5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.
1 Johannes 2:15
Dit zijn woorden met een ruime betekenis. Ze reiken een hand die veel kan omvatten. Ze plaatsen ons als het ware op een hoge berg, zoals die waarop de Heere stond toen Hij door satan verzocht werd, en zeggen tot ons: „Zie om u heen; er is niet één van deze dingen die u mag liefhebben.” Ze nemen ons mee naar de straten van een drukke stad; ze tonen ons etalages vol mooie en sierlijke voorwerpen. Ze wijzen op alle rijkdom en grootsheid van de groten en edelen, en op alles wat het menselijk hart bewondert en liefheeft. Zoals satan voor onze Heere op de berg de koninkrijken van de wereld had gesteld, zeggen zij niet, zoals satan zei: „Dit alles zal ik u geven”, maar: „Dit alles zal ik van u nemen.”
Niets van deze dingen is voor u. U mag niets van deze prachtige onbeduidende dingen liefhebben. U mag ze zelfs niet aanraken, ja, er zelfs niet naar kijken, om te voorkomen dat zij u verleiden zoals het goud en het Babylonische kleed van Achan, zodat u ze neemt en in uw tent verbergt. Het gebod leidt ons door de wereld zoals een moeder haar kind door een winkel vol speelgoed en sieraden leidt en zegt: „Die dingen mag je niet aanraken.” Zo gaan ook wij met dit bevel door de wereld, en als wij al dat speelgoed en die sieraden hebben gezien, klinkt het in onze oren: „Raak ze niet aan, geen enkele; ze zijn niet van u; u mag ze niet genieten, zelfs niet begeren.” Zouden de woorden „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is” niet altijd in het oor van Gods kinderen moeten klinken?
’t Rechtvaardig volk zal zich verblijden,
betrouwend op de Heer alleen;
d’oprechten zullen weltevreên,
terwijl zij Hem hun harten wijden,
zijn naam belijden.
Ps. 64:10
Aan de lezer…
Hoe sterk kan de wereld trekken, ook aan uw hart! Haar etalages zijn vol, haar rijkdom en grootsheid lokken, en het hart bewondert zo snel wat voor ogen is. Ik verzwijg niet hoe streng het gebod is: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.” Het neemt ons niet slechts iets af; het zegt van alles wat glanst: het is niet van u, raak het niet aan, begeer het zelfs niet. Want wie de wereld liefheeft, in hem is de liefde des Vaders niet.
Toch spreekt hier geen harde meester, maar een Vader. Zoals een moeder haar kind aan de hand door een winkel vol speelgoed leidt en zegt: „Dat mag je niet aanraken”, zo leidt de Heere Zijn kinderen door de wereld. Is uw hart nog aan die dingen gebonden? Belijd het Hem eerlijk en vraag om Zijn liefde in uw hart, want wie die liefde smaakt, laat het speelgoed van de wereld gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.
1 Johannes 2:15
Dit zijn woorden met een ruime betekenis. Zij reiken een hand uit die veel kan omvatten. Zij plaatsen ons als het ware op een hoge berg, zoals die waarop de Heere stond toen Hij door satan verzocht werd, en zeggen tegen ons: „Kijk om u heen: er is niet één van al deze dingen die u mag liefhebben.” Zij nemen ons mee door de straten van een drukke stad en tonen ons etalages vol mooie en sierlijke voorwerpen. Zij wijzen op alle rijkdom en grootsheid van de groten en edelen, en op alles wat het menselijk hart bewondert en liefheeft. Zoals satan onze Heere op de berg de koninkrijken van de wereld voorhield, zo houden ook deze woorden ons alles voor, maar zij zeggen niet, zoals satan: „Dit alles zal ik u geven”, maar: „Dit alles zal ik van u nemen.”
Niets van deze dingen is voor u. U mag niets van al die prachtige nietigheden liefhebben. U mag ze zelfs niet aanraken, ja, er zelfs niet naar kijken, opdat zij u niet verleiden zoals het goud en het Babylonische kleed Achan verleidden, zodat u ze neemt en in uw tent verbergt. Het gebod leidt ons door de wereld zoals een moeder haar kind door een winkel vol speelgoed en sieraden leidt en zegt: „Die dingen mag je niet aanraken.” Zo gaan ook wij met dit bevel door de wereld. En als wij al dat speelgoed en al die sieraden hebben gezien, klinkt het in onze oren: „Raak ze niet aan, geen enkele; ze zijn niet van u; u mag ze niet genieten, zelfs niet begeren.” Zouden de woorden „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is” niet altijd in het oor van Gods kinderen moeten klinken?
’t Rechtvaardig volk zal zich verblijden,
betrouwend op de Heer alleen;
d’oprechten zullen weltevreên,
terwijl zij Hem hun harten wijden,
zijn naam belijden.
Ps. 64:10
Aan de lezer…
Hoe sterk kan de wereld trekken, ook aan uw hart! Haar etalages zijn vol, haar rijkdom en grootsheid lokken, en het hart bewondert zo snel wat voor ogen is. Ik verzwijg niet hoe streng het gebod is: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.” Het neemt ons niet maar iets af; het zegt van alles wat glanst: het is niet van u, raak het niet aan, begeer het zelfs niet. Want wie de wereld liefheeft, in hem is de liefde van de Vader niet.
Toch spreekt hier geen harde meester, maar een Vader. Zoals een moeder haar kind aan de hand door een winkel vol speelgoed leidt en zegt: „Dat mag je niet aanraken”, zo leidt de Heere Zijn kinderen door de wereld. Is uw hart nog aan die dingen gebonden? Belijd het Hem eerlijk en vraag om Zijn liefde in uw hart. Want wie die liefde smaakt, laat het speelgoed van de wereld los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world.
1 John 2:15
This is a very wide sentence. It stretches forth a hand of vast grasp. It places us, as it were, upon a high mountain, such as the Lord stood upon when tempted of Satan, and it says to us, “Look around you—now there is not one of these things which you must love.” It takes us, again, to the streets of a crowded city; it shows us shop windows filled with objects of beauty and ornament; it points us to all the wealth and grandeur of the rich and noble, and everything that the human heart admires and loves.
And having thus set before us, as Satan did before our Lord upon the high mountain, the kingdoms of the world, it says, not as he did, “All this will I give you,” but, “All this I take from you. None of these things are for you. You must not love one of these glittering baubles; you must not touch one of them, or scarcely look at them, lest, as with Achan, the golden wedge and the Babylonish garment should tempt you to take them and hide them in your tent.”
The precept takes us through the world as a mother takes a child through a bazaar, with playthings and ornaments on every side, and says, “You must not touch one of these things.” In some such similar way the precept would, as it were, take us through the world, and when we had looked at all its playthings and its ornaments, it would sound in our ears, “Don’t touch any one of them; they are not yours; not for you to enjoy, not for you even to covet.” Can anything less than this be intended by those words which should be ever sounding in the ears of the children of God, “Love not the world, neither the things that are in the world?”
To the reader…
How strongly the world can pull, at your heart too! Its shop windows are full, its wealth and grandeur entice, and the heart so quickly admires what is before its eyes. I will not hide how strict the command is: “Love not the world, neither the things that are in the world.” It does not merely take something from us; it says of everything that glitters: it is not yours, do not touch it, do not even covet it. For if any man love the world, the love of the Father is not in him.
Yet it is not a harsh master who speaks here, but a Father. Just as a mother leads her child by the hand through a shop full of toys and says, “You may not touch that,” so the Lord leads His children through the world. Is your heart still bound to those things? Confess it honestly to Him and ask for His love in your heart. For whoever tastes that love lets go of the playthings of the world.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo.
1 Juan 2:15
Esta es una sentencia muy amplia. Extiende una mano de vasto alcance. Nos coloca, por así decirlo, sobre un monte alto, como aquel sobre el cual estuvo el Señor cuando fue tentado por Satanás, y nos dice: “Mire a su alrededor: no hay una sola de estas cosas que usted deba amar”. Nos lleva, además, a las calles de una ciudad populosa; nos muestra escaparates llenos de objetos de belleza y adorno; nos señala toda la riqueza y grandeza de los ricos y los nobles, y todo lo que el corazón humano admira y ama.
Y habiendo puesto así delante de nosotros, como hizo Satanás delante de nuestro Señor sobre el monte alto, los reinos del mundo, nos dice, no como él: “Todo esto te daré”, sino: “Todo esto te lo quito. Ninguna de estas cosas es para ti. No debes amar ni una de estas baratijas relucientes; no debes tocar ni una de ellas, ni apenas mirarlas, no sea que, como a Acán, el lingote de oro y el manto babilónico te tienten a tomarlos y esconderlos en tu tienda”.
El precepto nos lleva por el mundo como una madre lleva a un niño por un bazar, con juguetes y adornos por todos lados, y le dice: “No debes tocar ninguna de estas cosas”. De un modo parecido el precepto nos llevaría, por así decirlo, por el mundo, y cuando hubiéramos mirado todos sus juguetes y adornos, resonaría en nuestros oídos: “No toques ninguno de ellos; no son tuyos; no son para que los goces, ni siquiera para que los codicies”. ¿Puede pretenderse algo menos que esto con aquellas palabras que deberían resonar siempre en los oídos de los hijos de Dios: “No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo”?
Al lector…
¡Con qué fuerza puede tirar el mundo, también de su corazón! Sus escaparates están llenos, su riqueza y grandeza atraen, y el corazón admira tan pronto lo que tiene delante de los ojos. No ocultaré cuán estricto es el mandamiento: “No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo”. No solo nos quita algo; dice de todo lo que reluce: no es tuyo, no lo toques, ni siquiera lo codicies. Porque si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él.
Sin embargo, no es un amo duro quien habla aquí, sino un Padre. Así como una madre lleva a su hijo de la mano por una tienda llena de juguetes y le dice: “Eso no lo puedes tocar”, así lleva el Señor a Sus hijos por el mundo. ¿Está su corazón todavía atado a esas cosas? Confiéselo sinceramente a Él y pídale Su amor en su corazón. Porque quien gusta ese amor suelta los juguetes del mundo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zaligmaken dat verloren was
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Heere kwam om ons te verlossen van de zonde. Er zijn vijf dingen die met de zonde verband houden waarvoor de Heere kwam om ons te verlossen. Er is de schuld van de zonde. Deze ligt zwaar en krachtig op elk geweten waar de wet binnengaat, en waar de zuiverheid, heiligheid en majesteit van God worden geopenbaard.
Er is het vuil van de zonde. De zonde geeft niet als het ware slechts een steek in het geweten, of liever gezegd, de wet die de toorn Gods kenbaar maakt vanwege de zonde brengt een schuldenlast met zich mee. Het vuil van de zonde verontreinigt en bezoedelt echter ook het hart en de verbeelding.
Er is de afschuwelijke liefde voor de zonde. „O,” zegt u, „een kind van God kan toch niet van de zonde houden? Ik heb, sinds ik met godsdienst in aanraking ben gekomen, altijd geleerd dat als iemand wordt herboren, hij liefheeft wat hij haatte, en haat wat hij liefhad. Daarom kunt u mij er nooit van overtuigen dat er zoiets in mijn hart is als liefde om te zondigen!” Ik wil u niet overtuigen; ik wil dat u uzelf overtuigt. En als u evenveel van het menselijk hart afwist als sommigen, zou u pijnlijk genoeg weten dat er in de vleselijke geest vijandschap tegenover God bestaat, en liefde voor het kwaad. Begrijpt u mij niet verkeerd. In de vleselijke geest.
Er is de macht van de zonde. „De zonde zal over u niet heersen.” Waarom? „Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade” (Rom. 6:14). „Jawel,” zegt u, „maar de zonde heeft macht.” Dat is zeker zo. Maar wat geeft de zonde haar macht? Liefde. O, wat een geheimzinnige macht heeft de zonde in onze vleselijke geest! Mensen zeggen dat ze niet van de zonde houden. „O, dat is afschuwelijk!” roepen ze uit. Maar de zonde houdt van hen, ook al houden zij niet van de zonde. Wat maakt hen anders zo hoogmoedig, zo aanmatigend, zo werelds?
Er is het begaan van zonden. Bent u heel zuiver in dit opzicht? Zou u het kunnen verdragen elke dag van de week, elk uur van de dag te worden gevolgd? Zou u willen dat een prediker van het Evangelie u altijd achtervolgde, en in de gaten hield wat u zegt en wat u doet, en hoe u de hele dag leeft? „Nee,” zegt u, „ik denk soms dat ik liever zou wegkruipen.” Dus, ofschoon God u uiterlijk behoedt voor onbetamelijke dingen (God geve dat dit zo is!), wie is er toch niet in enige mate schuldig aan een misstap, een val? Wie kan zeggen dat hij zijn ogen, zijn handen, zijn voeten of zijn tong zo zuiver houdt als zou moeten?
Lezen: Jeremia 3
Aan de lezer…
Durft u, lezer, eerlijk naar uw eigen hart te kijken? Ik noem u vijf dingen: de schuld, het vuil, de liefde, de macht en het begaan van de zonde. Wellicht schrikt u het meest van die liefde voor de zonde, en zegt u: „Dat kan bij een kind van God toch niet zijn?” Maar wie zou het kunnen verdragen elk uur van de dag gevolgd te worden? Wie houdt zijn ogen, handen, voeten en tong zo zuiver als zou moeten?
Laat zulk zelfonderzoek u niet in moedeloosheid wegdrijven, maar naar Hem toe. Want juist hiervan kwam de Heere ons verlossen. Van de zonde wordt het woord gesproken: „De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Wat de wet slechts aanwijst, neemt Christus weg. Breng Hem dan uw schuld en uw vuil, en ook die geheimzinnige liefde die u in uw vlees ontdekt, en vraag Hem dat Hij uw hart van haar losmaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Heere kwam om ons van de zonde te verlossen. Er zijn vijf dingen die met de zonde samenhangen en waarvan de Heere ons kwam verlossen. Daar is de schuld van de zonde. Die ligt zwaar en krachtig op elk geweten waar de wet binnenkomt en waar de reinheid, heiligheid en majesteit van God geopenbaard worden.
Daar is het vuil van de zonde. De zonde geeft niet slechts als het ware een steek in het geweten; of liever gezegd, de wet, die de toorn van God over de zonde bekendmaakt, brengt een last van schuld mee. Maar het vuil van de zonde verontreinigt en bezoedelt ook het hart en de verbeelding.
Daar is de afschuwelijke liefde tot de zonde. „O,” zegt u, „een kind van God kan toch niet van de zonde houden? Ik heb, sinds ik met godsdienst in aanraking ben gekomen, altijd geleerd dat als iemand wordt herboren, hij liefheeft wat hij haatte, en haat wat hij liefhad. Daarom kunt u mij er nooit van overtuigen dat er zoiets in mijn hart is als liefde om te zondigen!” Ik wil u niet overtuigen; ik wil dat u uzelf overtuigt. En als u evenveel van het menselijk hart wist als sommigen, zou u pijnlijk genoeg weten dat er in de vleselijke gezindheid vijandschap tegen God is, en liefde tot het kwaad. Begrijp mij niet verkeerd: in de vleselijke gezindheid.
Daar is de macht van de zonde. „De zonde zal over u niet heersen.” Waarom niet? „Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade” (Rom. 6:14). „Jawel,” zegt u, „maar de zonde heeft macht.” Dat is zeker zo. Maar wat geeft de zonde haar macht? Liefde. O, wat een geheimzinnige macht heeft de zonde in onze vleselijke gezindheid! Mensen zeggen dat ze niet van de zonde houden. „O, die is afschuwelijk!” roepen ze uit. Maar de zonde houdt van hen, ook al houden zij niet van de zonde. Wat maakt hen anders zo hoogmoedig, zo aanmatigend, zo werelds?
Daar is het begaan van zonden. Bent u in dit opzicht heel rein? Zou u het kunnen verdragen om elke dag van de week, elk uur van de dag gevolgd te worden? Zou u willen dat een prediker van het Evangelie u altijd achternaliep en in de gaten hield wat u zegt en doet, en hoe u de hele dag leeft? „Nee,” zegt u, „ik denk soms dat ik liever zou wegkruipen.” Dus ook al bewaart God u uiterlijk voor onbetamelijke dingen (God geve dat het zo is!), wie is er toch niet in enige mate schuldig aan een misstap, een val? Wie kan zeggen dat hij zijn ogen, zijn handen, zijn voeten of zijn tong zo rein houdt als hij zou moeten?
Lezen: Jeremia 3
Aan de lezer…
Durft u, lezer, eerlijk naar uw eigen hart te kijken? Ik noem u vijf dingen: de schuld, het vuil, de liefde, de macht en het begaan van de zonde. Misschien schrikt u het meest van die liefde tot de zonde, en zegt u: „Dat kan bij een kind van God toch niet zo zijn?” Maar wie zou het kunnen verdragen elk uur van de dag gevolgd te worden? Wie houdt zijn ogen, handen, voeten en tong zo rein als hij zou moeten?
Laat zulk zelfonderzoek u niet in moedeloosheid wegdrijven, maar naar Hem toe. Want juist hiervan kwam de Heere ons verlossen. Van de zonde wordt het woord gesproken: „De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Wat de wet alleen aanwijst, neemt Christus weg. Breng Hem dan uw schuld en uw vuil, en ook die geheimzinnige liefde die u in uw vlees ontdekt, en vraag Hem of Hij uw hart daarvan losmaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
The Lord came to save us from sin. There are five things connected with sin from which the Lord came to save us. There is the guilt of sin. That lies heavily and powerfully on every conscience into which the law enters and to which the purity, holiness and majesty of God are revealed.
There is the filth of sin. Sin does not merely give, as it were, a sting to the conscience; or rather, the law, which makes known the wrath of God against sin, brings with it a burden of guilt. But the filth of sin also defiles and pollutes the heart and the imagination.
There is the horrible love of sin. “Oh,” you say, “surely a child of God cannot love sin? Ever since I came into contact with religion I have always been taught that when a man is born again, he loves what he hated, and hates what he loved. So you can never convince me that there is such a thing in my heart as a love of sinning!” I do not want to convince you; I want you to convince yourself. And if you knew as much of the human heart as some do, you would know painfully enough that in the carnal mind there is enmity against God, and love of evil. Do not misunderstand me: in the carnal mind.
There is the power of sin. “Sin shall not have dominion over you.” Why not? “For ye are not under the law, but under grace” (Rom. 6:14). “Yes,” you say, “but sin has power.” That it certainly has. But what gives sin its power? Love. Oh, what a mysterious power sin has in our carnal mind! People say they do not love sin. “Oh, it is hateful!” they cry. But sin loves them, even if they do not love sin. What else makes them so proud, so presumptuous, so worldly?
There is the commission of sin. Are you very clean in this respect? Could you bear to be followed every day of the week, every hour of the day? Would you like a preacher of the gospel always to walk behind you and watch what you say and do, and how you live the whole day long? “No,” you say, “I think I would sometimes rather creep away.” So even though God keeps you outwardly from unseemly things (God grant that He may!), who is not in some measure guilty of a slip, a fall? Who can say that he keeps his eyes, his hands, his feet or his tongue as clean as he ought?
Reading: Jeremiah 3
To the reader…
Do you dare, reader, to look honestly at your own heart? I have named five things for you: the guilt, the filth, the love, the power and the commission of sin. Perhaps you are most alarmed by that love of sin, and say, “Surely that cannot be so with a child of God?” But who could bear to be followed every hour of the day? Who keeps his eyes, hands, feet and tongue as clean as he ought?
Do not let such self-examination drive you into despondency, but to Him. For it was from just this that the Lord came to save us. Of sin the word is spoken: “Sin shall not have dominion over you: for ye are not under the law, but under grace.” What the law can only point out, Christ takes away. So bring Him your guilt and your filth, and also that mysterious love you discover in your flesh, and ask Him to set your heart free from it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
El Señor vino a salvarnos del pecado. Hay cinco cosas relacionadas con el pecado de las cuales el Señor vino a salvarnos. Está la culpa del pecado. Esta pesa con fuerza y poder sobre toda conciencia en la que entra la ley y a la que se revelan la pureza, la santidad y la majestad de Dios.
Está la inmundicia del pecado. El pecado no solo da, por así decirlo, un aguijón a la conciencia; o más bien, la ley, que da a conocer la ira de Dios contra el pecado, trae consigo una carga de culpa. Pero la inmundicia del pecado también mancha y contamina el corazón y la imaginación.
Está el horrible amor al pecado. “Oh”, dice usted, “¿acaso un hijo de Dios puede amar el pecado? Desde que entré en contacto con la religión siempre se me ha enseñado que cuando un hombre nace de nuevo, ama lo que aborrecía y aborrece lo que amaba. ¡Así que nunca podrá convencerme de que haya en mi corazón tal cosa como un amor al pecar!” No quiero convencerle yo; quiero que se convenza usted mismo. Y si supiera tanto del corazón humano como algunos saben, sabría con bastante dolor que en la mente carnal hay enemistad contra Dios, y amor al mal. No me malentienda: en la mente carnal.
Está el poder del pecado. “El pecado no se enseñoreará de vosotros.” ¿Por qué no? “Pues no estáis bajo la ley, sino bajo la gracia” (Rom. 6:14). “Sí”, dice usted, “pero el pecado tiene poder.” Eso sí que lo tiene. Pero ¿qué le da al pecado su poder? El amor. ¡Oh, qué poder misterioso tiene el pecado en nuestra mente carnal! La gente dice que no ama el pecado. “¡Oh, es aborrecible!”, claman. Pero el pecado los ama a ellos, aunque ellos no amen el pecado. ¿Qué otra cosa los hace tan orgullosos, tan presuntuosos, tan mundanos?
Está la comisión del pecado. ¿Es usted muy limpio en este respecto? ¿Soportaría ser seguido cada día de la semana, cada hora del día? ¿Le gustaría que un predicador del evangelio caminara siempre detrás de usted y observara lo que dice y hace, y cómo vive el día entero? “No”, dice usted, “creo que a veces preferiría escabullirme.” Así que, aunque Dios le guarde exteriormente de cosas indecorosas (¡Dios quiera que así sea!), ¿quién no es en alguna medida culpable de un tropiezo, de una caída? ¿Quién puede decir que guarda sus ojos, sus manos, sus pies o su lengua tan limpios como debiera?
Lectura: Jeremías 3
Al lector…
¿Se atreve usted, lector, a mirar sinceramente su propio corazón? Le he nombrado cinco cosas: la culpa, la inmundicia, el amor, el poder y la comisión del pecado. Quizá lo que más le alarma es ese amor al pecado, y dice: “¿Acaso puede ser así en un hijo de Dios?” Pero ¿quién soportaría ser seguido cada hora del día? ¿Quién guarda sus ojos, manos, pies y lengua tan limpios como debiera?
No deje que tal examen de sí mismo le arrastre al desaliento, sino hacia Él. Porque fue precisamente de esto de lo que el Señor vino a salvarnos. Del pecado se ha dicho esta palabra: “El pecado no se enseñoreará de vosotros; pues no estáis bajo la ley, sino bajo la gracia.” Lo que la ley solo puede señalar, Cristo lo quita. Tráigale, pues, su culpa y su inmundicia, y también ese amor misterioso que descubre en su carne, y pídale que libere de él su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het Noorden; de stad des groten Konings.
Psalm 48:3
Wij hebben wel eens gedacht, dat de reden, waarom Sion zinnebeeldig de Koninklijke troon van Jezus voorstelt, door velen niet goed begrepen wordt. De berg Sion was letterlijk een steile heuvel van de stad Jeruzalem, zó steil en ontoegankelijk, dat gedurende geslachten de kinderen Israëls er geen bezit van konden nemen. Het bleef als een klein Gibraltar in de handen der Jebusieten, de oorspronkelijke bewoners van die plaats. „Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe”, Jozua 15:63.
Maar toen David tot koning over Israël gezalfd was, en hij zeven jaren en zes maanden te Hebron geregeerd had, wendde hij zijn oog naar Jeruzalem, als een verkieslijke hoofdstad en een meer geschikte zetel voor zijn uitgestrekt koninkrijk. Doch zolang de heuvel van Sion bezet was door de oorlogszuchtige Jebusieten, wilden zij hun bevel over het lagere deel der stad behouden. Zijn eerste stap derhalve was met Gods hulp de Jebusieten uit hun sterkte te verdrijven. Maar zó sterk was dit bolwerk, door de natuur en de kunst verkregen, dat dezen al zijn pogingen om het in te nemen bespotten. Zij zetten de blinde en de lamme soldaten van het garnizoen op de wallen; wij zouden hen de afgedankte invaliden van het leger noemen. Zij konden dus noch zien, noch wandelen, en dezen achtten zij ruim voldoende om Davids pogingen tot inname te kunnen verijdelen, 2 Sam. 5:6-8.
Joab echter, met het uitzicht op een beloning, want hij was Davids overste, beklom de heuvel, sloeg de lammen en de blinden op de muur en de Jebusieten achter de muur en nam bezit van de begeerde plaats, 1 Kron. 11:6. Daar woonde David voortaan als haar overwinnaar als in een kasteel; daar vestigde hij zijn koninklijk huis en vandaar zwaaide hij zijn scepter over gans Israël, van Dan tot Berseba toe. Haar naam was zeer voorbeeldig, want zij beduidt letterlijk „zonnig”, of „op wat schijnen”, omdat zij naar het Zuiden zag en zich koesterde in de stralen van de warme zon.
Zo werd de zonnige heuvel van Sion, als een heuvel van overwinning, en als de koninklijke zetel van David een passend zinnebeeld van Jezus’ troon in het hof daarboven, wettelijk overwonnen, Openb. 3:21. Aldaar nu is Zijn Koninklijk paleis en regeert Hij als de gezalfde Koning van hemel en aarde. Zo stelt de berg Sion niet het kruis voor, maar de kroon, niet de wet, maar het Evangelie, niet de oorlog, maar de overwinning.
Aan de lezer…
Deze woorden over de berg Sion vragen u: waarheen richt u uw ogen? Misschien ziet u vooral uw eigen strijd, de vijanden die nog op de muren staan en die spotten met al uw pogingen. Maar zie eens op de berg Sion. Wat voor geslachten onneembaar scheen, werd ingenomen; en daar vestigde de koning zijn troon. Zo heeft ook de Heere Jezus overwonnen, en regeert Hij nu als de gezalfde Koning van hemel en aarde.
Sion betekent „zonnig”, een heuvel die zich koestert in de warme stralen van het Zuiden. Zo is het Evangelie: het stelt niet de wet maar de genade voor, niet de oorlog maar de overwinning, niet het kruis alleen maar de kroon. Hebt u koude en donkere dagen, zoek dan de warmte van Zijn troon. „Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het Noorden; de stad des groten Konings.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het Noorden; de stad des groten Konings.
Psalm 48:3
Wij hebben wel eens gedacht dat velen niet goed begrijpen waarom Sion zinnebeeldig de koninklijke troon van Jezus voorstelt. De berg Sion was letterlijk een steile heuvel van de stad Jeruzalem, zo steil en ontoegankelijk dat de kinderen Israëls er geslachten lang geen bezit van konden nemen. Hij bleef als een klein Gibraltar in de handen van de Jebusieten, de oorspronkelijke bewoners van die plaats. „Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe”, Jozua 15:63.
Maar toen David tot koning over Israël gezalfd was en hij zeven jaar en zes maanden in Hebron geregeerd had, richtte hij zijn oog op Jeruzalem, als een betere hoofdstad en een meer geschikte zetel voor zijn uitgestrekte koninkrijk. Maar zolang de heuvel Sion bezet was door de oorlogszuchtige Jebusieten, wilden zij ook hun gezag over het lagere deel van de stad behouden. Zijn eerste stap was daarom om met Gods hulp de Jebusieten uit hun vesting te verdrijven. Maar dit bolwerk was door natuur en kunst zo sterk gemaakt, dat zij met al zijn pogingen om het in te nemen spotten. Zij zetten de blinde en de lamme soldaten van het garnizoen op de wallen; wij zouden hen de afgedankte invaliden van het leger noemen. Zij konden dus zien noch lopen, en toch achtten zij hen ruim voldoende om Davids pogingen tot inname te verijdelen, 2 Sam. 5:6-8.
Joab echter, die een beloning in het vooruitzicht had, want hij zou Davids overste worden, beklom de heuvel, sloeg de lammen en de blinden op de muur en de Jebusieten achter de muur, en nam de begeerde plaats in bezit, 1 Kron. 11:6. Daar woonde David voortaan als haar overwinnaar, als in een kasteel; daar vestigde hij zijn koninklijk huis en van daaruit zwaaide hij zijn scepter over heel Israël, van Dan tot Berseba toe. Haar naam was zeer veelzeggend, want die betekent letterlijk „zonnig”, of „waarop de zon schijnt”, omdat zij op het zuiden lag en zich koesterde in de stralen van de warme zon.
Zo werd de zonnige heuvel Sion, als een heuvel van overwinning en als de koninklijke zetel van David, een passend zinnebeeld van de troon van Jezus in het hof daarboven, rechtmatig veroverd, Openb. 3:21. Daar is nu Zijn koninklijk paleis en daar regeert Hij als de gezalfde Koning van hemel en aarde. Zo stelt de berg Sion niet het kruis voor, maar de kroon; niet de wet, maar het Evangelie; niet de oorlog, maar de overwinning.
Aan de lezer…
Deze woorden over de berg Sion vragen u: waarheen richt u uw ogen? Misschien ziet u vooral uw eigen strijd, de vijanden die nog op de muren staan en die spotten met al uw pogingen. Maar zie eens naar de berg Sion. Wat geslachten lang onneembaar leek, werd ingenomen, en daar vestigde de koning zijn troon. Zo heeft ook de Heere Jezus overwonnen, en regeert Hij nu als de gezalfde Koning van hemel en aarde.
Sion betekent „zonnig”, een heuvel die zich koestert in de warme stralen van het zuiden. Zo is het Evangelie: het stelt niet de wet maar de genade voor, niet de oorlog maar de overwinning, niet het kruis alleen maar de kroon. Hebt u koude en donkere dagen? Zoek dan de warmte van Zijn troon. „Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het Noorden; de stad des groten Konings.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Beautiful for situation, the joy of the whole earth, is mount Zion, on the sides of the north, the city of the great King.”
Psalm 48:2
We have sometimes thought that the reason why Zion typically represents the royal throne of Jesus, is by many not well understood. Mount Zion literally was a steep hill of Jerusalem, so steep and inaccessible that for generations after the children of Israel had gained possession of the land, it still remained, like a little Gibraltar, in the hands of the Jebusites, the original inhabitants of the place. “As for the Jebusites, the inhabitants of Jerusalem, the children of Judah could not drive them out; but the Jebusites dwell with the children of Judah at Jerusalem unto this day” (Josh. 15:63).
But when David was anointed king over Israel, and had reigned at Hebron seven years and six months, he cast his eyes toward Jerusalem, as a preferable metropolis, and a more suitable seat of his extended empire. But as long as the hill of Zion was occupied by the warlike Jebusites, they would retain their command of the lower city. His first step, therefore, was, with the help of God, to dispossess the Jebusites of this their stronghold. But so strong was this hill-fort by nature and art, that the Jebusites ridiculed all his attempts to capture it, putting on the ramparts “the blind and the lame” soldiers of the garrison, what we would call the worn-out invalids of the army, as if these Chelsea pensioners, who could neither see nor walk, were amply sufficient to baffle all David’s attempts at its capture (2 Sam. 5:6-8).
Joab, however, as a prize set before him, for which he was to be David’s chief captain, mounted the hill, smote the lame and the blind on the wall, and the Jebusites behind the wall, and won possession of the coveted spot (1 Chron. 11:6). There David henceforward dwelt, as its conqueror, as in a castle; there he fixed his royal abode, and thence he swayed his scepter over the whole land of Israel, from Dan to Beersheba. Its very name was typical, for it signifies literally, “sunny,” or “shine upon,” as facing the south, and ever basking in the rays of the warm sun.
Thus the sunny hill of Zion, as a hill of conquest, and as the royal seat of David, became a suitable type of the throne of Jesus in the courts above, won by lawful conquest (Rev. 3:21), where is now His royal palace, and where He rules and reigns as the anointed King of heaven and earth. Thus mount Zion typically represents not the cross, but the crown; not the law, but the gospel; not the battle, but the victory.
To the reader…
These words about mount Zion ask you: where are you turning your eyes? Perhaps you see mostly your own struggle, the enemies still standing on the walls and mocking all your efforts. But look at mount Zion. What for generations seemed impregnable was taken, and there the king set up his throne. So too the Lord Jesus has conquered, and He now reigns as the anointed King of heaven and earth.
Zion means “sunny”, a hill basking in the warm rays of the south. So it is with the gospel: it sets before you not the law but grace, not the war but the victory, not the cross alone but the crown. Do you have cold and dark days? Then seek the warmth of His throne. “Beautiful for situation, the joy of the whole earth, is mount Zion, on the sides of the north, the city of the great King.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Hermosa provincia, el gozo de toda la tierra es el monte de Sion, a los lados del aquilón, la ciudad del gran Rey.”
Salmo 48:2
A veces hemos pensado que muchos no entienden bien la razón por la que Sion representa en figura el trono real de Jesús. El monte de Sion era literalmente una colina empinada de Jerusalén, tan empinada e inaccesible que, durante generaciones después de que los hijos de Israel hubieron tomado posesión de la tierra, seguía todavía, como un pequeño Gibraltar, en manos de los jebuseos, los habitantes originales del lugar. “Mas a los jebuseos que habitaban en Jerusalén, los hijos de Judá no los pudieron desarraigar; antes quedó el jebuseo en Jerusalén con los hijos de Judá, hasta hoy” (Jos. 15:63).
Pero cuando David fue ungido rey sobre Israel, y hubo reinado en Hebrón siete años y seis meses, puso los ojos en Jerusalén como capital preferible y sede más adecuada de su extenso reino. Pero mientras la colina de Sion estuviera ocupada por los belicosos jebuseos, estos conservarían su dominio sobre la ciudad baja. Su primer paso fue, por tanto, con la ayuda de Dios, desalojar a los jebuseos de esta su fortaleza. Pero tan fuerte era este fuerte de la colina, por naturaleza y por arte, que los jebuseos se burlaban de todos sus intentos de tomarlo, poniendo sobre las murallas a “los ciegos y los cojos”, soldados de la guarnición, lo que nosotros llamaríamos los inválidos gastados del ejército, como si estos pensionistas de Chelsea, que no podían ni ver ni andar, bastaran sobradamente para frustrar todos los intentos de David de tomarla (2 Sam. 5:6-8).
Joab, sin embargo, con un premio puesto delante de él, por el cual había de ser el jefe principal de David, subió la colina, hirió a los cojos y a los ciegos sobre la muralla y a los jebuseos detrás de la muralla, y ganó la posesión del codiciado lugar (1 Crón. 11:6). Allí habitó David en adelante, como su conquistador, como en un castillo; allí fijó su morada real, y desde allí extendió su cetro sobre toda la tierra de Israel, desde Dan hasta Beerseba. Su mismo nombre era figurativo, pues significa literalmente “soleado”, o “brillar sobre”, por estar orientado al sur y bañarse siempre en los rayos del cálido sol.
Así la colina soleada de Sion, como colina de conquista y como sede real de David, llegó a ser una figura adecuada del trono de Jesús en los atrios de arriba, ganado por legítima conquista (Apoc. 3:21), donde está ahora Su palacio real, y donde Él gobierna y reina como el Rey ungido del cielo y de la tierra. Así el monte de Sion representa en figura no la cruz, sino la corona; no la ley, sino el evangelio; no la batalla, sino la victoria.
Al lector…
Estas palabras sobre el monte de Sion le preguntan a usted: ¿hacia dónde vuelve los ojos? Quizá vea sobre todo su propia lucha, los enemigos que todavía están sobre las murallas y se burlan de todos sus esfuerzos. Pero mire el monte de Sion. Lo que durante generaciones pareció inexpugnable fue tomado, y allí el rey estableció su trono. Así también el Señor Jesús ha vencido, y ahora reina como el Rey ungido del cielo y de la tierra.
Sion significa “soleado”, una colina que se baña en los cálidos rayos del sur. Así es el evangelio: no le presenta la ley, sino la gracia; no la guerra, sino la victoria; no solo la cruz, sino la corona. ¿Tiene días fríos y oscuros? Busque entonces el calor de Su trono. “Hermosa provincia, el gozo de toda la tierra es el monte de Sion, a los lados del aquilón, la ciudad del gran Rey.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl