October 7
Broeders, vaartwel.
Handelingen 15:29
Welvarend te zijn, in geestelijke zin, is alles te hebben, opdat God ons gelukkig kan maken. Al Gods volk zal ten slotte wèl varen. Zij allen zijn volmaakt in Christus: niets kan hun eeuwig welzijn schaden, want zij zijn allen volmaakt in Hem, „zonder vlek of rimpel”. Uit dit oogpunt moeten zij allen aan het einde en voor eeuwig welvaren.
Maar komen wij tot de zaak der ondervinding, dan zien wij dikwijls dat juist die tijden wanneer de kinderen Gods denken dat zij niet welvaren, de tijden zijn dat zij inderdaad welvaren; en weder op andere tijden, als zij menen dat zij welvaren, zij juist dan niet welvaren. Bijvoorbeeld: wanneer hun ziel gebogen gaat onder onrust en leed, dan schijnt het hun dat zij niet welvaren. Het schijnt alsof Gods hand tegen hen is, alsof Hij Zijn gelaat van hen heeft afgekeerd; zij kunnen geen toegang vinden tot de troon der genade; zij hebben geen lieflijke getuigenissen van de Heere dat het pad waarin Hij hen leidt, naar Zijn keuze is, en dat alle dingen met hen ten beste zullen lopen. Zij menen inderdaad nu niet wel te varen, en toch voeren zij misschien nooit beter dan onder die omstandigheden van moeite, zorg en smart.
Deze dingen spenen hen van de wereld. Zo hun hart en hun verlangen uitgingen naar afgoden, brengen zij hen middellijk terug. Zo zij zich gebroken waterbakken uithieuwen, werpen zij ze alle in stukken. Zo zij in hun verbeelding afgoden oprichtten en er zich voor bogen, werpen droefenis en moeite ze voor hun ogen aan stukken, nemen hun góden weg en geven hun geen schuilplaats, maar alleen de Heere God der heirscharen.
Zo gij slechts kunt terugzien, zult gij zien dat het grootste zoet door u genoten vaak voortkwam uit hetgeen voor u het bitterst was. De grootste zegeningen zijn voortgevloeid uit de grootste ellenden, uit hetgeen gij destijds voor uw grootste smarten hieldt; het helderste licht is opgegaan in de zwartste duisternis, en de Heere heeft Zich nooit zo dierbaar gemaakt als toen gij het diepst gezonken waart, zodat gij zonder menselijke hulp, wijsheid of kracht waart. Zodat, wanneer een kind Gods meent dat hij zeer kwalijk vaart, omdat hij beladen is met smarten, verzoekingen en verdrukkingen, hij nimmer zo wèl vaart. De donkerste wolken zullen te zijner tijd breken, en de duisterste raadselen zullen vroeg of laat ontraadseld worden, doordat de gezegende Geest ze uitlegt. De donkerste wegen der Voorzienigheid zullen worden opgeklaard, en wij zullen zien dat God ons in die alle leidt en bestuurt „op de rechte weg, opdat wij gaan mogen tot een stad ter woning” (Psalm 107:7).
Zijn wacht, waarop men hopen mag,
zal, daar zij u bedekt
en u ter schaduw strekt,
de maan bij nacht, de zon bij dag
in koud’ en gloed vermind’ren,
opdat zij u niet hind’ren.
Ps. 121:3
Aan de lezer…
Kent u dat? U meent dat het u niet wel gaat. Gaat uw ziel gebogen onder onrust en leed, schijnt het alsof Gods hand tegen u is en Hij Zijn gelaat van u heeft afgekeerd? Vindt u geen toegang tot de troon der genade? Besluit dan niet te snel dat het slecht met u staat. Het kan zijn dat u juist nu beter vaart dan in de dagen dat alles u voor de wind ging.
Want zulke moeite, zorg en smart spenen het hart van de wereld. Zij werpen de gebroken waterbakken in stukken en nemen de afgoden weg, totdat er geen schuilplaats overblijft dan alleen bij de Heere God der heirscharen. Zie maar eens terug: kwam het grootste zoet niet vaak voort uit wat het bitterst was? Hij, Die u leidt, leidt u op de rechte weg, en eens zult u zien dat ook de donkerste wegen naar de stad ter woning voerden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Broeders, vaartwel.
Handelingen 15:29
In geestelijke zin welvaren betekent: alles hebben waardoor God ons gelukkig kan maken. Heel Gods volk zal het ten slotte wél gaan. Zij zijn allen volmaakt in Christus; niets kan hun eeuwig welzijn schaden, want zij zijn allen volmaakt in Hem, „zonder vlek of rimpel”. Zo bezien moeten zij allen aan het einde en voor eeuwig welvaren.
Maar wanneer wij bij de ervaring komen, zien wij vaak dat juist de tijden waarin de kinderen van God denken dat zij niet welvaren, de tijden zijn waarin zij werkelijk welvaren. En op andere tijden, wanneer zij menen dat zij welvaren, gaat het hun juist dan niet wel. Een voorbeeld: wanneer hun ziel gebogen gaat onder onrust en leed, lijkt het hun dat zij niet welvaren. Het lijkt alsof Gods hand tegen hen is, alsof Hij Zijn aangezicht van hen heeft afgekeerd. Zij kunnen geen toegang vinden tot de troon der genade.
Zij hebben geen lieflijke getuigenissen van de Heere dat het pad waarop Hij hen leidt, het pad van Zijn keuze is, en dat alle dingen voor hen ten goede zullen uitlopen. Zij menen werkelijk dat het hun nu niet wel gaat, en toch ging het hun misschien nooit beter dan juist in die omstandigheden van moeite, zorg en smart.
Deze dingen spenen hen van de wereld. Als hun hart en hun verlangen uitgingen naar afgoden, brengen deze dingen hen langs die weg terug. Als zij zich gebroken waterbakken uithouwen, slaan deze dingen ze allemaal stuk. Als zij in hun verbeelding afgoden oprichtten en zich daarvoor bogen, slaan droefheid en moeite ze voor hun ogen in stukken. Zij nemen hun góden weg en laten hun geen andere schuilplaats dan alleen de Heere God der heirscharen.
Als u maar terugkijkt, zult u zien dat het grootste zoet dat u genoten hebt, vaak voortkwam uit wat voor u het bitterst was. De grootste zegeningen zijn voortgekomen uit de grootste ellende, uit wat u toen voor uw grootste verdriet hield. Het helderste licht is opgegaan in de diepste duisternis, en de Heere heeft Zich nooit zo dierbaar gemaakt als toen u het diepst gezonken was, zonder menselijke hulp, wijsheid of kracht. Wanneer een kind van God dus denkt dat het hem heel slecht gaat, omdat hij beladen is met verdriet, verzoekingen en beproevingen, dan gaat het hem juist nooit zo goed. De donkerste wolken zullen op Gods tijd openbreken, en de meest raadselachtige dingen zullen vroeg of laat ontraadseld worden doordat de gezegende Geest ze uitlegt. De donkerste wegen van de Voorzienigheid zullen worden opgehelderd, en wij zullen zien dat God ons op al die wegen leidt en bestuurt „op de rechte weg, opdat wij gaan mogen tot een stad ter woning” (Psalm 107:7).
Zijn wacht, waarop men hopen mag,
zal, daar zij u bedekt
en u ter schaduw strekt,
de maan bij nacht, de zon bij dag
in koud’ en gloed vermind’ren,
opdat zij u niet hind’ren.
Ps. 121:3
Aan de lezer…
Kent u dat? U meent dat het u niet goed gaat. Gaat uw ziel gebogen onder onrust en leed, lijkt het alsof Gods hand tegen u is en Hij Zijn aangezicht van u heeft afgekeerd? Vindt u geen toegang tot de troon der genade? Concludeer dan niet te snel dat het slecht met u staat. Het kan zijn dat het u juist nu beter gaat dan in de dagen dat alles u voor de wind ging.
Want zulke moeite, zorg en smart spenen het hart van de wereld. Zij slaan de gebroken waterbakken stuk en nemen de afgoden weg, totdat er geen schuilplaats overblijft dan alleen bij de Heere God der heirscharen. Kijk maar eens terug: kwam het grootste zoet niet vaak voort uit wat het bitterst was? Hij, Die u leidt, leidt u op de rechte weg, en eens zult u zien dat ook de donkerste wegen naar de stad ter woning voerden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Finally, brethren, farewell.
2 Corinthians 13:11
To fare well, spiritually understood, is to have everything that God can make us happy in. All God’s people will eventually fare well. They all stand complete in Christ—nothing can touch their eternal safety; for they are all complete in Him, “without spot, or blemish, or any such thing.” In this point of view, they must all in the end and for ever fare well.
But when we come to the matter of experience, we often find that those very times when God’s people think they are faring ill, may be the seasons when they are really faring well; and again, at other times, when they think they are faring well, then they are really faring ill. For instance, when their souls are bowed down with trouble, it often seems to them that they are faring ill. God’s hand appears to be gone out against them—He has hidden His face from them; they can find no access to a throne of grace; they have no sweet testimonies from the Lord that the path in which He is leading them is one of His choosing, and that all things will end well with them. This they think is indeed faring ill, and yet perhaps they never fare better than when under these circumstances of trouble, sorrow, and affliction.
These things wean them from the world. If their heart and affections were going out after idols, they instrumentally bring them back. If they were hewing out broken cisterns, they dash them all to pieces. If they were setting up, and bowing down to idols in the chambers of imagery, affliction and trouble smite them to pieces before their eyes, take away their gods, and leave them no refuge but the Lord God of hosts.
If you can only look back, you will see that your greatest sweets have often sprung out of your greatest bitters, and the greatest blessings have flowed from the greatest miseries, and what at the time you thought your greatest sorrows—you will find that the brightest light has sprung up in the blackest darkness, and that the Lord never made Himself so precious as at the time when you were sunk lowest, so as to be without human help, wisdom, or strength.
So that when a child of God thinks he is faring very ill, because burdened with sorrows, temptations, and afflictions, he is never faring so well. The darkest clouds in due time will break, the most puzzling enigmas will sooner or later be unriddled by the blessed Spirit interpreting them, and the darkest providences cleared up; and we shall see that God is in them all, leading and guiding us “by the right way, that we may go to a city of habitation” (Psalm 107:7).
To the reader…
Do you know this? You think things are not going well with you. Is your soul bowed down under trouble and sorrow; does it seem as if God’s hand is against you and He has turned His face away from you? Do you find no access to the throne of grace? Then do not conclude too quickly that it is bad with you. It may be that you are faring better right now than in the days when everything went your way.
For such trouble, care, and sorrow wean the heart from the world. They dash the broken cisterns to pieces and take away the idols, until no refuge is left but the Lord God of hosts. Just look back: did not your greatest sweets often spring from what was most bitter? He Who leads you leads you by the right way, and one day you will see that even the darkest paths led to a city of habitation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo demás, hermanos, que os vaya bien.
2 Corintios 13:11
Que nos vaya bien, entendido espiritualmente, es tener todo aquello en lo que Dios puede hacernos felices. A todo el pueblo de Dios le irá bien al final. Todos están completos en Cristo; nada puede tocar su seguridad eterna; porque todos están completos en Él, “sin mancha ni arruga, ni cosa semejante”. Desde este punto de vista, a todos ellos, al final y para siempre, les ha de ir bien.
Pero cuando llegamos al asunto de la experiencia, a menudo hallamos que precisamente los tiempos en que el pueblo de Dios piensa que le va mal pueden ser los tiempos en que de veras le va bien; y a su vez, en otras ocasiones, cuando piensa que le va bien, entonces de veras le va mal. Por ejemplo, cuando su alma está abatida por la angustia, a menudo le parece que le va mal. La mano de Dios parece haberse vuelto contra ellos; Él les ha escondido Su rostro; no hallan acceso al trono de la gracia; no tienen dulces testimonios del Señor de que el camino por el que les lleva es uno escogido por Él, y de que todo terminará bien para ellos. Esto piensan que es en verdad irles mal, y sin embargo quizá nunca les va mejor que en estas circunstancias de angustia, tristeza y aflicción.
Estas cosas los destetan del mundo. Si su corazón y sus afectos se iban tras los ídolos, ellas, como instrumentos, los hacen volver. Si estaban cavando cisternas rotas, ellas las hacen pedazos todas. Si estaban levantando ídolos e inclinándose ante ellos en las cámaras pintadas de imágenes, la aflicción y la angustia los hacen pedazos delante de sus ojos, les quitan sus dioses y no les dejan otro refugio que Jehová Dios de los ejércitos.
Con solo que mire usted atrás, verá que sus mayores dulzuras han brotado a menudo de sus mayores amarguras, y que las mayores bendiciones han fluido de las mayores miserias y de lo que en su momento pensó que eran sus mayores tristezas; hallará que la luz más brillante ha surgido en la oscuridad más negra, y que el Señor nunca se hizo tan precioso como en el tiempo en que usted estaba más hundido, hasta quedar sin ayuda, sabiduría ni fuerza humanas.
De modo que cuando un hijo de Dios piensa que le va muy mal, porque está cargado de tristezas, tentaciones y aflicciones, nunca le va tan bien. Las nubes más oscuras se romperán a su tiempo, los enigmas más desconcertantes serán tarde o temprano descifrados por el bendito Espíritu que los interpreta, y las providencias más oscuras serán aclaradas; y veremos que Dios está en todas ellas, guiándonos y dirigiéndonos “por camino derecho, para que vengamos a ciudad de población” (Salmo 107:7).
Al lector…
¿Conoce usted esto? Piensa que las cosas no le van bien. ¿Está su alma abatida bajo la angustia y la tristeza; parece como si la mano de Dios estuviera contra usted y Él hubiera apartado de usted Su rostro? ¿No halla acceso al trono de la gracia? Entonces no concluya demasiado pronto que le va mal. Puede ser que ahora mismo le vaya mejor que en los días en que todo le salía a su gusto.
Porque tal angustia, cuidado y tristeza destetan el corazón del mundo. Hacen pedazos las cisternas rotas y quitan los ídolos, hasta que no queda otro refugio que Jehová Dios de los ejércitos. Mire solamente atrás: ¿no brotaron a menudo sus mayores dulzuras de lo más amargo? Aquel que le guía, le guía por camino derecho, y un día verá que aun los caminos más oscuros llevaban a ciudad de población.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl