gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Broeders, vaartwel.
Handelingen 15:29
Welvarend te zijn, in geestelijke zin, is alles te hebben, opdat God ons gelukkig kan maken. Al Gods volk zal ten slotte wèl varen. Zij allen zijn volmaakt in Christus: niets kan hun eeuwig welzijn schaden, want zij zijn allen volmaakt in Hem, „zonder vlek of rimpel”. Uit dit oogpunt moeten zij allen aan het einde en voor eeuwig welvaren.
Maar komen wij tot de zaak der ondervinding, dan zien wij dikwijls dat juist die tijden wanneer de kinderen Gods denken dat zij niet welvaren, de tijden zijn dat zij inderdaad welvaren; en weder op andere tijden, als zij menen dat zij welvaren, zij juist dan niet welvaren. Bijvoorbeeld: wanneer hun ziel gebogen gaat onder onrust en leed, dan schijnt het hun dat zij niet welvaren. Het schijnt alsof Gods hand tegen hen is, alsof Hij Zijn gelaat van hen heeft afgekeerd; zij kunnen geen toegang vinden tot de troon der genade; zij hebben geen lieflijke getuigenissen van de Heere dat het pad waarin Hij hen leidt, naar Zijn keuze is, en dat alle dingen met hen ten beste zullen lopen. Zij menen inderdaad nu niet wel te varen, en toch voeren zij misschien nooit beter dan onder die omstandigheden van moeite, zorg en smart.
Deze dingen spenen hen van de wereld. Zo hun hart en hun verlangen uitgingen naar afgoden, brengen zij hen middellijk terug. Zo zij zich gebroken waterbakken uithieuwen, werpen zij ze alle in stukken. Zo zij in hun verbeelding afgoden oprichtten en er zich voor bogen, werpen droefenis en moeite ze voor hun ogen aan stukken, nemen hun góden weg en geven hun geen schuilplaats, maar alleen de Heere God der heirscharen.
Zo gij slechts kunt terugzien, zult gij zien dat het grootste zoet door u genoten vaak voortkwam uit hetgeen voor u het bitterst was. De grootste zegeningen zijn voortgevloeid uit de grootste ellenden, uit hetgeen gij destijds voor uw grootste smarten hieldt; het helderste licht is opgegaan in de zwartste duisternis, en de Heere heeft Zich nooit zo dierbaar gemaakt als toen gij het diepst gezonken waart, zodat gij zonder menselijke hulp, wijsheid of kracht waart. Zodat, wanneer een kind Gods meent dat hij zeer kwalijk vaart, omdat hij beladen is met smarten, verzoekingen en verdrukkingen, hij nimmer zo wèl vaart. De donkerste wolken zullen te zijner tijd breken, en de duisterste raadselen zullen vroeg of laat ontraadseld worden, doordat de gezegende Geest ze uitlegt. De donkerste wegen der Voorzienigheid zullen worden opgeklaard, en wij zullen zien dat God ons in die alle leidt en bestuurt „op de rechte weg, opdat wij gaan mogen tot een stad ter woning” (Psalm 107:7).
Zijn wacht, waarop men hopen mag,
zal, daar zij u bedekt
en u ter schaduw strekt,
de maan bij nacht, de zon bij dag
in koud’ en gloed vermind’ren,
opdat zij u niet hind’ren.
Ps. 121:3
Aan de lezer…
Kent u dat? U meent dat het u niet wel gaat. Gaat uw ziel gebogen onder onrust en leed, schijnt het alsof Gods hand tegen u is en Hij Zijn gelaat van u heeft afgekeerd? Vindt u geen toegang tot de troon der genade? Besluit dan niet te snel dat het slecht met u staat. Het kan zijn dat u juist nu beter vaart dan in de dagen dat alles u voor de wind ging.
Want zulke moeite, zorg en smart spenen het hart van de wereld. Zij werpen de gebroken waterbakken in stukken en nemen de afgoden weg, totdat er geen schuilplaats overblijft dan alleen bij de Heere God der heirscharen. Zie maar eens terug: kwam het grootste zoet niet vaak voort uit wat het bitterst was? Hij, Die u leidt, leidt u op de rechte weg, en eens zult u zien dat ook de donkerste wegen naar de stad ter woning voerden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Broeders, vaartwel.
Handelingen 15:29
In geestelijke zin welvaren betekent: alles hebben waardoor God ons gelukkig kan maken. Heel Gods volk zal het ten slotte wél gaan. Zij zijn allen volmaakt in Christus; niets kan hun eeuwig welzijn schaden, want zij zijn allen volmaakt in Hem, „zonder vlek of rimpel”. Zo bezien moeten zij allen aan het einde en voor eeuwig welvaren.
Maar wanneer wij bij de ervaring komen, zien wij vaak dat juist de tijden waarin de kinderen van God denken dat zij niet welvaren, de tijden zijn waarin zij werkelijk welvaren. En op andere tijden, wanneer zij menen dat zij welvaren, gaat het hun juist dan niet wel. Een voorbeeld: wanneer hun ziel gebogen gaat onder onrust en leed, lijkt het hun dat zij niet welvaren. Het lijkt alsof Gods hand tegen hen is, alsof Hij Zijn aangezicht van hen heeft afgekeerd. Zij kunnen geen toegang vinden tot de troon der genade.
Zij hebben geen lieflijke getuigenissen van de Heere dat het pad waarop Hij hen leidt, het pad van Zijn keuze is, en dat alle dingen voor hen ten goede zullen uitlopen. Zij menen werkelijk dat het hun nu niet wel gaat, en toch ging het hun misschien nooit beter dan juist in die omstandigheden van moeite, zorg en smart.
Deze dingen spenen hen van de wereld. Als hun hart en hun verlangen uitgingen naar afgoden, brengen deze dingen hen langs die weg terug. Als zij zich gebroken waterbakken uithouwen, slaan deze dingen ze allemaal stuk. Als zij in hun verbeelding afgoden oprichtten en zich daarvoor bogen, slaan droefheid en moeite ze voor hun ogen in stukken. Zij nemen hun góden weg en laten hun geen andere schuilplaats dan alleen de Heere God der heirscharen.
Als u maar terugkijkt, zult u zien dat het grootste zoet dat u genoten hebt, vaak voortkwam uit wat voor u het bitterst was. De grootste zegeningen zijn voortgekomen uit de grootste ellende, uit wat u toen voor uw grootste verdriet hield. Het helderste licht is opgegaan in de diepste duisternis, en de Heere heeft Zich nooit zo dierbaar gemaakt als toen u het diepst gezonken was, zonder menselijke hulp, wijsheid of kracht. Wanneer een kind van God dus denkt dat het hem heel slecht gaat, omdat hij beladen is met verdriet, verzoekingen en beproevingen, dan gaat het hem juist nooit zo goed. De donkerste wolken zullen op Gods tijd openbreken, en de meest raadselachtige dingen zullen vroeg of laat ontraadseld worden doordat de gezegende Geest ze uitlegt. De donkerste wegen van de Voorzienigheid zullen worden opgehelderd, en wij zullen zien dat God ons op al die wegen leidt en bestuurt „op de rechte weg, opdat wij gaan mogen tot een stad ter woning” (Psalm 107:7).
Zijn wacht, waarop men hopen mag,
zal, daar zij u bedekt
en u ter schaduw strekt,
de maan bij nacht, de zon bij dag
in koud’ en gloed vermind’ren,
opdat zij u niet hind’ren.
Ps. 121:3
Aan de lezer…
Kent u dat? U meent dat het u niet goed gaat. Gaat uw ziel gebogen onder onrust en leed, lijkt het alsof Gods hand tegen u is en Hij Zijn aangezicht van u heeft afgekeerd? Vindt u geen toegang tot de troon der genade? Concludeer dan niet te snel dat het slecht met u staat. Het kan zijn dat het u juist nu beter gaat dan in de dagen dat alles u voor de wind ging.
Want zulke moeite, zorg en smart spenen het hart van de wereld. Zij slaan de gebroken waterbakken stuk en nemen de afgoden weg, totdat er geen schuilplaats overblijft dan alleen bij de Heere God der heirscharen. Kijk maar eens terug: kwam het grootste zoet niet vaak voort uit wat het bitterst was? Hij, Die u leidt, leidt u op de rechte weg, en eens zult u zien dat ook de donkerste wegen naar de stad ter woning voerden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Finally, brethren, farewell.
2 Corinthians 13:11
To fare well, spiritually understood, is to have everything that God can make us happy in. All God’s people will eventually fare well. They all stand complete in Christ—nothing can touch their eternal safety; for they are all complete in Him, “without spot, or blemish, or any such thing.” In this point of view, they must all in the end and for ever fare well.
But when we come to the matter of experience, we often find that those very times when God’s people think they are faring ill, may be the seasons when they are really faring well; and again, at other times, when they think they are faring well, then they are really faring ill. For instance, when their souls are bowed down with trouble, it often seems to them that they are faring ill. God’s hand appears to be gone out against them—He has hidden His face from them; they can find no access to a throne of grace; they have no sweet testimonies from the Lord that the path in which He is leading them is one of His choosing, and that all things will end well with them. This they think is indeed faring ill, and yet perhaps they never fare better than when under these circumstances of trouble, sorrow, and affliction.
These things wean them from the world. If their heart and affections were going out after idols, they instrumentally bring them back. If they were hewing out broken cisterns, they dash them all to pieces. If they were setting up, and bowing down to idols in the chambers of imagery, affliction and trouble smite them to pieces before their eyes, take away their gods, and leave them no refuge but the Lord God of hosts.
If you can only look back, you will see that your greatest sweets have often sprung out of your greatest bitters, and the greatest blessings have flowed from the greatest miseries, and what at the time you thought your greatest sorrows—you will find that the brightest light has sprung up in the blackest darkness, and that the Lord never made Himself so precious as at the time when you were sunk lowest, so as to be without human help, wisdom, or strength.
So that when a child of God thinks he is faring very ill, because burdened with sorrows, temptations, and afflictions, he is never faring so well. The darkest clouds in due time will break, the most puzzling enigmas will sooner or later be unriddled by the blessed Spirit interpreting them, and the darkest providences cleared up; and we shall see that God is in them all, leading and guiding us “by the right way, that we may go to a city of habitation” (Psalm 107:7).
To the reader…
Do you know this? You think things are not going well with you. Is your soul bowed down under trouble and sorrow; does it seem as if God’s hand is against you and He has turned His face away from you? Do you find no access to the throne of grace? Then do not conclude too quickly that it is bad with you. It may be that you are faring better right now than in the days when everything went your way.
For such trouble, care, and sorrow wean the heart from the world. They dash the broken cisterns to pieces and take away the idols, until no refuge is left but the Lord God of hosts. Just look back: did not your greatest sweets often spring from what was most bitter? He Who leads you leads you by the right way, and one day you will see that even the darkest paths led to a city of habitation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo demás, hermanos, que os vaya bien.
2 Corintios 13:11
Que nos vaya bien, entendido espiritualmente, es tener todo aquello en lo que Dios puede hacernos felices. A todo el pueblo de Dios le irá bien al final. Todos están completos en Cristo; nada puede tocar su seguridad eterna; porque todos están completos en Él, “sin mancha ni arruga, ni cosa semejante”. Desde este punto de vista, a todos ellos, al final y para siempre, les ha de ir bien.
Pero cuando llegamos al asunto de la experiencia, a menudo hallamos que precisamente los tiempos en que el pueblo de Dios piensa que le va mal pueden ser los tiempos en que de veras le va bien; y a su vez, en otras ocasiones, cuando piensa que le va bien, entonces de veras le va mal. Por ejemplo, cuando su alma está abatida por la angustia, a menudo le parece que le va mal. La mano de Dios parece haberse vuelto contra ellos; Él les ha escondido Su rostro; no hallan acceso al trono de la gracia; no tienen dulces testimonios del Señor de que el camino por el que les lleva es uno escogido por Él, y de que todo terminará bien para ellos. Esto piensan que es en verdad irles mal, y sin embargo quizá nunca les va mejor que en estas circunstancias de angustia, tristeza y aflicción.
Estas cosas los destetan del mundo. Si su corazón y sus afectos se iban tras los ídolos, ellas, como instrumentos, los hacen volver. Si estaban cavando cisternas rotas, ellas las hacen pedazos todas. Si estaban levantando ídolos e inclinándose ante ellos en las cámaras pintadas de imágenes, la aflicción y la angustia los hacen pedazos delante de sus ojos, les quitan sus dioses y no les dejan otro refugio que Jehová Dios de los ejércitos.
Con solo que mire usted atrás, verá que sus mayores dulzuras han brotado a menudo de sus mayores amarguras, y que las mayores bendiciones han fluido de las mayores miserias y de lo que en su momento pensó que eran sus mayores tristezas; hallará que la luz más brillante ha surgido en la oscuridad más negra, y que el Señor nunca se hizo tan precioso como en el tiempo en que usted estaba más hundido, hasta quedar sin ayuda, sabiduría ni fuerza humanas.
De modo que cuando un hijo de Dios piensa que le va muy mal, porque está cargado de tristezas, tentaciones y aflicciones, nunca le va tan bien. Las nubes más oscuras se romperán a su tiempo, los enigmas más desconcertantes serán tarde o temprano descifrados por el bendito Espíritu que los interpreta, y las providencias más oscuras serán aclaradas; y veremos que Dios está en todas ellas, guiándonos y dirigiéndonos “por camino derecho, para que vengamos a ciudad de población” (Salmo 107:7).
Al lector…
¿Conoce usted esto? Piensa que las cosas no le van bien. ¿Está su alma abatida bajo la angustia y la tristeza; parece como si la mano de Dios estuviera contra usted y Él hubiera apartado de usted Su rostro? ¿No halla acceso al trono de la gracia? Entonces no concluya demasiado pronto que le va mal. Puede ser que ahora mismo le vaya mejor que en los días en que todo le salía a su gusto.
Porque tal angustia, cuidado y tristeza destetan el corazón del mundo. Hacen pedazos las cisternas rotas y quitan los ídolos, hasta que no queda otro refugio que Jehová Dios de los ejércitos. Mire solamente atrás: ¿no brotaron a menudo sus mayores dulzuras de lo más amargo? Aquel que le guía, le guía por camino derecho, y un día verá que aun los caminos más oscuros llevaban a ciudad de población.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.
Psalm 119:5
Vaak komt er in de omgang van de Heere met ons een toestand of fase voor, eerder neergaand dan stijgend, waarin de voorschriften van het evangelie sterker worden veronachtzaamd. Als, zoals maar al te vaak gebeurt, onze eerste liefde voorbij is; als ons hart koud en doods wordt wat betreft de dingen Gods; als de zonde weer opleeft en haar verschrikkelijke kracht weer begint te vertonen; als de wereld ons aantrekt en verleidt; als onze voeten verstrengeld raken in de strikken die de duivel overal heeft neergezet, en we, zoals tot onze schande en ons verdriet gezegd moet worden, afdwalen van de Heere, de Springaders des levenden waters verlaten, en bakken uithouwen, gebroken bakken, die geen water houden (Jer. 2:13) — dan verwaarlozen we, helaas maar al te vaak, de voorschriften. We hebben dan namelijk het gevoel dat ze te bezwarend voor ons zijn, of ons geweten wellicht te sterk onder kritiek stellen. Onder de wet zijn we vervallen tot een wettische en starre geest, en nu, gedeeltelijk door onwetendheid en gedeeltelijk moedwillig, soms vanwege gebrekkig onderricht, soms doordat we onder verkeerde invloeden komen of slechte voorbeelden krijgen, vervallen we vaak tot een antinomiaanse geest. Dit is een van de gevaarlijkste en een van de ergste dingen waarin een kind van God verzeild kan raken.
Maar de Heere zal Zijn kinderen dan niet in de steek laten. Na enige tijd beginnen we de ellendige gevolgen ervan te merken dat we ons niet gevoelig en gewetensvol gedragen, en niet handelen overeenkomstig onze heilige belijdenis. Schuld komt op ons geweten neer; de Heere houdt het licht van Zijn aangezicht weg; de geest vervalt tot dienstbaarheid, en zoals bij de wielen van de wagen van de farao, rijden we moeizaam verder (Ex. 14:25). Nu beginnen we in te zien dat het iets vreselijk slechts en bitters is om tegen de Heere te zondigen; dat we ons niet aan de voorschriften van het evangelie hebben gehouden zoals we zouden moeten; dat we de aanwijzingen van de Heere, geschreven als met een lichtstraal in het Woord der waarheid, niet hebben gevolgd met de strenge gehoorzaamheid die we hadden moeten betonen. Terwijl we zo worden geleid en geoefend, beginnen we in een nieuw en fris licht, dat op het deel van Gods Woord met de voorschriften wordt geworpen, te zien dat ons veel blaam treft omdat we niet meer aandacht aan ze hebben geschonken. Dus, door verschillende oefeningen, sommige pijnlijk, andere aangenaam, soms gepaard gaand met dienstbaarheid, andere met zoete vrijheid, beginnen we eindelijk duidelijker dan ooit tevoren de aard van de evangelievoorschriften te begrijpen, en hoe noodzakelijk het voor allen is die God vrezen en liefhebben en Zijn wil verlangen te kennen en te doen, ze te gehoorzamen.
Lezen: 1 Thessalonicensen 5
Aan de lezer…
Dat woord „Och, dat mijn wegen gericht werden” past wel op uw lippen, als uw eerste liefde verkoeld is. Is uw hart koud en doods geworden voor de dingen Gods, en bent u afgedwaald van de Springader des levenden waters naar gebroken bakken, die geen water houden? Wees dan eerlijk voor de Heere: het is iets vreselijk slechts en bitters om tegen Hem te zondigen. Voelt u de schuld op uw geweten, en rijdt u moeizaam voort als met de wielen van farao’s wagen, het is omdat Hij u zo terugroept.
Want de Heere zal Zijn kinderen niet in de steek laten. Ook wanneer Hij het licht van Zijn aangezicht inhoudt, doet Hij dat om u Zijn Woord in een nieuw en fris licht te doen zien. Langs pijnlijke en aangename wegen leert Hij de Zijnen dat het goed is Zijn wil te kennen en te doen. Klaag uw afdwalen dan voor Hem, en zie weer op naar Hem, Die u met zoete vrijheid op Zijn wegen kan leiden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.
Psalm 119:5
In de weg die de Heere met ons gaat, komt vaak een toestand of periode voor, eerder dalend dan stijgend, waarin de voorschriften van het evangelie nog meer veronachtzaamd worden. Het gebeurt maar al te vaak dat onze eerste liefde voorbij is, dat ons hart koud en doods wordt voor de dingen van God, dat de zonde weer opleeft en haar verschrikkelijke kracht weer begint te tonen, en dat de wereld ons aantrekt en verleidt. Onze voeten raken verstrikt in de strikken die de duivel overal heeft uitgezet, en we dwalen, tot onze schande en ons verdriet moet het gezegd worden, af van de Heere. We verlaten de Springader des levenden waters en houwen ons bakken uit, gebroken bakken, die geen water houden (Jer. 2:13). Dan verwaarlozen we, helaas maar al te vaak, de voorschriften. We hebben dan namelijk het gevoel dat ze te bezwarend voor ons zijn, of dat ze ons geweten misschien te scherp aanklagen. Onder de wet zijn we vervallen tot een wettische en starre geest. Nu vervallen we vaak tot een antinomiaanse geest, deels uit onwetendheid en deels moedwillig, soms door gebrekkig onderwijs, soms doordat we onder verkeerde invloeden komen of slechte voorbeelden zien. Dit is een van de gevaarlijkste en ergste dingen waarin een kind van God verzeild kan raken.
Maar de Heere zal Zijn kinderen dan niet in de steek laten. Na enige tijd beginnen we de ellendige gevolgen te merken van het feit dat we niet teder en gewetensvol leven en niet handelen in overeenstemming met onze heilige belijdenis. Er komt schuld op ons geweten, de Heere onthoudt ons het licht van Zijn aangezicht, de geest vervalt tot dienstbaarheid, en net als de wielen van de wagens van Farao rijden we moeizaam verder (Ex. 14:25). Nu beginnen we in te zien dat het iets vreselijk slechts en bitters is om tegen de Heere te zondigen. We zien dat we ons niet aan de voorschriften van het evangelie hebben gehouden zoals we hadden moeten doen, en dat we de aanwijzingen van de Heere, die als met een lichtstraal in het Woord der waarheid geschreven staan, niet hebben opgevolgd met de stipte gehoorzaamheid die we hadden moeten tonen.
Terwijl we zo geleid en geoefend worden, valt er een nieuw en fris licht op het deel van Gods Woord met de voorschriften, en beginnen we te zien dat wij veel schuld hebben omdat we er niet meer acht op hebben geslagen. Zo beginnen we door allerlei oefeningen, sommige pijnlijk en andere aangenaam, soms gepaard met dienstbaarheid en soms met zoete vrijheid, ten slotte duidelijker dan ooit tevoren te begrijpen wat de aard van de voorschriften van het evangelie is. En we gaan begrijpen hoe noodzakelijk het is dat allen die God vrezen en liefhebben en verlangen Zijn wil te kennen en te doen, ze gehoorzamen.
Lezen: 1 Thessalonicensen 5
Aan de lezer…
Dat woord „Och, dat mijn wegen gericht werden” past wel op uw lippen als uw eerste liefde verkoeld is. Is uw hart koud en doods geworden voor de dingen van God, en bent u afgedwaald van de Springader des levenden waters naar gebroken bakken, die geen water houden? Wees dan eerlijk voor de Heere: het is iets vreselijk slechts en bitters om tegen Hem te zondigen. Voelt u de schuld op uw geweten, en rijdt u moeizaam verder als met de wielen van Farao’s wagens, dan is het omdat Hij u zo terugroept.
Want de Heere zal Zijn kinderen niet in de steek laten. Ook wanneer Hij het licht van Zijn aangezicht inhoudt, doet Hij dat om u Zijn Woord in een nieuw en fris licht te laten zien. Langs pijnlijke en aangename wegen leert Hij de Zijnen dat het goed is Zijn wil te kennen en te doen. Klaag Hem dan uw afdwalen, en zie weer op naar Hem, Die u met zoete vrijheid op Zijn wegen kan leiden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O that my ways were directed to keep Thy statutes!
Psalm 119:5
In the way the Lord leads us there often comes a state or season, rather descending than ascending, in which the precepts of the gospel are neglected still more. It happens only too often that our first love is past, that our heart grows cold and dead to the things of God, that sin revives and begins to show its dreadful power again, and that the world attracts and allures us. Our feet become entangled in the snares which the devil has spread everywhere, and we wander, to our shame and sorrow be it said, from the Lord. We forsake the Fountain of living waters and hew us out cisterns, broken cisterns, that can hold no water (Jer. 2:13). Then, alas, only too often, we neglect the precepts.
For we then feel that they are too burdensome for us, or that they perhaps accuse our conscience too sharply. Under the law we fell into a legal and rigid spirit. Now we often fall into an antinomian spirit, partly from ignorance and partly wilfully, sometimes through defective teaching, sometimes through coming under wrong influences or seeing bad examples. This is one of the most dangerous and worst things into which a child of God can fall.
But the Lord will not then forsake His children. After a time we begin to feel the miserable consequences of not living tenderly and conscientiously and of not acting in accordance with our holy profession. Guilt comes upon our conscience, the Lord withholds from us the light of His countenance, the spirit sinks into bondage, and like the wheels of Pharaoh’s chariots we drive on heavily (Exod. 14:25). Now we begin to see that it is an evil thing and bitter to sin against the Lord. We see that we have not kept to the precepts of the gospel as we ought, and that we have not followed the directions of the Lord, written as with a ray of light in the Word of truth, with the strict obedience we ought to have shown.
While we are thus led and exercised, a new and fresh light falls upon the preceptive part of God’s Word, and we begin to see that we are much to blame for not having paid more heed to it. So, through various exercises, some painful and others pleasant, sometimes attended with bondage and sometimes with sweet liberty, we at last begin to understand more clearly than ever before the nature of the precepts of the gospel. And we come to understand how necessary it is that all who fear and love God and desire to know and do His will should obey them.
Reading: 1 Thessalonians 5
To the reader…
That word, “O that my ways were directed”, well suits your lips if your first love has grown cold. Has your heart become cold and dead to the things of God, and have you wandered from the Fountain of living waters to broken cisterns that can hold no water? Then be honest before the Lord: it is an evil thing and bitter to sin against Him. If you feel guilt upon your conscience, and drive on heavily as with the wheels of Pharaoh’s chariots, it is because He is calling you back in this way.
For the Lord will not forsake His children. Even when He withholds the light of His countenance, He does so to let you see His Word in a new and fresh light. Through painful and pleasant ways He teaches His own that it is good to know and do His will. Confess to Him your wandering, then, and look up again to Him Who can lead you in His ways with sweet liberty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos a guardar Tus estatutos!
Salmo 119:5
En el camino por el que el Señor nos guía llega a menudo un estado o una época, más bien de descenso que de ascenso, en la que los preceptos del evangelio son descuidados todavía más. Sucede con demasiada frecuencia que nuestro primer amor ha pasado, que nuestro corazón se vuelve frío y muerto para las cosas de Dios, que el pecado revive y comienza a mostrar de nuevo su terrible poder, y que el mundo nos atrae y nos seduce. Nuestros pies se enredan en los lazos que el diablo ha tendido por todas partes, y nos apartamos, sea dicho para nuestra vergüenza y dolor, del Señor. Dejamos la Fuente de agua viva y cavamos para nosotros cisternas, cisternas rotas que no detienen aguas (Jeremías 2:13). Entonces, ¡ay!, con demasiada frecuencia descuidamos los preceptos.
Porque sentimos entonces que son demasiado gravosos para nosotros, o que quizá acusan nuestra conciencia con demasiada severidad. Bajo la ley caímos en un espíritu legal y rígido. Ahora caemos a menudo en un espíritu antinomiano, en parte por ignorancia y en parte voluntariamente, a veces por una enseñanza defectuosa, a veces por caer bajo influencias equivocadas o ver malos ejemplos. Esta es una de las cosas más peligrosas y peores en que puede caer un hijo de Dios.
Pero el Señor no abandonará entonces a Sus hijos. Después de un tiempo comenzamos a sentir las miserables consecuencias de no vivir con ternura y conciencia y de no obrar de acuerdo con nuestra santa profesión. La culpa viene sobre nuestra conciencia, el Señor nos retira la luz de Su rostro, el espíritu se hunde en servidumbre, y como las ruedas de los carros de Faraón avanzamos pesadamente (Éxodo 14:25). Ahora comenzamos a ver cuán malo y amargo es pecar contra el Señor. Vemos que no nos hemos atenido a los preceptos del evangelio como debíamos, y que no hemos seguido las indicaciones del Señor, escritas como con un rayo de luz en la Palabra de verdad, con la estricta obediencia que debíamos haber mostrado.
Mientras somos así guiados y ejercitados, una luz nueva y fresca cae sobre la parte preceptiva de la Palabra de Dios, y comenzamos a ver que somos muy culpables por no haberle prestado más atención. Así, a través de diversos ejercicios, unos dolorosos y otros agradables, a veces acompañados de servidumbre y a veces de dulce libertad, comenzamos al fin a entender con más claridad que nunca la naturaleza de los preceptos del evangelio. Y llegamos a entender cuán necesario es que todos los que temen y aman a Dios y desean conocer y hacer Su voluntad los obedezcan.
Lectura: 1 Tesalonicenses 5
Al lector…
Esa palabra, “¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos!”, conviene bien a sus labios si su primer amor se ha enfriado. ¿Se ha vuelto su corazón frío y muerto para las cosas de Dios, y se ha apartado de la Fuente de agua viva hacia cisternas rotas que no detienen aguas? Entonces sea sincero delante del Señor: es cosa mala y amarga pecar contra Él. Si siente culpa sobre su conciencia, y avanza pesadamente como con las ruedas de los carros de Faraón, es porque Él le está llamando de vuelta de este modo.
Porque el Señor no abandonará a Sus hijos. Aun cuando retira la luz de Su rostro, lo hace para hacerle ver Su Palabra con una luz nueva y fresca. Por caminos dolorosos y agradables enseña a los suyos que es bueno conocer y hacer Su voluntad. Confiésele, pues, su extravío, y alce de nuevo la mirada a Aquel que puede guiarle por Sus caminos con dulce libertad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard.
Mattheüs 11:25
Hoedanige godsdienstige kennis, vleselijke wijsheid of wereldse inzichten iemand ook bezitten moge, indien hij ontbloot is van het leven Gods in zijn ziel, dan zijn de werkingen der vreze Gods hem vreemd. Hij heeft geen diep ontzag of eerbied voor Jehova; hij heeft nooit zijn zonden gezien in het licht van Gods aangezicht en nooit gevreesd voor de toekomende toorn. Hij heeft zich nooit met ootmoed neergeworpen voor de ogen van een hartdoorzoekend God, Die ziet tot in het binnenste des harten. Maar al zijn kennis, wijsheid en verstand laten hem waar hij is, dat is: zonder indrukken, vleselijk gezind, zinnelijk, werelds, dood in de misdaden en de zonden.
Al zijn wijsheid ging nooit verder dan het oppervlakkige; zij brak nooit door de bedekking van het ongeloof heen; zij drong nooit door die verschroeide laag tot in de consciëntie, zoals deze levende vruchten zal voortbrengen wanneer zij door de vinger Gods is aangeraakt. Maar al zijn kennis, zijn wetenschap en zijn verstand bleven drijven aan de oppervlakte van zijn oordeel en daalden nooit af in de diepten zijns harten. God verbergt de werkingen van de vreze Gods voor de wijzen en verstandigen. De Heere verwaardigt Zich niet Zich aan hen te openbaren; Hij schenkt hun geen licht in Zijn licht; Hij openbaart Zich niet aan hun consciëntie; Hij komt niet met kracht in hun harten; Hij neemt het deksel van ongeloof en blindheid van hun vleselijk gemoed niet weg.
Hij zet hen niet waar Hij Mozes zette, namelijk in de kloof van de steenrots, alwaar Hij Zijn heerlijkheid liet voorbijgaan. Hij handelt met hen niet gelijk Hij met Jesaja handelde, toen Hij hem de heerlijkheid deed aanschouwen in Zijn tempel. Hij ontdekt Zich aan hen niet zoals Hij dit aan Job deed: „hij verfoeide zichzelf in stof en as.” Al hun kennis van God is derhalve niets dan een uitwendige, verstandelijke kennis, een blote oefening van de vermogens der ziel, zonder enig geestelijk onderricht of enige bijzondere openbaring van de tegenwoordigheid, kracht, heerlijkheid en majesteit van God in hun consciëntie.
Maar het kind, het levende kind in Sion, heeft de vreze des Heeren in zijn ziel, als het beginsel der wijsheid. Derhalve heeft het de fontein des levens in zich; het heeft die opwellingen en geestelijke oefeningen. Gelijk de apostel spreekt: het dient de Heere met eerbied en godvruchtigheid; het durft niet met verwaandheid te verschijnen in Zijn heilige tegenwoordigheid. Wanneer het in Zijn heiligdom verschijnt, dan valt van tijd tot tijd een eerbiedige vreze op zijn geest. Het deelt in de gewaarwordingen van Jesaja: „Ik ben een man van onreine lippen, want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien”; in de bevinding van Jacob, toen hem bange was en hij zei: „Hoe vreselijk is deze plaats”; in hetgeen Mozes ontwaarde, toen hij stond bij het brandende braambos en zijn schoenen afdeed van zijn voeten, want de plaats waarop hij stond, was heilig land; in de gestalte van de hogepriester in de tempel, wanneer hij op de grote verzoendag in het heiligdom, het heilige der heiligen, geheel alleen, en dat niet zonder bloed, inging en aldaar de Schechinah aanschouwde, de Goddelijke tegenwoordigheid, als een wolk rustende op het verzoendeksel.
Het kind heeft dan deze oefeningen der vreze Gods, en daarvan draagt de vleselijke, onvernederde, wereldwijze belijder geen kennis. En ofschoon het kind de tijden kent dat het geen godsdienst schijnt te oefenen die het in waarheid geestelijk durft te noemen, of die het bevredigen kan, toch heeft het die tederheid, eerbied en hoogachting die een vleselijke belijder, hoe hoog in het leerstellige ook opgeklommen, hoe hoog zijn ijdel vertrouwen moge gestegen zijn, ten enenmale mist.
Aan de lezer…
Hoe wonderlijk kunnen zij u voorkomen die veel weten en hoog in het leerstellige zijn opgeklommen, terwijl u uzelf maar een kind vindt! Weet dan dat al de kennis van de wijzen en verstandigen aan de oppervlakte blijft, zolang God Zich niet aan de consciëntie openbaart. Maar valt er weleens een eerbiedige vreze op uw geest als u in Zijn tegenwoordigheid komt? Hebt u met Jesaja gevoeld dat u onrein bent, of met Jacob gezegd: „Hoe vreselijk is deze plaats”?
Dan is de vreze des Heeren in uw ziel, als het beginsel der wijsheid, en die is u niet van uzelf, maar van Hem geschonken. Ook als u tijden kent waarin u geen godsdienst schijnt te hebben die u geestelijk durft te noemen, die tederheid en eerbied zijn tekenen van leven. Dank dan met de Heere Jezus de Vader, Die deze dingen de kinderkens geopenbaard heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard.
Mattheüs 11:25
Welke godsdienstige kennis, vleselijke wijsheid of wereldse inzichten iemand ook bezit, als hij het leven van God in zijn ziel mist, dan zijn de werkingen van de vreze Gods hem vreemd. Hij heeft geen diep ontzag of eerbied voor Jehova. Hij heeft zijn zonden nooit gezien in het licht van Gods aangezicht en nooit gevreesd voor de toekomende toorn. Hij heeft zich nooit in ootmoed neergeworpen voor de ogen van een hartdoorzoekend God, Die tot in het binnenste van het hart ziet. Al zijn kennis, wijsheid en verstand laten hem waar hij is: zonder indrukken, vleselijk gezind, zinnelijk, werelds, dood in de misdaden en de zonden.
Al zijn wijsheid kwam nooit verder dan de oppervlakte. Zij brak nooit door de bedekking van het ongeloof heen en drong nooit door die verschroeide laag tot in het geweten, dat levende vruchten zal voortbrengen wanneer het door de vinger van God is aangeraakt. Al zijn kennis, zijn wetenschap en zijn verstand bleven drijven aan de oppervlakte van zijn oordeel en daalden nooit af in de diepten van zijn hart. God verbergt de werkingen van de vreze Gods voor de wijzen en verstandigen. De Heere verwaardigt Zich niet Zich aan hen te openbaren. Hij geeft hun geen licht in Zijn licht, Hij openbaart Zich niet aan hun geweten, Hij komt niet met kracht in hun harten, en Hij neemt het deksel van ongeloof en blindheid niet weg van hun vleselijk gemoed.
Hij zet hen niet waar Hij Mozes zette, in de kloof van de rots, waar Hij Zijn heerlijkheid liet voorbijgaan. Hij handelt niet met hen zoals Hij met Jesaja handelde, toen Hij hem de heerlijkheid liet zien in Zijn tempel. Hij ontdekt Zich niet aan hen zoals Hij dat aan Job deed: „hij verfoeide zichzelf in stof en as.” Al hun kennis van God is daarom niets anders dan een uitwendige, verstandelijke kennis, een louter oefenen van de vermogens van de ziel, zonder enig geestelijk onderwijs of enige bijzondere openbaring van de tegenwoordigheid, kracht, heerlijkheid en majesteit van God in hun geweten.
Maar het kind, het levende kind in Sion, heeft de vreze des Heeren in zijn ziel, als het beginsel der wijsheid. Daarom heeft het de fontein van het leven in zich; het kent die opwellingen en geestelijke oefeningen. Zoals de apostel zegt: het dient de Heere met eerbied en godvruchtigheid; het durft niet met verwaandheid in Zijn heilige tegenwoordigheid te verschijnen. Wanneer het in Zijn heiligdom verschijnt, valt er van tijd tot tijd een eerbiedige vreze op zijn geest.
Het deelt in wat Jesaja voelde: „Ik ben een man van onreine lippen, want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien.” Het deelt in de bevinding van Jakob, toen hij bang werd en zei: „Hoe vreselijk is deze plaats”; in wat Mozes ervoer toen hij bij het brandende braambos stond en zijn schoenen van zijn voeten deed, omdat de plaats waarop hij stond heilig land was. Het deelt in de gestalte van de hogepriester in de tempel, wanneer hij op de grote Verzoendag helemaal alleen, en niet zonder bloed, het heiligdom, het heilige der heiligen, binnenging en daar de Schechinah zag, de Goddelijke tegenwoordigheid, als een wolk rustend op het verzoendeksel.
Het kind kent dus deze oefeningen van de vreze Gods, en daarvan weet de vleselijke, onvernederde, wereldwijze belijder niets. Het kind kent ook tijden waarin het geen godsdienst lijkt te beoefenen die het in waarheid geestelijk durft te noemen of waarmee het tevreden kan zijn. Toch heeft het die tederheid, eerbied en hoogachting die een vleselijke belijder volkomen mist, hoe hoog hij ook in het leerstellige is opgeklommen en hoe hoog zijn ijdel vertrouwen ook gestegen is.
Aan de lezer…
Hoe indrukwekkend kunnen zij op u overkomen die veel weten en hoog in het leerstellige zijn opgeklommen, terwijl u uzelf maar een kind vindt! Weet dan dat alle kennis van de wijzen en verstandigen aan de oppervlakte blijft, zolang God Zich niet aan het geweten openbaart. Maar valt er weleens een eerbiedige vreze op uw geest als u in Zijn tegenwoordigheid komt? Hebt u met Jesaja gevoeld dat u onrein bent, of met Jakob gezegd: „Hoe vreselijk is deze plaats”?
Dan is de vreze des Heeren in uw ziel als het beginsel der wijsheid, en die komt niet uit uzelf, maar is u door Hem geschonken. Ook als u tijden kent waarin u geen godsdienst lijkt te hebben die u geestelijk durft te noemen, zijn die tederheid en eerbied tekenen van leven. Dank dan met de Heere Jezus de Vader, Die deze dingen aan de kinderkens geopenbaard heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
At that time Jesus answered and said, I thank Thee, O Father, Lord of heaven and earth, because Thou hast hid these things from the wise and prudent, and hast revealed them unto babes.
Matthew 11:25
Whatever religious knowledge, whatever carnal wisdom, or whatever worldly prudence a man may be possessed of, if he is devoid of the life of God in his soul, he is destitute of the workings of godly fear, he has no solemn awe or reverence for Jehovah, he has never seen his sins in the light of God’s countenance, he has never trembled at “the wrath to come,” he has never prostrated himself with a reverential spirit before the eyes of a heart-searching Jehovah, Who sees into the secret recesses of his bosom.
But all his knowledge, and all his wisdom, and all his prudence leave him just where they found him—unconverted, carnal, sensual, worldly, “dead in trespasses and sins.” All his wisdom never reached beyond the surface; it never broke up the crust of unbelief, so as to enter through that seared crust into the conscience, and produce living effects in it, as made tender by the touch of God’s finger. But his knowledge, his wisdom, his prudence are all floating in his mere judgment, and never descend into the depths of his heart.
God hides then the workings of spiritual fear from those who are “wise and prudent.” He does not condescend to manifest Himself to them; He does not show them light in His light; He does not reveal Himself to their consciences; He does not come with power into their hearts; He does not take the veil of unbelief and blindness from their carnal minds, and show them Himself; He takes them not where He took Moses, into the cleft of the rock, “where His glory passed by;” He deals not with them as He dealt with Isaiah, when He manifested to him the glory of the Lord in the temple; He discovers Himself not to them as He did to Job, when “he abhorred himself in dust and ashes.” All their knowledge of God, therefore, is an external, intellectual knowledge, a mere exercise of the faculties of the mind, without any spiritual teaching, or any special revelation of the presence, power, glory, and majesty of God to their consciences.
But the babe, the living babe in Zion has “the fear of the Lord,” in his soul, “as the beginning of wisdom.” And therefore, having this fountain of life within, he has it springing up in spiritual exercises. As the Apostle speaks, he “serves God acceptably with reverence and godly fear;” he dare not rush with presumption into His holy presence. When he comes into His sanctuary a solemn dread from time to time falls upon his spirit.
He has the feelings of Isaiah when he cried—“I am a man of unclean lips; for my eyes have seen the King, the Lord of hosts;” the feelings of Jacob when he was afraid, and said, “How dreadful is this place!” the feelings of Moses, when he stood by the burning bush, and put his shoes from off his feet, for the spot whereon he stood was holy ground; the feelings of the high priest in the temple, on that mysterious day of atonement, when he entered alone, “not without blood,” into the sanctuary, the holy of holies, and beheld the Shechinah, the Divine presence as a cloud resting on the mercy-seat.
The babe, then, has these exercises of godly fear, which carnal, unhumbled, worldly-wise professors know nothing of. And though the babe, at times, seems to have no religion which he can really call spiritual or which satisfies himself, yet he has that tenderness, awe, and reverence which the carnal professor, however high in doctrine, however soaring in vain confidence, is utterly unacquainted with.
To the reader…
How impressive those can seem to you who know a great deal and have climbed high in doctrine, while you think yourself only a babe! Know, then, that all the knowledge of the wise and prudent stays on the surface, as long as God does not reveal Himself to the conscience. But does a reverent fear sometimes fall upon your spirit when you come into His presence? Have you felt with Isaiah that you are unclean, or said with Jacob, “How dreadful is this place”?
Then the fear of the Lord is in your soul as the beginning of wisdom, and it does not come from yourself, but has been given you by Him. Even if you know times when you seem to have no religion you dare call spiritual, that tenderness and reverence are signs of life. Give thanks, then, with the Lord Jesus to the Father, Who has revealed these things unto babes.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En aquel tiempo, respondiendo Jesús, dijo: Te alabo, Padre, Señor del cielo y de la tierra, que hayas escondido estas cosas de los sabios y de los entendidos, y las hayas revelado a los niños.
Mateo 11:25
Cualquiera que sea el conocimiento religioso, la sabiduría carnal o la prudencia mundana que un hombre posea, si está desprovisto de la vida de Dios en su alma, carece de las operaciones del temor piadoso; no tiene un solemne temor ni reverencia hacia Jehová; nunca ha visto sus pecados a la luz del rostro de Dios; nunca ha temblado ante “la ira que vendrá”; nunca se ha postrado con espíritu reverente ante los ojos de un Jehová que escudriña los corazones, Quien ve los rincones secretos de su pecho.
Al contrario, todo su conocimiento, toda su sabiduría y toda su prudencia le dejan exactamente donde le encontraron: inconverso, carnal, sensual, mundano, “muerto en delitos y pecados.” Toda su sabiduría nunca llegó más allá de la superficie; nunca rompió la costra de la incredulidad para entrar a través de esa costra endurecida en la conciencia y producir allí efectos vivos, como enternecida por el toque del dedo de Dios. Su conocimiento, su sabiduría y su prudencia flotan todos en su mero juicio, y nunca descienden a las profundidades de su corazón.
Dios, pues, esconde las operaciones del temor espiritual de los “sabios y entendidos.” No se digna manifestarse a ellos; no les muestra la luz en Su luz; no se revela a sus conciencias; no viene con poder a sus corazones; no quita el velo de la incredulidad y la ceguera de sus mentes carnales para mostrarse a Sí mismo; no los lleva adonde llevó a Moisés, a la hendidura de la peña, “cuando pasó Su gloria”; no trata con ellos como trató con Isaías cuando le manifestó la gloria del Señor en el templo; no se descubre a ellos como a Job, cuando “se aborreció a sí mismo en el polvo y en la ceniza.” Por tanto, todo su conocimiento de Dios es un conocimiento externo e intelectual, un mero ejercicio de las facultades de la mente, sin ninguna enseñanza espiritual ni ninguna revelación especial de la presencia, el poder, la gloria y la majestad de Dios a sus conciencias.
Pero el niño, el niño viviente en Sion, tiene en su alma “el temor de Jehová” como “el principio de la sabiduría.” Y por eso, teniendo dentro esta fuente de vida, la tiene brotando en ejercicios espirituales. Como dice el Apóstol, “sirve a Dios agradándole con temor y reverencia”; no se atreve a precipitarse con presunción en Su santa presencia. Cuando entra en Su santuario, de tiempo en tiempo cae sobre su espíritu un temor solemne.
Tiene los sentimientos de Isaías cuando clamó: “Siendo hombre inmundo de labios, han visto mis ojos al Rey, Jehová de los ejércitos”; los sentimientos de Jacob cuando tuvo miedo y dijo: “¡Cuán terrible es este lugar!”; los sentimientos de Moisés cuando estuvo junto a la zarza ardiente y se quitó el calzado de los pies, porque el lugar en que estaba era tierra santa; los sentimientos del sumo sacerdote en el templo, en aquel misterioso día de la expiación, cuando entraba solo, “no sin sangre,” en el santuario, el lugar santísimo, y contemplaba la Shekiná, la presencia divina como una nube que reposaba sobre el propiciatorio.
El niño, pues, tiene estos ejercicios de temor piadoso, de los cuales nada saben los profesantes carnales, no humillados y sabios según el mundo. Y aunque el niño a veces parece no tener ninguna religión que pueda llamar de veras espiritual o que le satisfaga a sí mismo, tiene sin embargo esa ternura, ese temor y esa reverencia que el profesante carnal, por elevado que sea en doctrina y por alto que vuele en vana confianza, desconoce por completo.
Al lector…
¡Qué impresionantes pueden parecerle los que saben mucho y han subido alto en doctrina, mientras usted se tiene por un simple niño! Sepa, pues, que todo el conocimiento de los sabios y entendidos se queda en la superficie mientras Dios no se revele a la conciencia. Pero ¿cae a veces un temor reverente sobre su espíritu cuando entra en Su presencia? ¿Ha sentido con Isaías que es inmundo, o ha dicho con Jacob: “¡Cuán terrible es este lugar!”?
Entonces el temor del Señor está en su alma como el principio de la sabiduría, y no viene de usted mismo, sino que Él se lo ha dado. Aunque conozca tiempos en que parece no tener ninguna religión que se atreva a llamar espiritual, esa ternura y esa reverencia son señales de vida. Dé gracias, pues, con el Señor Jesús al Padre, Quien ha revelado estas cosas a los niños.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl