5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Deze allen zijn in het geloof gestorven.
Hebreeën 11:13
Wanneer de dood kwam, ontroofde hij hun het geloof niet. Met een gelovige hand hielden zij in de dood elke waarheid vast die zij in het leven met hun gelovige hand hadden vastgehouden. Wat zouden wij doen op ons sterfbed, wanneer al onze zonden in hun vreselijke grootte voor onze ogen stonden, beschuldigd door satan, veroordeeld door het geweten, verschrikt door een heilige Wet en met een vertoornd God voor ogen? Wat moest ons einde zijn op de stervenssponde, zo wij alleen konden zien op God, Die een verterend vuur is, met niets dan de bittere herinnering aan vroegere zonden, die de ziel verschrikken en het geweten schrik aanjagen? O! zo er ooit geloof nodig is, het zal dan zijn; indien ooit het Evangelie moet omhelsd worden, het zal dan zijn; indien er ooit op Christus moest gezien worden, het zal dan zijn!
Indien u nu weet wat het geloof is, en uw geloof heeft de Zoon van God omhelsd, en door dat geloof is liefde gewerkt, en Christus is in dat geloof u dierbaar geworden, dan zal dat geloof de geest in het stervensuur niet verlaten. Vals geloof zal dan verdwijnen; maar het geloof van Gods uitverkorenen zal u in de ure des doods niet verlaten, maar u steunen als u gaat door het dal der schaduwen des doods, en u veilig brengen aan dat gelukkige strand waar het geloof in aanschouwen, de hoop in genieten zal verwisseld worden en de liefde zal blijven in haar volkomen kracht.
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op de Heer, godvruchte schaar, houd moed!
Hij is getrouw, de Bron van alle goed.
Zo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer.
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer!
Ps. 27:7
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u nog weinig aan uw sterfbed gedacht hebt. Eens komt het uur waarin al onze zonden in hun vreselijke grootte voor ons staan, waarin het geweten aanklaagt en de heilige wet verschrikt. Wat zal ons dan staande houden? Geen eigen werk, geen vroom verleden, geen vals geloof; dat alles verdwijnt in die ure. Als er ooit geloof nodig is, dan is het daar; als er ooit op Christus gezien moet worden, dan daar.
Maar hoort ook de troost. Heeft uw geloof, hoe zwak ook, de Zoon van God omhelsd, en is Hij u dierbaar geworden, dan zal dat geloof u in het stervensuur niet verlaten. Het is geen geloof dat uit uzelf voortkwam en daarom niet met uw krachten bezwijkt. Het zal u steunen door het dal der schaduwen des doods en u veilig brengen aan het strand waar het geloof in aanschouwen verandert. Zoek Hem dan nu, opdat u straks ook in het geloof mag sterven, zoals zij die u zijn voorgegaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deze allen zijn in het geloof gestorven.
Hebreeën 11:13
Toen de dood kwam, roofde hij hun het geloof niet af. Met een gelovige hand hielden zij in de dood elke waarheid vast die zij in het leven met hun gelovige hand hadden vastgehouden. Wat zouden wij doen op ons sterfbed, wanneer al onze zonden in hun vreselijke grootte voor onze ogen stonden, terwijl satan ons beschuldigt, het geweten ons veroordeelt, een heilige wet ons verschrikt en wij een toornende God voor ogen hebben? Wat zou ons einde zijn op het sterfbed, als wij alleen konden zien op God, Die een verterend vuur is, met niets anders dan de bittere herinnering aan vroegere zonden, die de ziel verschrikken en het geweten angst aanjagen? O, als er ooit geloof nodig is, dan zal het op dat moment zijn! Als het Evangelie ooit omhelsd moet worden, dan zal het dan zijn! Als er ooit op Christus gezien moet worden, dan zal het dan zijn!
Als u nu weet wat geloof is, en uw geloof heeft de Zoon van God omhelsd, en door dat geloof is liefde gewerkt, en Christus is u in dat geloof dierbaar geworden, dan zal dat geloof uw geest in het stervensuur niet verlaten. Vals geloof zal dan verdwijnen. Maar het geloof van Gods uitverkorenen zal u in het uur van de dood niet verlaten. Het zal u steunen wanneer u door het dal van de schaduw van de dood gaat, en u veilig brengen aan die gelukkige kust, waar het geloof zal overgaan in aanschouwen, de hoop in genieten, en waar de liefde zal blijven in haar volle kracht.
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op de Heer, godvruchte schaar, houd moed!
Hij is getrouw, de Bron van alle goed.
Zo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer.
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer!
Ps. 27:7
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u nog weinig aan uw sterfbed gedacht hebt. Eens komt het uur waarin al onze zonden in hun vreselijke grootte voor ons staan, waarin het geweten aanklaagt en de heilige wet verschrikt. Wat zal ons dan staande houden? Geen eigen werk, geen vroom verleden, geen vals geloof; dat alles verdwijnt in dat uur. Als er ooit geloof nodig is, dan is het daar; als er ooit op Christus gezien moet worden, dan daar.
Maar hoor ook de troost. Heeft uw geloof, hoe zwak ook, de Zoon van God omhelsd, en is Hij u dierbaar geworden, dan zal dat geloof u in het stervensuur niet verlaten. Het is geen geloof dat uit uzelf voortkwam, en daarom bezwijkt het niet samen met uw krachten. Het zal u steunen door het dal van de schaduw van de dood en u veilig brengen aan de kust waar het geloof overgaat in aanschouwen. Zoek Hem dan nu, zodat ook u straks in het geloof mag sterven, zoals zij die u zijn voorgegaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
These all died in faith.
Hebrews 11:13
When death came it did not rob them of their faith. They held with their believing hand in death every truth which they had held with their believing hand in life. It is in death that the gospel is such a blessing when held by a believing hand. What would we do upon a dying bed, with all our sins staring us in the face in all their dreadful magnitude, accused by Satan, condemned by conscience, terrified by a holy law, and frowned upon by an indignant God? What must be our end upon the bed of death if we had nothing to look to but a God Who is a consuming fire, with nothing but the bitter recollection of past sins to agonize the mind and distress the conscience?
O, if ever faith is needed, it will be needed then; if ever the gospel embraced, embraced then; if ever Christ looked to, looked to then; if ever laid hold of by the hand of faith, laid hold of then! Now if you know what faith is, and your faith has embraced the Son of God, and love has worked by that faith, and Christ in that faith has made Himself precious, that faith will never give up the spirit in a dying hour.
False faith will then expire; but the faith of God’s elect will not leave you in the hour of death, but support you as you pass through the dark valley, and land you safe on that happy shore where faith is turned into sight, hope into enjoyment, and love abides in its fullest manifestation.
To the reader…
It may be that you have given little thought as yet to your deathbed. One day the hour will come when all our sins stand before us in their dreadful magnitude, when conscience accuses and the holy law terrifies. What will hold us up then? No works of our own, no pious past, no false faith; all of that vanishes in that hour. If ever faith is needed, it is there; if ever we must look to Christ, it is then.
But hear the comfort as well. If your faith, however weak, has embraced the Son of God, and He has become precious to you, that faith will not forsake you in the hour of death. It is not a faith that sprang from yourself, and therefore it does not give way when your strength gives way. It will support you through the valley of the shadow of death and bring you safely to the shore where faith is turned into sight. Seek Him, then, now, so that you too may one day die in faith, like those who have gone before you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Conforme a la fe murieron todos éstos.
Hebreos 11:13
Cuando vino la muerte, no les robó su fe. En la muerte sostenían con su mano creyente toda verdad que habían sostenido con su mano creyente en la vida. Es en la muerte cuando el evangelio, sostenido por una mano creyente, es una bendición tan grande. ¿Qué haríamos en un lecho de muerte, con todos nuestros pecados mirándonos a la cara en toda su terrible magnitud, acusados por Satanás, condenados por la conciencia, aterrados por una ley santa y mirados con enojo por un Dios indignado? ¿Cuál habría de ser nuestro fin en el lecho de muerte si no tuviéramos nada a qué mirar sino a un Dios que es fuego consumidor, y nada más que el amargo recuerdo de pecados pasados para atormentar la mente y afligir la conciencia?
¡Oh, si alguna vez se necesita la fe, se necesitará entonces; si alguna vez se abraza el evangelio, se abrazará entonces; si alguna vez se mira a Cristo, se le mirará entonces; si alguna vez se echa mano de Él con la mano de la fe, se echará mano de Él entonces! Ahora bien, si usted sabe lo que es la fe, y su fe ha abrazado al Hijo de Dios, y el amor ha obrado por esa fe, y Cristo en esa fe se ha hecho precioso, esa fe nunca entregará el espíritu en la hora de la muerte.
La fe falsa expirará entonces; pero la fe de los escogidos de Dios no le abandonará en la hora de la muerte, sino que le sostendrá mientras pasa por el valle oscuro, y le hará llegar a salvo a aquella orilla dichosa donde la fe se convierte en vista, la esperanza en goce, y el amor permanece en su más plena manifestación.
Al lector…
Puede ser que usted haya pensado todavía poco en su lecho de muerte. Un día llegará la hora en que todos nuestros pecados estén delante de nosotros en su terrible magnitud, cuando la conciencia acuse y la santa ley aterre. ¿Qué nos sostendrá entonces? Ninguna obra propia, ningún pasado piadoso, ninguna fe falsa; todo eso se desvanece en aquella hora. Si alguna vez se necesita la fe, es allí; si alguna vez hemos de mirar a Cristo, es entonces.
Pero oiga también el consuelo. Si su fe, por débil que sea, ha abrazado al Hijo de Dios, y Él ha llegado a ser precioso para usted, esa fe no le abandonará en la hora de la muerte. No es una fe que brotó de usted mismo, y por eso no cede cuando ceden sus fuerzas. Le sostendrá a través del valle de sombra de muerte y le llevará a salvo a la orilla donde la fe se convierte en vista. Búsquele, pues, ahora, para que también usted muera un día conforme a la fe, como los que le han precedido.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De Doorbreker
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de HEERE in hun spits.
Micha 2:13
Wie is deze Doorbreker? Is het nodig te zeggen dat het de Heere des levens en der heerlijkheid is, Immanuël, God met ons? Waarom wordt Hij een Doorbreker genoemd? Dit is een van Zijn titels. Maar waarom wordt deze titel aan Hem gegeven? Omdat Hij de hindernissen wegneemt die op de weg liggen.
Want als u de tekst leest, zal het u opvallen dat het gaat over een volk dat optrekt en door de poort gaat, en voorwaarts reist, en de Koning gaat voor hun aangezicht heen, en de HEERE, dat wil zeggen de God van het verbond, is in hun spits. En het zal u ook opvallen dat de Doorbreker de HEERE is, want het is de HEERE (met hoofdletters), waarmee altijd de God van het verbond wordt bedoeld. De HEERE (dat wil zeggen: de God van het verbond) „is in hun spits”, hetgeen betekent dat de Doorbreker de God van het verbond is, en Hij wordt een Doorbreker genoemd omdat Hij de moeilijkheden die op het pad liggen, wegneemt.
Zo is er bijvoorbeeld de wet; hoe moeten we die versperring voorbijkomen? Bunyan beschrijft dit in zijn Christenreis. Toen Christen door de overreding van mijnheer Wereldwijze van het pad geraakte en naar de stad toeging die hem was aanbevolen, zag hij een berg over de weg heen hangen, en er kwam donder en bliksem uit, en hij was bang dat die op zijn hoofd zou vallen. Hiermee laat Bunyan zien dat er bliksemschichten van Gods toorn vanuit de wet zullen komen, en het zal lijken alsof de berg op hem zal vallen, zodat hij niet door die weg durft te gaan. Maar de Doorbreker is wel door die weg gegaan; Hij heeft de vloek van de wet voor ons verdragen.
Hij heeft (zogezegd) de vloek tegen Gods volk verbroken. Zoals de Heilige Schrift het zegt: „heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende” (Kol. 2:14); en dus verwijderde Hij het, zodat het geen verbond van veroordeling tegen Zijn geliefde kinderen zou zijn. In die zin is Hij een Doorbreker. Maar niet alleen is de wet tegen hen, ook Gods heiligheid, heerlijkheid, rechtvaardigheid en zuiverheid, al hetgeen God is als de eeuwige God van het verbond. Maar toen Jezus aan het kruis stierf, voldeed Hij aan de rechtvaardigheid en alle eisen van Gods heilige wet. Door Zelf te lijden bracht Hij het zo grote offer voor de zonde dat God de Vader het kon aanvaarden.
Lezen: Jesaja 40:1-11
Aan de lezer…
Wie de wet heeft leren kennen, ziet die donkere berg over zijn weg hangen, waaruit donder en bliksem komen, zodat hij niet verder durft. Hangt hij ook over uw weg? U weet dat u die eisen niet kunt voldoen, en de vloek lijkt elk ogenblik op uw hoofd te zullen vallen. Houd dan uw oog op Hem Die de Doorbreker genoemd wordt. Hij is door die weg gegaan, waar u niet door kon.
Wat tegen u was, heeft Hij „uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende”. Hij heeft de vloek van de wet gedragen, aan de rechtvaardigheid en heiligheid van God voldaan, en het offer gebracht dat de Vader aanvaarden kon. Zo is de HEERE, de God van het verbond, in de spits van Zijn volk. Ziet u niets dan de berg, zie dan op het kruis; daar is de weg gebaand voor arme zondaren die zichzelf niet helpen kunnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de HEERE in hun spits.
Micha 2:13
Wie is deze Doorbreker? Moet ik nog zeggen dat het de Heere van het leven en van de heerlijkheid is, Immanuël, God met ons? Waarom wordt Hij een Doorbreker genoemd? Het is een van Zijn titels. Maar waarom krijgt Hij deze titel? Omdat Hij de hindernissen wegneemt die op de weg liggen.
Als u de tekst leest, valt het u op dat het gaat over een volk dat optrekt, door de poort gaat en verder reist, terwijl de Koning voor hun aangezicht heengaat en de HEERE, dat wil zeggen de God van het verbond, in hun spits is. Het valt u ook op dat de Doorbreker de HEERE is, want er staat HEERE (met hoofdletters), en daarmee wordt altijd de God van het verbond bedoeld. De HEERE (de God van het verbond) „is in hun spits”. Dat betekent dat de Doorbreker de God van het verbond is, en Hij wordt een Doorbreker genoemd omdat Hij de moeilijkheden die op het pad liggen, wegneemt.
Daar is bijvoorbeeld de wet: hoe komen we langs die versperring? Bunyan beschrijft dit in zijn Christenreis. Toen Christen zich door mijnheer Wereldwijze van het pad liet afbrengen en naar de stad ging die hem was aangeraden, zag hij een berg over de weg hangen. Er kwamen donder en bliksem uit, en hij was bang dat de berg op zijn hoofd zou vallen. Hiermee laat Bunyan zien dat er bliksemschichten van Gods toorn uit de wet komen, en dat het lijkt alsof de berg op de zondaar zal vallen, zodat hij die weg niet durft te gaan. Maar de Doorbreker is die weg wel gegaan; Hij heeft de vloek van de wet voor ons gedragen.
Hij heeft (om zo te zeggen) de vloek die tegen Gods volk was, gebroken. Zoals de Heilige Schrift zegt: „heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende” (Kol. 2:14). Zo heeft Hij het weggenomen, zodat het geen verbond van veroordeling meer zou zijn tegen Zijn geliefde kinderen. In die zin is Hij een Doorbreker. Maar niet alleen de wet is tegen hen; ook Gods heiligheid, heerlijkheid, rechtvaardigheid en reinheid, alles wat God is als de eeuwige God van het verbond. Maar toen Jezus aan het kruis stierf, voldeed Hij aan de rechtvaardigheid en aan alle eisen van Gods heilige wet. Door Zelf te lijden bracht Hij het grote offer voor de zonde, dat God de Vader kon aanvaarden.
Lezen: Jesaja 40:1-11
Aan de lezer…
Wie de wet heeft leren kennen, ziet die donkere berg over zijn weg hangen, waaruit donder en bliksem komen, zodat hij niet verder durft. Hangt hij ook over uw weg? U weet dat u niet aan die eisen kunt voldoen, en de vloek lijkt elk ogenblik op uw hoofd te zullen vallen. Houd dan uw oog gericht op Hem Die de Doorbreker genoemd wordt. Hij is de weg gegaan waar u niet door kon.
Wat tegen u was, heeft Hij „uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende”. Hij heeft de vloek van de wet gedragen, aan de rechtvaardigheid en heiligheid van God voldaan, en het offer gebracht dat de Vader kon aanvaarden. Zo is de HEERE, de God van het verbond, in de spits van Zijn volk. Ziet u niets dan de berg? Zie dan op het kruis; daar is de weg gebaand voor arme zondaren die zichzelf niet kunnen helpen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The breaker is come up before them: they have broken up, and have passed through the gate, and are gone out by it: and their King shall pass before them, and the LORD on the head of them.
Micah 2:13
Who is this Breaker? Need I say that He is the Lord of life and glory, Immanuel, God with us? Why is He called a Breaker? It is one of His titles. But why is He given this title? Because He removes the obstacles that lie in the way.
When you read the text, you notice that it speaks of a people going up, passing through the gate and travelling on, while their King passes before them and the LORD, that is, the covenant God, is at their head. You notice too that the Breaker is the LORD, for the word is LORD (in capitals), and by that the covenant God is always meant. The LORD (the covenant God) is “on the head of them.” This means that the Breaker is the covenant God, and He is called a Breaker because He removes the difficulties that lie in the path.
There is, for example, the law: how do we get past that barrier? Bunyan describes this in his Pilgrim’s Progress. When Christian let himself be turned aside from the path by Mr. Worldly Wiseman and went towards the town he had been directed to, he saw a hill hanging over the road. Thunder and lightning came out of it, and he was afraid the hill would fall on his head. By this Bunyan shows that flashes of God’s wrath come out of the law, and that it seems as though the hill will fall upon the sinner, so that he dares not go that way. But the Breaker did go that way; He bore the curse of the law for us.
He has (so to speak) broken the curse that was against God’s people. As the Holy Scripture says, He “took it out of the way, nailing it to His cross” (Colossians 2:14). So He took it away, that it might no longer be a covenant of condemnation against His beloved children. In that sense He is a Breaker. But it is not only the law that is against them; so are God’s holiness, glory, justice and purity, all that God is as the eternal covenant God. But when Jesus died on the cross, He satisfied justice and all the demands of God’s holy law. By suffering Himself He offered the great sacrifice for sin, which God the Father could accept.
Reading: Isaiah 40:1-11
To the reader…
Whoever has come to know the law sees that dark hill hanging over his road, with thunder and lightning coming out of it, so that he dares go no further. Does it hang over your road too? You know that you cannot meet its demands, and the curse seems ready to fall on your head at any moment. Then keep your eye fixed on Him Who is called the Breaker. He has gone the way that you could not pass through.
What was against you He “took out of the way, nailing it to His cross.” He bore the curse of the law, satisfied the justice and holiness of God, and offered the sacrifice which the Father could accept. So the LORD, the covenant God, is at the head of His people. Do you see nothing but the hill? Then look to the cross; there the way has been opened for poor sinners who cannot help themselves.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subirá rompedor delante de ellos; romperán y pasarán la puerta, y saldrán por ella: y su Rey pasará delante de ellos, y a la cabeza de ellos Jehová.
Miqueas 2:13
¿Quién es este Rompedor? ¿Necesito decir que es el Señor de vida y de gloria, Emmanuel, Dios con nosotros? ¿Por qué se le llama Rompedor? Es uno de Sus títulos. Pero ¿por qué se le da este título? Porque quita los obstáculos que hay en el camino.
Cuando lee el texto, observa que habla de un pueblo que sube, pasa la puerta y sigue su camino, mientras su Rey pasa delante de ellos y Jehová, es decir, el Dios del pacto, está a su cabeza. Observa también que el Rompedor es Jehová, porque la palabra es Jehová, y con ella se designa siempre al Dios del pacto. Jehová (el Dios del pacto) está “a la cabeza de ellos”. Esto significa que el Rompedor es el Dios del pacto, y se le llama Rompedor porque quita las dificultades que hay en el camino.
Está, por ejemplo, la ley: ¿cómo pasamos esa barrera? Bunyan lo describe en su El progreso del peregrino. Cuando Cristiano se dejó desviar del camino por el señor Sabio-Mundano y fue hacia la ciudad a la que había sido encaminado, vio un monte que pendía sobre el camino. De él salían truenos y relámpagos, y tuvo miedo de que el monte le cayera sobre la cabeza. Con esto Bunyan muestra que de la ley salen relámpagos de la ira de Dios, y que parece como si el monte fuera a caer sobre el pecador, de modo que no se atreve a ir por ese camino. Pero el Rompedor sí fue por ese camino; llevó por nosotros la maldición de la ley.
Él ha (por así decirlo) roto la maldición que estaba contra el pueblo de Dios. Como dice la Santa Escritura, la quitó “de en medio y enclavándola en la cruz” (Colosenses 2:14). Así la quitó, para que ya no fuera un pacto de condenación contra Sus amados hijos. En ese sentido es un Rompedor. Pero no es solo la ley la que está contra ellos; también lo están la santidad, la gloria, la justicia y la pureza de Dios, todo lo que Dios es como el eterno Dios del pacto. Pero cuando Jesús murió en la cruz, satisfizo la justicia y todas las demandas de la santa ley de Dios. Sufriendo Él mismo, ofreció el gran sacrificio por el pecado, que Dios el Padre pudo aceptar.
Lectura: Isaías 40:1-11
Al lector…
Quien ha llegado a conocer la ley ve aquel monte oscuro que pende sobre su camino, con truenos y relámpagos que salen de él, de modo que no se atreve a seguir. ¿Pende también sobre su camino? Usted sabe que no puede satisfacer sus demandas, y la maldición parece estar a punto de caer sobre su cabeza en cualquier momento. Entonces mantenga los ojos fijos en Aquel que es llamado el Rompedor. Él ha ido por el camino por el que usted no podía pasar.
Lo que estaba contra usted, Él lo quitó “de en medio y enclavándolo en la cruz”. Llevó la maldición de la ley, satisfizo la justicia y la santidad de Dios, y ofreció el sacrificio que el Padre pudo aceptar. Así Jehová, el Dios del pacto, está a la cabeza de Su pueblo. ¿No ve nada sino el monte? Entonces mire a la cruz; allí se ha abierto el camino para pobres pecadores que no pueden ayudarse a sí mismos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
Johannes 17:19
Christus is Zijn volk geworden tot heiligmaking (1 Kor. 1:30). Wat ben ik? Wat zijt gij? Vuile, bezoedelde, bevlekte zondaren. Is het niet zo? Doen niet sommigen onzer, hetzij meer of minder, dagelijks de ervaring op dat zij geheel en al zijn als een onreine? Is niet iedere gedachte van ons hart geheel en al boos?
Woont van nature in ons hart enige heiligheid, enige geestelijkheid, enige hemelsgezindheid, enige zuiverheid, enige overeenkomst met het Goddelijk beeld? Niet een greintje, geen stofje! Hoe kan ik dan, als een bevlekte zondaar, ooit het aangezicht van een heilig God aanschouwen? Hoe kan een aardworm, van binnen en van buiten verdorven door inwonende en begane zonden, ooit hopen een heilig God te aanschouwen, zonder in verderving te veranderen? Ik kan Hem niet aanschouwen, uitgezonderd dan zover als de Heere van leven en heerlijkheid mij tot heiligmaking is geworden.
Waarom schrikken de mensen zo terug voor toegerekende heiligmaking? Waarom zou niet Christus’ heiligheid zowel worden toegerekend als Christus’ rechtvaardigheid? Waarom zouden wij niet zowel in Hem geheiligd als gerechtvaardigd zijn? Waarom niet? Ontbreekt er iets in Jezus als de Godmens en Middelaar dat Hij Zijn volk niet geven kan? Heeft Hij enige volmaaktheid, enige hoedanigheid, enige gave of zegening die niet te hunnen nutte is? Heiligde Hij Zichzelf niet, opdat zij mochten geheiligd worden in de waarheid? Is Hij niet het heilig Lam Gods, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde?
Wat is mijn heiligheid tegenover die welke het God behaagt mij te schenken? Is zij niet, op zijn minst gezegd, nietig? Is het niet, op het minst uitgedrukt, klein in omvang? Maar wanneer wij acht geven op de zuivere en vlekkeloze heiligheid van Jezus, aan Zijn volk toegerekend, en dan Zijn volk beschouwen, heilig en zuiver in Hem, zonder vlek of rimpel, hoe verdwijnen dan alle vlekken en rimpels van het schepsel en doet het hen heilig en onberispelijk voor God staan.
Aan de lezer…
Bestreden ziel, ziet u uzelf als een vuile, bevlekte zondaar, in wie van nature geen greintje heiligheid woont? Vraagt u zich met schrik af hoe u ooit het aangezicht van een heilig God zult aanschouwen? Dat is een eerlijke vraag, en wij behoeven haar niet weg te praten. Want onze eigen heiligheid is, op zijn minst gezegd, nietig; zij kan nooit voor Hem bestaan.
Maar hoor wat de Heere Jezus zegt: „Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.” Hij is Zijn volk geworden tot heiligmaking. Er ontbreekt niets in Hem dat Hij de Zijnen niet geven kan. Zie dan af van uzelf en zie op Hem, het heilig Lam Gods. In Hem verdwijnen alle vlekken en rimpels, en mag een arme zondaar heilig en onberispelijk voor God staan in de liefde. Dat is geen grond om in de zonde te blijven, maar wel een grond om niet te wanhopen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
Johannes 17:19
Christus is Zijn volk geworden tot heiligmaking (1 Kor. 1:30). Wat ben ik? Wat bent u? Vuile, bezoedelde, bevlekte zondaren. Is het niet zo? Ervaren sommigen van ons niet dagelijks, in meerdere of mindere mate, dat zij helemaal zijn als een onreine? Is niet iedere gedachte van ons hart geheel en al boos?
Woont er van nature in ons hart enige heiligheid, enige geestelijkheid, enige hemelsgezindheid, enige zuiverheid, enige overeenkomst met het Goddelijk beeld? Geen greintje, geen stofje! Hoe kan ik dan, als een bevlekte zondaar, ooit het aangezicht van een heilig God aanschouwen? Hoe kan een aardworm, van binnen en van buiten verdorven door inwonende en bedreven zonden, ooit hopen een heilig God te aanschouwen zonder tot verderf te vergaan? Ik kan Hem niet aanschouwen, behalve voor zover de Heere van leven en heerlijkheid mij tot heiligmaking is geworden.
Waarom schrikken de mensen zo terug voor toegerekende heiligmaking? Waarom zou de heiligheid van Christus niet evengoed worden toegerekend als de gerechtigheid van Christus? Waarom zouden wij niet evengoed in Hem geheiligd als gerechtvaardigd zijn? Waarom niet? Ontbreekt er iets in Jezus als de Godmens en Middelaar wat Hij Zijn volk niet kan geven? Heeft Hij enige volmaaktheid, enige eigenschap, enige gave of zegen die niet tot hun nut is? Heiligde Hij Zichzelf niet, zodat zij geheiligd zouden worden in de waarheid? Is Hij niet het heilige Lam van God, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde?
Wat is mijn heiligheid vergeleken met de heiligheid die het God behaagt mij te schenken? Is zij niet, op zijn zachtst gezegd, nietig? Is zij niet, op zijn zachtst uitgedrukt, klein van omvang? Maar wanneer wij letten op de zuivere en vlekkeloze heiligheid van Jezus, aan Zijn volk toegerekend, en dan Zijn volk beschouwen, heilig en zuiver in Hem, zonder vlek of rimpel, hoe verdwijnen dan alle vlekken en rimpels van het schepsel! Dan doet die heiligheid hen heilig en onberispelijk voor God staan.
Aan de lezer…
Bestreden ziel, ziet u uzelf als een vuile, bevlekte zondaar, in wie van nature geen greintje heiligheid woont? Vraagt u zich met schrik af hoe u ooit het aangezicht van een heilig God zult aanschouwen? Dat is een eerlijke vraag, en wij hoeven haar niet weg te praten. Want onze eigen heiligheid is, op zijn zachtst gezegd, nietig; zij kan nooit voor Hem bestaan.
Maar hoor wat de Heere Jezus zegt: „Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.” Hij is Zijn volk geworden tot heiligmaking. Er ontbreekt niets in Hem wat Hij de Zijnen niet kan geven. Zie dan af van uzelf en zie op Hem, het heilige Lam van God. In Hem verdwijnen alle vlekken en rimpels, en mag een arme zondaar heilig en onberispelijk voor God staan in de liefde. Dat is geen grond om in de zonde te blijven, maar wel een grond om niet te wanhopen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And for their sakes I sanctify myself, that they also might be sanctified through the truth.
John 17:19
Christ is made to His people sanctification (1 Cor. 1:30). What am I? What are you? Are we not filthy, polluted, and defiled? Do not some of us, more or less, daily feel altogether as an unclean thing? Is not every thought of our heart altogether vile? Does any holiness, any spirituality, any heavenly-mindedness, any purity, any resemblance to the divine image dwell in our hearts by nature? Not a grain! Not an atom!
How then can I, a polluted sinner, ever see the face of a holy God? How can I, a worm of earth, corrupted within and without by indwelling and committed sin, ever hope to see a holy God without shrinking into destruction? I cannot see Him, except so far as the Lord of life and glory is made sanctification to me. Why should men start so at “imputed sanctification?” Why should not Christ’s holiness be imputed to His people as well as Christ’s righteousness? Why should they not stand sanctified in Him, as well as justified? Why not?
Is there anything in Jesus, as God-man Mediator, which He has not for His people? Has He any perfection, any attribute, any gift, any blessing, which is not for their use? Did He not sanctify Himself that they might be sanctified by the truth? Is He not the holy Lamb of God, that they might be “holy, and without blame before Him in love?”
What is my holiness, even such as God may be pleased to impart to me? Is it not, to say the least, scanty? Is it not, to say the least, but little in measure? But when we view the pure and spotless holiness of Jesus imputed to His people, and view them holy in Him, pure in Him, without spot in Him, how it does away with all the wrinkles of the creature, and makes them stand holy and spotless before God.
To the reader…
Tried soul, do you see yourself as a filthy, defiled sinner, in whom by nature not a grain of holiness dwells? Do you ask yourself with dread how you will ever behold the face of a holy God? That is an honest question, and we need not explain it away. For our own holiness is, to say the least, of no account; it can never stand before Him.
But hear what the Lord Jesus says: “For their sakes I sanctify Myself, that they also might be sanctified through the truth.” He has been made sanctification to His people. There is nothing in Him that He cannot give to His own. Look away from yourself, then, and look to Him, the holy Lamb of God. In Him all spots and wrinkles vanish, and a poor sinner may stand holy and without blame before God in love. That is no ground for continuing in sin, but it is indeed a ground for not despairing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y por ellos Yo Me santifico a Mí mismo, para que también ellos sean santificados en verdad.
Juan 17:19
Cristo ha sido hecho santificación para Su pueblo (1 Cor. 1:30). ¿Qué soy yo? ¿Qué es usted? ¿No somos inmundos, contaminados y manchados? ¿No sienten algunos de nosotros, en mayor o menor grado, cada día que somos del todo como cosa inmunda? ¿No es todo pensamiento de nuestro corazón enteramente vil? ¿Mora por naturaleza en nuestro corazón alguna santidad, alguna espiritualidad, algún ánimo celestial, alguna pureza, alguna semejanza a la imagen divina? ¡Ni un grano! ¡Ni un átomo!
¿Cómo podré yo, entonces, pecador contaminado, ver jamás el rostro de un Dios santo? ¿Cómo puedo yo, gusano de la tierra, corrompido por dentro y por fuera por el pecado que mora en mí y por el pecado cometido, esperar ver a un Dios santo sin ser consumido? No puedo verle, sino en la medida en que el Señor de la vida y de la gloria me es hecho santificación. ¿Por qué se sobresaltan tanto los hombres ante la “santificación imputada”? ¿Por qué no habría de imputarse a Su pueblo la santidad de Cristo tanto como la justicia de Cristo? ¿Por qué no habrían de estar santificados en Él, así como justificados? ¿Por qué no?
¿Hay algo en Jesús, como Dios-hombre Mediador, que Él no tenga para Su pueblo? ¿Tiene alguna perfección, algún atributo, algún don, alguna bendición que no sea para el uso de ellos? ¿No se santificó a Sí mismo para que ellos fuesen santificados en la verdad? ¿No es Él el santo Cordero de Dios, para que ellos sean “santos y sin mancha delante de Él en amor”?
¿Qué es mi santidad, aun aquella que a Dios le plazca impartirme? ¿No es, por lo menos, escasa? ¿No es, por lo menos, pequeña en medida? Pero cuando contemplamos la santidad pura e inmaculada de Jesús imputada a Su pueblo, y los vemos santos en Él, puros en Él, sin mancha en Él, ¡cómo quita todas las arrugas de la criatura y los hace estar santos y sin mancha delante de Dios!
Al lector…
Alma probada, ¿se ve a sí mismo como un pecador inmundo y manchado, en quien por naturaleza no mora ni un grano de santidad? ¿Se pregunta con temor cómo podrá contemplar jamás el rostro de un Dios santo? Es una pregunta sincera, y no hace falta quitarle importancia. Porque nuestra propia santidad es, por lo menos, de ningún valor; nunca podrá sostenerse delante de Él.
Pero oiga lo que dice el Señor Jesús: “Por ellos Yo Me santifico a Mí mismo, para que también ellos sean santificados en verdad.” Él ha sido hecho santificación para Su pueblo. No hay nada en Él que no pueda dar a los Suyos. Aparte, pues, la vista de sí mismo y mírele a Él, el santo Cordero de Dios. En Él desaparecen todas las manchas y arrugas, y un pobre pecador puede estar santo y sin mancha delante de Dios en amor. Esto no es motivo para perseverar en el pecado, pero sí es motivo para no desesperar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl