u nu gelijkvormig aan het beeld van Zijn lijdende Zoon, zodat u eens gelijkvormig zult zijn aan het beeld van Zijn verheerlijkte Zoon.

Kunt u dat niet aannemen? Dat is nu juist de beproeving van het geloof: kermend en zuchtend uw weg gaan, gelovend tegen ongeloof in, hopend tegen hoop, en toch op de Heere zien. Maar de verdrukking is licht en gaat zeer haast voorbij, en zij werkt een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Het einde zal goed zijn met Gods volk; de hemel zal alles vergoeden, en eenmaal worden alle tranen van uw ogen afgewist.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

8 juni 365 dagen met Philpot

Een grote Hogepriester

Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14

Een ware, oprechte belijdenis van de godsdienst gaat altijd met moeilijkheden gepaard. Ik ben ervan overtuigd dat niemand dan God Zelf ons tot Zijn eer kan laten leven en ons in staat kan stellen die belijdenis met een goed geweten vast te houden. Kijk om te beginnen bijvoorbeeld eens naar ons afkerige hart. Onze natuur is geneigd tot afwijken; zij is altijd vatbaar voor het kwaad. Zij gaat even vanzelf achter afgoden aan als een steen naar de grond valt of een vlam omhoog stijgt. Als dit afkerige hart iemand voortdurend van het pad brengt, hoe moeilijk is het dan om een eerlijke, oprechte en genadige belijdenis van krachtige godsvrucht staande te houden!

Daarnaast valt de duivel Gods kinderen steeds opnieuw aan. Soms werkt hij in op hun ongeloof; soms wekt hij de ontrouw van hun gevallen natuur op; soms werpt hij vurige pijlen in hun gedachten; soms legt hij strikken om hun voeten te verstrikken; soms werkt hij in op de hartstochten en begeerten van hun gevallen natuur; soms probeert hij hen te misleiden als een engel des lichts. En soms brengt hij hun gedachten zo in verwarring dat zij nauwelijks meer weten waar ze zijn of wat ze zijn. Ze kunnen hun tekenen niet zien en hun kenmerken niet duidelijk lezen.

In de derde plaats brengt soms juist iemands verlangen om eerlijk en oprecht te zijn tegenover God hem ertoe bijna te zeggen: „Ik kan geen belijdenis meer doen, want ik heb te weinig bewijzen en zo weinig tekenen van Gods genade gekregen; er zijn zo weinig vruchten van de Geest in mij dat het lijkt alsof ik met God spot als ik nog langer met mijn belijdenis doorga.” Denk aan het innerlijk kwaad van ons hart, de verleidingen van de duivel, de talloze verwarringen waarin onze gedachten verstrikt raken, de doodsheid, duisternis, koude en het ongeloof waardoor we voortdurend worden bestookt. Dan lijkt het nu bijna even moeilijk als in vroeger tijden om een geloofwaardige belijdenis van krachtige godsvrucht staande te houden, of zelfs maar het ene geestelijke been voor het andere te slepen.

Maar hoe gaat de apostel met deze moeilijkheid om? Welke grond geeft hij ons om onze belijdenis vast te houden? Deze: „Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden” (Hebr. 4:14). Het is alsof hij zegt: „Er is een ruime voorraad voor u aangelegd in de volheid van de Zoon van God. Als het een ware belijdenis is, is Jezus er de Leidsman en Voleinder van.”

Lezen: Hebreeën 4

Aan de lezer…

Hoe vaak bent u zo ver gekomen dat u dacht: ik kan mijn belijdenis niet langer vasthouden, want ik heb te weinig tekenen van genade, en het lijkt alsof ik met God spot als ik zo doorga? Uw afkerige hart trekt u telkens van het pad, de vijand werpt zijn vurige pijlen, en doodsheid, koude en ongeloof bestoken u zonder ophouden. Het ene geestelijke been nog voor het andere zetten lijkt u te zwaar.

Zie dan waar de Schrift de grond legt. Niet in de kracht van uw geloof, niet in de helderheid van uw tekenen, maar hierin: „Wij hebben een grote Hogepriester, Die door de hemelen doorgegaan is.” Er ligt een ruime voorraad voor u in de volheid van de Zoon van God. Is uw belijdenis waar, dan is Hij er de Leidsman en Voleinder van, en Hij laat het werk van Zijn handen niet varen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

8 juni Door Baca’s vallei

Want Ik ben God en geen mens.
Hosea 11:9

Wij spreken soms van eigenschappen van God, en wij gebruiken die woorden om het te kunnen begrijpen. Maar strikt genomen heeft God geen eigenschappen. Zijn eigenschappen zijn Hijzelf. Wij spreken bijvoorbeeld van de liefde van God, maar God is liefde; van de rechtvaardigheid van God, maar God is rechtvaardig; van de heiligheid van God, maar God is heilig; van de vlekkeloosheid van God, maar God is vlekkeloos. Zoals Hij helemaal liefde is, zo is Hij ook helemaal rechtvaardig, heilig, rein en vlekkeloos.

De liefde is dus oneindig, omdat God oneindig is. Hij zou ophouden God te zijn als Hij niet liefhad, en als Zijn liefde niet even groot was als Hijzelf, even groot als Zijn eigen onbegrijpelijk bestaan. De liefde van de Zoon van God is even groot en even eeuwig als de liefde van de Vader, want de heilige Drie-eenheid heeft geen drie verschillende liefdes, niet in tijd en niet in graad. De Vader heeft lief van alle eeuwigheid, de Heilige Geest heeft lief van alle eeuwigheid. De liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, als één gelijke, ondeelbare, oneindige Jehova, kan alleen maar één zijn.

Daarom lezen wij van „de liefde van God”, dat is de Vader (2 Kor. 13:14), van de liefde van de Zoon (Gal. 2:20) en van de liefde van de Heilige Geest (Rom. 15:30). Deze oneindige liefde kan al onze zwakheden en al die zware zonden dragen. Zij was allang helemaal verbroken geweest, als die liefde niet onbegrensd was. De profeet drukt dat zo mooi uit: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama? u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd; al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven, want Ik ben God en geen mens” (Hosea 11:8, 9).

Aan de lezer…

Misschien meet u Gods liefde af aan de liefde van mensen, en vreest u dat zij eens op zal raken, zoals menselijke liefde soms opraakt onder het gewicht van ontrouw en zonde. U kent uw zwakheden en uw zware zonden, en het lijkt u onmogelijk dat God dat alles zou blijven dragen. Juist daarom zegt Hij: „Want Ik ben God en geen mens.” Zijn liefde is niet iets wat Hij heeft; het is wat Hij is: oneindig, omdat Hij oneindig is.

Daarom zou die liefde allang verbroken zijn geweest, als zij niet onbegrensd was. Hoor dan hoe Hij spreekt tot een afkerig volk: „Hoe zou Ik u overgeven? Mijn hart is in Mij omgekeerd.” Dat is de taal van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, één in liefde van alle eeuwigheid. Laat uw schuld u dan naar Hem drijven, en niet van Hem af. Zijn liefde is groter dan uw val.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina