7 de octubre
In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard.
Mattheüs 11:25
Hoedanige godsdienstige kennis, vleselijke wijsheid of wereldse inzichten iemand ook bezitten moge, indien hij ontbloot is van het leven Gods in zijn ziel, dan zijn de werkingen der vreze Gods hem vreemd. Hij heeft geen diep ontzag of eerbied voor Jehova; hij heeft nooit zijn zonden gezien in het licht van Gods aangezicht en nooit gevreesd voor de toekomende toorn. Hij heeft zich nooit met ootmoed neergeworpen voor de ogen van een hartdoorzoekend God, Die ziet tot in het binnenste des harten. Maar al zijn kennis, wijsheid en verstand laten hem waar hij is, dat is: zonder indrukken, vleselijk gezind, zinnelijk, werelds, dood in de misdaden en de zonden.
Al zijn wijsheid ging nooit verder dan het oppervlakkige; zij brak nooit door de bedekking van het ongeloof heen; zij drong nooit door die verschroeide laag tot in de consciëntie, zoals deze levende vruchten zal voortbrengen wanneer zij door de vinger Gods is aangeraakt. Maar al zijn kennis, zijn wetenschap en zijn verstand bleven drijven aan de oppervlakte van zijn oordeel en daalden nooit af in de diepten zijns harten. God verbergt de werkingen van de vreze Gods voor de wijzen en verstandigen. De Heere verwaardigt Zich niet Zich aan hen te openbaren; Hij schenkt hun geen licht in Zijn licht; Hij openbaart Zich niet aan hun consciëntie; Hij komt niet met kracht in hun harten; Hij neemt het deksel van ongeloof en blindheid van hun vleselijk gemoed niet weg.
Hij zet hen niet waar Hij Mozes zette, namelijk in de kloof van de steenrots, alwaar Hij Zijn heerlijkheid liet voorbijgaan. Hij handelt met hen niet gelijk Hij met Jesaja handelde, toen Hij hem de heerlijkheid deed aanschouwen in Zijn tempel. Hij ontdekt Zich aan hen niet zoals Hij dit aan Job deed: „hij verfoeide zichzelf in stof en as.” Al hun kennis van God is derhalve niets dan een uitwendige, verstandelijke kennis, een blote oefening van de vermogens der ziel, zonder enig geestelijk onderricht of enige bijzondere openbaring van de tegenwoordigheid, kracht, heerlijkheid en majesteit van God in hun consciëntie.
Maar het kind, het levende kind in Sion, heeft de vreze des Heeren in zijn ziel, als het beginsel der wijsheid. Derhalve heeft het de fontein des levens in zich; het heeft die opwellingen en geestelijke oefeningen. Gelijk de apostel spreekt: het dient de Heere met eerbied en godvruchtigheid; het durft niet met verwaandheid te verschijnen in Zijn heilige tegenwoordigheid. Wanneer het in Zijn heiligdom verschijnt, dan valt van tijd tot tijd een eerbiedige vreze op zijn geest. Het deelt in de gewaarwordingen van Jesaja: „Ik ben een man van onreine lippen, want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien”; in de bevinding van Jacob, toen hem bange was en hij zei: „Hoe vreselijk is deze plaats”; in hetgeen Mozes ontwaarde, toen hij stond bij het brandende braambos en zijn schoenen afdeed van zijn voeten, want de plaats waarop hij stond, was heilig land; in de gestalte van de hogepriester in de tempel, wanneer hij op de grote verzoendag in het heiligdom, het heilige der heiligen, geheel alleen, en dat niet zonder bloed, inging en aldaar de Schechinah aanschouwde, de Goddelijke tegenwoordigheid, als een wolk rustende op het verzoendeksel.
Het kind heeft dan deze oefeningen der vreze Gods, en daarvan draagt de vleselijke, onvernederde, wereldwijze belijder geen kennis. En ofschoon het kind de tijden kent dat het geen godsdienst schijnt te oefenen die het in waarheid geestelijk durft te noemen, of die het bevredigen kan, toch heeft het die tederheid, eerbied en hoogachting die een vleselijke belijder, hoe hoog in het leerstellige ook opgeklommen, hoe hoog zijn ijdel vertrouwen moge gestegen zijn, ten enenmale mist.
Aan de lezer…
Hoe wonderlijk kunnen zij u voorkomen die veel weten en hoog in het leerstellige zijn opgeklommen, terwijl u uzelf maar een kind vindt! Weet dan dat al de kennis van de wijzen en verstandigen aan de oppervlakte blijft, zolang God Zich niet aan de consciëntie openbaart. Maar valt er weleens een eerbiedige vreze op uw geest als u in Zijn tegenwoordigheid komt? Hebt u met Jesaja gevoeld dat u onrein bent, of met Jacob gezegd: „Hoe vreselijk is deze plaats”?
Dan is de vreze des Heeren in uw ziel, als het beginsel der wijsheid, en die is u niet van uzelf, maar van Hem geschonken. Ook als u tijden kent waarin u geen godsdienst schijnt te hebben die u geestelijk durft te noemen, die tederheid en eerbied zijn tekenen van leven. Dank dan met de Heere Jezus de Vader, Die deze dingen de kinderkens geopenbaard heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard.
Mattheüs 11:25
Welke godsdienstige kennis, vleselijke wijsheid of wereldse inzichten iemand ook bezit, als hij het leven van God in zijn ziel mist, dan zijn de werkingen van de vreze Gods hem vreemd. Hij heeft geen diep ontzag of eerbied voor Jehova. Hij heeft zijn zonden nooit gezien in het licht van Gods aangezicht en nooit gevreesd voor de toekomende toorn. Hij heeft zich nooit in ootmoed neergeworpen voor de ogen van een hartdoorzoekend God, Die tot in het binnenste van het hart ziet. Al zijn kennis, wijsheid en verstand laten hem waar hij is: zonder indrukken, vleselijk gezind, zinnelijk, werelds, dood in de misdaden en de zonden.
Al zijn wijsheid kwam nooit verder dan de oppervlakte. Zij brak nooit door de bedekking van het ongeloof heen en drong nooit door die verschroeide laag tot in het geweten, dat levende vruchten zal voortbrengen wanneer het door de vinger van God is aangeraakt. Al zijn kennis, zijn wetenschap en zijn verstand bleven drijven aan de oppervlakte van zijn oordeel en daalden nooit af in de diepten van zijn hart. God verbergt de werkingen van de vreze Gods voor de wijzen en verstandigen. De Heere verwaardigt Zich niet Zich aan hen te openbaren. Hij geeft hun geen licht in Zijn licht, Hij openbaart Zich niet aan hun geweten, Hij komt niet met kracht in hun harten, en Hij neemt het deksel van ongeloof en blindheid niet weg van hun vleselijk gemoed.
Hij zet hen niet waar Hij Mozes zette, in de kloof van de rots, waar Hij Zijn heerlijkheid liet voorbijgaan. Hij handelt niet met hen zoals Hij met Jesaja handelde, toen Hij hem de heerlijkheid liet zien in Zijn tempel. Hij ontdekt Zich niet aan hen zoals Hij dat aan Job deed: „hij verfoeide zichzelf in stof en as.” Al hun kennis van God is daarom niets anders dan een uitwendige, verstandelijke kennis, een louter oefenen van de vermogens van de ziel, zonder enig geestelijk onderwijs of enige bijzondere openbaring van de tegenwoordigheid, kracht, heerlijkheid en majesteit van God in hun geweten.
Maar het kind, het levende kind in Sion, heeft de vreze des Heeren in zijn ziel, als het beginsel der wijsheid. Daarom heeft het de fontein van het leven in zich; het kent die opwellingen en geestelijke oefeningen. Zoals de apostel zegt: het dient de Heere met eerbied en godvruchtigheid; het durft niet met verwaandheid in Zijn heilige tegenwoordigheid te verschijnen. Wanneer het in Zijn heiligdom verschijnt, valt er van tijd tot tijd een eerbiedige vreze op zijn geest.
Het deelt in wat Jesaja voelde: „Ik ben een man van onreine lippen, want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien.” Het deelt in de bevinding van Jakob, toen hij bang werd en zei: „Hoe vreselijk is deze plaats”; in wat Mozes ervoer toen hij bij het brandende braambos stond en zijn schoenen van zijn voeten deed, omdat de plaats waarop hij stond heilig land was. Het deelt in de gestalte van de hogepriester in de tempel, wanneer hij op de grote Verzoendag helemaal alleen, en niet zonder bloed, het heiligdom, het heilige der heiligen, binnenging en daar de Schechinah zag, de Goddelijke tegenwoordigheid, als een wolk rustend op het verzoendeksel.
Het kind kent dus deze oefeningen van de vreze Gods, en daarvan weet de vleselijke, onvernederde, wereldwijze belijder niets. Het kind kent ook tijden waarin het geen godsdienst lijkt te beoefenen die het in waarheid geestelijk durft te noemen of waarmee het tevreden kan zijn. Toch heeft het die tederheid, eerbied en hoogachting die een vleselijke belijder volkomen mist, hoe hoog hij ook in het leerstellige is opgeklommen en hoe hoog zijn ijdel vertrouwen ook gestegen is.
Aan de lezer…
Hoe indrukwekkend kunnen zij op u overkomen die veel weten en hoog in het leerstellige zijn opgeklommen, terwijl u uzelf maar een kind vindt! Weet dan dat alle kennis van de wijzen en verstandigen aan de oppervlakte blijft, zolang God Zich niet aan het geweten openbaart. Maar valt er weleens een eerbiedige vreze op uw geest als u in Zijn tegenwoordigheid komt? Hebt u met Jesaja gevoeld dat u onrein bent, of met Jakob gezegd: „Hoe vreselijk is deze plaats”?
Dan is de vreze des Heeren in uw ziel als het beginsel der wijsheid, en die komt niet uit uzelf, maar is u door Hem geschonken. Ook als u tijden kent waarin u geen godsdienst lijkt te hebben die u geestelijk durft te noemen, zijn die tederheid en eerbied tekenen van leven. Dank dan met de Heere Jezus de Vader, Die deze dingen aan de kinderkens geopenbaard heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
At that time Jesus answered and said, I thank Thee, O Father, Lord of heaven and earth, because Thou hast hid these things from the wise and prudent, and hast revealed them unto babes.
Matthew 11:25
Whatever religious knowledge, whatever carnal wisdom, or whatever worldly prudence a man may be possessed of, if he is devoid of the life of God in his soul, he is destitute of the workings of godly fear, he has no solemn awe or reverence for Jehovah, he has never seen his sins in the light of God’s countenance, he has never trembled at “the wrath to come,” he has never prostrated himself with a reverential spirit before the eyes of a heart-searching Jehovah, Who sees into the secret recesses of his bosom.
But all his knowledge, and all his wisdom, and all his prudence leave him just where they found him—unconverted, carnal, sensual, worldly, “dead in trespasses and sins.” All his wisdom never reached beyond the surface; it never broke up the crust of unbelief, so as to enter through that seared crust into the conscience, and produce living effects in it, as made tender by the touch of God’s finger. But his knowledge, his wisdom, his prudence are all floating in his mere judgment, and never descend into the depths of his heart.
God hides then the workings of spiritual fear from those who are “wise and prudent.” He does not condescend to manifest Himself to them; He does not show them light in His light; He does not reveal Himself to their consciences; He does not come with power into their hearts; He does not take the veil of unbelief and blindness from their carnal minds, and show them Himself; He takes them not where He took Moses, into the cleft of the rock, “where His glory passed by;” He deals not with them as He dealt with Isaiah, when He manifested to him the glory of the Lord in the temple; He discovers Himself not to them as He did to Job, when “he abhorred himself in dust and ashes.” All their knowledge of God, therefore, is an external, intellectual knowledge, a mere exercise of the faculties of the mind, without any spiritual teaching, or any special revelation of the presence, power, glory, and majesty of God to their consciences.
But the babe, the living babe in Zion has “the fear of the Lord,” in his soul, “as the beginning of wisdom.” And therefore, having this fountain of life within, he has it springing up in spiritual exercises. As the Apostle speaks, he “serves God acceptably with reverence and godly fear;” he dare not rush with presumption into His holy presence. When he comes into His sanctuary a solemn dread from time to time falls upon his spirit.
He has the feelings of Isaiah when he cried—“I am a man of unclean lips; for my eyes have seen the King, the Lord of hosts;” the feelings of Jacob when he was afraid, and said, “How dreadful is this place!” the feelings of Moses, when he stood by the burning bush, and put his shoes from off his feet, for the spot whereon he stood was holy ground; the feelings of the high priest in the temple, on that mysterious day of atonement, when he entered alone, “not without blood,” into the sanctuary, the holy of holies, and beheld the Shechinah, the Divine presence as a cloud resting on the mercy-seat.
The babe, then, has these exercises of godly fear, which carnal, unhumbled, worldly-wise professors know nothing of. And though the babe, at times, seems to have no religion which he can really call spiritual or which satisfies himself, yet he has that tenderness, awe, and reverence which the carnal professor, however high in doctrine, however soaring in vain confidence, is utterly unacquainted with.
To the reader…
How impressive those can seem to you who know a great deal and have climbed high in doctrine, while you think yourself only a babe! Know, then, that all the knowledge of the wise and prudent stays on the surface, as long as God does not reveal Himself to the conscience. But does a reverent fear sometimes fall upon your spirit when you come into His presence? Have you felt with Isaiah that you are unclean, or said with Jacob, “How dreadful is this place”?
Then the fear of the Lord is in your soul as the beginning of wisdom, and it does not come from yourself, but has been given you by Him. Even if you know times when you seem to have no religion you dare call spiritual, that tenderness and reverence are signs of life. Give thanks, then, with the Lord Jesus to the Father, Who has revealed these things unto babes.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En aquel tiempo, respondiendo Jesús, dijo: Te alabo, Padre, Señor del cielo y de la tierra, que hayas escondido estas cosas de los sabios y de los entendidos, y las hayas revelado a los niños.
Mateo 11:25
Cualquiera que sea el conocimiento religioso, la sabiduría carnal o la prudencia mundana que un hombre posea, si está desprovisto de la vida de Dios en su alma, carece de las operaciones del temor piadoso; no tiene un solemne temor ni reverencia hacia Jehová; nunca ha visto sus pecados a la luz del rostro de Dios; nunca ha temblado ante “la ira que vendrá”; nunca se ha postrado con espíritu reverente ante los ojos de un Jehová que escudriña los corazones, Quien ve los rincones secretos de su pecho.
Al contrario, todo su conocimiento, toda su sabiduría y toda su prudencia le dejan exactamente donde le encontraron: inconverso, carnal, sensual, mundano, “muerto en delitos y pecados.” Toda su sabiduría nunca llegó más allá de la superficie; nunca rompió la costra de la incredulidad para entrar a través de esa costra endurecida en la conciencia y producir allí efectos vivos, como enternecida por el toque del dedo de Dios. Su conocimiento, su sabiduría y su prudencia flotan todos en su mero juicio, y nunca descienden a las profundidades de su corazón.
Dios, pues, esconde las operaciones del temor espiritual de los “sabios y entendidos.” No se digna manifestarse a ellos; no les muestra la luz en Su luz; no se revela a sus conciencias; no viene con poder a sus corazones; no quita el velo de la incredulidad y la ceguera de sus mentes carnales para mostrarse a Sí mismo; no los lleva adonde llevó a Moisés, a la hendidura de la peña, “cuando pasó Su gloria”; no trata con ellos como trató con Isaías cuando le manifestó la gloria del Señor en el templo; no se descubre a ellos como a Job, cuando “se aborreció a sí mismo en el polvo y en la ceniza.” Por tanto, todo su conocimiento de Dios es un conocimiento externo e intelectual, un mero ejercicio de las facultades de la mente, sin ninguna enseñanza espiritual ni ninguna revelación especial de la presencia, el poder, la gloria y la majestad de Dios a sus conciencias.
Pero el niño, el niño viviente en Sion, tiene en su alma “el temor de Jehová” como “el principio de la sabiduría.” Y por eso, teniendo dentro esta fuente de vida, la tiene brotando en ejercicios espirituales. Como dice el Apóstol, “sirve a Dios agradándole con temor y reverencia”; no se atreve a precipitarse con presunción en Su santa presencia. Cuando entra en Su santuario, de tiempo en tiempo cae sobre su espíritu un temor solemne.
Tiene los sentimientos de Isaías cuando clamó: “Siendo hombre inmundo de labios, han visto mis ojos al Rey, Jehová de los ejércitos”; los sentimientos de Jacob cuando tuvo miedo y dijo: “¡Cuán terrible es este lugar!”; los sentimientos de Moisés cuando estuvo junto a la zarza ardiente y se quitó el calzado de los pies, porque el lugar en que estaba era tierra santa; los sentimientos del sumo sacerdote en el templo, en aquel misterioso día de la expiación, cuando entraba solo, “no sin sangre,” en el santuario, el lugar santísimo, y contemplaba la Shekiná, la presencia divina como una nube que reposaba sobre el propiciatorio.
El niño, pues, tiene estos ejercicios de temor piadoso, de los cuales nada saben los profesantes carnales, no humillados y sabios según el mundo. Y aunque el niño a veces parece no tener ninguna religión que pueda llamar de veras espiritual o que le satisfaga a sí mismo, tiene sin embargo esa ternura, ese temor y esa reverencia que el profesante carnal, por elevado que sea en doctrina y por alto que vuele en vana confianza, desconoce por completo.
Al lector…
¡Qué impresionantes pueden parecerle los que saben mucho y han subido alto en doctrina, mientras usted se tiene por un simple niño! Sepa, pues, que todo el conocimiento de los sabios y entendidos se queda en la superficie mientras Dios no se revele a la conciencia. Pero ¿cae a veces un temor reverente sobre su espíritu cuando entra en Su presencia? ¿Ha sentido con Isaías que es inmundo, o ha dicho con Jacob: “¡Cuán terrible es este lugar!”?
Entonces el temor del Señor está en su alma como el principio de la sabiduría, y no viene de usted mismo, sino que Él se lo ha dado. Aunque conozca tiempos en que parece no tener ninguna religión que se atreva a llamar espiritual, esa ternura y esa reverencia son señales de vida. Dé gracias, pues, con el Señor Jesús al Padre, Quien ha revelado estas cosas a los niños.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl