6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
Johannes 14:1
In God te geloven is in Hem te geloven zoals Hij Zich in Zijn Zoon geopenbaard heeft, in al de volheid Zijner liefde, in al de rijkdom Zijner genade en in al de diepte Zijner barmhartigheid. God moet gezien worden niet in de schrikkelijkheid ener heilige Wet, maar in de genade en waarheid van het heerlijk Evangelie van de Zoon van God. Men moet dus tot Hem naderen en in Hem geloven als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, en onze Vader in Hem. Hoe weinigen zien en betrachten dit, en hoe slecht geoefend zijn velen van het levende huisgezin op dit punt!
In God te geloven is een weg die vergeving en vrede in het geweten brengt; in God te geloven zodanig, dat men weet door Hem te zijn aangenomen; in God te geloven, dat wij Hem „Abba, Vader” kunnen noemen en gevoelen dat de Geest getuigt met onze geest dat wij Zijn kinderen zijn; in God zó te geloven, dat wij Hem altijd gereed vinden om in nood te helpen; gebedsverhoring te ontvangen; in het licht Zijns aanschijns te wandelen; Zijn liefde in ons hart uitgestort te hebben; de zekerheid te hebben van met Hem verzoend te zijn, en een bewustzijn van Zijn geopenbaarde goedheid en genade te gevoelen — dit tezamen is in God geloven door Jezus Christus. En o, hoe verschillend is dit van alleen te geloven wat wij in de natuur om ons zien, dat Hij is de Schepper van alle dingen; of van hetgeen wij hebben opgemerkt in de voetstappen Zijner Voorzienigheid, dat Hij waakt over ons wat aangaat de dingen die vergaan; of van in de letter des Woords te zien dat Hij is de God van alle genade voor hen die in Zijn Naam geloven!
U alleen, U loven wij:
ja, wij loven U, o Heer,
want uw naam, zo rijk van eer,
is tot onze vreugd nabij.
Dies vertelt men in ons land
al de wond’ren uwer hand.
Ps. 75:1
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de eenvoudige vraag ons treft: gelooft u in God? Velen zullen ja zeggen, omdat zij Hem als Schepper in de natuur zien, of opmerken hoe Hij over de dingen die vergaan waakt. Maar laat ik u verder wijzen: in God te geloven is Hem te kennen zoals Hij Zich in Zijn Zoon geopenbaard heeft, niet in de schrikkelijkheid van een heilige Wet, maar in de genade en waarheid van het Evangelie, als de Vader van onze Heere Jezus Christus en onze Vader in Hem.
Moet u bekennen dat u op dit punt nog slecht geoefend bent, dat uw hart meer vreest dan vertrouwt? Wees daarover eerlijk voor Hem. Hij, Die zegt: „Gelooft ook in Mij”, wil dat u door Christus tot God nadert, om vergeving en vrede in het geweten te ontvangen, om Hem „Abba, Vader” te mogen noemen en Hem gereed te vinden om in nood te helpen. Vraag Hem dan om die Geest, Die met uw geest getuigt dat u Zijn kind bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
Johannes 14:1
In God geloven is in Hem geloven zoals Hij Zich in Zijn Zoon geopenbaard heeft, in heel de volheid van Zijn liefde, in heel de rijkdom van Zijn genade en in heel de diepte van Zijn barmhartigheid. God moet niet gezien worden in de verschrikking van een heilige wet, maar in de genade en waarheid van het heerlijke Evangelie van de Zoon van God. Daarom moeten wij tot Hem naderen en in Hem geloven als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, en als onze Vader in Hem. Wat zijn er weinigen die dit zien en in praktijk brengen, en hoe slecht zijn velen van het levende huisgezin op dit punt geoefend!
In God geloven is een weg die vergeving en vrede in het geweten brengt. Het is zo in God geloven dat men weet door Hem aangenomen te zijn. Het is zo in God geloven dat wij Hem „Abba, Vader” kunnen noemen en voelen dat de Geest met onze geest getuigt dat wij Zijn kinderen zijn. Het is zo in God geloven dat wij Hem altijd bereid vinden om in nood te helpen, dat wij verhoring op ons gebed ontvangen, in het licht van Zijn aangezicht wandelen, Zijn liefde in ons hart uitgestort hebben, de zekerheid hebben met Hem verzoend te zijn en Zijn geopenbaarde goedheid en genade bewust ervaren. Dit alles samen is in God geloven door Jezus Christus.
En o, hoe verschilt dit van alleen maar geloven wat wij in de natuur om ons heen zien, namelijk dat Hij de Schepper van alle dingen is! Of van wat wij in de voetstappen van Zijn voorzienigheid hebben opgemerkt, namelijk dat Hij over ons waakt in de dingen die vergaan. Of van in de letter van het Woord zien dat Hij de God van alle genade is voor hen die in Zijn Naam geloven!
U alleen, U loven wij:
ja, wij loven U, o Heer,
want uw naam, zo rijk van eer,
is tot onze vreugd nabij.
Dies vertelt men in ons land
al de wond’ren uwer hand.
Ps. 75:1
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de eenvoudige vraag ons treft: gelooft u in God? Velen zullen ja zeggen, omdat zij Hem als Schepper in de natuur zien of opmerken hoe Hij waakt over de dingen die vergaan. Maar laat ik u verder wijzen: in God geloven is Hem kennen zoals Hij Zich in Zijn Zoon geopenbaard heeft. Niet in de verschrikking van een heilige wet, maar in de genade en waarheid van het Evangelie, als de Vader van onze Heere Jezus Christus en onze Vader in Hem.
Moet u bekennen dat u op dit punt nog slecht geoefend bent, dat uw hart meer vreest dan vertrouwt? Wees daar eerlijk over voor Hem. Hij Die zegt: „Gelooft ook in Mij”, wil dat u door Christus tot God nadert, om vergeving en vrede in het geweten te ontvangen, om Hem „Abba, Vader” te mogen noemen en Hem bereid te vinden om in nood te helpen. Vraag Hem dan om die Geest, Die met uw geest getuigt dat u Zijn kind bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ye believe in God, believe also in me.
John 14:1
To believe in God is to believe in Him as He has manifested Himself in His dear Son in all the fullness of His love, in all the riches of His grace, and in all the depth of His mercy. God must be seen, not in the terrors of a holy law, but in the mercy and truth of the glorious gospel of the Son of God, and thus be approached and believed in as the God and Father of our Lord Jesus Christ, and our Father in Him. How few see and realize this, and yet how severely exercised are many of the living family upon this point! To believe in God in such a way as to bring pardon and peace into their conscience; to believe in God so as to find manifest acceptance with Him; to believe in God so as to call Him Abba, Father, and feel that the Spirit Himself bears witness with our spirit that we are His children; to believe in God so as to find Him a very present help in trouble; to receive answers to prayer, to walk in the light of His countenance, to have His love shed abroad in the heart, to be manifestly reconciled to Him, and feel a sense of His manifested goodness and mercy–this is to believe in God through Jesus Christ.
And O how different is this from merely believing about God from what we see in nature that He is the Creator of all things, or from what we may have realized of His footsteps in providence that He watches over us as regards the things that perish, or from seeing in the letter of the Word that He is the God of all grace to those who fear His name!
To the reader…
There are times when the simple question strikes us: do you believe in God? Many will say yes, because they see Him as Creator in nature or notice how He watches over the things that perish. But let me point you further: to believe in God is to know Him as He has revealed Himself in His Son. Not in the terrors of a holy law, but in the grace and truth of the gospel, as the Father of our Lord Jesus Christ and our Father in Him.
Must you confess that you are still poorly exercised on this point, that your heart fears more than it trusts? Be honest about that before Him. He Who says, “Believe also in Me,” wants you to draw near to God through Christ, to receive pardon and peace in your conscience, to call Him “Abba, Father,” and to find Him ready to help in trouble. Ask Him, then, for that Spirit Who bears witness with your spirit that you are His child.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Creéis en Dios, creed también en Mí.
Juan 14:1
Creer en Dios es creer en Él tal como se ha manifestado en Su amado Hijo, en toda la plenitud de Su amor, en todas las riquezas de Su gracia y en toda la profundidad de Su misericordia. Dios ha de ser visto, no en los terrores de una ley santa, sino en la misericordia y la verdad del glorioso evangelio del Hijo de Dios, y así ser buscado y creído como el Dios y Padre de nuestro Señor Jesucristo, y nuestro Padre en Él. ¡Cuán pocos ven y comprenden esto, y sin embargo cuán severamente ejercitados están en este punto muchos de la familia viva! Creer en Dios de tal manera que traiga perdón y paz a su conciencia; creer en Dios de modo que hallen una aceptación manifiesta ante Él; creer en Dios de modo que Le llamen Abba, Padre, y sientan que el mismo Espíritu da testimonio a nuestro espíritu que somos Sus hijos; creer en Dios de modo que Le hallen como nuestro pronto auxilio en las tribulaciones; recibir respuestas a la oración, andar en la luz de Su rostro, tener Su amor derramado en el corazón, estar manifiestamente reconciliados con Él y sentir Su bondad y misericordia manifestadas: esto es creer en Dios por medio de Jesucristo.
¡Y oh, cuán diferente es esto de meramente creer acerca de Dios, por lo que vemos en la naturaleza, que Él es el Creador de todas las cosas; o por lo que hayamos percibido de Sus pisadas en la providencia, que Él vela sobre nosotros en cuanto a las cosas que perecen; o por ver en la letra de la Palabra que Él es el Dios de toda gracia para los que temen Su Nombre!
Al lector…
Hay momentos en que nos sorprende la sencilla pregunta: ¿cree usted en Dios? Muchos dirán que sí, porque Le ven como Creador en la naturaleza o notan cómo vela sobre las cosas que perecen. Pero permítame señalarle más allá: creer en Dios es conocerle tal como se ha revelado en Su Hijo. No en los terrores de una ley santa, sino en la gracia y la verdad del evangelio, como el Padre de nuestro Señor Jesucristo y nuestro Padre en Él.
¿Tiene que confesar que todavía está pobremente ejercitado en este punto, que su corazón teme más de lo que confía? Sea sincero sobre ello delante de Él. El que dice: “Creed también en Mí”, quiere que usted se acerque a Dios por medio de Cristo, que reciba perdón y paz en su conciencia, que Le llame “Abba, Padre”, y que Le halle pronto a ayudar en la tribulación. Pídale, pues, ese Espíritu que da testimonio a su espíritu de que usted es Su hijo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
Hier treedt de gezegende, eeuwig levende Verdediger en Voorspreker aan de rechterhand van de Vader binnen, Die, door Zijn bloed en liefde met kracht toe te passen, tegen de ziel zegt: „Ik ben uw heil.” Daarom wordt van Hem gezegd: „Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden” (Hebr. 7:25).
Wie zal Gods „volkomenlijk” beschrijven, wie zal het beperken? David, „van de einden der aarde” (Ps. 135:7); Heman, „in de ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten” (Ps. 88:7); Hizkia, „van de poorten des grafs en de groeve der vertering” (Jes. 38:10, 17); Jeremia, „uit de ondersten kuil”, waar de wateren over zijn hoofd zwommen; en hij zeide: „Ik ben afgesneden!” (Klaagl. 3:54, 55); Jona, „uit de buik des grafs” (Jon. 2:2) — al deze uitstekend onderwezen en diepbeproefde heiligen Gods kenden zowel het „volkomenlijk” van de mens als dat van God, en dat het „volkomenlijk” van de mens de zonde, hel en wanhoop was, en Gods „volkomenlijk” barmhartigheid, verlossing en de hemel. Nooit wordt de heerschappij van de voorspraak van onze grote Hogepriester zo duidelijk bewezen als wanneer deze volkomenlijk zalig maakt.
Hier is het dat we de werkelijkheid en zegening erkennen dat we zo’n Voorspraak bij de Vader hebben, tegen Wie en voor Wiens aangezicht we hebben gezondigd. De Heere maakt het ons mogelijk onze zaak in Zijn handen te leggen, hoe ernstig of wanhopig deze ook is, en te wachten tot we Hem zien verschijnen om ons zalig te maken.
Lezen: Psalm 57
Aan de lezer…
Is uw zaak zo ernstig, dat u denkt dat het te laat is? Waarde lezer, kijk dan naar dat woord „volkomenlijk”. De heiligen Gods hebben gelegen in de ondersten kuil, in duisternis en diepten, aan de poorten des grafs, met de wateren boven hun hoofd. Ze kenden het „volkomenlijk” van de mens: zonde, hel en wanhoop. Maar ze leerden ook Gods „volkomenlijk” kennen: barmhartigheid, verlossing en de hemel.
Er is geen diepte waaruit Hij niet zalig kan maken, want Hij leeft altijd om voor de Zijnen te bidden. Hij is de eeuwig levende Voorspraak aan de rechterhand van de Vader, en Hij kan nog tot een verloren ziel zeggen: „Ik ben uw heil.” Leg dan uw zaak, hoe wanhopig ook, in Zijn handen. Ga door Hem tot God, en wacht tot u Hem ziet verschijnen om u zalig te maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
Hier komt de gezegende, eeuwig levende Pleitbezorger en Voorspraak aan de rechterhand van de Vader naar voren. Door Zijn bloed en liefde met kracht toe te passen, zegt Hij tot de ziel: „Ik ben uw heil.” Daarom wordt van Hem gezegd: „Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden” (Hebr. 7:25).
Wie zal Gods „volkomenlijk” beschrijven, wie zal het begrenzen? David, „van de einden der aarde” (Ps. 135:7); Heman, „in de ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten” (Ps. 88:7); Hizkia, „van de poorten des grafs en de groeve der vertering” (Jes. 38:10, 17); Jeremia, „uit de ondersten kuil”, waar de wateren over zijn hoofd vloeiden, en hij zei: „Ik ben afgesneden!” (Klaagl. 3:54, 55); Jona, „uit de buik des grafs” (Jon. 2:2). Al deze uitnemend onderwezen en diep beproefde heiligen van God kenden zowel het „volkomenlijk” van de mens als dat van God. Zij wisten dat het „volkomenlijk” van de mens zonde, hel en wanhoop was, en dat Gods „volkomenlijk” barmhartigheid, verlossing en de hemel was. Nooit wordt de macht van de voorspraak van onze grote Hogepriester zo duidelijk bewezen als wanneer zij volkomen zalig maakt.
Juist hier erkennen we hoe werkelijk en gezegend het is dat we zo’n Voorspraak hebben bij de Vader, tegen Wie en voor Wiens aangezicht we gezondigd hebben. De Heere maakt het ons mogelijk onze zaak in Zijn handen te leggen, hoe ernstig of hopeloos die ook is, en te wachten totdat we Hem zien verschijnen om ons zalig te maken.
Lezen: Psalm 57
Aan de lezer…
Is uw zaak zo ernstig, dat u denkt dat het te laat is? Kijk dan, lezer, naar dat woord „volkomenlijk”. De heiligen van God hebben gelegen in de ondersten kuil, in duisternis en diepten, aan de poorten des grafs, met de wateren boven hun hoofd. Ze kenden het „volkomenlijk” van de mens: zonde, hel en wanhoop. Maar ze leerden ook Gods „volkomenlijk” kennen: barmhartigheid, verlossing en de hemel.
Er is geen diepte waaruit Hij niet zalig kan maken, want Hij leeft altijd om voor de Zijnen te bidden. Hij is de eeuwig levende Voorspraak aan de rechterhand van de Vader, en Hij kan nog tot een verloren ziel zeggen: „Ik ben uw heil.” Leg dan uw zaak, hoe hopeloos ook, in Zijn handen. Ga door Hem tot God, en wacht tot u Hem ziet verschijnen om u zalig te maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If any man sin, we have an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous: and He is the propitiation for our sins.
1 John 2:1-2
Here the blessed, ever-living Pleader and Advocate at the right hand of the Father comes forward. By applying His blood and love with power, He says to the soul, “I am thy salvation.” Therefore it is said of Him: “Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them” (Heb. 7:25).
Who shall describe God’s “uttermost,” who shall set bounds to it? David, “from the ends of the earth” (Ps. 135:7); Heman, “laid in the lowest pit, in darkness, in the deeps” (Ps. 88:6); Hezekiah, from “the gates of the grave” and “the pit of corruption” (Isa. 38:10, 17); Jeremiah, “out of the low dungeon,” where waters flowed over his head, and he said, “I am cut off” (Lam. 3:54, 55); Jonah, “out of the belly of hell” (Jonah 2:2). All these eminently taught and deeply tried saints of God knew both man’s “uttermost” and God’s. They knew that man’s “uttermost” was sin, hell and despair, and that God’s “uttermost” was mercy, salvation and heaven. Never is the power of the intercession of our great High Priest so clearly proved as when it saves to the uttermost.
Just here we acknowledge how real and blessed it is that we have such an Advocate with the Father, against Whom and before Whose face we have sinned. The Lord enables us to put our case into His hands, however grievous or hopeless it may be, and to wait until we see Him appear to save us.
Reading: Psalm 57
To the reader…
Is your case so grievous that you think it is too late? Then look, dear reader, at that word “uttermost.” The saints of God have lain in the lowest pit, in darkness and in the deeps, at the gates of the grave, with the waters over their heads. They knew man’s “uttermost”: sin, hell and despair. But they also came to know God’s “uttermost”: mercy, salvation and heaven.
There is no depth from which He cannot save, for He ever lives to make intercession for His own. He is the ever-living Advocate at the right hand of the Father, and He can still say to a lost soul, “I am thy salvation.” Put your case, then, however hopeless, into His hands. Come to God by Him, and wait until you see Him appear to save you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si alguno hubiere pecado, abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo; y Él es la propiciación por nuestros pecados.
1 Juan 2:1-2
Aquí se presenta el bendito Intercesor y Abogado, que vive para siempre a la diestra del Padre. Aplicando con poder Su sangre y Su amor, dice al alma: “Yo soy tu salud”. Por eso se dice de Él: “Por lo cual puede también salvar hasta lo sumo a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos” (Heb. 7:25).
¿Quién describirá lo “sumo” de Dios, quién le pondrá límites? David, “de los extremos de la tierra” (Sal. 135:7); Hemán, puesto “en el hoyo profundo, en tinieblas, en honduras” (Sal. 88:6); Ezequías, desde “las puertas del sepulcro” y “el hoyo de corrupción” (Is. 38:10, 17); Jeremías, “desde la cárcel profunda”, cuando las aguas vinieron sobre su cabeza y dijo: “Muerto soy” (Lam. 3:54, 55); Jonás, “del vientre del sepulcro” (Jon. 2:2). Todos estos santos de Dios, eminentemente enseñados y profundamente probados, conocieron tanto lo “sumo” del hombre como lo de Dios. Sabían que lo “sumo” del hombre era pecado, infierno y desesperación, y que lo “sumo” de Dios era misericordia, salvación y cielo. Nunca se prueba tan claramente el poder de la intercesión de nuestro gran Sumo Sacerdote como cuando salva hasta lo sumo.
Precisamente aquí reconocemos cuán real y bendito es que tengamos tal Abogado para con el Padre, contra quien y delante de cuyo rostro hemos pecado. El Señor nos capacita para poner nuestro caso en Sus manos, por grave o desesperado que sea, y para esperar hasta que Le veamos aparecer para salvarnos.
Lectura: Salmo 57
Al lector…
¿Es su caso tan grave que piensa que es demasiado tarde? Entonces mire, querido lector, esa expresión: “hasta lo sumo”. Los santos de Dios han yacido en el hoyo profundo, en tinieblas y en honduras, a las puertas del sepulcro, con las aguas sobre la cabeza. Conocieron lo “sumo” del hombre: pecado, infierno y desesperación. Pero llegaron a conocer también lo “sumo” de Dios: misericordia, salvación y cielo.
No hay hondura de la que Él no pueda salvar, porque vive siempre para interceder por los Suyos. Él es el Abogado que vive para siempre a la diestra del Padre, y todavía puede decir a un alma perdida: “Yo soy tu salud”. Ponga, pues, su caso, por desesperado que sea, en Sus manos. Acérquese a Dios por Él, y espere hasta que Le vea aparecer para salvarle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hoor nu toe, Jozua, gij hogepriester, gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken.
Zacharia 3:8
Een verlost zondaar is een wonderteken voor de engelen om te aanschouwen. Gelijk de apostel zegt: „Wij zijn een schouwspel geworden èn de wereld, èn de engelen, èn de mensen.” De ouden pleegden te zeggen dat een goed mens, die met vele wederwaardigheden worstelde, voor de góden een schouwspel was om te zien. Wij mogen met alle christelijke eenvoudigheid zeggen dat de verborgenheden der verlossing dingen zijn, voor de engelen begerig om in te zien; en wat is er onder deze verborgenheden der verlossing groter dan een verlost zondaar?
Dat een mens, die door de oorspronkelijke en dadelijke zonden niets anders dan de eeuwige toorn Gods waardig is, uit het verderf zou worden opgehaald en hem een recht wordt gegeven op de zaligheid, waarop hij nooit aanspraak heeft kunnen maken, strekt inderdaad te allen tijde tot een heilige verwondering. En dat gij of ik zou opgenomen zijn in de verkiezende liefde van God, ooit aan Jezus zou gegeven zijn tot verlossing, ooit zou levend gemaakt zijn door de Geest om onze verloren, gevallen staat te leren kennen, dat gij of ik ooit zou gezegend worden met enige ontdekking van de Heere Jezus Christus en Zijn reddende genade, dit is en moet altijd zijn een zaak van heilige verwondering hier, en het zal de stof van eeuwige en eindeloze lofzegging zijn hiernamaals.
Om iemand te zien, zo geheel verschillend van wat hij eens was, voorheen zo zorgeloos, vleselijk, onkundig, onverschillig; en dezelfde man nu op zijn knieën te zien, smekend om genade, terwijl de tranen langs zijn wangen biggelen, hem nu hevig ontroerd zijn verzuchtingen te zien uitstorten, terwijl zijn ogen opwaarts geslagen zijn, of hem vergeving zou mogen geschonken worden tot rust van zijn beroerd gemoed — is dit niet iemand op wie wij met verbazing en verwondering moeten zien? Iemand te zien die een toeknikje van Jezus’ vriendelijk aangezicht, een woordje van Zijn van vrede sprekende lippen ver verkiest boven alle voorrechten, genoegens en vriendschap die de wereld bieden kan — waarlijk, indien er een wonder op aarde plaats kan hebben, zodanig één is een wonder.
Was het ook niet zo in het oog der discipelen, toen Paulus het eerst Christus predikte in de synagogen, dat Hij was de Zoon van God? Allen die hem hoorden, verwonderden zich en zeiden: „Is deze niet die eertijds de kerk van God vervolgde?” Zo zien en verwonderen wij ons en ontwaren bij tijden een heilige blijdschap in onze ziel, dat Hij, Die regeert aan de rechterhand Gods, altijd nog paarlen aan Zijn onsterfelijke kroon toevoegt. En wanneer het dan gebeuren mag dat enigen van hen die nauw met ons in het vlees verbonden zijn, worden toegebracht, hetzij man, vrouw, zuster, broeder, kind, betrekkingen of vrienden, dan staren wij daarop niet alleen met een heilige verwondering, maar ook met de tederste genegenheid, en dan mengen wij deze met tranen van dankerkentenis aan de God van alle barmhartigheden.
Aan de lezer…
Hebt u zich wel eens verwonderd, lezer, dat u nog leeft onder de prediking, dat er een zucht naar genade in uw hart is, dat de wereld u niet meer kan vervullen? Wie niets anders dan de eeuwige toorn Gods waardig is en toch uit het verderf wordt opgehaald, is een wonderteken, ook voor de engelen. Misschien ziet u in uzelf alleen nog de oude zorgeloosheid en de vleselijkheid. Maar is er een tranen vergieten op uw knieën en een smeken om vergeving, dan is dat niet uit uzelf.
Want Hij, Die regeert aan de rechterhand Gods, voegt nog altijd paarlen toe aan Zijn kroon. Laat dat ook uw hoop zijn voor wie u lief zijn en nog ver van Hem zijn: een man, een vrouw, een kind. Bid voor hen en geef het niet op. Wat Hij voor anderen deed, kan Hij ook voor u en de uwen doen, tot eeuwige lofzegging van de God van alle barmhartigheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hoor nu toe, Jozua, gij hogepriester, gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken.
Zacharia 3:8
Een verloste zondaar is een wonderteken voor de engelen om te aanschouwen. Zoals de apostel zegt: „Wij zijn een schouwspel geworden èn de wereld, èn de engelen, èn de mensen.” De ouden zeiden vaak dat een goed mens die met veel tegenspoed worstelde, voor de góden een schouwspel was om te zien. Wij mogen in alle christelijke eenvoud zeggen dat de verborgenheden van de verlossing dingen zijn waarin de engelen begerig zijn in te zien. En wat is er onder deze verborgenheden van de verlossing groter dan een verloste zondaar?
Een mens die door de erfzonde en de dadelijke zonden niets anders dan de eeuwige toorn van God verdient, wordt uit het verderf opgehaald en krijgt een recht op de zaligheid, waarop hij nooit aanspraak had kunnen maken. Dat is werkelijk altijd een reden tot heilige verwondering. En dat u of ik opgenomen zouden zijn in de verkiezende liefde van God, ooit aan Jezus gegeven zouden zijn om verlost te worden, ooit door de Geest levend gemaakt zouden zijn om onze verloren, gevallen staat te leren kennen; dat u of ik ooit gezegend zouden worden met enige ontdekking van de Heere Jezus Christus en Zijn reddende genade: dat is en moet hier altijd een zaak van heilige verwondering zijn, en het zal hierna de stof zijn van eeuwige en eindeloze lofzegging.
Iemand te zien die zo totaal anders is dan hij eens was, vroeger zo zorgeloos, vleselijk, onwetend en onverschillig, en diezelfde man nu op zijn knieën te zien, smekend om genade, terwijl de tranen over zijn wangen biggelen; hem nu diep ontroerd zijn verzuchtingen te zien uitstorten, met zijn ogen naar boven gericht, of hem vergeving geschonken mag worden tot rust van zijn verontruste gemoed: is dat niet iemand naar wie wij met verbazing en verwondering moeten kijken? Iemand te zien die een knikje van Jezus’ vriendelijk aangezicht, een woordje van Zijn lippen die vrede spreken, verre verkiest boven alle voorrechten, genoegens en vriendschap die de wereld kan bieden: waarlijk, als er op aarde een wonder kan plaatsvinden, dan is zo iemand een wonder.
Was het ook niet zo in de ogen van de discipelen, toen Paulus voor het eerst in de synagogen Christus predikte, dat Hij de Zoon van God was? Allen die hem hoorden, verwonderden zich en zeiden: „Is deze niet die eertijds de kerk van God vervolgde?” Zo zien wij het ook en verwonderen wij ons, en soms ervaren wij een heilige blijdschap in onze ziel dat Hij, Die regeert aan de rechterhand van God, nog steeds parels aan Zijn onsterfelijke kroon toevoegt. En wanneer het dan mag gebeuren dat sommigen van hen die nauw met ons naar het vlees verbonden zijn, worden toegebracht, of het nu man, vrouw, zuster, broer, kind, familie of vrienden zijn, dan kijken wij daar niet alleen met een heilige verwondering naar, maar ook met de tederste genegenheid. En dan vermengen wij die met tranen van dankbaarheid aan de God van alle barmhartigheden.
Aan de lezer…
Hebt u zich wel eens verwonderd dat u nog leeft onder de prediking, dat er een verlangen naar genade in uw hart is, dat de wereld u niet meer kan vervullen? Wie niets anders dan de eeuwige toorn van God verdient en toch uit het verderf wordt opgehaald, is een wonderteken, ook voor de engelen. Misschien ziet u in uzelf alleen nog de oude zorgeloosheid en vleselijkheid. Maar als er tranen zijn op uw knieën en een smeken om vergeving, dan komt dat niet uit uzelf.
Want Hij, Die regeert aan de rechterhand van God, voegt nog altijd parels toe aan Zijn kroon. Laat dat ook uw hoop zijn voor wie u lief zijn en nog ver van Hem af staan: een man, een vrouw, een kind. Bid voor hen en geef het niet op. Wat Hij voor anderen deed, kan Hij ook voor u en de uwen doen, tot eeuwige lofzegging van de God van alle barmhartigheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hear now, O Joshua the high priest, thou, and thy fellows that sit before thee: for they are men wondered at.
Zechariah 3:8
A saved sinner is a spectacle for angels to contemplate. As the Apostle says, “We are made a spectacle unto the world, and to angels and to men.” The ancients used to say that “a good man struggling with difficulties was a sight for the gods to look at.” We may say, with all Christian truth, that the mysteries of redemption are “things the angels desire to look into;” and among the mysteries of redemption, what greater than a redeemed sinner?
That a man who deserves, by sin original and sin actual, nothing but the eternal wrath of God, should be lifted out of perdition justly merited into salvation to which he can have no claim, must indeed ever be a holy wonder. And that you or I should ever have been fixed on in the electing love of God, ever have been given to Jesus to redeem, ever quickened by the Spirit to feel our lost, ruined state, ever blessed with any discovery of the Lord Jesus Christ and of His saving grace—this is and ever must be a matter of holy astonishment here, and will be a theme for endless praise hereafter.
To see a man altogether so different from what he once was; once so careless, carnal, ignorant, unconcerned; to see that man now upon his knees begging for mercy, the tears streaming down his face, his bosom heaving with convulsive sighs, his eyes looking upward that pardon may reach him in his desperate state—is not that a man to be looked at with wonder and admiration? To see a man preferring one smile from the face of Jesus, and one word from His peace-speaking lips to all the titles, honors, pleasures, and power that the world can bestow; why, surely if there be a wonder upon earth, that man is one.
Was not this the very feeling of the disciples when Saul first “preached Christ in the synagogues, that He is the Son of God?” “All that heard him were amazed, and said, Is not this he that persecuted the Church of God?” So we look and wonder, and feel at times a holy joy that He Who reigns at God’s right hand is ever adding trophies to His immortal crown. And whenever we see any of those near and dear to us in the flesh; be it husband, wife, sister, brother, child, relative, or friend, touched by the finger of this all-conquering Lord, subdued by His grace, and wrought upon by His Spirit, then not only do we look upon such with holy wonder, but with the tenderest affection, mingled with the tears of thankful praise to the God of all our mercies.
To the reader…
Have you ever wondered that you are still alive under the preaching, that there is a longing for grace in your heart, that the world can no longer fill you? Whoever deserves nothing but the eternal wrath of God and yet is lifted out of perdition is a wonder, even to the angels. Perhaps you see in yourself only the old carelessness and carnality. But if there are tears on your knees and a pleading for pardon, that does not come from yourself.
For He Who reigns at the right hand of God is still adding jewels to His crown. Let that be your hope as well for those you love who are still far from Him: a husband, a wife, a child. Pray for them and do not give up. What He has done for others He can also do for you and yours, to the everlasting praise of the God of all mercies.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Escucha pues ahora, Josué gran sacerdote, tú, y tus amigos que se sientan delante de ti; porque son varones simbólicos.
Zacarías 3:8
Un pecador salvado es un espectáculo que los ángeles contemplan. Como dice el apóstol: “Somos hechos espectáculo al mundo, y a los ángeles, y a los hombres”. Los antiguos solían decir que “un hombre bueno luchando con las dificultades era un espectáculo digno de que lo miraran los dioses”. Nosotros podemos decir, con toda verdad cristiana, que los misterios de la redención son cosas “en las cuales desean mirar los ángeles”; y entre los misterios de la redención, ¿qué hay mayor que un pecador redimido?
Que un hombre que, por el pecado original y el pecado actual, no merece otra cosa que la ira eterna de Dios, sea levantado de una perdición justamente merecida a una salvación a la que no puede tener ningún derecho, tiene que ser en verdad siempre una santa maravilla. Y que usted o yo hayamos sido alguna vez objeto del amor electivo de Dios, hayamos sido dados a Jesús para que nos redimiera, vivificados por el Espíritu para sentir nuestro estado perdido y arruinado, bendecidos con algún descubrimiento del Señor Jesucristo y de Su gracia salvadora: esto es y tiene que ser siempre motivo de santo asombro aquí, y será tema de alabanza sin fin en el más allá.
Ver a un hombre tan del todo distinto de lo que era antes; antes tan descuidado, carnal, ignorante, indiferente; ver a ese hombre ahora de rodillas pidiendo misericordia, con las lágrimas corriéndole por el rostro, el pecho agitado por suspiros convulsos, los ojos mirando hacia arriba para que el perdón le alcance en su estado desesperado: ¿no es ese un hombre digno de ser mirado con asombro y admiración? Ver a un hombre que prefiere una sola sonrisa del rostro de Jesús y una sola palabra de Sus labios que hablan paz a todos los títulos, honores, placeres y poder que el mundo puede otorgar; pues, ciertamente, si hay una maravilla sobre la tierra, ese hombre es una.
¿No era este el mismo sentir de los discípulos cuando Saulo por primera vez “predicaba a Cristo en las sinagogas, diciendo que éste era el Hijo de Dios”? “Y todos los que le oían estaban atónitos, y decían: ¿No es éste el que perseguía a la iglesia de Dios?” Así miramos y nos maravillamos, y a veces sentimos un santo gozo de que Aquel que reina a la diestra de Dios esté siempre añadiendo trofeos a Su corona inmortal. Y siempre que vemos a alguno de los que nos son cercanos y queridos según la carne —sea esposo, esposa, hermana, hermano, hijo, pariente o amigo— tocado por el dedo de este Señor que todo lo vence, sometido por Su gracia y obrado por Su Espíritu, entonces no solo miramos a tal persona con santo asombro, sino con el más tierno afecto, mezclado con lágrimas de alabanza agradecida al Dios de todas nuestras misericordias.
Al lector…
¿Se ha maravillado usted alguna vez de seguir vivo bajo la predicación, de que haya en su corazón un anhelo de gracia, de que el mundo ya no pueda llenarle? Quien no merece otra cosa que la ira eterna de Dios y, sin embargo, es levantado de la perdición es una maravilla, aun para los ángeles. Quizás usted solo ve en sí mismo el antiguo descuido y la carnalidad. Pero si hay lágrimas de rodillas y un ruego por perdón, eso no viene de usted mismo.
Porque Aquel que reina a la diestra de Dios sigue añadiendo joyas a Su corona. Que esa sea también su esperanza para los que usted ama y que aún están lejos de Él: un esposo, una esposa, un hijo. Ore por ellos y no se dé por vencido. Lo que Él ha hecho por otros, puede hacerlo también por usted y los suyos, para alabanza eterna del Dios de todas las misericordias.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl