2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede.
Romeinen 8:6
In dezelfde verhouding als ons hart en onze liefde tot het hemelse zich bevindt, zullen wij ook een zoete smaak des hemels in ons binnenste gevoelen; en daar wij alleen kunnen teruggeven wat wij ontvangen, zo is ook elke uitdrukking naar buiten van het Goddelijke leven de vrucht en de werking van het inkomen van dat leven van boven. Christus is ons leven (Kol. 3:4); en als Hij door Zijn Geest en genade het leven des geloofs in de ziel bestendigt, openbaart het zich in dankbaarheid aan Hem. Zonder deze geestelijke gezindheid is de godsdienst niets meer dan een naam, een ijdel masker, een zelfbedrog en een valstrik. God neemt niet in Zijn hemel, in de volheid Zijner eigen eeuwige zaligheid, hen op die Hij niet liefheeft en die Hem niet liefhebben. Het is een toebereid volk voor een toebereide woning.
En die bereidheid voor de hemel, als een innerlijke genade, bestaat meest in die zoete geestelijke toestand der ziel, waarbij de dingen die des hemels zijn, ons enig geluk uitmaken, en men een inwendig genot smaakt dat het hart verruimt, de ziel veredelt en de gehele ziel als het ware doet opstijgen in een heilige atmosfeer, waarin zij zich als in haar meest geliefde element baadt. Het is „het leven”, niet die koude, dode belijdenis van die vleselijke creaturen die alleen een natuurlijk geloof hebben in de Heere Jezus Christus en in de waarheden van Zijn evangelie, maar dat zalige leven dat nooit zal sterven, maar leven in de eeuwige tegenwoordigheid Gods, wanneer de aarde en al wat zij bevat, vergaan zal in de vernielende vlammen des vuurs. En het is door „vrede” — de nalatenschap des Verlossers bij Zijn sterven — dat Hij, terwijl Hij ze Zelf vervult, de verborgen golven der ziel bedaart, elke weerspannige aandoening stilt, en Zichzelf op de troon plaatst als de Vorst des Vredes.
Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,
’t welk Gij uit onbezweken trouw
Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen.
Ps. 106:3
Aan de lezer…
Misschien, lezer, schrikt u van dit woord: „Het bedenken des vleses is de dood.” Want u merkt hoe uw gedachten telkens weer naar beneden trekken, naar de zorgen en de dingen van deze aarde, en u vraagt u af of er in u wel iets van die geestelijke gezindheid te vinden is. Weet dan dat het hart alleen kan teruggeven wat het ontvangen heeft. U kunt die hemelse smaak niet uit uzelf voortbrengen; hij komt van boven, van Christus, Die het leven van Zijn volk is.
Zoek het dan niet in uzelf, maar bij Hem. Als Hij door Zijn Geest Zich aan de ziel ontdekt, worden de dingen des hemels het enige ware geluk, en wordt het hart verruimd. En wat zoekt u anders dan vrede? Die vrede heeft de Verlosser bij Zijn sterven nagelaten. Hij kan de verborgen golven in uw binnenste bedaren en elke weerspannige gedachte stillen, wanneer Hij als de Vorst des Vredes Zijn troon in uw hart opricht. Bid Hem dat Hij dat in u doen wil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede.
Romeinen 8:6
In de mate waarin ons hart en onze liefde op het hemelse gericht zijn, zullen wij ook een zoete smaak van de hemel in ons binnenste voelen. Wij kunnen alleen teruggeven wat wij ontvangen. Daarom is ook elke uiting naar buiten van het goddelijk leven de vrucht en de werking van dat leven dat van boven in ons komt. Christus is ons leven (Kol. 3:4). Als Hij door Zijn Geest en genade het leven van het geloof in de ziel in stand houdt, blijkt dat in dankbaarheid aan Hem. Zonder deze geestelijke gezindheid is de godsdienst niets meer dan een naam, een leeg masker, een zelfbedrog en een valstrik. God neemt niet in Zijn hemel, in de volheid van Zijn eigen eeuwige zaligheid, hen op die Hij niet liefheeft en die Hem niet liefhebben. Het is een toebereid volk voor een toebereide woning.
Die toebereiding voor de hemel, als een innerlijke genade, bestaat vooral in die zoete geestelijke gesteldheid van de ziel waarin de hemelse dingen ons enige geluk zijn. Dan smaakt men een innerlijk genot dat het hart verruimt, de ziel veredelt en de hele ziel als het ware doet opstijgen in een heilige atmosfeer, waarin zij zich baadt als in haar meest geliefde element. Het is „het leven”. Niet die koude, dode belijdenis van vleselijke mensen die alleen een natuurlijk geloof hebben in de Heere Jezus Christus en in de waarheden van Zijn Evangelie. Nee, het is dat zalige leven dat nooit zal sterven, maar zal leven in de eeuwige tegenwoordigheid van God, wanneer de aarde en alles wat zij bevat in de verterende vlammen van het vuur zal vergaan. En het is door „vrede”, de nalatenschap van de Verlosser bij Zijn sterven, dat Hij de ziel vervult en tegelijk haar verborgen golven bedaart. Hij stilt elke weerspannige aandrift en plaatst Zichzelf op de troon als de Vorst des Vredes.
Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,
’t welk Gij uit onbezweken trouw
Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen.
Ps. 106:3
Aan de lezer…
Misschien schrikt u van dit woord: „Het bedenken des vleses is de dood.” U merkt immers hoe uw gedachten telkens weer naar beneden trekken, naar de zorgen en de dingen van deze aarde, en u vraagt zich af of er in u wel iets van die geestelijke gezindheid te vinden is. Weet dan dat het hart alleen kan teruggeven wat het ontvangen heeft. U kunt die hemelse smaak niet uit uzelf voortbrengen; hij komt van boven, van Christus, Die het leven van Zijn volk is.
Zoek het dan niet in uzelf, maar bij Hem. Als Hij Zich door Zijn Geest aan de ziel ontdekt, worden de hemelse dingen het enige ware geluk en wordt het hart verruimd. En wat zoekt u anders dan vrede? Die vrede heeft de Verlosser bij Zijn sterven nagelaten. Hij kan de verborgen golven in uw binnenste bedaren en elke weerspannige gedachte stillen, wanneer Hij als de Vorst des Vredes Zijn troon in uw hart opricht. Bid Hem dat Hij dat in u wil doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace.
Romans 8:6
Just in proportion as our heart and affections are engaged on heavenly objects, shall we feel a sweet savor of heaven resting upon our spirit; and as we can only give back what we receive, every going forth of divine life from the soul below is but the fruit and effect of the incoming of that life from above. Christ is our life above (Col. 3:4); and as He by His Spirit and grace maintains the life of faith in the soul, it manifests itself in gracious actings upon Himself. Without this spirituality of mind, religion is but a mere name, an empty mask, a delusion, and a snare.
God does not take into heaven, into the fullness of His own eternal bliss, those whom He does not love, and who do not love Him. It is a prepared people for prepared mansions. And this preparedness for heaven, as an inward grace, much consists in that sweet spirituality of mind whereby heavenly things become our only happiness, and an inward delight is felt in them, that enlarges the heart, ennobles the mind, softens the spirit, and lifts the whole soul, as it were, up into a holy atmosphere in which it bathes as its choice element.
This is “life,” not the cold, dead profession of those poor carnal creatures who have only a ‘natural faith’ in the Lord Jesus Christ and the truths of His gospel; but that blessed life which shall never die, but live in the eternal presence of God when earth and all it holds shall be wrapped in the devouring flames. And it is “peace”—the Redeemer’s dying legacy—whereby, as He Himself fulfils it, He calms the troubled waves of the soul, stills every rebellious movement, and enthrones Himself in the heart as the Prince of peace.
To the reader…
Perhaps this word alarms you: “To be carnally minded is death.” For you notice how your thoughts keep pulling downward, to the cares and things of this earth, and you wonder whether anything of that spiritual mind is to be found in you at all. Know, then, that the heart can only give back what it has received. You cannot produce that heavenly savor from within yourself; it comes from above, from Christ, Who is the life of His people.
So do not look for it in yourself, but in Him. When He reveals Himself to the soul by His Spirit, heavenly things become its only true happiness and the heart is enlarged. And what else are you seeking but peace? That peace the Redeemer left behind as His dying legacy. He can calm the hidden waves within you and still every rebellious thought, when He sets up His throne in your heart as the Prince of peace. Ask Him to do that in you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque la intención de la carne es muerte; mas la intención del espíritu, vida y paz.
Romanos 8:6
Exactamente en la medida en que nuestro corazón y nuestros afectos se ocupan en objetos celestiales, sentiremos un dulce sabor del cielo reposar sobre nuestro espíritu; y como solo podemos devolver lo que recibimos, toda salida de la vida divina desde el alma aquí abajo no es sino fruto y efecto de la entrada de esa vida desde arriba. Cristo es nuestra vida en lo alto (Col. 3:4); y así como Él, por Su Espíritu y Su gracia, mantiene la vida de fe en el alma, esta se manifiesta en actos de gracia dirigidos a Él mismo. Sin esta espiritualidad de mente, la religión no es más que un simple nombre, una máscara vacía, un engaño y un lazo.
Dios no lleva al cielo, a la plenitud de Su propia dicha eterna, a aquellos a quienes no ama y que no le aman. Es un pueblo preparado para moradas preparadas. Y esta preparación para el cielo, como gracia interior, consiste en gran parte en esa dulce espiritualidad de mente por la cual las cosas celestiales llegan a ser nuestra única felicidad, y se siente en ellas un deleite interior que ensancha el corazón, ennoblece la mente, ablanda el espíritu y eleva, por así decirlo, toda el alma a una atmósfera santa en la que se baña como en su elemento predilecto.
Esto es “vida”; no la profesión fría y muerta de aquellas pobres criaturas carnales que solo tienen una ‘fe natural’ en el Señor Jesucristo y en las verdades de Su evangelio, sino aquella bendita vida que nunca morirá, sino que vivirá en la presencia eterna de Dios cuando la tierra y todo lo que contiene sean envueltos en llamas devoradoras. Y es “paz”, el legado del Redentor al morir, por la cual, cuando Él mismo lo cumple, calma las olas turbadas del alma, aquieta todo movimiento rebelde y se entroniza en el corazón como el Príncipe de paz.
Al lector…
Quizá esta palabra le alarma: “La intención de la carne es muerte”. Porque nota cómo sus pensamientos tiran una y otra vez hacia abajo, a los afanes y las cosas de esta tierra, y se pregunta si se halla en usted algo de esa mente espiritual. Sepa, pues, que el corazón solo puede devolver lo que ha recibido. Usted no puede producir ese sabor celestial desde dentro de sí mismo; viene de arriba, de Cristo, que es la vida de Su pueblo.
No lo busque, pues, en usted mismo, sino en Él. Cuando Él se revela al alma por Su Espíritu, las cosas celestiales llegan a ser su única felicidad verdadera y el corazón se ensancha. ¿Y qué otra cosa busca usted sino paz? Esa paz la dejó el Redentor como Su legado al morir. Él puede calmar las olas ocultas dentro de usted y aquietar todo pensamiento rebelde, cuando establece Su trono en su corazón como el Príncipe de paz. Pídale que haga eso en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leer mij Uw paden
Leid mij in Uw waarheid en leer mij.
Psalm 25:5
Als iemand binnen het klankbereik van de waarheid is gekomen, en haar kracht voor hem voelbaar wordt, grijpt hij haar onmiddellijk aan als iets dat bruikbaar is in zijn situatie. Het is voedsel waar hij geestelijk naar verlangt, en de stem van God komt er zo duidelijk in uit, dat voorheen onbekende gevoelens in zijn hart komen.
De Heere werkt soms heel sterk op deze wijze. Iemand kan jarenlang naar dwalingen hebben geluisterd. Telkens ging hij ermee in strijd vanuit zijn innerlijke afkeer ervan, en toch durfde hij ze bijna niet te laten varen, uit angst dat het een misstap zou zijn. Maar breng deze persoon in Gods voorzienigheid binnen het klankbereik van de waarheid, of plaats hem in een situatie waarin hij moet omgaan met mensen die van de waarheid houden, en meteen omhelst hij haar. Op deze wijze, of soms door boeken van waarheidlievende mensen te lezen, wordt een licht in zijn ziel geworpen waardoor hij de waarheid ziet, en de dwaling die hij voordien niet zag, gaat zijn ziel tegenstaan.
De hele tijd stond hij onder goddelijk onderricht zonder het te weten, maar nu omhelst hij de waarheid, die niet alleen past bij zijn behoeften en waar zijn hart zich echt mee wil voeden, maar die God verheerlijkt. Ik weet dit uit ervaring, omdat toen het de Heere beliefde eeuwige dingen krachtig en duidelijk op mijn geweten te leggen, er bijna meteen een neiging tot Gods waarheid ontstond, en een verlangen haar te kennen en ervan te genieten. Een ziel kan maanden- of jarenlang verstrengeld zijn in allerlei dwalingen en verwarringen, terwijl erachter toch een neiging en een verlangen naar Gods waarheid aanwezig is.
Dus daar waar God leven in de ziel heeft geplant, zal een behoefte aan het licht ontstaan, al komt dat licht slechts door een kier binnen. Dit zal in de loop van de tijd tot grotere openbaringen van de waarheid leiden, hetgeen de ziel naar het paleis van de Koning zal voeren. Zij zal dan geen vreemdeling zijn die buiten het terrein rondloopt en door de parkomheining gluurt, maar als een kind zijn dat thuis in de tuin speelt en naar believen kamers in- en uitloopt.
Lezen: Psalm 119:161-176
Aan de lezer…
Herkent u dit? Misschien hebt u lang onder dwaling verkeerd, met een innerlijke afkeer ervan, en toch zonder te durven loslaten wat u kende. Dan is dit een woord voor u. Waar God leven in de ziel heeft geplant, daar ontstaat honger naar het licht, al komt dat licht slechts door een kier naar binnen. U stondt wellicht al die tijd onder goddelijk onderricht zonder het te weten.
Het verlangen naar Gods waarheid, dat ook achter allerlei verwarringen in u leefde, is geen toeval; het is Zijn werk. En de Heere laat het niet bij een kier. Hij leidt de ziel tot grotere openbaringen van de waarheid, totdat zij niet langer als een vreemdeling door de omheining gluurt, maar als een kind thuis is in het paleis van de Koning. Bid dan met de Psalmist: „Leid mij in Uw waarheid en leer mij”, en wacht op Zijn verder licht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Leid mij in Uw waarheid en leer mij.
Psalm 25:5
Wanneer iemand binnen het bereik van de waarheid is gekomen en hij haar kracht voelt, grijpt hij haar meteen aan als iets wat in zijn situatie bruikbaar is. Het is voedsel waar hij geestelijk naar verlangt, en de stem van God klinkt er zo duidelijk in door, dat er gevoelens in zijn hart komen die hij voorheen niet kende.
De Heere werkt soms heel sterk op deze manier. Iemand kan jarenlang naar dwalingen hebben geluisterd. Telkens kwam hij er innerlijk tegen in verzet, omdat hij er een afkeer van had, en toch durfde hij ze bijna niet los te laten, uit angst dat dat een misstap zou zijn. Maar laat deze persoon in Gods voorzienigheid binnen het bereik van de waarheid komen, of breng hem in een situatie waarin hij moet omgaan met mensen die van de waarheid houden, en meteen omhelst hij haar. Op deze manier, of soms door het lezen van boeken van mensen die de waarheid liefhebben, valt er een licht in zijn ziel waardoor hij de waarheid ziet, en de dwaling die hij eerder niet zag, gaat hem tegenstaan.
Al die tijd stond hij onder goddelijk onderricht zonder het te weten. Maar nu omhelst hij de waarheid, die niet alleen past bij zijn behoeften en waar zijn hart zich werkelijk mee wil voeden, maar die ook God verheerlijkt. Ik weet dit uit ervaring. Toen het de Heere behaagde eeuwige dingen krachtig en duidelijk op mijn geweten te leggen, ontstond er bijna meteen een neiging tot Gods waarheid, en een verlangen haar te kennen en ervan te genieten. Een ziel kan maanden- of jarenlang verstrikt zijn in allerlei dwalingen en verwarringen, terwijl daarachter toch een neiging en een verlangen naar Gods waarheid aanwezig is.
Waar God leven in de ziel heeft geplant, zal dus een behoefte aan het licht ontstaan, al komt dat licht maar door een kier binnen. Dit zal na verloop van tijd leiden tot grotere openbaringen van de waarheid, en die zullen de ziel naar het paleis van de Koning brengen. Dan zal zij geen vreemdeling zijn die buiten het terrein rondloopt en door de omheining van het park gluurt, maar een kind dat thuis in de tuin speelt en naar believen de kamers in- en uitloopt.
Lezen: Psalm 119:161-176
Aan de lezer…
Herkent u dit? Misschien hebt u lang onder dwaling verkeerd, met een innerlijke afkeer ervan, en toch zonder te durven loslaten wat u kende. Dan is dit een woord voor u. Waar God leven in de ziel heeft geplant, daar ontstaat honger naar het licht, al komt dat licht maar door een kier naar binnen. Misschien stond u al die tijd onder goddelijk onderricht zonder het te weten.
Het verlangen naar Gods waarheid, dat ook achter allerlei verwarringen in u leefde, is geen toeval; het is Zijn werk. En de Heere laat het niet bij een kier. Hij leidt de ziel tot grotere openbaringen van de waarheid, totdat zij niet langer als een vreemdeling door de omheining gluurt, maar als een kind thuis is in het paleis van de Koning. Bid dan met de Psalmist: „Leid mij in Uw waarheid en leer mij”, en wacht op Zijn verdere licht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lead me in Thy truth, and teach me.
Psalm 25:5
When a man has come within the reach of the truth and feels its power, he at once lays hold of it as something suited to his case. It is food for which he spiritually hungers, and the voice of God sounds so plainly in it that feelings arise in his heart which he never knew before.
The Lord sometimes works very powerfully in this way. A man may have sat for years under error. Again and again he inwardly resisted it, because he had a dislike of it, and yet he hardly dared let it go, for fear that this would be a false step. But let this man in God’s providence come within the reach of the truth, or bring him into a position where he must associate with those who love the truth, and at once he embraces it. In this way, or sometimes by reading the books of those who love the truth, a light falls into his soul by which he sees the truth, and the error he did not see before becomes distasteful to him.
All that time he was under Divine teaching without knowing it. But now he embraces the truth, which not only suits his needs and on which his heart really desires to feed, but which also glorifies God. I know this from experience. When it pleased the Lord to lay eternal things with power and clearness on my conscience, there arose almost at once an inclination towards God’s truth, and a desire to know it and enjoy it. A soul may for months or years be entangled in all manner of errors and perplexities, while behind them there is still present an inclination and a desire towards God’s truth.
Where God has planted life in the soul, then, a need of the light will arise, though that light come in only through a chink. This will in time lead to greater revelations of the truth, and these will bring the soul to the palace of the King. Then she will not be a stranger walking outside the grounds and peeping through the fence of the park, but a child playing at home in the garden and going in and out of the rooms at will.
Reading: Psalm 119:161-176
To the reader…
Do you recognise this? Perhaps you have long been under error, with an inward dislike of it, and yet without daring to let go of what you knew. Then this is a word for you. Where God has planted life in the soul, there a hunger for the light arises, though that light come in only through a chink. Perhaps all that time you were under Divine teaching without knowing it.
The longing for God’s truth that lived in you even behind all kinds of perplexities is no accident; it is His work. And the Lord does not leave it at a chink. He leads the soul on to greater revelations of the truth, until she no longer peeps through the fence as a stranger, but is at home as a child in the palace of the King. Pray then with the Psalmist, “Lead me in Thy truth, and teach me,” and wait for His further light.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Encamíname en Tu verdad, y enséñame.
Salmo 25:5
Cuando un hombre ha llegado al alcance de la verdad y siente su poder, enseguida se aferra a ella como a algo adecuado a su caso. Es alimento del que tiene hambre espiritual, y la voz de Dios suena en ella tan claramente que surgen en su corazón sentimientos que nunca antes conoció.
El Señor obra a veces con mucho poder de esta manera. Un hombre puede haber estado sentado durante años bajo el error. Una y otra vez se resistió interiormente a él, porque le desagradaba, y sin embargo apenas se atrevía a dejarlo, por temor a que eso fuera un paso en falso. Pero deje que este hombre, en la providencia de Dios, llegue al alcance de la verdad, o póngalo en una situación en la que deba tratar con quienes aman la verdad, y enseguida la abraza. De este modo, o a veces leyendo los libros de quienes aman la verdad, cae una luz en su alma por la cual ve la verdad, y el error que antes no veía se le vuelve desagradable.
Todo ese tiempo estuvo bajo enseñanza divina sin saberlo. Pero ahora abraza la verdad, que no solo responde a sus necesidades y de la que su corazón desea de veras alimentarse, sino que además glorifica a Dios. Esto lo sé por experiencia. Cuando agradó al Señor poner las cosas eternas con poder y claridad sobre mi conciencia, surgió casi enseguida una inclinación hacia la verdad de Dios, y un deseo de conocerla y gozarla. Un alma puede estar durante meses o años enredada en toda clase de errores y perplejidades, mientras que detrás de ellos sigue presente una inclinación y un deseo hacia la verdad de Dios.
Donde Dios ha plantado vida en el alma, pues, surgirá una necesidad de la luz, aunque esa luz entre solo por una rendija. Esto conducirá con el tiempo a mayores revelaciones de la verdad, y estas llevarán al alma al palacio del Rey. Entonces ella no será una extraña que anda fuera de la finca y se asoma por la valla del parque, sino una hija que juega en casa, en el jardín, y entra y sale de las habitaciones a su gusto.
Lectura: Salmo 119:161-176
Al lector…
¿Reconoce esto? Quizá ha estado mucho tiempo bajo el error, con un desagrado interior hacia él, y sin embargo sin atreverse a soltar lo que conocía. Entonces esta es una palabra para usted. Donde Dios ha plantado vida en el alma, allí surge un hambre de la luz, aunque esa luz entre solo por una rendija. Quizá todo ese tiempo estuvo bajo enseñanza divina sin saberlo.
El anhelo de la verdad de Dios que vivía en usted aun detrás de toda clase de perplejidades no es casualidad; es obra Suya. Y el Señor no lo deja en una rendija. Él lleva al alma a mayores revelaciones de la verdad, hasta que ya no se asoma por la valla como una extraña, sino que está en casa como hija en el palacio del Rey. Ore, pues, con el Salmista: “Encamíname en Tu verdad, y enséñame”, y espere Su luz ulterior.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel.
Klaagliederen 3:41
Wanneer de Heere het gericht stellen zal naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood, wanneer Hij de levend gemaakte zondaar doet klagen vanwege de verdiende kastijding om der zonde wil, en hem dus brengt om zijn wegen te onderzoeken en te doorzoeken, dan verwekt dit in de ziel van die zondaar de ernstige uitroep: „Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders onze handen.” Niet de handen zonder het hart, niet het louter buigen van de knie, niet slechts het tonen van een ernstig en voornaam gezicht, wat het gemakkelijke en gewone bedeksel is voor de huichelaar; niet slechts de vorm van het gebed, die meer en meer op de voorgrond treedt in deze dagen, maar een opheffen van het hart met de handen. Dit is het enige, ware gebed, als het hart zich uitstort voor de troon der genade en de Geest voor ons en in ons pleit met onuitsprekelijke zuchtingen. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid. Het verslagen hart en de verbroken geest, het inwendig verlangen der ziel om Hem, nadat Zijn tegenwoordigheid geproefd is, het zwaarmoedig zuchten en smartelijk wenen, zal door de Heere worden aangezien, terwijl Hij Zich afkeren zal van lippenwerk en vleselijke oefening.
Maar er is ook veel gelegen in de woorden „God in de hemel”. Deze uitdrukking stelt Hem voor als gezeten ver boven alle hemelen, in het licht, majesteit en onuitsprekelijke heerlijkheid, en niettemin zittende op Zijn troon van barmhartigheid en genade, om de ziel te zegenen die op Hem wacht, zijnde vol liefde en medelijden voor de arme en nooddruftige, die zijn hart, mitsgaders zijn hand, opheft. Hart en hand opheft, opdat hij moge ontvangen vergeving en vrede uit Jezus’ volheid, terwijl hij met onuitsprekelijke verlangens uitziet of de Heere Zelf hem genadig wil toelachen en liefde en gunst in zijn ziel wil doen instralen.
Deze opheffing van het hart — het enige ware en aangename gebed — kan niemand zichzelf geven. God, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, kan alleen in ons werken „het willen en het werken naar Zijn welbehagen”. De natuur, met al haar krachtsinspanningen en al haar nagebootste godzaligheid, kan deze geestelijke offerande niet voortbrengen. Zij moge zich snijden met messen en uitroepen van de morgen tot de avond: „Baal, antwoord ons”, maar zij kan het heilig vuur van de hemel niet doen nederdalen. Zij kan de hand opheffen, maar niet het hart.
Reken erop dat in deze geestelijke omgang met de levende God, buiten het gezicht en buiten het bereik van de meest verfijnde hypocriet en zelfbedrieger, veel van de kracht der ware godzaligheid ligt. Deze opheffing van het hart, als geen oog ons ziet en geen oor ons hoort, in de dagelijkse verrichtingen des levens, in de eenzame kamer en op het bed te middernacht, misschien omringd door de wereld en toch in de geest ervan afgescheiden, is een geheim, alleen bekend aan het levende huisgezin van God.
Aan de lezer…
Hier wordt een vraag gesteld die dieper gaat dan het uiterlijk: het is gemakkelijk de handen te vouwen en de knie te buigen, maar hoe staat het met uw hart? Wellicht voelt u hoe koud en dor uw gebeden zijn, en schaamt u zich over het lippenwerk dat zo vaak opkomt. Wees daarover eerlijk voor de Heere. Een verbroken hart en een verslagen geest, een zucht en een traan in het verborgen, zal Hij niet verachten, al kan de natuur ze niet voortbrengen.
Want het opheffen van het hart kan niemand zichzelf geven; God moet het werken. Vraag Hem er dan om. Hij is God in de hemel, ver verheven in majesteit, en toch gezeten op een troon van genade, vol medelijden voor de arme en nooddruftige. In de eenzame kamer, op het bed te middernacht, te midden van de dagelijkse bezigheden: hef daar uw hart op tot Hem, en wacht of Hij u genadig wil toelachen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel.
Klaagliederen 3:41
Wanneer de Heere het recht stelt naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood, wanneer Hij de levend gemaakte zondaar laat klagen over de verdiende kastijding vanwege de zonde, en hem zo ertoe brengt zijn wegen te onderzoeken en te doorzoeken, dan wekt dit in de ziel van die zondaar de ernstige uitroep: „Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders onze handen.” Niet de handen zonder het hart, niet alleen het buigen van de knie, niet alleen het tonen van een ernstig en deftig gezicht, wat de gemakkelijke en gewone dekmantel van de huichelaar is; niet alleen de vorm van het gebed, die in deze dagen steeds meer op de voorgrond treedt, maar een opheffen van het hart met de handen. Dat is het enige ware gebed: wanneer het hart zich uitstort voor de troon van de genade en de Geest voor ons en in ons pleit met onuitsprekelijke zuchtingen. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid. Het verslagen hart en de verbroken geest, het innerlijk verlangen van de ziel naar Hem nadat Zijn tegenwoordigheid geproefd is, het bedroefde zuchten en smartelijke wenen, zal de Heere aanzien, terwijl Hij Zich zal afkeren van lippenwerk en vleselijke oefening.
Maar er ligt ook veel in de woorden „God in de hemel”. Deze uitdrukking stelt Hem voor als gezeten ver boven alle hemelen, in licht, majesteit en onuitsprekelijke heerlijkheid, en toch zittend op Zijn troon van barmhartigheid en genade om de ziel te zegenen die op Hem wacht. Hij is vol liefde en medelijden voor de arme en nooddruftige die zijn hart, en ook zijn hand, opheft. Hij heft hart en hand op om vergeving en vrede te ontvangen uit de volheid van Jezus, terwijl hij met onuitsprekelijke verlangens uitziet of de Heere Zelf hem genadig wil toelachen en liefde en gunst in zijn ziel wil laten stralen.
Deze opheffing van het hart — het enige ware en aangename gebed — kan niemand zichzelf geven. Alleen God, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, kan in ons werken „het willen en het werken naar Zijn welbehagen”. De natuur, met al haar krachtsinspanningen en al haar nagebootste godzaligheid, kan dit geestelijk offer niet voortbrengen. Zij mag zich snijden met messen en van de morgen tot de avond uitroepen: „Baal, antwoord ons”, maar zij kan het heilige vuur niet uit de hemel laten neerdalen. Zij kan de hand opheffen, maar niet het hart.
Reken erop dat in deze geestelijke omgang met de levende God, buiten het zicht en buiten het bereik van de meest verfijnde huichelaar en zelfbedrieger, veel van de kracht van de ware godzaligheid ligt. Deze opheffing van het hart wanneer geen oog ons ziet en geen oor ons hoort, bij de dagelijkse bezigheden van het leven, in de eenzame kamer en op bed te middernacht, misschien omringd door de wereld en toch in de geest ervan afgezonderd, is een geheim dat alleen bekend is aan het levende huisgezin van God.
Aan de lezer…
Hier wordt een vraag gesteld die dieper gaat dan het uiterlijk: het is gemakkelijk de handen te vouwen en de knie te buigen, maar hoe staat het met uw hart? Misschien voelt u hoe koud en dor uw gebeden zijn, en schaamt u zich over het lippenwerk dat zo vaak opkomt. Wees daarover eerlijk voor de Heere. Een verbroken hart en een verslagen geest, een zucht en een traan in het verborgen, zal Hij niet verachten, al kan de natuur ze niet voortbrengen.
Want het opheffen van het hart kan niemand zichzelf geven; God moet het werken. Vraag Hem er dan om. Hij is God in de hemel, hoog verheven in majesteit, en toch gezeten op een troon van genade, vol medelijden voor de arme en nooddruftige. In de eenzame kamer, op bed te middernacht, te midden van de dagelijkse bezigheden: hef daar uw hart op tot Hem, en wacht of Hij u genadig wil toelachen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us lift up our heart with our hands unto God in the heavens.
Lamentations 3:41
When the Lord lays judgment to the line, and righteousness to the plummet, when He makes the living man complain on account of deserved chastisement for his sins, and thus brings him to search and try his ways, He raises up an earnest cry in his soul. “Let us lift up our heart with our hands,” and not the hands without the heart; not the mere bended knee; not the mere grave and solemn countenance, that easiest and most frequent cover of hypocrisy; not the mere form of prayer, that increasing idol of the day—but the lifting up of the heart with the hand.
This is the only true prayer, when the heart is poured out before the throne of grace, the Spirit interceding for us and within us with groanings that cannot be uttered. “God is a Spirit; and they that worship Him must worship Him in spirit and in truth.” The contrite heart and broken spirit, the inward panting of the soul after His manifested presence, the heaving sigh and penitential tear will be regarded by Him, when He will turn away from mere lip-service and bodily exercise.
But there is much also implied in the words, “God in the heavens.” This expression represents Him as seated far above all heavens, enthroned in light, majesty, and glory unspeakable; and yet sitting on His throne of mercy and grace to bless the soul that waits upon Him, full of love and compassion for the poor and needy one that lifts up his heart together with the hand, that he may receive pardon and peace out of Jesus’ fullness, and pants with unutterable longings that the Lord Himself would graciously smile and beam love and favor into his soul.
This lifting up of the heart—the only true and acceptable prayer—no man can create in himself. God, Who works all things after the counsel of His own will, can alone work in us thus “to will and to do of His own good pleasure.” Nature cannot, with all her efforts, and all her counterfeit imitations of vital godliness, accomplish this spiritual sacrifice. She may cut her flesh with lancets, and cry, “Baal, hear us,” from morning until evening, but she cannot bring down the holy fire from heaven. She can lift the hand, but she cannot lift up the heart.
Depend upon it that in this spiritual communion with the living God, out of the sight and out of the reach of the most refined hypocrite and self-deceiver, much of the power of vital godliness lies. This lifting up of the heart when no eye sees and no ear hears, in the daily and often hourly transactions of life, in the lonely chamber, and on the midnight bed, surrounded perhaps by the world, and yet in spirit separate from it, is a secret known only to the living family of God.
To the reader…
Here a question is asked that goes deeper than the outward appearance: it is easy to fold the hands and bend the knee, but how is it with your heart? Perhaps you feel how cold and dry your prayers are, and you are ashamed of the lip-service that so often rises up. Be honest about this before the Lord. A broken heart and a contrite spirit, a sigh and a tear in secret, He will not despise, though nature cannot bring them forth.
For no one can give himself the lifting up of the heart; God must work it. Ask Him for it, then. He is God in the heavens, high and exalted in majesty, and yet seated on a throne of grace, full of compassion for the poor and needy. In the lonely chamber, on your bed at midnight, in the midst of your daily tasks: lift up your heart to Him there, and wait to see whether He will graciously smile upon you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Levantemos nuestros corazones con las manos a Dios en los cielos.
Lamentaciones 3:41
Cuando el Señor ajusta el juicio a cordel y la justicia a nivel, cuando hace que el hombre viviente se queje a causa del merecido castigo de sus pecados, y así le lleva a escudriñar y examinar sus caminos, despierta en su alma un clamor ferviente. “Levantemos nuestros corazones con las manos”, y no las manos sin el corazón; no la mera rodilla doblada; no el mero semblante grave y solemne, esa cubierta de la hipocresía, la más fácil y la más frecuente; no la mera forma de oración, ese ídolo creciente de nuestros días, sino el levantar el corazón con la mano.
Esta es la única oración verdadera: cuando el corazón se derrama ante el trono de la gracia, intercediendo el Espíritu por nosotros y dentro de nosotros con gemidos indecibles. “Dios es Espíritu; y los que Le adoran, en espíritu y en verdad es necesario que adoren.” El corazón contrito y el espíritu quebrantado, el anhelo interior del alma por Su presencia manifiesta, el suspiro profundo y la lágrima de arrepentimiento serán atendidos por Él, cuando se aparte del mero servicio de labios y del ejercicio corporal.
Pero también hay mucho implícito en las palabras “Dios en los cielos”. Esta expresión Le presenta sentado muy por encima de todos los cielos, entronizado en luz, majestad y gloria inefable; y sin embargo sentado en Su trono de misericordia y gracia para bendecir al alma que espera en Él, lleno de amor y compasión por el pobre y necesitado que levanta su corazón junto con la mano para recibir perdón y paz de la plenitud de Jesús, y que anhela con ansias indecibles que el Señor mismo le sonría con gracia y haga resplandecer amor y favor en su alma.
Este levantar el corazón, la única oración verdadera y aceptable, nadie puede crearlo en sí mismo. Solo Dios, que hace todas las cosas según el consejo de Su voluntad, puede producir así en nosotros “el querer como el hacer, por Su buena voluntad”. La naturaleza no puede, con todos sus esfuerzos y todas sus imitaciones falsificadas de la piedad vital, ofrecer este sacrificio espiritual. Puede sajarse la carne con lancetas y clamar: “¡Baal, respóndenos!” desde la mañana hasta la tarde, pero no puede hacer descender el fuego santo del cielo. Puede levantar la mano, pero no puede levantar el corazón.
Tenga por cierto que en esta comunión espiritual con el Dios vivo, fuera de la vista y fuera del alcance del hipócrita más refinado y del que se engaña a sí mismo, reside mucho del poder de la piedad vital. Este levantar el corazón cuando ningún ojo ve y ningún oído oye, en los quehaceres diarios y a menudo de cada hora de la vida, en el aposento solitario y en el lecho a medianoche, rodeado quizá por el mundo y sin embargo separado de él en espíritu, es un secreto que solo conoce la familia viviente de Dios.
Al lector…
Aquí se hace una pregunta que va más hondo que la apariencia exterior: es fácil juntar las manos y doblar la rodilla, pero ¿cómo está su corazón? Quizá siente lo frías y secas que son sus oraciones, y se avergüenza del servicio de labios que tantas veces brota. Sea sincero en esto delante del Señor. Un corazón quebrantado y un espíritu contrito, un suspiro y una lágrima en secreto, Él no los despreciará, aunque la naturaleza no pueda producirlos.
Porque nadie puede darse a sí mismo el levantar del corazón; Dios tiene que obrarlo. Pídaselo, pues. Él es Dios en los cielos, alto y exaltado en majestad, y sin embargo sentado en un trono de gracia, lleno de compasión por el pobre y necesitado. En el aposento solitario, en su lecho a medianoche, en medio de sus tareas diarias: levante allí su corazón a Él, y espere a ver si Él le sonríe con gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl