gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 119:176
Indien de Heere ons niet zocht, wij zouden de Heere nooit zoeken. Dat is zeer zeker. Zo gij de Heere zoekt in gebed, in smeking, in stil verlangen, met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, wees verzekerd dat gij de Heere nooit zoudt gezocht hebben, zo de Heere u niet het eerst gezocht had. Hij zoekt u nu. Het kan zijn (zoals gij vreest) dat het enige tijd duurt voor Hij u vindt, maar Hij zal u eindelijk vinden.
Hoe lieflijk heeft de Heere Zelf dit doen uitkomen in de gelijkenis van het verloren schaap! Het arme schaap heeft gedwaald, en eenmaal de schaapskooi verlaten hebbende, is het vrij zeker dat het hier of daar in een vreemde plaats is aangekomen. Het is van een rots gevallen, of in een gracht gerold, of is achter een struik verborgen, of in een hol gekropen, of ligt in een diepe holle weg, waar het alleen door een ervaren oog en hand kan gevonden en gered worden. Zo ook met ’s Heeren verloren schapen; zij zijn ook op vreemde plaatsen aangeland. Zij storten van de rotsen, glijden in holen, verbergen zich tussen de struiken en kruipen al lager en lager, om in de holen om te komen.
Wanneer het schaap afgedwaald is, gaat de herder uit om het te zoeken. Hier ziet hij de indruk der poten, daar een vlokje wol door de doornen afgerukt. Hij doorzoekt elke schuilplaats, totdat hij eindelijk het arme schaap vindt, afgemat en half stervende, nauwelijks sterk genoeg om door geluid zijn verlatenheid uit te kermen. Hij drijft het niet met slagen naar huis, noch stoot hij de prikkel in zijn rug. Hij neemt het zachtkens op, legt het op zijn schouder en brengt het in blijdschap naar huis. Zo ook zijn de wegen des Heeren in Zijn genade met Zijn verloren schaap. Zo met de mens. Maar de mensen handelen geheel anders. Laat een farizeeër een schaap zien dat, zoals men het op het land noemt, „vastligt”, dat is: hulpeloos op zijn rug ligt, hij zou het spoedig met de voet opschoppen en het met schoppen naar huis drijven, het met zijn staf op de kop slaan, of de scherpe spijker in zijn flank drijven.
Het gebed van David was een verstandig gebed: „Laat mij vallen in Gods handen, en niet in de handen der mensen.” O, te vallen in de handen Gods, in de handen van een barmhartig en medelijdend Hogepriester, Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, en daarom medelijden kan hebben met Zijn arm, verzocht volk! Gods handen zijn de enige handen waarin men veilig vallen kan; en hij die in deze handen valt, zal er nooit meer uitvallen, noch er doorheen vallen, want „daaronder zijn de eeuwige armen”, en deze laten niet los, zij bezwijken nimmer.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Ps. 119:88
Aan de lezer…
Bent u afgedwaald, waarde lezer, en ligt u als een verloren schaap ergens in een vreemde plaats, afgemat en nauwelijks sterk genoeg om uw verlatenheid uit te kermen? Zoekt u de Heere met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, en vreest u dat Hij u nooit vinden zal? Wees dan verzekerd: u zou Hem nooit gezocht hebben, zo Hij u niet het eerst gezocht had.
Hij zoekt u nu. Het kan enige tijd duren, maar Hij zal u eindelijk vinden; elke schuilplaats is Hem bekend. En als Hij u vindt, neemt Hij u zachtkens op en draagt u in blijdschap naar huis. Laat u dan vallen in Zijn handen; wie daarin valt, valt er nooit meer uit, want daaronder zijn de eeuwige armen, en die bezwijken nimmer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 119:176
Als de Heere ons niet zocht, zouden wij de Heere nooit zoeken. Dat staat vast. Als u de Heere zoekt in gebed, in smeking, in stil verlangen, met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, wees er dan van verzekerd dat u de Heere nooit gezocht zou hebben als de Heere u niet eerst gezocht had. Hij zoekt u nu. Het kan zijn (zoals u vreest) dat het enige tijd duurt voordat Hij u vindt, maar Hij zal u ten slotte vinden.
Hoe lieflijk heeft de Heere Zelf dit laten uitkomen in de gelijkenis van het verloren schaap! Het arme schaap is afgedwaald, en als het eenmaal de schaapskooi verlaten heeft, is het vrijwel zeker ergens op een vreemde plaats terechtgekomen. Het is van een rots gevallen, of in een sloot gerold, of het heeft zich achter een struik verborgen, of het is in een hol gekropen, of het ligt in een diepe holle weg, waar het alleen door een ervaren oog en een ervaren hand gevonden en gered kan worden. Zo is het ook met de verloren schapen van de Heere: ook zij zijn op vreemde plaatsen beland. Zij storten van de rotsen, glijden in holen, verbergen zich tussen de struiken en kruipen steeds dieper weg, om in de holen om te komen.
Wanneer het schaap is afgedwaald, gaat de herder op weg om het te zoeken. Hier ziet hij de afdruk van de poten, daar een vlokje wol dat door de doornen is afgerukt. Hij doorzoekt elke schuilplaats, totdat hij ten slotte het arme schaap vindt, uitgeput en half stervend, nauwelijks sterk genoeg om zijn verlatenheid uit te kermen. Hij slaat het niet naar huis en steekt geen prikkel in zijn rug. Hij neemt het zacht op, legt het op zijn schouder en brengt het blij naar huis. Zo zijn ook de wegen van de Heere in Zijn genade met Zijn verloren schaap. Zo gaat het met de mens. Mensen handelen echter heel anders. Als een farizeeër een schaap ziet dat, zoals ze op het platteland zeggen, „vastligt”, dat wil zeggen: hulpeloos op zijn rug ligt, dan zou hij het al gauw met een trap overeind schoppen en het met schoppen naar huis drijven, het met zijn staf op de kop slaan of de scherpe spijker in zijn flank steken.
Het gebed van David was een verstandig gebed: „Laat mij vallen in Gods handen, en niet in de handen der mensen.” O, te mogen vallen in de handen van God, in de handen van een barmhartige en medelijdende Hogepriester, Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, en daarom kan meeleven met Zijn arme, verzochte volk! Gods handen zijn de enige handen waarin men veilig kan vallen. Wie in deze handen valt, zal er nooit meer uit vallen of erdoorheen vallen, want „daaronder zijn de eeuwige armen”, en die laten niet los; zij bezwijken nooit.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Ps. 119:88
Aan de lezer…
Bent u afgedwaald, en ligt u als een verloren schaap ergens op een vreemde plaats, uitgeput en nauwelijks sterk genoeg om uw verlatenheid uit te kermen? Zoekt u de Heere met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, en vreest u dat Hij u nooit zal vinden? Wees er dan van verzekerd: u zou Hem nooit gezocht hebben als Hij u niet eerst gezocht had.
Hij zoekt u nu. Het kan enige tijd duren, maar Hij zal u ten slotte vinden; elke schuilplaats is Hem bekend. En als Hij u vindt, neemt Hij u zacht op en draagt Hij u blij naar huis. Laat u dan in Zijn handen vallen. Wie daarin valt, valt er nooit meer uit, want daaronder zijn de eeuwige armen, en die bezwijken nooit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I have gone astray like a lost sheep; seek Thy servant; for I do not forget Thy commandments.
Psalm 119:176
If the Lord did not seek us, we would never seek the Lord. That is most certain. If you are one that seeks the Lord in prayer, in supplication, in secret desire, with many a heart-rending groan, and often by night and by day, be well assured, that you would never have sought the Lord, had not the Lord first sought you. He is now seeking you. It may be (as you fear), some time before He finds you; but He will find you at last.
How sweetly the Lord has set this forth in the parable of the lost sheep! The poor sheep has gone astray; and having once left the fold, it is pretty sure to have got into some strange place or other. It has fallen down a rock, or has rolled into a ditch, or is hidden beneath a bush, or has crept into a cave, or is lying in some deep, distant ravine, where none but an experienced eye and hand can find it out. Just so with the Lord’s lost sheep; they get into strange places. They fall off rocks, slip into holes, hide among the bushes, and sometimes creep off to die in caverns.
When the literal sheep has gone astray, the shepherd goes after it to find it. Here he sees a footmark, there a little lock of wool torn off by the thorns. Every nook he searches; into every corner he looks, until at last he finds the poor sheep wearied, torn, and half expiring, with scarcely strength enough to groan forth its misery. He does not beat it home, nor thrust the goad into its back; but he gently takes it up, lays it upon his shoulder, and brings it home rejoicing.
Similar in grace are the Lord’s ways with His lost sheep. Men act otherwise. Let a pharisee see a sheep cast, as it is called in the country, that is, lying helpless upon its back, he would soon kick it up and kick it home, beat its head with his crook, or drive the sharp nail into its flank.
David’s was a wise prayer, “Let me fall into the hands of God, and not into the hands of man.” O to fall into the hands of God; into the hands of a merciful and compassionate High Priest, Who was tempted in all points, like as we are, and can therefore sympathize with His poor tempted people! These, these are the only hands for us safely to fall into; and he that falls into these hands will neither fall out of them, nor through them, for “underneath are the everlasting arms,” and these can neither be sundered nor broken.
To the reader…
Have you gone astray, and are you lying like a lost sheep in some strange place, worn out and scarcely strong enough to groan forth your misery? Do you seek the Lord with many a heart-rending sigh, by night and by day, and do you fear that He will never find you? Then be well assured: you would never have sought Him if He had not first sought you.
He is seeking you now. It may take some time, but He will find you at last; every hiding place is known to Him. And when He finds you, He gently takes you up and carries you home rejoicing. So let yourself fall into His hands. Whoever falls into them never falls out of them again, for underneath are the everlasting arms, and they never fail.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo anduve errante como oveja extraviada; busca a Tu siervo; porque no me he olvidado de Tus mandamientos.
Salmo 119:176
Si el Señor no nos buscara, nosotros nunca buscaríamos al Señor. Eso es lo más seguro. Si usted es de los que buscan al Señor en oración, en súplica, en deseo secreto, con muchos gemidos que desgarran el corazón, y a menudo de noche y de día, tenga por bien seguro que nunca habría buscado al Señor si el Señor no le hubiera buscado primero a usted. Él le está buscando ahora. Puede ser (como usted teme) que pase algún tiempo antes de que le encuentre; pero al fin le encontrará.
¡Con cuánta dulzura ha expuesto esto el Señor en la parábola de la oveja perdida! La pobre oveja se ha extraviado; y una vez que ha dejado el redil, es casi seguro que se ha metido en algún lugar extraño. Ha caído por una peña, o ha rodado a una zanja, o está escondida bajo un arbusto, o se ha metido en una cueva, o yace en algún barranco profundo y lejano, donde nadie sino un ojo y una mano experimentados pueden hallarla. Lo mismo sucede con las ovejas perdidas del Señor: se meten en lugares extraños. Caen de las peñas, resbalan a los hoyos, se esconden entre los arbustos, y a veces se arrastran a las cavernas para morir.
Cuando la oveja literal se ha extraviado, el pastor va tras ella para encontrarla. Aquí ve una huella, allá un mechón de lana arrancado por los espinos. Registra cada rincón; mira en cada esquina, hasta que por fin encuentra a la pobre oveja cansada, desgarrada y medio muerta, apenas con fuerzas para gemir su miseria. No la lleva a casa a golpes, ni le clava el aguijón en el lomo; sino que la levanta con suavidad, la pone sobre sus hombros y la lleva a casa gozoso.
Semejantes en gracia son los caminos del Señor con Sus ovejas perdidas. Los hombres obran de otro modo. Si un fariseo viera una oveja volcada, como se dice en el campo, es decir, tendida impotente sobre su lomo, pronto la levantaría a patadas y la llevaría a casa a patadas, le golpearía la cabeza con su cayado, o le clavaría el clavo afilado en el costado.
Sabia fue la oración de David: “Caiga yo en manos de Dios, y no caiga yo en manos de hombres”. ¡Oh, caer en las manos de Dios; en las manos de un Sumo Sacerdote misericordioso y compasivo, que fue tentado en todo según nuestra semejanza, y por eso puede compadecerse de Su pobre pueblo tentado! Estas, estas son las únicas manos en las que podemos caer con seguridad; y el que cae en estas manos no se caerá de ellas ni a través de ellas, porque “acá abajo están los brazos eternos”, y estos no pueden ser separados ni quebrados.
Al lector…
¿Se ha extraviado usted, y yace como oveja perdida en algún lugar extraño, agotado y apenas con fuerzas para gemir su miseria? ¿Busca al Señor con muchos suspiros que desgarran el corazón, de noche y de día, y teme que Él nunca le encuentre? Entonces tenga por bien seguro: nunca Le habría buscado si Él no le hubiera buscado primero a usted.
Él le está buscando ahora. Puede tardar algún tiempo, pero al fin le encontrará; todo escondite Le es conocido. Y cuando le encuentre, le levantará con suavidad y le llevará a casa gozoso. Déjese, pues, caer en Sus manos. Quien cae en ellas nunca vuelve a caerse de ellas, porque acá abajo están los brazos eternos, y estos nunca fallan.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.
Psalm 119:5
Ik denk, als ik op mijn eigen ervaring afga, dat we soms aan de voorschriften van Gods Woord voorbijgaan. We proberen ze te wettisch te maken; we zien hun verbinding met de genade van de Heere Jezus Christus niet, maar we proberen ze op een wettische manier uit te voeren, alsof ze een wezenlijk onderdeel waren van de wet. We denken dat als we ze uitvoeren, we ons daarmee Gods gunst verwerven. Bij velen blijft dit hun hele leven zo. Maar na enige tijd maakt de Heere deze valstrik los door ons de waarheid van het evangelie binnen te leiden, haar zoetheid en heerlijke smaak aan onze ziel toe te vertrouwen, en ons enige heilige en geestelijke vrijheid te geven, waardoor we gaan inzien dat het evangelie een zuiver middel van Gods genade is.
We zijn nu echter onderhevig aan een verleiding wat betreft het voorschrift. We proberen het te kleineren; niet te verachten – dat kunnen we niet. Maar we zien aanvankelijk niet de juiste plaats ervan in deze openbaring in het Nieuwe Testament, en ook herkennen we de invloed ervan op het leven van een christen niet. Na een tijdje beginnen we echter iets van zijn waarde te begrijpen. Maar nadat we de voorschriften eerst hebben veronachtzaamd, kunnen we vervallen tot het overtreden ervan, waarmee we schuld en ellende op ons geweten laden.
Dan zullen we inzien hoe vreselijk dwaas het was om geen acht te slaan op de voorschriften die God heeft geopenbaard in de Heilige Schrift, omdat ze zoveel beperkingen opleggen. En dan beginnen we te bespeuren dat de voorschriften bedoeld zijn om de ziel te leiden en te behoeden voor afglijden naar alles wat het geweten verdriet geeft en Gods barmhartigheden tot schande strekt. Op dat moment beginnen we te houden van de voorschriften vanwege de schoonheid en zaligheid die we ze zien uitstralen, en willen we ons eraan houden – niet omdat we, door ons eraan te houden, voor die dingen worden behoed die God tot schande strekken, maar omdat er een grote beloning in het verschiet ligt als we ons eraan houden: het is een zegen te doen wat behaaglijk is voor God (1 Joh. 3:22).
Lezen: Leviticus 26:1-22
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gewezen op Gods voorschriften. Hebt u ooit gemeend dat u door het houden ervan Zijn gunst moest verwerven? Dan weet u hoe zwaar die last kan drukken. Of bent u, nadat de Heere u iets van de zoetheid van het evangelie deed smaken, de voorschriften gaan kleineren, en hebt u daarna schuld en ellende op uw geweten geladen? Wees dan niet verbaasd dat de Heere u zo leidt; langs deze weg leert Hij de Zijnen hoe dwaas het is om geen acht te slaan op wat Hij in Zijn Woord geopenbaard heeft.
Zijn voorschriften zijn geen ketenen, maar een leidsman die de ziel behoedt voor wat het geweten verdriet geeft. Wie ze in het licht van de genade van de Heere Jezus Christus leert zien, gaat ervan houden om hun schoonheid. Bid dan dat Hij uw wegen zo richt, en u zult ondervinden dat het een zegen is te doen wat behaaglijk is voor God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.
Psalm 119:5
Als ik op mijn eigen ervaring afga, denk ik dat we soms aan de voorschriften van Gods Woord voorbijgaan. We proberen ze te wettisch te maken. We zien hun verband met de genade van de Heere Jezus Christus niet, maar proberen ze op een wettische manier uit te voeren, alsof ze een wezenlijk onderdeel van de wet waren. We denken dat we Gods gunst verwerven als we ze uitvoeren. Bij velen blijft dat hun hele leven zo. Maar na enige tijd maakt de Heere deze strik los door ons in de waarheid van het evangelie te leiden, haar zoetheid en heerlijke smaak aan onze ziel mee te delen en ons enige heilige en geestelijke vrijheid te geven. Daardoor gaan we inzien dat het evangelie louter een middel van Gods genade is.
Nu staan we echter bloot aan een verzoeking wat het voorschrift betreft. We proberen het te kleineren; niet te verachten, dat kunnen we niet. Maar eerst zien we niet de juiste plaats ervan in deze openbaring in het Nieuwe Testament, en ook zien we niet welke invloed het heeft op het leven van een christen. Na een tijdje beginnen we echter iets van de waarde ervan te begrijpen. Maar nadat we de voorschriften eerst veronachtzaamd hebben, kunnen we ertoe vervallen ze te overtreden, en zo laden we schuld en ellende op ons geweten.
Dan zullen we inzien hoe vreselijk dwaas het was om geen acht te slaan op de voorschriften die God in de Heilige Schrift geopenbaard heeft, omdat ze ons zoveel beperkingen opleggen. Dan gaan we merken dat de voorschriften bedoeld zijn om de ziel te leiden en te behoeden voor afglijden naar alles wat het geweten verdriet doet en Gods barmhartigheden te schande maakt. Dan gaan we de voorschriften liefhebben om de schoonheid en zaligheid die we erin zien stralen, en willen we ons eraan houden. Niet omdat we, door ons eraan te houden, behoed worden voor wat God te schande maakt, maar omdat er een grote beloning ligt in het houden ervan: het is een zegen te doen wat behaaglijk is voor God (1 Joh. 3:22).
Lezen: Leviticus 26:1-22
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gewezen op Gods voorschriften. Hebt u ooit gemeend dat u door het houden ervan Zijn gunst moest verwerven? Dan weet u hoe zwaar die last kan drukken. Of bent u, nadat de Heere u iets van de zoetheid van het evangelie liet smaken, de voorschriften gaan kleineren, en hebt u daarna schuld en ellende op uw geweten geladen? Wees dan niet verbaasd dat de Heere u zo leidt; langs deze weg leert Hij de Zijnen hoe dwaas het is om geen acht te slaan op wat Hij in Zijn Woord geopenbaard heeft.
Zijn voorschriften zijn geen ketenen, maar een gids die de ziel behoedt voor wat het geweten verdriet doet. Wie ze in het licht van de genade van de Heere Jezus Christus leert zien, gaat ze liefhebben om hun schoonheid. Bid dan dat Hij uw wegen zo richt, en u zult ervaren dat het een zegen is te doen wat behaaglijk is voor God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O that my ways were directed to keep Thy statutes!
Psalm 119:5
If I may judge from my own experience, I think we sometimes pass by the precepts of God’s Word. We try to make them too legal. We do not see their connection with the grace of the Lord Jesus Christ, but try to perform them in a legal way, as if they were an essential part of the law. We think we gain God’s favour if we perform them. With many it remains so all their life long. But after a time the Lord breaks this snare by leading us into the truth of the gospel, communicating its sweetness and blessed savour to our soul and giving us some holy and spiritual liberty. By this we come to see that the gospel is purely a means of God’s grace.
Now, however, we lie open to a temptation as regards the precept. We try to lower it; not to despise it, that we cannot do. But at first we do not see its proper place in this New Testament revelation, nor do we see what influence it has on the life of a Christian. After a while, however, we begin to understand something of its value. But having first neglected the precepts, we may fall into transgressing them, and so bring guilt and misery upon our conscience.
Then we shall see how dreadfully foolish it was to pay no heed to the precepts which God has revealed in the Holy Scriptures, because they lay so many restraints upon us. Then we come to feel that the precepts are intended to guide the soul and keep it from sliding into anything that grieves the conscience and brings reproach upon God’s mercies. Then we come to love the precepts for the beauty and blessedness we see shining in them, and desire to keep them. Not because by keeping them we are kept from what brings reproach upon God, but because in keeping them there is great reward: it is a blessing to do those things that are pleasing in His sight (1 John 3:22).
Reading: Leviticus 26:1-22
To the reader…
Today you are pointed to God’s precepts. Have you ever thought that by keeping them you had to earn His favour? Then you know how heavily that burden can press. Or, after the Lord let you taste something of the sweetness of the gospel, did you begin to lower the precepts, and afterwards bring guilt and misery upon your conscience? Then do not be surprised that the Lord leads you so; by this way He teaches His own how foolish it is to pay no heed to what He has revealed in His Word.
His precepts are not chains, but a guide that keeps the soul from what grieves the conscience. Whoever learns to see them in the light of the grace of the Lord Jesus Christ comes to love them for their beauty. Pray, then, that He may so direct your ways, and you will find that it is a blessing to do those things that are pleasing in His sight.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos a guardar Tus estatutos!
Salmo 119:5
Si puedo juzgar por mi propia experiencia, creo que a veces pasamos por alto los preceptos de la Palabra de Dios. Tratamos de hacerlos demasiado legales. No vemos su conexión con la gracia del Señor Jesucristo, sino que tratamos de cumplirlos de un modo legal, como si fueran una parte esencial de la ley. Pensamos que ganamos el favor de Dios si los cumplimos. En muchos sigue siendo así toda su vida. Pero después de un tiempo el Señor rompe este lazo guiándonos a la verdad del evangelio, comunicando a nuestra alma su dulzura y su bendito sabor y dándonos alguna santa y espiritual libertad. Por ello llegamos a ver que el evangelio es puramente un medio de la gracia de Dios.
Ahora, sin embargo, quedamos expuestos a una tentación en cuanto al precepto. Tratamos de rebajarlo; no de despreciarlo, eso no podemos hacerlo. Pero al principio no vemos su lugar propio en esta revelación del Nuevo Testamento, ni vemos qué influencia tiene en la vida de un cristiano. Después de un tiempo, sin embargo, comenzamos a entender algo de su valor. Pero habiendo descuidado primero los preceptos, podemos caer en transgredirlos, y así traer culpa y miseria sobre nuestra conciencia.
Entonces veremos cuán terriblemente necio fue no prestar atención a los preceptos que Dios ha revelado en las Sagradas Escrituras, por imponernos tantas restricciones. Entonces llegamos a sentir que los preceptos están destinados a guiar el alma y guardarla de deslizarse hacia cualquier cosa que aflija la conciencia y traiga oprobio sobre las misericordias de Dios. Entonces llegamos a amar los preceptos por la hermosura y la bienaventuranza que vemos brillar en ellos, y deseamos guardarlos. No porque al guardarlos seamos guardados de lo que trae oprobio sobre Dios, sino porque en guardarlos hay grande galardón: es una bendición hacer las cosas que son agradables delante de Él (1 Juan 3:22).
Lectura: Levítico 26:1-22
Al lector…
Hoy se le dirige a los preceptos de Dios. ¿Ha pensado alguna vez que guardándolos tenía que ganarse Su favor? Entonces sabe cuán pesadamente puede oprimir esa carga. ¿O comenzó, después de que el Señor le dejó gustar algo de la dulzura del evangelio, a rebajar los preceptos, y después trajo culpa y miseria sobre su conciencia? Entonces no se sorprenda de que el Señor le guíe así; por este camino enseña a los suyos cuán necio es no prestar atención a lo que Él ha revelado en Su Palabra.
Sus preceptos no son cadenas, sino una guía que guarda el alma de lo que aflige la conciencia. Quien aprende a verlos a la luz de la gracia del Señor Jesucristo llega a amarlos por su hermosura. Ore, pues, para que Él ordene así sus caminos, y hallará que es una bendición hacer las cosas que son agradables delante de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Tot de verlossing van de gekochte bezitting.
Efeze 1:14 (Eng. vertaling)
De kerk is verlost door een prijs, maar is vooralsnog niet ten volle verlost door kracht. Christus heeft met Zijn dierbaar bloed ziel en lichaam van Zijn volk gekocht, maar Hij heeft nog niet openlijk verlost. Deze verlossing ligt nog in de toekomst en zal niet voltooid worden tot op de heerlijke opstandingsmorgen, wanneer de lichamen der dode heiligen zullen opgewekt, en hun lichamen in een ogenblik, in een oogwenk, met de laatste bazuin, zullen veranderd worden. Dit is derhalve de verlossing van de gekochte bezitting, en daar deze in de toekomst ligt, moeten wij daarnaar uitzien, gelijk de apostel spreekt: „Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid” (Rom. 8:25).
Ons lichaam is nog niet verlost van zijn aangeboren verderf. Doch in de opstandingsmorgen, wanneer de doden onverderfelijk zullen opstaan, dan zal de verlossing haar volle beslag krijgen. Dan zal er een ingaan zijn in de volle erfenis. De herrezen en verheerlijkte heiligen zullen Christus erven, en Christus zal hen erven, en Zijn gekochte bezitting zal voor eeuwig verlost zijn van elke vijand en van alle vrees, van elke zonde en van alle smart, van alle verderf van lichaam en ziel, en gekroond worden met een gans uitnemend en eeuwig gewicht van eeuwige heerlijkheid. Tot op deze dag der verlossing verzegelt de Heilige Geest de levende kerk van God (Efeze 4:30), niet alleen door haar te verzekeren van haar aandeel in de erfenis en van Zichzelf als de Eersteling dezer erfenis, maar Hij verzekert haar ook van het zekerst bezit ervan.
Aan de lezer…
Zucht u onder een lichaam dat nog niet verlost is van zijn aangeboren verderf? Voelt u de zonde, de vrees en de smart, en vraagt u zich af of u wel waarlijk de Zijne bent? Bedenk dan dat Christus met Zijn dierbaar bloed ziel en lichaam van Zijn volk gekocht heeft. De prijs is betaald; wat nog ontbreekt, is de verlossing door kracht, en die komt zeker op de heerlijke opstandingsmorgen.
Daarom mag u met lijdzaamheid verwachten wat u nog niet ziet. Zijn gekochte bezitting zal eenmaal verlost zijn van elke vijand en van alle vrees, en gekroond worden met een eeuwig gewicht van heerlijkheid. En tot die dag toe verzegelt de Heilige Geest de levende kerk, en verzekert Hij haar van haar aandeel in de erfenis. Ziet u daar iets van in uw eigen hart, houd dan moed: Die betaald heeft, zal ook verlossen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Tot de verlossing van de gekochte bezitting.
Efeze 1:14 (Eng. vertaling)
De kerk is verlost door een prijs, maar is nog niet volledig verlost door kracht. Christus heeft met Zijn dierbaar bloed de ziel en het lichaam van Zijn volk gekocht, maar Hij heeft hen nog niet openlijk verlost. Deze verlossing ligt nog in de toekomst. Zij zal niet voltooid worden vóór de heerlijke opstandingsmorgen, wanneer de lichamen van de gestorven heiligen zullen worden opgewekt en hun lichamen in een ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin, veranderd zullen worden. Dit is dus de verlossing van de gekochte bezitting. Omdat zij in de toekomst ligt, moeten wij ernaar uitzien, zoals de apostel zegt: „Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid” (Rom. 8:25).
Ons lichaam is nog niet verlost van zijn aangeboren verderf. Maar op de opstandingsmorgen, wanneer de doden onverderfelijk zullen opstaan, zal de verlossing volledig worden. Dan zal er een ingaan zijn in de volle erfenis. De opgestane en verheerlijkte heiligen zullen Christus erven, en Christus zal hen erven. Zijn gekochte bezitting zal voor eeuwig verlost zijn van elke vijand en van alle vrees, van elke zonde en van alle smart, van alle verderf van lichaam en ziel, en gekroond worden met een zeer uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid. Tot op deze dag van de verlossing verzegelt de Heilige Geest de levende kerk van God (Efeze 4:30). Hij doet dat niet alleen door haar te verzekeren van haar aandeel in de erfenis en van Zichzelf als de Eersteling van deze erfenis, maar Hij verzekert haar ook van het zekerste bezit ervan.
Aan de lezer…
Zucht u onder een lichaam dat nog niet verlost is van zijn aangeboren verderf? Voelt u de zonde, de vrees en de smart, en vraagt u zich af of u werkelijk de Zijne bent? Bedenk dan dat Christus met Zijn dierbaar bloed de ziel en het lichaam van Zijn volk gekocht heeft. De prijs is betaald; wat nog ontbreekt, is de verlossing door kracht, en die komt zeker op de heerlijke opstandingsmorgen.
Daarom mag u met geduld verwachten wat u nog niet ziet. Zijn gekochte bezitting zal eenmaal verlost zijn van elke vijand en van alle vrees, en gekroond worden met een eeuwig gewicht van heerlijkheid. Tot die dag verzegelt de Heilige Geest de levende kerk en verzekert Hij haar van haar aandeel in de erfenis. Ziet u daar iets van in uw eigen hart, houd dan moed: Hij Die betaald heeft, zal ook verlossen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Until the redemption of the purchased possession.
Ephesians 1:14
The Church has been redeemed by price, but is not as yet fully redeemed by power. Christ has bought with His precious blood both the souls and bodies of His people, but He has not yet redeemed them openly. This redemption is still future, and will not be accomplished until the glorious resurrection morn, when the bodies of the dead saints will be raised, and the bodies of the living saints changed in a moment, in the twinkling of an eye, at the last trumpet. This, therefore, is “the redemption of the purchased possession;” and this being future we have to wait for it, as the Apostle speaks, “But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it” (Romans 8:25).
Our body is not yet redeemed from its native corruption. But, in the resurrection morn, when the dead will be raised incorruptible, then the redemption of the body will be complete. Then the inheritance will be fully entered into. The risen and glorified saints will inherit Christ, and Christ will inherit them; and His purchased possession will be forever delivered from every foe and every fear, from every sin and every sorrow, from every corruption of body or soul, and be crowned with an exceeding and eternal weight of glory. Unto this day of redemption the Holy Spirit seals all the living family of God (Ephes. 4:30), not only by assuring them of their saving interest in the inheritance, and Himself being the earnest of it, but as thereby securing to them the most certain possession of it.
To the reader…
Do you groan under a body that is not yet redeemed from its native corruption? Do you feel sin, fear and sorrow, and do you wonder whether you are truly His? Remember, then, that Christ has bought both the soul and the body of His people with His precious blood. The price has been paid; what is still lacking is the redemption by power, and that will surely come on the glorious resurrection morning.
Therefore you may wait with patience for what you do not yet see. His purchased possession will one day be delivered from every foe and from all fear, and crowned with an eternal weight of glory. Until that day the Holy Spirit seals the living Church and assures her of her interest in the inheritance. If you see something of this in your own heart, take courage: He Who has paid will also redeem.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Hasta la redención de la posesión adquirida.
Efesios 1:14
La Iglesia ha sido redimida por precio, pero todavía no está plenamente redimida por poder. Cristo ha comprado con Su preciosa sangre tanto las almas como los cuerpos de Su pueblo, pero aún no los ha redimido abiertamente. Esta redención es todavía futura, y no se consumará hasta la gloriosa mañana de la resurrección, cuando los cuerpos de los santos muertos serán resucitados, y los cuerpos de los santos vivos transformados en un momento, en un abrir de ojo, a la final trompeta. Esta es, pues, “la redención de la posesión adquirida”; y siendo futura, tenemos que esperarla, como dice el Apóstol: “Empero si lo que no vemos esperamos, por paciencia esperamos” (Romanos 8:25).
Nuestro cuerpo aún no está redimido de su corrupción natural. Pero en la mañana de la resurrección, cuando los muertos serán resucitados incorruptibles, entonces la redención del cuerpo será completa. Entonces se entrará plenamente en la herencia. Los santos resucitados y glorificados heredarán a Cristo, y Cristo los heredará a ellos; y Su posesión adquirida será librada para siempre de todo enemigo y de todo temor, de todo pecado y de todo dolor, de toda corrupción del cuerpo o del alma, y será coronada con un sobremanera alto y eterno peso de gloria. Para este día de la redención el Espíritu Santo sella a toda la familia viviente de Dios (Efes. 4:30), no solo asegurándoles su parte salvadora en la herencia, siendo Él mismo las arras de ella, sino garantizándoles así la posesión más cierta de ella.
Al lector…
¿Gime usted bajo un cuerpo que aún no está redimido de su corrupción natural? ¿Siente el pecado, el temor y el dolor, y se pregunta si de veras es de Él? Recuerde entonces que Cristo ha comprado con Su preciosa sangre tanto el alma como el cuerpo de Su pueblo. El precio ha sido pagado; lo que todavía falta es la redención por poder, y esa vendrá sin falta en la gloriosa mañana de la resurrección.
Por eso puede esperar con paciencia lo que todavía no ve. Su posesión adquirida será un día librada de todo enemigo y de todo temor, y coronada con un eterno peso de gloria. Hasta ese día el Espíritu Santo sella a la Iglesia viviente y le asegura su parte en la herencia. Si ve algo de esto en su propio corazón, cobre ánimo: Aquel que ha pagado también redimirá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl