October 8
Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 119:176
Indien de Heere ons niet zocht, wij zouden de Heere nooit zoeken. Dat is zeer zeker. Zo gij de Heere zoekt in gebed, in smeking, in stil verlangen, met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, wees verzekerd dat gij de Heere nooit zoudt gezocht hebben, zo de Heere u niet het eerst gezocht had. Hij zoekt u nu. Het kan zijn (zoals gij vreest) dat het enige tijd duurt voor Hij u vindt, maar Hij zal u eindelijk vinden.
Hoe lieflijk heeft de Heere Zelf dit doen uitkomen in de gelijkenis van het verloren schaap! Het arme schaap heeft gedwaald, en eenmaal de schaapskooi verlaten hebbende, is het vrij zeker dat het hier of daar in een vreemde plaats is aangekomen. Het is van een rots gevallen, of in een gracht gerold, of is achter een struik verborgen, of in een hol gekropen, of ligt in een diepe holle weg, waar het alleen door een ervaren oog en hand kan gevonden en gered worden. Zo ook met ’s Heeren verloren schapen; zij zijn ook op vreemde plaatsen aangeland. Zij storten van de rotsen, glijden in holen, verbergen zich tussen de struiken en kruipen al lager en lager, om in de holen om te komen.
Wanneer het schaap afgedwaald is, gaat de herder uit om het te zoeken. Hier ziet hij de indruk der poten, daar een vlokje wol door de doornen afgerukt. Hij doorzoekt elke schuilplaats, totdat hij eindelijk het arme schaap vindt, afgemat en half stervende, nauwelijks sterk genoeg om door geluid zijn verlatenheid uit te kermen. Hij drijft het niet met slagen naar huis, noch stoot hij de prikkel in zijn rug. Hij neemt het zachtkens op, legt het op zijn schouder en brengt het in blijdschap naar huis. Zo ook zijn de wegen des Heeren in Zijn genade met Zijn verloren schaap. Zo met de mens. Maar de mensen handelen geheel anders. Laat een farizeeër een schaap zien dat, zoals men het op het land noemt, „vastligt”, dat is: hulpeloos op zijn rug ligt, hij zou het spoedig met de voet opschoppen en het met schoppen naar huis drijven, het met zijn staf op de kop slaan, of de scherpe spijker in zijn flank drijven.
Het gebed van David was een verstandig gebed: „Laat mij vallen in Gods handen, en niet in de handen der mensen.” O, te vallen in de handen Gods, in de handen van een barmhartig en medelijdend Hogepriester, Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, en daarom medelijden kan hebben met Zijn arm, verzocht volk! Gods handen zijn de enige handen waarin men veilig vallen kan; en hij die in deze handen valt, zal er nooit meer uitvallen, noch er doorheen vallen, want „daaronder zijn de eeuwige armen”, en deze laten niet los, zij bezwijken nimmer.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Ps. 119:88
Aan de lezer…
Bent u afgedwaald, waarde lezer, en ligt u als een verloren schaap ergens in een vreemde plaats, afgemat en nauwelijks sterk genoeg om uw verlatenheid uit te kermen? Zoekt u de Heere met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, en vreest u dat Hij u nooit vinden zal? Wees dan verzekerd: u zou Hem nooit gezocht hebben, zo Hij u niet het eerst gezocht had.
Hij zoekt u nu. Het kan enige tijd duren, maar Hij zal u eindelijk vinden; elke schuilplaats is Hem bekend. En als Hij u vindt, neemt Hij u zachtkens op en draagt u in blijdschap naar huis. Laat u dan vallen in Zijn handen; wie daarin valt, valt er nooit meer uit, want daaronder zijn de eeuwige armen, en die bezwijken nimmer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 119:176
Als de Heere ons niet zocht, zouden wij de Heere nooit zoeken. Dat staat vast. Als u de Heere zoekt in gebed, in smeking, in stil verlangen, met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, wees er dan van verzekerd dat u de Heere nooit gezocht zou hebben als de Heere u niet eerst gezocht had. Hij zoekt u nu. Het kan zijn (zoals u vreest) dat het enige tijd duurt voordat Hij u vindt, maar Hij zal u ten slotte vinden.
Hoe lieflijk heeft de Heere Zelf dit laten uitkomen in de gelijkenis van het verloren schaap! Het arme schaap is afgedwaald, en als het eenmaal de schaapskooi verlaten heeft, is het vrijwel zeker ergens op een vreemde plaats terechtgekomen. Het is van een rots gevallen, of in een sloot gerold, of het heeft zich achter een struik verborgen, of het is in een hol gekropen, of het ligt in een diepe holle weg, waar het alleen door een ervaren oog en een ervaren hand gevonden en gered kan worden. Zo is het ook met de verloren schapen van de Heere: ook zij zijn op vreemde plaatsen beland. Zij storten van de rotsen, glijden in holen, verbergen zich tussen de struiken en kruipen steeds dieper weg, om in de holen om te komen.
Wanneer het schaap is afgedwaald, gaat de herder op weg om het te zoeken. Hier ziet hij de afdruk van de poten, daar een vlokje wol dat door de doornen is afgerukt. Hij doorzoekt elke schuilplaats, totdat hij ten slotte het arme schaap vindt, uitgeput en half stervend, nauwelijks sterk genoeg om zijn verlatenheid uit te kermen. Hij slaat het niet naar huis en steekt geen prikkel in zijn rug. Hij neemt het zacht op, legt het op zijn schouder en brengt het blij naar huis. Zo zijn ook de wegen van de Heere in Zijn genade met Zijn verloren schaap. Zo gaat het met de mens. Mensen handelen echter heel anders. Als een farizeeër een schaap ziet dat, zoals ze op het platteland zeggen, „vastligt”, dat wil zeggen: hulpeloos op zijn rug ligt, dan zou hij het al gauw met een trap overeind schoppen en het met schoppen naar huis drijven, het met zijn staf op de kop slaan of de scherpe spijker in zijn flank steken.
Het gebed van David was een verstandig gebed: „Laat mij vallen in Gods handen, en niet in de handen der mensen.” O, te mogen vallen in de handen van God, in de handen van een barmhartige en medelijdende Hogepriester, Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, en daarom kan meeleven met Zijn arme, verzochte volk! Gods handen zijn de enige handen waarin men veilig kan vallen. Wie in deze handen valt, zal er nooit meer uit vallen of erdoorheen vallen, want „daaronder zijn de eeuwige armen”, en die laten niet los; zij bezwijken nooit.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Ps. 119:88
Aan de lezer…
Bent u afgedwaald, en ligt u als een verloren schaap ergens op een vreemde plaats, uitgeput en nauwelijks sterk genoeg om uw verlatenheid uit te kermen? Zoekt u de Heere met menige hartverscheurende zucht, bij nacht en bij dag, en vreest u dat Hij u nooit zal vinden? Wees er dan van verzekerd: u zou Hem nooit gezocht hebben als Hij u niet eerst gezocht had.
Hij zoekt u nu. Het kan enige tijd duren, maar Hij zal u ten slotte vinden; elke schuilplaats is Hem bekend. En als Hij u vindt, neemt Hij u zacht op en draagt Hij u blij naar huis. Laat u dan in Zijn handen vallen. Wie daarin valt, valt er nooit meer uit, want daaronder zijn de eeuwige armen, en die bezwijken nooit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I have gone astray like a lost sheep; seek Thy servant; for I do not forget Thy commandments.
Psalm 119:176
If the Lord did not seek us, we would never seek the Lord. That is most certain. If you are one that seeks the Lord in prayer, in supplication, in secret desire, with many a heart-rending groan, and often by night and by day, be well assured, that you would never have sought the Lord, had not the Lord first sought you. He is now seeking you. It may be (as you fear), some time before He finds you; but He will find you at last.
How sweetly the Lord has set this forth in the parable of the lost sheep! The poor sheep has gone astray; and having once left the fold, it is pretty sure to have got into some strange place or other. It has fallen down a rock, or has rolled into a ditch, or is hidden beneath a bush, or has crept into a cave, or is lying in some deep, distant ravine, where none but an experienced eye and hand can find it out. Just so with the Lord’s lost sheep; they get into strange places. They fall off rocks, slip into holes, hide among the bushes, and sometimes creep off to die in caverns.
When the literal sheep has gone astray, the shepherd goes after it to find it. Here he sees a footmark, there a little lock of wool torn off by the thorns. Every nook he searches; into every corner he looks, until at last he finds the poor sheep wearied, torn, and half expiring, with scarcely strength enough to groan forth its misery. He does not beat it home, nor thrust the goad into its back; but he gently takes it up, lays it upon his shoulder, and brings it home rejoicing.
Similar in grace are the Lord’s ways with His lost sheep. Men act otherwise. Let a pharisee see a sheep cast, as it is called in the country, that is, lying helpless upon its back, he would soon kick it up and kick it home, beat its head with his crook, or drive the sharp nail into its flank.
David’s was a wise prayer, “Let me fall into the hands of God, and not into the hands of man.” O to fall into the hands of God; into the hands of a merciful and compassionate High Priest, Who was tempted in all points, like as we are, and can therefore sympathize with His poor tempted people! These, these are the only hands for us safely to fall into; and he that falls into these hands will neither fall out of them, nor through them, for “underneath are the everlasting arms,” and these can neither be sundered nor broken.
To the reader…
Have you gone astray, and are you lying like a lost sheep in some strange place, worn out and scarcely strong enough to groan forth your misery? Do you seek the Lord with many a heart-rending sigh, by night and by day, and do you fear that He will never find you? Then be well assured: you would never have sought Him if He had not first sought you.
He is seeking you now. It may take some time, but He will find you at last; every hiding place is known to Him. And when He finds you, He gently takes you up and carries you home rejoicing. So let yourself fall into His hands. Whoever falls into them never falls out of them again, for underneath are the everlasting arms, and they never fail.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo anduve errante como oveja extraviada; busca a Tu siervo; porque no me he olvidado de Tus mandamientos.
Salmo 119:176
Si el Señor no nos buscara, nosotros nunca buscaríamos al Señor. Eso es lo más seguro. Si usted es de los que buscan al Señor en oración, en súplica, en deseo secreto, con muchos gemidos que desgarran el corazón, y a menudo de noche y de día, tenga por bien seguro que nunca habría buscado al Señor si el Señor no le hubiera buscado primero a usted. Él le está buscando ahora. Puede ser (como usted teme) que pase algún tiempo antes de que le encuentre; pero al fin le encontrará.
¡Con cuánta dulzura ha expuesto esto el Señor en la parábola de la oveja perdida! La pobre oveja se ha extraviado; y una vez que ha dejado el redil, es casi seguro que se ha metido en algún lugar extraño. Ha caído por una peña, o ha rodado a una zanja, o está escondida bajo un arbusto, o se ha metido en una cueva, o yace en algún barranco profundo y lejano, donde nadie sino un ojo y una mano experimentados pueden hallarla. Lo mismo sucede con las ovejas perdidas del Señor: se meten en lugares extraños. Caen de las peñas, resbalan a los hoyos, se esconden entre los arbustos, y a veces se arrastran a las cavernas para morir.
Cuando la oveja literal se ha extraviado, el pastor va tras ella para encontrarla. Aquí ve una huella, allá un mechón de lana arrancado por los espinos. Registra cada rincón; mira en cada esquina, hasta que por fin encuentra a la pobre oveja cansada, desgarrada y medio muerta, apenas con fuerzas para gemir su miseria. No la lleva a casa a golpes, ni le clava el aguijón en el lomo; sino que la levanta con suavidad, la pone sobre sus hombros y la lleva a casa gozoso.
Semejantes en gracia son los caminos del Señor con Sus ovejas perdidas. Los hombres obran de otro modo. Si un fariseo viera una oveja volcada, como se dice en el campo, es decir, tendida impotente sobre su lomo, pronto la levantaría a patadas y la llevaría a casa a patadas, le golpearía la cabeza con su cayado, o le clavaría el clavo afilado en el costado.
Sabia fue la oración de David: “Caiga yo en manos de Dios, y no caiga yo en manos de hombres”. ¡Oh, caer en las manos de Dios; en las manos de un Sumo Sacerdote misericordioso y compasivo, que fue tentado en todo según nuestra semejanza, y por eso puede compadecerse de Su pobre pueblo tentado! Estas, estas son las únicas manos en las que podemos caer con seguridad; y el que cae en estas manos no se caerá de ellas ni a través de ellas, porque “acá abajo están los brazos eternos”, y estos no pueden ser separados ni quebrados.
Al lector…
¿Se ha extraviado usted, y yace como oveja perdida en algún lugar extraño, agotado y apenas con fuerzas para gemir su miseria? ¿Busca al Señor con muchos suspiros que desgarran el corazón, de noche y de día, y teme que Él nunca le encuentre? Entonces tenga por bien seguro: nunca Le habría buscado si Él no le hubiera buscado primero a usted.
Él le está buscando ahora. Puede tardar algún tiempo, pero al fin le encontrará; todo escondite Le es conocido. Y cuando le encuentre, le levantará con suavidad y le llevará a casa gozoso. Déjese, pues, caer en Sus manos. Quien cae en ellas nunca vuelve a caerse de ellas, porque acá abajo están los brazos eternos, y estos nunca fallan.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl