December 8
En Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
Openbaring 21:7
Wat een belofte! Dat de God van hemel en aarde wil zijn onze God, onze Vader, onze Weldoener, onze eeuwige, almachtige Vriend! En dat wij in het overwinnen tot zonen worden aangenomen, geopenbaard zullen worden als zonen en dochteren des Almachtigen, en de erfenis zullen ontvangen die is weggelegd voor de kinderen Gods. De belofte staat in betrekking tot „die overwint”. Indien wij niet overwinnen, is de belofte niet voor ons. De belofte van het zoonschap houdt verband met de overwinning, op dezelfde wijze als de erfenis daaraan verbonden is.
Heb ik behoefte de Geest der aanneming in mijn hart te ontvangen? Heb ik behoefte dat de liefde van God de Vader in mijn hart uitgestort wordt? Heb ik behoefte aan de bevestiging van een gezegend recht tot de erfenis die Hij aan Zijn kinderen geeft? Hoe krijg ik er kennis aan? Hoe kan het verkregen worden? Door godsdienstig te worden, door heilig te worden, door mijn begeerten in eigen kracht te onderwerpen? Dit brengt mij verder van God af dan tevoren. Dit maakt mij mijzelf tot een god!
Indien ik verlost word door mijn eigen heiligheid, door eigen kracht, door mijn eigen gerechtigheid, dan aanbid ik mijzelf, en door mijzelf te aanbidden, word ik mijn eigen god. Dit is afgodendienst, verdoemelijke afgoderij, zodat hij die leeft en sterft in de aanbidding van zichzelf, zal leven en sterven onder de toorn van God als een afgodendienaar. Maar hoe moet ik de aanneming verkrijgen? Door overwinning, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heere van leven en heerlijkheid.
Indien ik op mijzelf vertrouw, dan erf ik niets minder dan het eigen ik, en niets meer. Indien ik de wereld erf, dan heb ik niets meer dan de wereld. Indien ik de zonde erf, dan erf ik de dood, die het loon der zonde is. Niets meer. Maar indien ik overwin, indien ik zwak, hulpeloos, weerloos ben, dan geef ik mij over in de hand des Heeren, als leem in de hand van de pottenbakker; niet zoekende mijn eigen wil, maar opziende tot de Heere, of Hij Zijn wil aan mijn consciëntie wil openbaren en in mij werken hetgeen Hem welbehagelijk is.
Nu, indien ik dit heb, dan heb ik een bewijs van mijn zoonschap; en waar dit bewijs gevonden wordt, daar zal een verder bewijs daarvan blijken in de Geest der aanneming, hetwelk de ziel in staat stelt God „Vader” te noemen. En hij die aan deze zijde van het graf God „Vader” kan noemen, zal het straks boven doen, waar hij alsdan in de volle genieting daarvan zal ingaan en zich zal baden in de vertroostingen van Vader, Zoon en Heilige Geest tot in alle eeuwigheid.
Aan de lezer…
Zoekende ziel, verlangt u ernaar God uw Vader te mogen noemen? Zoekt u het bewijs van uw aanneming door godsdienstiger, heiliger, sterker te worden in eigen kracht? Dan zult u merken dat het u verder van God afbrengt dan tevoren. Wie op zijn eigen heiligheid en gerechtigheid steunt, maakt zichzelf tot een god, en erft niets meer dan het eigen ik.
Maar voelt u zich zwak, hulpeloos en weerloos? Wees daar dan niet bevreesd voor. Juist zo leert de Heere u zich over te geven in Zijn hand, als leem in de hand van de pottenbakker, niet zoekende uw eigen wil, maar opziende tot Hem of Hij Zijn wil aan uw consciëntie openbaart. Daar ligt het bewijs van het zoonschap. En wie hier, aan deze zijde van het graf, al stamelend „Vader” mag zeggen, zal het straks boven zeggen in de volle genieting van Vader, Zoon en Heilige Geest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
Openbaring 21:7
Wat een belofte! Dat de God van hemel en aarde onze God wil zijn, onze Vader, onze Weldoener, onze eeuwige, almachtige Vriend! En dat wij, wanneer wij overwinnen, als zonen worden aangenomen, als zonen en dochters van de Almachtige geopenbaard zullen worden, en de erfenis zullen ontvangen die voor de kinderen van God is weggelegd. De belofte geldt „die overwint”. Als wij niet overwinnen, is de belofte niet voor ons. De belofte van het zoonschap hangt samen met de overwinning, op dezelfde manier als de erfenis daaraan verbonden is.
Heb ik er behoefte aan de Geest van de aanneming in mijn hart te ontvangen? Heb ik er behoefte aan dat de liefde van God de Vader in mijn hart wordt uitgestort? Heb ik behoefte aan de bevestiging van een gezegend recht op de erfenis die Hij aan Zijn kinderen geeft? Hoe kom ik daarachter? Hoe kan het verkregen worden? Door godsdienstig te worden, door heilig te worden, door mijn begeerten in eigen kracht te onderwerpen? Dat brengt mij nog verder van God af dan tevoren. Dat maakt mij voor mijzelf tot een god!
Als ik verlost word door mijn eigen heiligheid, door eigen kracht, door mijn eigen gerechtigheid, dan aanbid ik mijzelf, en door mijzelf te aanbidden word ik mijn eigen god. Dat is afgodendienst, verdoemelijke afgoderij, zodat wie leeft en sterft in de aanbidding van zichzelf, zal leven en sterven onder de toorn van God als een afgodendienaar. Maar hoe moet ik de aanneming dan verkrijgen? Door overwinning, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heere van leven en heerlijkheid.
Als ik op mijzelf vertrouw, erf ik niets minder dan het eigen ik, en niets meer. Als ik de wereld erf, heb ik niets meer dan de wereld. Als ik de zonde erf, erf ik de dood, die het loon van de zonde is. Niets meer. Maar als ik overwin, als ik zwak, hulpeloos en weerloos ben, dan geef ik mij over in de hand van de Heere, als leem in de hand van de pottenbakker. Dan zoek ik niet mijn eigen wil, maar zie ik op naar de Heere, of Hij Zijn wil aan mijn geweten wil openbaren en in mij wil werken wat Hem welbehaaglijk is.
Als ik dit heb, dan heb ik een bewijs van mijn zoonschap; en waar dit bewijs gevonden wordt, daar zal een verder bewijs ervan blijken in de Geest van de aanneming, Die de ziel in staat stelt God „Vader” te noemen. En wie aan deze kant van het graf God „Vader” kan noemen, zal dat straks boven doen, waar hij dan de volle genieting ervan zal binnengaan en zich zal baden in de vertroostingen van Vader, Zoon en Heilige Geest tot in alle eeuwigheid.
Aan de lezer…
Zoekende ziel, verlangt u ernaar God uw Vader te mogen noemen? Zoekt u het bewijs van uw aanneming door godsdienstiger, heiliger en sterker te worden in eigen kracht? Dan zult u merken dat het u verder van God afbrengt dan tevoren. Wie op zijn eigen heiligheid en gerechtigheid steunt, maakt zichzelf tot een god, en erft niets meer dan het eigen ik.
Maar voelt u zich zwak, hulpeloos en weerloos? Wees daar dan niet bang voor. Juist zo leert de Heere u zich over te geven in Zijn hand, als leem in de hand van de pottenbakker, zonder uw eigen wil te zoeken, maar opziend naar Hem of Hij Zijn wil aan uw geweten openbaart. Daar ligt het bewijs van het zoonschap. En wie hier, aan deze kant van het graf, al stamelend „Vader” mag zeggen, zal het straks boven zeggen in de volle genieting van Vader, Zoon en Heilige Geest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And I will be his God, and he shall be my son.”
Revelation 21:7
What a promise! That the God of heaven and earth will be our God, our Father, our Benefactor, our eternal, almighty Friend! and that we, in overcoming, shall receive the adoption of sons; shall be manifested as the “sons and daughters” of the Almighty, and receive the inheritance reserved for the children of God! The promise runs in connection with “him that overcomes.” If we do not overcome, the promise is not for us. The promise of sonship is connected with overcoming, in the same manner as that of “inheritance” is connected with it.
Do I need to receive into my heart the Spirit of adoption? Do I need to feel the love of God the Father shed abroad in my soul? Do I need to establish a blessed title to the inheritance that He gives to His children? How am I to get it? How is it to be obtained? By making myself religious, becoming holy, subduing my lusts in my own strength? This sets me farther from God than I was before. This makes me a god to myself! If I am saved by my own holiness, by my own strength, by my own righteousness, I worship myself; and in worshiping myself, I become my own god. That is idolatry, damnable idolatry; so that he who lives and dies in the worship of self, will live and die under the wrath of God as an idolater.
Then how am I to receive adoption? By overcoming, not in my own strength, but in the strength of the Lord of life and glory. If I am shut up in self, I inherit self; nothing more. If I inherit the world, I have no more than the world. If I inherit sin, I inherit death, which is the wages of sin. Nothing more.
But if I overcome; if weak, helpless, and defenseless, I yield myself up to the hands of the Lord, as clay in the hands of the Potter; not seeking my own will, but looking to the Lord to make known His will in my conscience, and to work in me that which is well-pleasing in His sight—if I have this, I have an evidence of sonship; and where that evidence is, there will be a further evidence of it in the Spirit of adoption, enabling the soul to call God “Father.” And he that calls God “Father” here below, will call God “Father” above, where he will enter into the full enjoyment of it, and bathe in the consolations of Father, Son, and Spirit to all eternity.
To the reader…
Seeking soul, do you long to be allowed to call God your Father? Are you looking for the proof of your adoption by becoming more religious, holier and stronger in your own strength? Then you will find that it takes you further from God than before. Whoever leans on his own holiness and righteousness makes himself a god, and inherits nothing more than self.
But do you feel weak, helpless and defenseless? Then do not be afraid of that. It is just in this way that the Lord teaches you to yield yourself into His hand, as clay in the hand of the Potter, not seeking your own will, but looking to Him to make His will known to your conscience. There lies the evidence of sonship. And whoever may say “Father,” even stammeringly, here on this side of the grave, will soon say it above in the full enjoyment of Father, Son and Holy Spirit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y Yo seré su Dios, y él será Mi hijo.”
Apocalipsis 21:7
¡Qué promesa! ¡Que el Dios del cielo y de la tierra será nuestro Dios, nuestro Padre, nuestro Bienhechor, nuestro Amigo eterno y todopoderoso! ¡Y que nosotros, al vencer, recibiremos la adopción de hijos; seremos manifestados como “hijos e hijas” del Todopoderoso, y recibiremos la herencia reservada para los hijos de Dios! La promesa va unida a “el que venciere”. Si no vencemos, la promesa no es para nosotros. La promesa de la filiación está unida al vencer, del mismo modo que lo está la de la “herencia”.
¿Necesito recibir en mi corazón el Espíritu de adopción? ¿Necesito sentir el amor de Dios Padre derramado en mi alma? ¿Necesito establecer un título bendito a la herencia que Él da a Sus hijos? ¿Cómo he de conseguirlo? ¿Cómo se ha de obtener? ¿Haciéndome religioso, volviéndome santo, sujetando mis concupiscencias con mis propias fuerzas? Esto me aleja de Dios más de lo que estaba antes. ¡Esto me hace un dios para mí mismo! Si soy salvo por mi propia santidad, por mi propia fuerza, por mi propia justicia, me adoro a mí mismo; y al adorarme a mí mismo, me convierto en mi propio dios. Eso es idolatría, idolatría condenable; de modo que el que vive y muere en la adoración de sí mismo, vivirá y morirá bajo la ira de Dios como idólatra.
¿Cómo he de recibir, pues, la adopción? Venciendo, no con mis propias fuerzas, sino con la fuerza del Señor de vida y de gloria. Si estoy encerrado en el yo, heredo el yo; nada más. Si heredo el mundo, no tengo más que el mundo. Si heredo el pecado, heredo la muerte, que es la paga del pecado. Nada más.
Pero si venzo; si, débil, desvalido e indefenso, me entrego en las manos del Señor, como el barro en las manos del Alfarero; no buscando mi propia voluntad, sino mirando al Señor para que dé a conocer Su voluntad en mi conciencia y obre en mí lo que es agradable delante de Él; si tengo esto, tengo una evidencia de filiación; y donde está esa evidencia, habrá una evidencia más de ella en el Espíritu de adopción, que capacita al alma para llamar a Dios “Padre”. Y el que llama a Dios “Padre” aquí abajo, llamará a Dios “Padre” allá arriba, donde entrará en el pleno gozo de ello y se bañará en las consolaciones del Padre, del Hijo y del Espíritu por toda la eternidad.
Al lector…
Alma que busca, ¿anhela usted que se le permita llamar a Dios su Padre? ¿Busca la prueba de su adopción haciéndose más religioso, más santo y más fuerte con sus propias fuerzas? Entonces hallará que eso le aleja de Dios más que antes. Quien se apoya en su propia santidad y justicia se hace a sí mismo un dios, y no hereda más que el yo.
¿Pero se siente débil, desvalido e indefenso? Entonces no tema por ello. Precisamente así le enseña el Señor a entregarse en Su mano, como el barro en la mano del Alfarero, no buscando su propia voluntad, sino mirando a Él para que dé a conocer Su voluntad a su conciencia. Ahí está la evidencia de la filiación. Y quien puede decir “Padre”, aunque sea balbuceando, aquí de este lado del sepulcro, pronto lo dirá allá arriba en el pleno gozo del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl