8 de febrero
En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
Johannes 17:19
Christus is Zijn volk geworden tot heiligmaking (1 Kor. 1:30). Wat ben ik? Wat zijt gij? Vuile, bezoedelde, bevlekte zondaren. Is het niet zo? Doen niet sommigen onzer, hetzij meer of minder, dagelijks de ervaring op dat zij geheel en al zijn als een onreine? Is niet iedere gedachte van ons hart geheel en al boos?
Woont van nature in ons hart enige heiligheid, enige geestelijkheid, enige hemelsgezindheid, enige zuiverheid, enige overeenkomst met het Goddelijk beeld? Niet een greintje, geen stofje! Hoe kan ik dan, als een bevlekte zondaar, ooit het aangezicht van een heilig God aanschouwen? Hoe kan een aardworm, van binnen en van buiten verdorven door inwonende en begane zonden, ooit hopen een heilig God te aanschouwen, zonder in verderving te veranderen? Ik kan Hem niet aanschouwen, uitgezonderd dan zover als de Heere van leven en heerlijkheid mij tot heiligmaking is geworden.
Waarom schrikken de mensen zo terug voor toegerekende heiligmaking? Waarom zou niet Christus’ heiligheid zowel worden toegerekend als Christus’ rechtvaardigheid? Waarom zouden wij niet zowel in Hem geheiligd als gerechtvaardigd zijn? Waarom niet? Ontbreekt er iets in Jezus als de Godmens en Middelaar dat Hij Zijn volk niet geven kan? Heeft Hij enige volmaaktheid, enige hoedanigheid, enige gave of zegening die niet te hunnen nutte is? Heiligde Hij Zichzelf niet, opdat zij mochten geheiligd worden in de waarheid? Is Hij niet het heilig Lam Gods, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde?
Wat is mijn heiligheid tegenover die welke het God behaagt mij te schenken? Is zij niet, op zijn minst gezegd, nietig? Is het niet, op het minst uitgedrukt, klein in omvang? Maar wanneer wij acht geven op de zuivere en vlekkeloze heiligheid van Jezus, aan Zijn volk toegerekend, en dan Zijn volk beschouwen, heilig en zuiver in Hem, zonder vlek of rimpel, hoe verdwijnen dan alle vlekken en rimpels van het schepsel en doet het hen heilig en onberispelijk voor God staan.
Aan de lezer…
Bestreden ziel, ziet u uzelf als een vuile, bevlekte zondaar, in wie van nature geen greintje heiligheid woont? Vraagt u zich met schrik af hoe u ooit het aangezicht van een heilig God zult aanschouwen? Dat is een eerlijke vraag, en wij behoeven haar niet weg te praten. Want onze eigen heiligheid is, op zijn minst gezegd, nietig; zij kan nooit voor Hem bestaan.
Maar hoor wat de Heere Jezus zegt: „Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.” Hij is Zijn volk geworden tot heiligmaking. Er ontbreekt niets in Hem dat Hij de Zijnen niet geven kan. Zie dan af van uzelf en zie op Hem, het heilig Lam Gods. In Hem verdwijnen alle vlekken en rimpels, en mag een arme zondaar heilig en onberispelijk voor God staan in de liefde. Dat is geen grond om in de zonde te blijven, maar wel een grond om niet te wanhopen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
Johannes 17:19
Christus is Zijn volk geworden tot heiligmaking (1 Kor. 1:30). Wat ben ik? Wat bent u? Vuile, bezoedelde, bevlekte zondaren. Is het niet zo? Ervaren sommigen van ons niet dagelijks, in meerdere of mindere mate, dat zij helemaal zijn als een onreine? Is niet iedere gedachte van ons hart geheel en al boos?
Woont er van nature in ons hart enige heiligheid, enige geestelijkheid, enige hemelsgezindheid, enige zuiverheid, enige overeenkomst met het Goddelijk beeld? Geen greintje, geen stofje! Hoe kan ik dan, als een bevlekte zondaar, ooit het aangezicht van een heilig God aanschouwen? Hoe kan een aardworm, van binnen en van buiten verdorven door inwonende en bedreven zonden, ooit hopen een heilig God te aanschouwen zonder tot verderf te vergaan? Ik kan Hem niet aanschouwen, behalve voor zover de Heere van leven en heerlijkheid mij tot heiligmaking is geworden.
Waarom schrikken de mensen zo terug voor toegerekende heiligmaking? Waarom zou de heiligheid van Christus niet evengoed worden toegerekend als de gerechtigheid van Christus? Waarom zouden wij niet evengoed in Hem geheiligd als gerechtvaardigd zijn? Waarom niet? Ontbreekt er iets in Jezus als de Godmens en Middelaar wat Hij Zijn volk niet kan geven? Heeft Hij enige volmaaktheid, enige eigenschap, enige gave of zegen die niet tot hun nut is? Heiligde Hij Zichzelf niet, zodat zij geheiligd zouden worden in de waarheid? Is Hij niet het heilige Lam van God, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde?
Wat is mijn heiligheid vergeleken met de heiligheid die het God behaagt mij te schenken? Is zij niet, op zijn zachtst gezegd, nietig? Is zij niet, op zijn zachtst uitgedrukt, klein van omvang? Maar wanneer wij letten op de zuivere en vlekkeloze heiligheid van Jezus, aan Zijn volk toegerekend, en dan Zijn volk beschouwen, heilig en zuiver in Hem, zonder vlek of rimpel, hoe verdwijnen dan alle vlekken en rimpels van het schepsel! Dan doet die heiligheid hen heilig en onberispelijk voor God staan.
Aan de lezer…
Bestreden ziel, ziet u uzelf als een vuile, bevlekte zondaar, in wie van nature geen greintje heiligheid woont? Vraagt u zich met schrik af hoe u ooit het aangezicht van een heilig God zult aanschouwen? Dat is een eerlijke vraag, en wij hoeven haar niet weg te praten. Want onze eigen heiligheid is, op zijn zachtst gezegd, nietig; zij kan nooit voor Hem bestaan.
Maar hoor wat de Heere Jezus zegt: „Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.” Hij is Zijn volk geworden tot heiligmaking. Er ontbreekt niets in Hem wat Hij de Zijnen niet kan geven. Zie dan af van uzelf en zie op Hem, het heilige Lam van God. In Hem verdwijnen alle vlekken en rimpels, en mag een arme zondaar heilig en onberispelijk voor God staan in de liefde. Dat is geen grond om in de zonde te blijven, maar wel een grond om niet te wanhopen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And for their sakes I sanctify myself, that they also might be sanctified through the truth.
John 17:19
Christ is made to His people sanctification (1 Cor. 1:30). What am I? What are you? Are we not filthy, polluted, and defiled? Do not some of us, more or less, daily feel altogether as an unclean thing? Is not every thought of our heart altogether vile? Does any holiness, any spirituality, any heavenly-mindedness, any purity, any resemblance to the divine image dwell in our hearts by nature? Not a grain! Not an atom!
How then can I, a polluted sinner, ever see the face of a holy God? How can I, a worm of earth, corrupted within and without by indwelling and committed sin, ever hope to see a holy God without shrinking into destruction? I cannot see Him, except so far as the Lord of life and glory is made sanctification to me. Why should men start so at “imputed sanctification?” Why should not Christ’s holiness be imputed to His people as well as Christ’s righteousness? Why should they not stand sanctified in Him, as well as justified? Why not?
Is there anything in Jesus, as God-man Mediator, which He has not for His people? Has He any perfection, any attribute, any gift, any blessing, which is not for their use? Did He not sanctify Himself that they might be sanctified by the truth? Is He not the holy Lamb of God, that they might be “holy, and without blame before Him in love?”
What is my holiness, even such as God may be pleased to impart to me? Is it not, to say the least, scanty? Is it not, to say the least, but little in measure? But when we view the pure and spotless holiness of Jesus imputed to His people, and view them holy in Him, pure in Him, without spot in Him, how it does away with all the wrinkles of the creature, and makes them stand holy and spotless before God.
To the reader…
Tried soul, do you see yourself as a filthy, defiled sinner, in whom by nature not a grain of holiness dwells? Do you ask yourself with dread how you will ever behold the face of a holy God? That is an honest question, and we need not explain it away. For our own holiness is, to say the least, of no account; it can never stand before Him.
But hear what the Lord Jesus says: “For their sakes I sanctify Myself, that they also might be sanctified through the truth.” He has been made sanctification to His people. There is nothing in Him that He cannot give to His own. Look away from yourself, then, and look to Him, the holy Lamb of God. In Him all spots and wrinkles vanish, and a poor sinner may stand holy and without blame before God in love. That is no ground for continuing in sin, but it is indeed a ground for not despairing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y por ellos Yo Me santifico a Mí mismo, para que también ellos sean santificados en verdad.
Juan 17:19
Cristo ha sido hecho santificación para Su pueblo (1 Cor. 1:30). ¿Qué soy yo? ¿Qué es usted? ¿No somos inmundos, contaminados y manchados? ¿No sienten algunos de nosotros, en mayor o menor grado, cada día que somos del todo como cosa inmunda? ¿No es todo pensamiento de nuestro corazón enteramente vil? ¿Mora por naturaleza en nuestro corazón alguna santidad, alguna espiritualidad, algún ánimo celestial, alguna pureza, alguna semejanza a la imagen divina? ¡Ni un grano! ¡Ni un átomo!
¿Cómo podré yo, entonces, pecador contaminado, ver jamás el rostro de un Dios santo? ¿Cómo puedo yo, gusano de la tierra, corrompido por dentro y por fuera por el pecado que mora en mí y por el pecado cometido, esperar ver a un Dios santo sin ser consumido? No puedo verle, sino en la medida en que el Señor de la vida y de la gloria me es hecho santificación. ¿Por qué se sobresaltan tanto los hombres ante la “santificación imputada”? ¿Por qué no habría de imputarse a Su pueblo la santidad de Cristo tanto como la justicia de Cristo? ¿Por qué no habrían de estar santificados en Él, así como justificados? ¿Por qué no?
¿Hay algo en Jesús, como Dios-hombre Mediador, que Él no tenga para Su pueblo? ¿Tiene alguna perfección, algún atributo, algún don, alguna bendición que no sea para el uso de ellos? ¿No se santificó a Sí mismo para que ellos fuesen santificados en la verdad? ¿No es Él el santo Cordero de Dios, para que ellos sean “santos y sin mancha delante de Él en amor”?
¿Qué es mi santidad, aun aquella que a Dios le plazca impartirme? ¿No es, por lo menos, escasa? ¿No es, por lo menos, pequeña en medida? Pero cuando contemplamos la santidad pura e inmaculada de Jesús imputada a Su pueblo, y los vemos santos en Él, puros en Él, sin mancha en Él, ¡cómo quita todas las arrugas de la criatura y los hace estar santos y sin mancha delante de Dios!
Al lector…
Alma probada, ¿se ve a sí mismo como un pecador inmundo y manchado, en quien por naturaleza no mora ni un grano de santidad? ¿Se pregunta con temor cómo podrá contemplar jamás el rostro de un Dios santo? Es una pregunta sincera, y no hace falta quitarle importancia. Porque nuestra propia santidad es, por lo menos, de ningún valor; nunca podrá sostenerse delante de Él.
Pero oiga lo que dice el Señor Jesús: “Por ellos Yo Me santifico a Mí mismo, para que también ellos sean santificados en verdad.” Él ha sido hecho santificación para Su pueblo. No hay nada en Él que no pueda dar a los Suyos. Aparte, pues, la vista de sí mismo y mírele a Él, el santo Cordero de Dios. En Él desaparecen todas las manchas y arrugas, y un pobre pecador puede estar santo y sin mancha delante de Dios en amor. Esto no es motivo para perseverar en el pecado, pero sí es motivo para no desesperar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl