vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.
Romeinen 5:20
Om te weten wat de genade is in haar heerschappij over de zonde, en in haar overvloedig zijn over de toeneming der ongerechtigheid, moeten wij in de geest in de diepte van de val worden geleid. Wij moeten door God Zelf in de geheimen van ons eigen hart worden geleid; wij moeten treurende gemaakt worden over onze zonden en over de afgoderij van onze gevallen natuur.
En wanneer dan, laat ons doen wat wij willen, de zonde steeds wil werken, heersen en meerder worden, en wij zo ver gekomen zijn dat wij onze armoede, hulpeloosheid en ellende gevoelen, en wij ons nederwerpen aan de voetbank Zijner barmhartigheid, dan beginnen wij te zien, doordat zij onze zielen levend maakt, ons van de toekomende toorn Gods verlost en tegen de heerschappij van de boze behoedt, dat de genade overvloediger wordt over de toenemende zonde in onze boze harten; en daar zij vloeit langs de weg van ’s Heeren lijden, zal zij nimmer haar begunstigden aan zichzelf overlaten, maar hen voeren tot het genot van het eeuwige leven. En zo dit niet in staat is de ziel te doen smelten en te bewegen en de mens te dringen God te loven en te prijzen, dan is er niets meer dat zulks zal of kan doen!
Maar zulks kan niet gekend worden voordat wij in de diepten onzer eigen ongerechtigheden zijn afgedaald en in de binnenkameren der beeldenissen zijn ingeleid, en gedrongen zijn geworden te zuchten, te kermen, te treuren en te roepen onder de last die op het geweten drukt, en onder de werking der geheime zonde in het hart. En het aldus te leren is geheel iets anders dan het uit boeken of van leraars te leren. Het in de diepten van een bekommerd hart, door Gods eigen onderwijs, te leren, is geheel iets anders dan het te leren uit de woorden van een leraar, of zelfs uit het Woord Gods zelf. Wij kunnen dit niet anders tot onze zaligheid en met kracht leren, voordat het Gode behaagt het door Zijn gezegende macht aan onze harten toe te passen en Zijn zalvende geur mede te delen, opdat wij de Waarheid mogen leren verstaan en tot troost onzer zielen ondervinden dat de Waarheid ons vrijmaakt.
Wie toch is als Gij weldadig?
Wees mij dan, o Heer, genadig,
want mijn roepen en geklag
klimt tot U de ganse dag.
Wil de ziel Uws knechts verblijden,
ondersteun hem in zijn lijden,
want ik hef mijn hart en oog,
trouwe God, tot U omhoog.
Ps. 86:2
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in de geheimen van uw eigen hart geleid bent, en daar meer zonde gevonden hebt dan u ooit dacht. Wil de zonde steeds werken en heersen, wat u ook doet, zodat u onder de last op uw geweten zucht en kermt? Het is een bitter pad, maar het is de weg waarlangs God Zijn volk leert wat genade is. Men kan haar overvloed niet kennen, voordat men de diepte van de val heeft gezien.
Want waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. Zij vloeit langs de weg van ’s Heeren lijden, en zij laat haar begunstigden nimmer aan zichzelf over. Smeek dan dat Hij dit met Zijn gezegende macht aan uw hart wil toepassen. Smelt uw ziel daaronder, dan zult u God loven en prijzen, en ondervinden dat de Waarheid u vrijmaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.
Romeinen 5:20
Om te weten wat de genade is in haar heerschappij over de zonde, en in haar overvloed tegenover de toenemende ongerechtigheid, moeten wij in de geest in de diepte van de val worden geleid. Wij moeten door God Zelf in de geheimen van ons eigen hart worden geleid. Wij moeten leren treuren over onze zonden en over de afgoderij van onze gevallen natuur.
En wanneer dan, wat wij ook doen, de zonde steeds wil werken, heersen en meerder worden, en wij zover gekomen zijn dat wij onze armoede, hulpeloosheid en ellende voelen, en wij ons neerwerpen aan de voetbank van Zijn barmhartigheid, dan beginnen wij te zien – doordat zij onze zielen levend maakt, ons van de toekomende toorn van God verlost en tegen de heerschappij van de boze behoedt – dat de genade overvloediger wordt over de toenemende zonde in onze boze harten. En omdat zij vloeit langs de weg van het lijden van de Heere, zal zij haar begunstigden nooit aan zichzelf overlaten, maar hen brengen tot het genot van het eeuwige leven. Als dit de ziel niet kan doen smelten en bewegen en de mens niet kan dringen om God te loven en te prijzen, dan is er niets meer wat dat zal of kan doen!
Maar dit kan niet gekend worden voordat wij zijn afgedaald in de diepten van onze eigen ongerechtigheden en zijn binnengeleid in de binnenkameren van de beeldenissen. Wij moeten gedrongen worden om te zuchten, te kermen, te treuren en te roepen onder de last die op het geweten drukt, en onder de werking van de verborgen zonde in het hart. En het op die manier te leren is iets heel anders dan het te leren uit boeken of van predikanten. Het te leren in de diepten van een bekommerd hart, door Gods eigen onderwijs, is iets heel anders dan het te leren uit de woorden van een predikant, of zelfs uit het Woord van God zelf. Wij kunnen dit niet anders tot onze zaligheid en met kracht leren dan wanneer het God behaagt het door Zijn gezegende macht aan onze harten toe te passen en ons Zijn zalvende geur mee te delen. Dan mogen wij de Waarheid leren verstaan en tot troost van onze zielen ervaren dat de Waarheid ons vrijmaakt.
Wie toch is als Gij weldadig?
Wees mij dan, o Heer, genadig,
want mijn roepen en geklag
klimt tot U de ganse dag.
Wil de ziel Uws knechts verblijden,
ondersteun hem in zijn lijden,
want ik hef mijn hart en oog,
trouwe God, tot U omhoog.
Ps. 86:2
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in de geheimen van uw eigen hart geleid bent, en daar meer zonde gevonden hebt dan u ooit dacht. Wil de zonde steeds werken en heersen, wat u ook doet, zodat u onder de last op uw geweten zucht en kermt? Het is een bitter pad, maar het is de weg waarlangs God Zijn volk leert wat genade is. Men kan haar overvloed niet kennen voordat men de diepte van de val heeft gezien.
Want waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. Zij vloeit langs de weg van het lijden van de Heere, en zij laat haar begunstigden nooit aan zichzelf over. Smeek Hem dan of Hij dit met Zijn gezegende macht aan uw hart wil toepassen. Smelt uw ziel daaronder, dan zult u God loven en prijzen, en ervaren dat de Waarheid u vrijmaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But where sin abounded, grace did much more abound.
Romans 5:20
In order to know what grace is in its reign over sin, and in its super-aboundings over the aboundings of iniquity, we must be led experimentally into the depths of the fall. We must be led by God Himself into the secrets of our own heart; we must be brought down into distress of mind on account of our sin and the idolatry of our fallen nature. And when, do what we will, sin will still work, reign, and abound, and we are brought to soul poverty, helplessness, destitution, and misery, and cast ourselves down at the footstool of His mercy—then we begin to see and feel the reign of grace, in quickening our souls, in delivering us from the wrath to come, and in preserving us from the dominion of evil.
We begin to see then that grace superabounds over all the aboundings of sin in our evil hearts, and as it flows through the channel of the Saviour’s sufferings, that it will never leave its favored objects until it brings them into the enjoyment of eternal life! And if this does not melt and move the soul, and make a man praise and bless God, nothing will, nothing can!
But until we have entered into the depths of our own iniquities, until we are led into the chambers of imagery, and brought to sigh, groan, grieve, and cry under the burden of guilt on the conscience and the workings of secret sin in the heart—it cannot be really known. And to learn it thus, is a very different thing from learning it from books, or ministers. To learn it in the depths of a troubled heart, by God’s own teaching, is a very different thing from learning it from the words of a minister or even from the Word of God itself. We can never know these things savingly and effectually, until God Himself is pleased to apply them with His own blessed power, and communicate an unctuous savor of them to our hearts, that we may know the truth, and find to our soul’s consolation, that the truth makes us free!
To the reader…
It may be that you have been led into the secrets of your own heart, and found more sin there than you ever thought. Does sin keep wanting to work and reign, whatever you do, so that you sigh and groan under the burden on your conscience? It is a bitter path, but it is the way by which God teaches His people what grace is. No one can know its abounding until he has seen the depths of the fall.
For where sin abounded, grace did much more abound. It flows through the channel of the Lord’s sufferings, and it never leaves its favoured objects to themselves. Plead with Him, then, to apply this to your heart with His blessed power. If your soul melts under it, you will praise and bless God, and find that the truth makes you free.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas cuando el pecado creció, sobrepujó la gracia.
Romanos 5:20
Para conocer lo que es la gracia en su reinado sobre el pecado, y en su sobreabundancia sobre la abundancia de la iniquidad, tenemos que ser conducidos experimentalmente a las profundidades de la caída. Tenemos que ser conducidos por Dios mismo a los secretos de nuestro propio corazón; tenemos que ser abatidos en angustia de espíritu a causa de nuestro pecado y de la idolatría de nuestra naturaleza caída. Y cuando, hagamos lo que hagamos, el pecado sigue obrando, reinando y abundando, y somos llevados a la pobreza del alma, a la impotencia, a la indigencia y a la miseria, y nos postramos ante el estrado de Su misericordia, entonces comenzamos a ver y sentir el reinado de la gracia, en vivificar nuestras almas, en librarnos de la ira venidera y en preservarnos del dominio del mal.
Comenzamos a ver entonces que la gracia sobreabunda sobre toda la abundancia del pecado en nuestros corazones malos, y que, así como fluye por el cauce de los sufrimientos del Salvador, nunca dejará a sus objetos favorecidos hasta llevarlos al disfrute de la vida eterna. ¡Y si esto no derrite y conmueve el alma, y hace que el hombre alabe y bendiga a Dios, nada lo hará, nada podrá hacerlo!
Pero hasta que hayamos entrado en las profundidades de nuestras propias iniquidades, hasta que seamos conducidos a las cámaras de las imágenes y llevados a suspirar, gemir, afligirnos y clamar bajo la carga de la culpa en la conciencia y la obra del pecado secreto en el corazón, no puede conocerse de veras. Y aprenderlo así es cosa muy distinta de aprenderlo de los libros o de los ministros. Aprenderlo en las profundidades de un corazón turbado, por la propia enseñanza de Dios, es cosa muy distinta de aprenderlo de las palabras de un ministro, o aun de la Palabra de Dios misma. Nunca podremos conocer estas cosas salvadora y eficazmente hasta que a Dios mismo Le plazca aplicarlas con Su propio bendito poder y comunicar a nuestros corazones un sabor ungido de ellas, para que conozcamos la verdad y hallemos, para consuelo de nuestra alma, que la verdad nos liberta.
Al lector…
Puede ser que usted haya sido conducido a los secretos de su propio corazón y haya hallado allí más pecado del que jamás pensó. ¿Sigue el pecado queriendo obrar y reinar, haga usted lo que haga, de modo que suspira y gime bajo la carga de su conciencia? Es una senda amarga, pero es el camino por el cual Dios enseña a Su pueblo lo que es la gracia. Nadie puede conocer su abundancia hasta haber visto las profundidades de la caída.
Porque cuando el pecado creció, sobrepujó la gracia. Fluye por el cauce de los sufrimientos del Señor, y nunca deja a sus objetos favorecidos abandonados a sí mismos. Ruéguele, pues, que aplique esto a su corazón con Su bendito poder. Si su alma se derrite bajo ello, alabará y bendecirá a Dios, y hallará que la verdad le hace libre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wendt u naar Mij toe
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Ik geloof dat sommigen van u weten wat het is om in uw bevinding aan „de einden der aarde” te zijn. U kunt niet bij God komen, kunt Zijn aanwezigheid niet ervaren, kunt het licht van Zijn aangezicht niet zien, kunt Zijn liefde niet proeven. Zonde verduistert uw geest, belast uw geweten en bedrukt uw ziel, zodat u geen vergeving, verzoening, aanvaarding, nabijheid en vrede kunt ervaren. Er is afstand, een barrière, een afscheiding tussen God en uw ziel, en u kunt niet met heilige stoutmoedigheid nabij komen. Wat is het dan passend en bemoedigend voor zulke gevoelige zondaren te zien dat men onder dergelijke omstandigheden nabij mag komen!
Heb ik onbetamelijke dingen gezegd en gedaan? Is er schuld op mijn geweten gekomen en heeft wanhoop mijn hart gevuld? Moet ik daarom aan „de einden der aarde” blijven? De Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe”, opdat mijn schuld mag verdwijnen. Ben ik een arme, afvallige ellendeling, die achter elke minderwaardige afgod aanloopt? Moet ik daarom bij de gebroken bakken blijven? De Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe”, opdat de arme afgodendienaar terug kan komen tot de fontein van het levende water.
Als we ernstig onderzoeken wat we dagelijks zijn – wat we bijvoorbeeld de hele afgelopen week zijn geweest, welke verachtelijke gedachten, zondige verlangens en lage begeerten, welke ijdelheid, onverenigbaarheid, overheersing door het zakendoen, liefde voor de wereld, kortom, welke lage werkingen van een verdorven natuur we hebben gehad – moeten we dan geen schuld bekennen? Wellicht ligt de schuld van die dingen nu op het geweten, maar werken ze als onoverkomelijke barrières? Als de Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe, alle einden der aarde”, en de ziel is in staat gesteld te doen waartoe de Heere haar uitnodigt, ziet zij dan Jezus niet als haar wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?
En geeft dit dan niet nogmaals troost aan de arme, schuldige afvallige? Moedigt dit hem er niet nogmaals toe aan nabij te komen? Breekt dit niet het hart van de koppigste persoon, en trekt dit niet als met een koord van liefde de arme ellendeling aan die niets anders in zichzelf kan zien dan bezoedeling?
Lezen: Psalm 48
Aan de lezer…
Wie eerlijk terugkijkt op de afgelopen week, kan niet om de vraag heen: welke gedachten, verlangens en begeerten hebben uw hart bezet gehouden? Hoeveel ijdelheid, hoeveel liefde voor de wereld, hoeveel zorg om de zaken? Misschien ligt de schuld daarvan nu op uw geweten, en voelt u een afstand tussen God en uw ziel, zodat u het licht van Zijn aangezicht niet ziet en Zijn liefde niet proeft.
Moet u daarom aan de einden der aarde blijven? Neen. Juist daar klinkt de stem des Heeren: „Wendt u naar Mij toe.” Hij roept de afvallige terug van de gebroken bakken naar de fontein van het levende water. Wendt u zich tot Hem, dan zult u Jezus zien als uw wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Dat breekt het koppigste hart, en trekt als met een koord van liefde de arme ellendeling aan die in zichzelf niets dan bezoedeling ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Ik geloof dat sommigen van u weten wat het is om in uw bevinding aan „de einden der aarde” te zijn. U kunt niet tot God komen, u kunt Zijn tegenwoordigheid niet ervaren, het licht van Zijn aangezicht niet zien, Zijn liefde niet proeven. De zonde verduistert uw geest, belast uw geweten en drukt uw ziel neer, zodat u geen vergeving, verzoening, aanneming, nabijheid en vrede kunt ervaren. Er is afstand, een scheidsmuur, een scheiding tussen God en uw ziel, en u kunt niet met heilige vrijmoedigheid naderen. Hoe passend en bemoedigend is het dan voor zulke gevoelige zondaren te zien dat men in zo’n toestand mag naderen!
Heb ik onbetamelijke dingen gezegd en gedaan? Is er schuld op mijn geweten gekomen en heeft wanhoop mijn hart vervuld? Moet ik daarom aan „de einden der aarde” blijven? De Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe”, opdat mijn schuld weggenomen wordt. Ben ik een arme, afkerige ellendeling, die achter elke lage afgod aanloopt? Moet ik daarom bij de gebroken bakken blijven? De Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe”, opdat de arme afgodendienaar terug kan komen tot de fontein van het levende water.
Als we ernstig onderzoeken wat we dagelijks zijn – wat we bijvoorbeeld de hele afgelopen week geweest zijn, welke verachtelijke gedachten, zondige verlangens en lage begeerten, welke ijdelheid, ongeschiktheid, opgaan in de zaken, liefde voor de wereld, kortom welke lage werkingen van een verdorven natuur we gehad hebben – moeten we dan geen schuld belijden? Misschien ligt de schuld van die dingen nu op het geweten, maar zijn het onoverkomelijke scheidsmuren? Wanneer de Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe, alle einden der aarde”, en de ziel in staat gesteld wordt te doen waartoe de Heere haar uitnodigt, ziet zij dan Jezus niet als haar wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?
En geeft dit de arme, schuldige afkerige dan niet opnieuw troost? Bemoedigt dit hem niet opnieuw om nabij te komen? Breekt dit niet het hart van de meest koppige, en trekt dit niet als met een koord van liefde de arme ellendeling, die in zichzelf niets anders kan zien dan bezoedeling?
Lezen: Psalm 48
Aan de lezer…
Wie eerlijk terugkijkt op de afgelopen week, kan niet om de vraag heen: welke gedachten, verlangens en begeerten hebben uw hart bezet gehouden? Hoeveel ijdelheid, hoeveel liefde voor de wereld, hoeveel zorg om de zaken? Misschien ligt de schuld daarvan nu op uw geweten, en voelt u een afstand tussen God en uw ziel, zodat u het licht van Zijn aangezicht niet ziet en Zijn liefde niet proeft.
Moet u daarom aan de einden der aarde blijven? Nee. Juist daar klinkt de stem van de Heere: „Wendt u naar Mij toe.” Hij roept de afkerige terug van de gebroken bakken naar de fontein van het levende water. Wendt u zich tot Hem, dan zult u Jezus zien als uw wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Dat breekt het meest koppige hart, en het trekt als met een koord van liefde de arme ellendeling die in zichzelf niets dan bezoedeling ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
I believe some of you know what it is to be in your experience at “the ends of the earth.” You cannot come to God, you cannot feel His presence, you cannot see the light of His countenance, you cannot taste His love. Sin darkens your mind, burdens your conscience and weighs down your soul, so that you cannot feel pardon, reconciliation, acceptance, nearness and peace. There is distance, a partition wall, a separation between God and your soul, and you cannot draw near with holy boldness. How suitable and encouraging it is, then, for such sensible sinners to see that in such a state they may draw near!
Have I said and done unbecoming things? Has guilt come upon my conscience and despair filled my heart? Must I therefore remain at “the ends of the earth”? The Lord says, “Look unto Me,” that my guilt may be taken away. Am I a poor backsliding wretch, running after every base idol? Must I therefore remain at the broken cisterns? The Lord says, “Look unto Me,” that the poor idolater may come back to the fountain of living waters.
If we seriously examine what we are daily, what, for instance, we have been during the whole of the past week, what vile thoughts, sinful desires and base lusts, what vanity, unfitness, absorption in business, love of the world, in short what base workings of a depraved nature we have had, must we not confess guilt? Perhaps the guilt of these things now lies upon the conscience; but are they insurmountable partition walls? When the Lord says, “Look unto Me, all the ends of the earth,” and the soul is enabled to do what the Lord invites her to do, does she not see Jesus as her wisdom, righteousness, sanctification and redemption?
And does this not give the poor, guilty backslider comfort once more? Does it not encourage him afresh to draw near? Does it not break the heart of the most stubborn, and draw as with a cord of love the poor wretch who can see nothing in himself but defilement?
Reading: Psalm 48
To the reader…
Whoever honestly looks back on the past week cannot avoid the question: what thoughts, desires and lusts have occupied your heart? How much vanity, how much love of the world, how much care about business? Perhaps the guilt of it now lies on your conscience, and you feel a distance between God and your soul, so that you do not see the light of His countenance and do not taste His love.
Must you therefore remain at the ends of the earth? No. It is just there that the voice of the Lord sounds: “Look unto Me.” He calls the backslider back from the broken cisterns to the fountain of living waters. If you look unto Him, you will see Jesus as your wisdom, righteousness, sanctification and redemption. That breaks the most stubborn heart, and it draws as with a cord of love the poor wretch who sees nothing in himself but defilement.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
Creo que algunos de ustedes saben lo que es estar en su experiencia en “los términos de la tierra”. No pueden venir a Dios, no pueden sentir Su presencia, no pueden ver la luz de Su rostro, no pueden gustar Su amor. El pecado oscurece su mente, carga su conciencia y abate su alma, de modo que no pueden sentir perdón, reconciliación, aceptación, cercanía y paz. Hay distancia, una pared intermedia, una separación entre Dios y su alma, y no pueden acercarse con santa confianza. ¡Cuán adecuado y alentador es, pues, para tales pecadores conscientes de su estado, ver que en tal condición pueden acercarse!
¿He dicho y hecho cosas indecorosas? ¿Ha venido la culpa sobre mi conciencia y la desesperación ha llenado mi corazón? ¿Debo por eso permanecer en “los términos de la tierra”? El Señor dice: “Mirad a Mí”, para que mi culpa sea quitada. ¿Soy un pobre miserable rebelde, que corre tras todo ídolo vil? ¿Debo por eso permanecer junto a las cisternas rotas? El Señor dice: “Mirad a Mí”, para que el pobre idólatra pueda volver a la fuente de agua viva.
Si examinamos seriamente lo que somos cada día, lo que, por ejemplo, hemos sido durante toda la semana pasada, qué pensamientos viles, deseos pecaminosos y bajas concupiscencias, qué vanidad, ineptitud, absorción en los negocios, amor al mundo, en suma, qué bajas operaciones de una naturaleza depravada hemos tenido, ¿no hemos de confesar culpa? Quizás la culpa de estas cosas pesa ahora sobre la conciencia; pero ¿son paredes intermedias insuperables? Cuando el Señor dice: “Mirad a Mí, todos los términos de la tierra”, y el alma es capacitada para hacer lo que el Señor la invita a hacer, ¿no ve a Jesús como su sabiduría, justificación, santificación y redención?
¿Y no da esto consuelo una vez más al pobre rebelde culpable? ¿No le anima de nuevo a acercarse? ¿No quebranta el corazón del más obstinado, y atrae como con cuerda de amor al pobre miserable que no puede ver en sí mismo nada sino contaminación?
Lectura: Salmo 48
Al lector…
Quien mira sinceramente atrás a la semana pasada no puede evitar la pregunta: ¿qué pensamientos, deseos y concupiscencias han ocupado su corazón? ¿Cuánta vanidad, cuánto amor al mundo, cuánta preocupación por los negocios? Quizás la culpa de ello pesa ahora sobre su conciencia, y siente una distancia entre Dios y su alma, de modo que no ve la luz de Su rostro ni gusta Su amor.
¿Debe por eso permanecer en los términos de la tierra? No. Es precisamente allí donde resuena la voz del Señor: “Mirad a Mí”. Él llama al rebelde de vuelta de las cisternas rotas a la fuente de agua viva. Si usted mira a Él, verá a Jesús como su sabiduría, justificación, santificación y redención. Eso quebranta el corazón más obstinado, y atrae como con cuerda de amor al pobre miserable que no ve en sí mismo nada sino contaminación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
Openbaring 21:7
Wat een belofte! Dat de God van hemel en aarde wil zijn onze God, onze Vader, onze Weldoener, onze eeuwige, almachtige Vriend! En dat wij in het overwinnen tot zonen worden aangenomen, geopenbaard zullen worden als zonen en dochteren des Almachtigen, en de erfenis zullen ontvangen die is weggelegd voor de kinderen Gods. De belofte staat in betrekking tot „die overwint”. Indien wij niet overwinnen, is de belofte niet voor ons. De belofte van het zoonschap houdt verband met de overwinning, op dezelfde wijze als de erfenis daaraan verbonden is.
Heb ik behoefte de Geest der aanneming in mijn hart te ontvangen? Heb ik behoefte dat de liefde van God de Vader in mijn hart uitgestort wordt? Heb ik behoefte aan de bevestiging van een gezegend recht tot de erfenis die Hij aan Zijn kinderen geeft? Hoe krijg ik er kennis aan? Hoe kan het verkregen worden? Door godsdienstig te worden, door heilig te worden, door mijn begeerten in eigen kracht te onderwerpen? Dit brengt mij verder van God af dan tevoren. Dit maakt mij mijzelf tot een god!
Indien ik verlost word door mijn eigen heiligheid, door eigen kracht, door mijn eigen gerechtigheid, dan aanbid ik mijzelf, en door mijzelf te aanbidden, word ik mijn eigen god. Dit is afgodendienst, verdoemelijke afgoderij, zodat hij die leeft en sterft in de aanbidding van zichzelf, zal leven en sterven onder de toorn van God als een afgodendienaar. Maar hoe moet ik de aanneming verkrijgen? Door overwinning, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heere van leven en heerlijkheid.
Indien ik op mijzelf vertrouw, dan erf ik niets minder dan het eigen ik, en niets meer. Indien ik de wereld erf, dan heb ik niets meer dan de wereld. Indien ik de zonde erf, dan erf ik de dood, die het loon der zonde is. Niets meer. Maar indien ik overwin, indien ik zwak, hulpeloos, weerloos ben, dan geef ik mij over in de hand des Heeren, als leem in de hand van de pottenbakker; niet zoekende mijn eigen wil, maar opziende tot de Heere, of Hij Zijn wil aan mijn consciëntie wil openbaren en in mij werken hetgeen Hem welbehagelijk is.
Nu, indien ik dit heb, dan heb ik een bewijs van mijn zoonschap; en waar dit bewijs gevonden wordt, daar zal een verder bewijs daarvan blijken in de Geest der aanneming, hetwelk de ziel in staat stelt God „Vader” te noemen. En hij die aan deze zijde van het graf God „Vader” kan noemen, zal het straks boven doen, waar hij alsdan in de volle genieting daarvan zal ingaan en zich zal baden in de vertroostingen van Vader, Zoon en Heilige Geest tot in alle eeuwigheid.
Aan de lezer…
Zoekende ziel, verlangt u ernaar God uw Vader te mogen noemen? Zoekt u het bewijs van uw aanneming door godsdienstiger, heiliger, sterker te worden in eigen kracht? Dan zult u merken dat het u verder van God afbrengt dan tevoren. Wie op zijn eigen heiligheid en gerechtigheid steunt, maakt zichzelf tot een god, en erft niets meer dan het eigen ik.
Maar voelt u zich zwak, hulpeloos en weerloos? Wees daar dan niet bevreesd voor. Juist zo leert de Heere u zich over te geven in Zijn hand, als leem in de hand van de pottenbakker, niet zoekende uw eigen wil, maar opziende tot Hem of Hij Zijn wil aan uw consciëntie openbaart. Daar ligt het bewijs van het zoonschap. En wie hier, aan deze zijde van het graf, al stamelend „Vader” mag zeggen, zal het straks boven zeggen in de volle genieting van Vader, Zoon en Heilige Geest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
Openbaring 21:7
Wat een belofte! Dat de God van hemel en aarde onze God wil zijn, onze Vader, onze Weldoener, onze eeuwige, almachtige Vriend! En dat wij, wanneer wij overwinnen, als zonen worden aangenomen, als zonen en dochters van de Almachtige geopenbaard zullen worden, en de erfenis zullen ontvangen die voor de kinderen van God is weggelegd. De belofte geldt „die overwint”. Als wij niet overwinnen, is de belofte niet voor ons. De belofte van het zoonschap hangt samen met de overwinning, op dezelfde manier als de erfenis daaraan verbonden is.
Heb ik er behoefte aan de Geest van de aanneming in mijn hart te ontvangen? Heb ik er behoefte aan dat de liefde van God de Vader in mijn hart wordt uitgestort? Heb ik behoefte aan de bevestiging van een gezegend recht op de erfenis die Hij aan Zijn kinderen geeft? Hoe kom ik daarachter? Hoe kan het verkregen worden? Door godsdienstig te worden, door heilig te worden, door mijn begeerten in eigen kracht te onderwerpen? Dat brengt mij nog verder van God af dan tevoren. Dat maakt mij voor mijzelf tot een god!
Als ik verlost word door mijn eigen heiligheid, door eigen kracht, door mijn eigen gerechtigheid, dan aanbid ik mijzelf, en door mijzelf te aanbidden word ik mijn eigen god. Dat is afgodendienst, verdoemelijke afgoderij, zodat wie leeft en sterft in de aanbidding van zichzelf, zal leven en sterven onder de toorn van God als een afgodendienaar. Maar hoe moet ik de aanneming dan verkrijgen? Door overwinning, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heere van leven en heerlijkheid.
Als ik op mijzelf vertrouw, erf ik niets minder dan het eigen ik, en niets meer. Als ik de wereld erf, heb ik niets meer dan de wereld. Als ik de zonde erf, erf ik de dood, die het loon van de zonde is. Niets meer. Maar als ik overwin, als ik zwak, hulpeloos en weerloos ben, dan geef ik mij over in de hand van de Heere, als leem in de hand van de pottenbakker. Dan zoek ik niet mijn eigen wil, maar zie ik op naar de Heere, of Hij Zijn wil aan mijn geweten wil openbaren en in mij wil werken wat Hem welbehaaglijk is.
Als ik dit heb, dan heb ik een bewijs van mijn zoonschap; en waar dit bewijs gevonden wordt, daar zal een verder bewijs ervan blijken in de Geest van de aanneming, Die de ziel in staat stelt God „Vader” te noemen. En wie aan deze kant van het graf God „Vader” kan noemen, zal dat straks boven doen, waar hij dan de volle genieting ervan zal binnengaan en zich zal baden in de vertroostingen van Vader, Zoon en Heilige Geest tot in alle eeuwigheid.
Aan de lezer…
Zoekende ziel, verlangt u ernaar God uw Vader te mogen noemen? Zoekt u het bewijs van uw aanneming door godsdienstiger, heiliger en sterker te worden in eigen kracht? Dan zult u merken dat het u verder van God afbrengt dan tevoren. Wie op zijn eigen heiligheid en gerechtigheid steunt, maakt zichzelf tot een god, en erft niets meer dan het eigen ik.
Maar voelt u zich zwak, hulpeloos en weerloos? Wees daar dan niet bang voor. Juist zo leert de Heere u zich over te geven in Zijn hand, als leem in de hand van de pottenbakker, zonder uw eigen wil te zoeken, maar opziend naar Hem of Hij Zijn wil aan uw geweten openbaart. Daar ligt het bewijs van het zoonschap. En wie hier, aan deze kant van het graf, al stamelend „Vader” mag zeggen, zal het straks boven zeggen in de volle genieting van Vader, Zoon en Heilige Geest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And I will be his God, and he shall be my son.”
Revelation 21:7
What a promise! That the God of heaven and earth will be our God, our Father, our Benefactor, our eternal, almighty Friend! and that we, in overcoming, shall receive the adoption of sons; shall be manifested as the “sons and daughters” of the Almighty, and receive the inheritance reserved for the children of God! The promise runs in connection with “him that overcomes.” If we do not overcome, the promise is not for us. The promise of sonship is connected with overcoming, in the same manner as that of “inheritance” is connected with it.
Do I need to receive into my heart the Spirit of adoption? Do I need to feel the love of God the Father shed abroad in my soul? Do I need to establish a blessed title to the inheritance that He gives to His children? How am I to get it? How is it to be obtained? By making myself religious, becoming holy, subduing my lusts in my own strength? This sets me farther from God than I was before. This makes me a god to myself! If I am saved by my own holiness, by my own strength, by my own righteousness, I worship myself; and in worshiping myself, I become my own god. That is idolatry, damnable idolatry; so that he who lives and dies in the worship of self, will live and die under the wrath of God as an idolater.
Then how am I to receive adoption? By overcoming, not in my own strength, but in the strength of the Lord of life and glory. If I am shut up in self, I inherit self; nothing more. If I inherit the world, I have no more than the world. If I inherit sin, I inherit death, which is the wages of sin. Nothing more.
But if I overcome; if weak, helpless, and defenseless, I yield myself up to the hands of the Lord, as clay in the hands of the Potter; not seeking my own will, but looking to the Lord to make known His will in my conscience, and to work in me that which is well-pleasing in His sight—if I have this, I have an evidence of sonship; and where that evidence is, there will be a further evidence of it in the Spirit of adoption, enabling the soul to call God “Father.” And he that calls God “Father” here below, will call God “Father” above, where he will enter into the full enjoyment of it, and bathe in the consolations of Father, Son, and Spirit to all eternity.
To the reader…
Seeking soul, do you long to be allowed to call God your Father? Are you looking for the proof of your adoption by becoming more religious, holier and stronger in your own strength? Then you will find that it takes you further from God than before. Whoever leans on his own holiness and righteousness makes himself a god, and inherits nothing more than self.
But do you feel weak, helpless and defenseless? Then do not be afraid of that. It is just in this way that the Lord teaches you to yield yourself into His hand, as clay in the hand of the Potter, not seeking your own will, but looking to Him to make His will known to your conscience. There lies the evidence of sonship. And whoever may say “Father,” even stammeringly, here on this side of the grave, will soon say it above in the full enjoyment of Father, Son and Holy Spirit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y Yo seré su Dios, y él será Mi hijo.”
Apocalipsis 21:7
¡Qué promesa! ¡Que el Dios del cielo y de la tierra será nuestro Dios, nuestro Padre, nuestro Bienhechor, nuestro Amigo eterno y todopoderoso! ¡Y que nosotros, al vencer, recibiremos la adopción de hijos; seremos manifestados como “hijos e hijas” del Todopoderoso, y recibiremos la herencia reservada para los hijos de Dios! La promesa va unida a “el que venciere”. Si no vencemos, la promesa no es para nosotros. La promesa de la filiación está unida al vencer, del mismo modo que lo está la de la “herencia”.
¿Necesito recibir en mi corazón el Espíritu de adopción? ¿Necesito sentir el amor de Dios Padre derramado en mi alma? ¿Necesito establecer un título bendito a la herencia que Él da a Sus hijos? ¿Cómo he de conseguirlo? ¿Cómo se ha de obtener? ¿Haciéndome religioso, volviéndome santo, sujetando mis concupiscencias con mis propias fuerzas? Esto me aleja de Dios más de lo que estaba antes. ¡Esto me hace un dios para mí mismo! Si soy salvo por mi propia santidad, por mi propia fuerza, por mi propia justicia, me adoro a mí mismo; y al adorarme a mí mismo, me convierto en mi propio dios. Eso es idolatría, idolatría condenable; de modo que el que vive y muere en la adoración de sí mismo, vivirá y morirá bajo la ira de Dios como idólatra.
¿Cómo he de recibir, pues, la adopción? Venciendo, no con mis propias fuerzas, sino con la fuerza del Señor de vida y de gloria. Si estoy encerrado en el yo, heredo el yo; nada más. Si heredo el mundo, no tengo más que el mundo. Si heredo el pecado, heredo la muerte, que es la paga del pecado. Nada más.
Pero si venzo; si, débil, desvalido e indefenso, me entrego en las manos del Señor, como el barro en las manos del Alfarero; no buscando mi propia voluntad, sino mirando al Señor para que dé a conocer Su voluntad en mi conciencia y obre en mí lo que es agradable delante de Él; si tengo esto, tengo una evidencia de filiación; y donde está esa evidencia, habrá una evidencia más de ella en el Espíritu de adopción, que capacita al alma para llamar a Dios “Padre”. Y el que llama a Dios “Padre” aquí abajo, llamará a Dios “Padre” allá arriba, donde entrará en el pleno gozo de ello y se bañará en las consolaciones del Padre, del Hijo y del Espíritu por toda la eternidad.
Al lector…
Alma que busca, ¿anhela usted que se le permita llamar a Dios su Padre? ¿Busca la prueba de su adopción haciéndose más religioso, más santo y más fuerte con sus propias fuerzas? Entonces hallará que eso le aleja de Dios más que antes. Quien se apoya en su propia santidad y justicia se hace a sí mismo un dios, y no hereda más que el yo.
¿Pero se siente débil, desvalido e indefenso? Entonces no tema por ello. Precisamente así le enseña el Señor a entregarse en Su mano, como el barro en la mano del Alfarero, no buscando su propia voluntad, sino mirando a Él para que dé a conocer Su voluntad a su conciencia. Ahí está la evidencia de la filiación. Y quien puede decir “Padre”, aunque sea balbuceando, aquí de este lado del sepulcro, pronto lo dirá allá arriba en el pleno gozo del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl