5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood.
Psalm 56:14
U kunt net als David gered zijn van de dood, en toch geen volledige zekerheid hebben van uw verlossing. Ik hoop dat God uw ziel heeft opgewekt tot een godvruchtig leven. Hij kan Zijn genade aan uw hart hebben meegedeeld, en toch kunt u twijfelen en vrezen of het een wezenlijk werk van genade aan uw ziel was. Niet elk kind van God, dat door wederbarende genade van de dood is gered, kan de woorden met die zekerheid die hier wordt uitgedrukt, herhalen: „Gij hebt mijn ziel gered van de dood.” Maar ik zal u laten zien wanneer hij dit wel zal kunnen.
Wanneer het God behaagt hem te zegenen met een gewaarwording van Zijn vergevende liefde; wanneer Jezus aan zijn hart is ontdekt en met kracht aan zijn ziel is geopenbaard. Wanneer het bloed der besprenging zijn geweten heeft gereinigd van schuld, onreinheid en van dode werken, om de levende God te dienen. Wanneer de Geest der aanneming is geschonken en hij in staat is te roepen: „Abba, Vader”, wanneer hij door het getuigenis van de Heilige Geest in zijn ziel duidelijk zijn aanspraak op de hemelse woningen kan aflezen, dat hij een kind van God is. Wanneer hij de aanwezigheid van God ervaart en een zoete uitstorting van liefde en genegenheid naar zijn hemelse Vader. Bij zulke gelukkige gelegenheden als deze kan hij in het volle vertrouwen van het geloof zeggen: „Gij hebt mijn ziel gered van de dood.”
Door al Uw deugden aangespoord,
Hebt Gij Uw woord
En trouw verheven.
Gij hebt mijn ziel, op haar gebed,
Verhoord, gered,
Haar kracht gegeven.
Al ’s aardrijks vorsten zullen, HEER,
Uw lof en eer
Alom doen horen;
Wanneer de rede van Uw mond,
Op ’t wereldrond,
Hun klinkt in d’ oren.
Ps. 138:2
Aan de lezer…
Twijfelt u of het werk in uw ziel wel echt is? Vreest u dat wat u meende te ontvangen misschien geen wezenlijk werk van genade was? Ik zeg u eerlijk: niet elk kind van God, dat werkelijk van de dood gered is, kan met volle zekerheid zeggen: „Gij hebt mijn ziel gered van de dood.” Uw twijfel bewijst dus niet dat u buiten staat. Een mens kan gered zijn en het nog niet ten volle weten.
Maar laat u daar ook niet tevreden mee stellen. Zoek de Heere om meer: om een gewaarwording van Zijn vergevende liefde, om Jezus met kracht aan uw ziel geopenbaard, om het bloed der besprenging dat het geweten reinigt van dode werken. Bid om de Geest der aanneming, Die doet roepen: „Abba, Vader.” Wanneer de Heere zo verschijnt, zal ook uw mond in vertrouwen kunnen belijden wat uw hart nu nog bevend hoopt: Hij heeft mijn ziel gered.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood.
Psalm 56:14
U kunt net als David van de dood gered zijn en toch geen volle zekerheid hebben over uw verlossing. Ik hoop dat God uw ziel heeft opgewekt tot een godvruchtig leven. Hij kan Zijn genade aan uw hart hebben meegedeeld, terwijl u toch twijfelt en vreest of het wel een wezenlijk werk van genade in uw ziel was. Niet elk kind van God dat door wederbarende genade van de dood is gered, kan de woorden met de zekerheid die hier wordt uitgedrukt nazeggen: „Gij hebt mijn ziel gered van de dood.” Maar ik zal u laten zien wanneer hij dat wel kan.
Dat is wanneer het God behaagt hem te zegenen met een gewaarwording van Zijn vergevende liefde, wanneer Jezus aan zijn hart is ontdekt en met kracht aan zijn ziel is geopenbaard. Het is wanneer het bloed der besprenging zijn geweten heeft gereinigd van schuld, van onreinheid en van dode werken, om de levende God te dienen. Het is wanneer de Geest der aanneming is geschonken en hij kan roepen: „Abba, Vader”; wanneer hij door het getuigenis van de Heilige Geest in zijn ziel duidelijk zijn recht op de hemelse woningen kan lezen, namelijk dat hij een kind van God is. Het is wanneer hij de nabijheid van God ervaart en er een zoete uitstorting van liefde en genegenheid naar zijn hemelse Vader is. Bij zulke gelukkige gelegenheden kan hij in het volle vertrouwen van het geloof zeggen: „Gij hebt mijn ziel gered van de dood.”
Door al Uw deugden aangespoord,
Hebt Gij Uw woord
En trouw verheven.
Gij hebt mijn ziel, op haar gebed,
Verhoord, gered,
Haar kracht gegeven.
Al ’s aardrijks vorsten zullen, HEER,
Uw lof en eer
Alom doen horen;
Wanneer de rede van Uw mond,
Op ’t wereldrond,
Hun klinkt in d’ oren.
Ps. 138:2
Aan de lezer…
Twijfelt u of het werk in uw ziel wel echt is? Vreest u dat wat u meende te ontvangen misschien geen wezenlijk werk van genade was? Ik zeg u eerlijk: niet elk kind van God dat werkelijk van de dood gered is, kan met volle zekerheid zeggen: „Gij hebt mijn ziel gered van de dood.” Uw twijfel bewijst dus niet dat u erbuiten staat. Een mens kan gered zijn en het nog niet ten volle weten.
Maar stel u daar ook niet tevreden mee. Zoek de Heere om meer: om een gewaarwording van Zijn vergevende liefde, om Jezus met kracht aan uw ziel geopenbaard, om het bloed der besprenging dat het geweten reinigt van dode werken. Bid om de Geest der aanneming, Die doet roepen: „Abba, Vader.” Wanneer de Heere Zich zo openbaart, zal ook uw mond vol vertrouwen kunnen belijden wat uw hart nu nog bevend hoopt: Hij heeft mijn ziel gered.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou hast delivered my soul from death.
Psalm 56:13
You may have been delivered from death, as much as David was, but not so fully in the assurance of the deliverance. God may have quickened your soul into life divine; He may have communicated His grace to your heart, and yet you have many doubts and fears whether it be a real work of grace upon your soul. It is not every child of God who has been delivered from death by regenerating grace, who can use the words with the confidence expressed here—“You have delivered my soul from death.”
But I will show you when he can. When God is pleased to bless him with a sense of His pardoning love; when Jesus is revealed to his heart, and manifested with power to his soul; when the blood of sprinkling is applied to purge his conscience from guilt, filth, and dead works, to serve the living God; when the Spirit of adoption is given, and he is enabled to cry, “Abba, Father;” when he can “read his title clear to mansions in the skies” by the witness of the Holy Spirit in his breast that he is a child of God; when he feels the presence of God, and a sweet flowing forth of love and affection to his heavenly Father—at such favored seasons as these, he can say in the sweet confidence of faith, “You have delivered my soul from death.”
To the reader…
Do you doubt whether the work in your soul is real? Do you fear that what you thought you received may not have been a true work of grace? I tell you honestly: not every child of God who has truly been delivered from death can say with full assurance, “Thou hast delivered my soul from death.” So your doubt does not prove that you are outside. A person can be saved and not yet fully know it.
But do not settle for that either. Seek the Lord for more: for a sense of His pardoning love, for Jesus revealed with power to your soul, for the blood of sprinkling that purges the conscience from dead works. Pray for the Spirit of adoption, Who makes us cry, “Abba, Father.” When the Lord reveals Himself in this way, your mouth too will be able to confess with confidence what your heart now hopes with trembling: He has delivered my soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque has librado mi vida de la muerte.
Salmo 56:13
Usted puede haber sido librado de la muerte tanto como lo fue David, pero no tan plenamente en la seguridad de la liberación. Dios puede haber vivificado su alma a la vida divina; puede haber comunicado Su gracia a su corazón, y sin embargo usted tiene muchas dudas y temores acerca de si es una verdadera obra de gracia en su alma. No todo hijo de Dios que ha sido librado de la muerte por la gracia regeneradora puede usar las palabras con la confianza aquí expresada: “Has librado mi vida de la muerte”.
Pero le mostraré cuándo puede hacerlo. Cuando a Dios le place bendecirle con un sentimiento de Su amor perdonador; cuando Jesús es revelado a su corazón y manifestado con poder a su alma; cuando la sangre del rociamiento es aplicada para limpiar su conciencia de culpa, inmundicia y obras de muerte, para que sirva al Dios vivo; cuando le es dado el Espíritu de adopción y es capacitado para clamar: “Abba, Padre”; cuando puede “leer claro su título a las mansiones en los cielos” por el testimonio del Espíritu Santo en su pecho de que es hijo de Dios; cuando siente la presencia de Dios y un dulce fluir de amor y afecto hacia su Padre celestial; en tiempos tan favorecidos como estos, puede decir con la dulce confianza de la fe: “Has librado mi vida de la muerte”.
Al lector…
¿Duda usted de si la obra en su alma es real? ¿Teme que lo que creyó recibir no haya sido una verdadera obra de gracia? Le digo con sinceridad: no todo hijo de Dios que ha sido verdaderamente librado de la muerte puede decir con plena seguridad: “Has librado mi vida de la muerte”. Así que su duda no prueba que esté usted fuera. Una persona puede estar salvada y no saberlo todavía plenamente.
Pero tampoco se conforme con eso. Busque al Señor para recibir más: un sentimiento de Su amor perdonador, a Jesús revelado con poder a su alma, la sangre del rociamiento que limpia la conciencia de obras de muerte. Ore por el Espíritu de adopción, Quien nos hace clamar: “Abba, Padre”. Cuando el Señor se revela así, también su boca podrá confesar con confianza lo que su corazón ahora espera con temblor: Él ha librado mi alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zaligmaken dat verloren was
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
God schiep Adam naar Zijn evenbeeld, naar Zijn eigen gelijkenis, en korte tijd (hoe lang, weten we niet) behield hij zijn ingeschapen zuiverheid. Onze eerste ouder en verbondshoofd viel echter, naar het verborgen voornemen van God, uit die hoge positie, en aangezien we in zijn lendenen waren, vielen we in hem en met hem. En o, wat een val was dat! De val van de mens was volledig. Kortom, hij viel zo ver hij kon.
Hij viel uit het beeld van God; hij viel uit die hoge positie waarin hij was geschapen en verviel tot volkomen vervreemding van zijn Schepper, zonk helemaal naar de diepste diepten van het kwaad, zodat er niets goeds, zuivers of onschuldigs in hem overbleef. Maar wat is dit moeilijk te geloven! Als we zoveel beminnelijkheid in de menselijke natuur aantreffen, genegenheid die duizenden tonen in wie genade en godsvrucht niet aanwezig zijn — hoe moeilijk te geloven, hoe wreed te verklaren dat de mens in wezen en ingeboren een door en door slecht schepsel is! Dit komt echter uit twee dingen voort: ten eerste uit het niet zien of onthouden dat natuurlijke en geestelijke dingen eeuwig onderscheiden zijn. De natuur is op haar best toch natuur: vlees is op zijn hoogst nog steeds vlees. En ten tweede, dat samenleving niet kan bestaan zonder de tedere genegenheid in het menselijke hart.
Maar de werkelijkheid en diepte van de zondeval te ontkennen of verzachten omdat deze persoon aardig is, een ander beminnelijk en een derde interessant, is beslist een vergissing. Al het ware inzicht en de ware kennis van de zondeval vloeien voort uit het onderwijs van de Geest, Die ons doet inzien dat in ons, dat wil zeggen in ons vlees, niets goeds woont. Echter altijd al naargelang de openbaring van de zuiverheid en heiligheid van Gods aard, en de toepassing van Gods heilige wet in haar breedte en geestelijkheid aan de ziel. Dit zal alle dromen van menselijke zuiverheid en volmaaktheid doeltreffend verdrijven. Het is doordat op die wijze onze diepgewortelde kwaal wordt blootgelegd, dat een ziel zich onder de eerste lessen van de Geest verloren voelt.
Als hij zich „verloren” voelt, welke hulp, sterkte en wijsheid kan dan in hem worden gevonden? Maar als deze ervaring bij hem niet is aangegeven in zijn hart door de vinger van God, is het Evangelie voor hem zinloos. Hij heeft nooit, nee nooit, de kracht van het Evangelie in zijn ziel gevoeld; hij is in zijn hart een Farizeeër. Zijn geloof kan onbeperkte genade zijn, maar de vrije wil in een of andere vorm is de afgod vanbinnen.
Maar als hij in het diepst van zijn ziel weet dat hij „verloren, verloren, verloren” is, en beseft dat het schepsel niet kan behouden, is dit de mens, is dit de plaats, tot wie en tot welke de Verlosser en de verlossing komt. En hij, en alleen hij, zal met gretige oren de vreugdevolle klank van de verlossing door de genade verwelkomen en opnemen.
Lezen: Genesis 3
Aan de lezer…
Als u om u heen, en wellicht ook in uzelf, zoveel beminnelijks ziet, valt het u misschien zwaar te geloven dat de val zo diep was; het klinkt hard te zeggen dat er in ons vlees niets goeds woont. Toch is het waar. De natuur is op haar best nog natuur, en het vlees op zijn hoogst nog vlees. Zo leert de Geest het de ziel, wanneer Hij haar iets doet zien van Gods heiligheid en van de breedte van Zijn wet.
Is die les ook bij u begonnen, en voelt u zich verloren, verloren, verloren? Wanhoop dan niet aan de Heere, maar aan uzelf. Want juist dit is de mens, en dit is de plaats, waar de Verlosser en de verlossing komen. Wie zo ontdekt is, hoort met gretige oren de vreugdevolle klank van de verlossing door genade, en vindt in Christus wat in hemzelf nooit te vinden was.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
God schiep Adam naar Zijn beeld, naar Zijn eigen gelijkenis, en een korte tijd (hoe lang weten we niet) behield hij de reinheid waarin hij geschapen was. Maar onze eerste vader en ons verbondshoofd viel, naar het verborgen voornemen van God, uit die hoge staat, en omdat wij in zijn lendenen waren, vielen wij in hem en met hem. En o, wat een val was dat! De val van de mens was volledig. Kortom, hij viel zo diep als hij kon.
Hij viel uit het beeld van God. Hij viel uit de hoge staat waarin hij geschapen was en raakte volkomen vervreemd van zijn Schepper. Hij zonk helemaal weg tot in de diepste diepten van het kwaad, zodat er niets goeds, reins of onschuldigs in hem overbleef. Maar wat is dit moeilijk te geloven! Wanneer we zoveel beminnelijks in de menselijke natuur aantreffen, en duizenden in wie geen genade en godsvrucht is toch genegenheid tonen, hoe moeilijk is het dan te geloven, en hoe wreed klinkt het om te zeggen, dat de mens in zijn wezen en van zijn geboorte af een door en door slecht schepsel is!
Dit komt echter voort uit twee dingen. Ten eerste: men ziet niet of vergeet dat natuurlijke en geestelijke dingen eeuwig van elkaar onderscheiden zijn. De natuur is op haar best toch natuur; vlees is op zijn hoogst nog steeds vlees. En ten tweede: de samenleving kan niet bestaan zonder tedere genegenheid in het menselijk hart. Maar het is beslist een vergissing om de werkelijkheid en diepte van de zondeval te ontkennen of te verzachten omdat de een aardig is, een ander beminnelijk en een derde boeiend.
Alle ware inzicht in en kennis van de zondeval komt voort uit het onderwijs van de Geest, Die ons doet inzien dat in ons, dat is in ons vlees, geen goed woont. Dat gebeurt echter altijd naar de mate waarin de reinheid en heiligheid van Gods wezen geopenbaard wordt, en Gods heilige wet in haar breedte en geestelijkheid aan de ziel wordt toegepast. Dat zal alle dromen over menselijke reinheid en volmaaktheid afdoende verdrijven. Juist doordat zo onze diepgewortelde kwaal wordt blootgelegd, voelt een ziel zich onder de eerste lessen van de Geest verloren.
Als hij zich „verloren” voelt, welke hulp, kracht en wijsheid kan er dan in hem gevonden worden? Maar als deze ervaring niet door de vinger van God in zijn hart geschreven is, heeft het Evangelie voor hem geen betekenis. Hij heeft nooit, nee, nooit de kracht van het Evangelie in zijn ziel gevoeld; in zijn hart is hij een Farizeeër. Zijn geloofsbelijdenis mag vrije genade zijn, maar de vrije wil is in een of andere vorm de afgod van binnen.
Maar als hij in het diepst van zijn ziel weet dat hij „verloren, verloren, verloren” is, en beseft dat het schepsel niet kan behouden, dan is dit de mens en dit de plaats waar de Verlosser en de verlossing komen. En hij, en hij alleen, zal met gretige oren de vreugdevolle klank van de verlossing door genade verwelkomen en aannemen.
Lezen: Genesis 3
Aan de lezer…
Als u om u heen, en misschien ook in uzelf, zoveel beminnelijks ziet, valt het u misschien zwaar te geloven dat de val zo diep was; het klinkt hard te zeggen dat er in ons vlees geen goed woont. Toch is het waar. De natuur is op haar best nog natuur, en het vlees op zijn hoogst nog vlees. Zo leert de Geest het de ziel, wanneer Hij haar iets laat zien van Gods heiligheid en van de breedte van Zijn wet.
Is die les ook bij u begonnen, en voelt u zich verloren, verloren, verloren? Wanhoop dan niet aan de Heere, maar aan uzelf. Want juist dit is de mens, en dit is de plaats, waar de Verlosser en de verlossing komen. Wie zo ontdekt is, hoort met gretige oren de vreugdevolle klank van de verlossing door genade, en vindt in Christus wat in hemzelf nooit te vinden was.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
God created Adam in His image, after His own likeness, and for a short time (how long we do not know) he kept the purity in which he was created. But our first father and covenant head fell, according to the secret purpose of God, from that high estate, and because we were in his loins, we fell in him and with him. And oh, what a fall was that! The fall of man was complete. In a word, he fell as low as he could fall.
He fell from the image of God. He fell from the high estate in which he was created and became utterly alienated from his Maker. He sank altogether into the lowest depths of evil, so that nothing good, pure or innocent remained in him. But how hard this is to believe! When we find so much that is amiable in human nature, and thousands in whom there is no grace or godliness still show affection, how hard it is to believe, and how cruel it sounds to say, that man in his very being and from his birth is a thoroughly evil creature!
This, however, springs from two things. First, men do not see, or they forget, that natural and spiritual things are eternally distinct. Nature at its best is still nature; flesh at its highest is still flesh. And secondly, society could not exist without tender affections in the human heart. But it is surely a mistake to deny or to soften the reality and depth of the fall because one man is kind, another amiable and a third engaging.
All true insight into and knowledge of the fall springs from the teaching of the Spirit, Who makes us see that in us, that is, in our flesh, dwelleth no good thing. This always takes place, however, in the measure in which the purity and holiness of God’s being are revealed, and God’s holy law in its breadth and spirituality is applied to the soul. That will effectually drive away all dreams of human purity and perfection. It is just by this laying bare of our deep-rooted malady that a soul feels itself lost under the first lessons of the Spirit.
When he feels himself “lost,” what help, strength or wisdom can be found in him? But if this experience has not been written in his heart by the finger of God, the gospel has no meaning for him. He has never, no, never felt the power of the gospel in his soul; in his heart he is a Pharisee. His creed may be free grace, but free will in one form or another is the idol within.
But when he knows in the depths of his soul that he is “lost, lost, lost,” and realises that the creature cannot save, then this is the man and this is the place where the Saviour and salvation come. And he, and he alone, will welcome and receive with eager ears the joyful sound of salvation by grace.
Reading: Genesis 3
To the reader…
When you see so much that is amiable around you, and perhaps in yourself too, you may find it hard to believe that the fall was so deep; it sounds harsh to say that in our flesh dwells no good thing. Yet it is true. Nature at its best is still nature, and flesh at its highest is still flesh. So the Spirit teaches the soul, when He shows it something of God’s holiness and of the breadth of His law.
Has that lesson begun with you too, and do you feel lost, lost, lost? Then do not despair of the Lord, but of yourself. For this is the very man, and this the very place, where the Saviour and salvation come. Whoever has been brought to see this hears with eager ears the joyful sound of salvation by grace, and finds in Christ what could never be found in himself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
Dios creó a Adán a Su imagen, conforme a Su semejanza, y por un breve tiempo (cuánto, no lo sabemos) conservó la pureza en que fue creado. Pero nuestro primer padre y cabeza del pacto cayó, conforme al propósito secreto de Dios, de aquel estado elevado, y como nosotros estábamos en sus lomos, caímos en él y con él. ¡Y oh, qué caída fue aquella! La caída del hombre fue completa. En una palabra, cayó tan bajo como podía caer.
Cayó de la imagen de Dios. Cayó del estado elevado en que fue creado y quedó completamente ajeno a su Hacedor. Se hundió del todo en las más bajas profundidades del mal, de modo que no quedó en él nada bueno, puro ni inocente. ¡Pero qué difícil es creer esto! Cuando hallamos tanto de amable en la naturaleza humana, y miles en quienes no hay gracia ni piedad muestran aún afecto, ¡qué difícil es creer, y qué cruel suena decir, que el hombre en su mismo ser y desde su nacimiento es una criatura completamente mala!
Esto, sin embargo, brota de dos cosas. Primero, los hombres no ven, u olvidan, que las cosas naturales y las espirituales son eternamente distintas. La naturaleza en su mejor estado sigue siendo naturaleza; la carne en su punto más alto sigue siendo carne. Y en segundo lugar, la sociedad no podría existir sin afectos tiernos en el corazón humano. Pero ciertamente es un error negar o suavizar la realidad y la profundidad de la caída porque un hombre sea bondadoso, otro amable y un tercero encantador.
Toda verdadera comprensión y conocimiento de la caída brota de la enseñanza del Espíritu, que nos hace ver que en nosotros, es a saber, en nuestra carne, no mora el bien. Esto sucede siempre, sin embargo, en la medida en que se revelan la pureza y la santidad del ser de Dios, y en que la santa ley de Dios, en su anchura y espiritualidad, es aplicada al alma. Eso ahuyentará eficazmente todos los sueños de pureza y perfección humanas. Es precisamente por este poner al descubierto nuestra dolencia profundamente arraigada que un alma se siente perdida bajo las primeras lecciones del Espíritu.
Cuando se siente “perdido”, ¿qué ayuda, fuerza o sabiduría puede hallarse en él? Pero si esta experiencia no ha sido escrita en su corazón por el dedo de Dios, el evangelio no tiene sentido para él. Nunca, no, nunca ha sentido el poder del evangelio en su alma; en su corazón es un fariseo. Su credo puede ser la gracia soberana, pero el libre albedrío, en una u otra forma, es el ídolo de su interior.
Pero cuando sabe en lo hondo de su alma que está “perdido, perdido, perdido”, y comprende que la criatura no puede salvar, entonces este es el hombre y este es el lugar adonde vienen el Salvador y la salvación. Y él, y solo él, acogerá y recibirá con oídos ávidos el gozoso sonido de la salvación por gracia.
Lectura: Génesis 3
Al lector…
Cuando ve tanto de amable a su alrededor, y quizá también en usted mismo, puede que le cueste creer que la caída fuera tan profunda; suena duro decir que en nuestra carne no mora el bien. Sin embargo, es verdad. La naturaleza en su mejor estado sigue siendo naturaleza, y la carne en su punto más alto sigue siendo carne. Así enseña el Espíritu al alma, cuando le muestra algo de la santidad de Dios y de la anchura de Su ley.
¿Ha comenzado esa lección también con usted, y se siente perdido, perdido, perdido? Entonces no desespere del Señor, sino de usted mismo. Porque este es precisamente el hombre, y este precisamente el lugar, adonde vienen el Salvador y la salvación. Quien ha sido llevado a ver esto oye con oídos ávidos el gozoso sonido de la salvación por gracia, y halla en Cristo lo que nunca pudo hallarse en sí mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.
Romeinen 4:16
Wij lezen in het bijzonder, dat het geloof een gave Gods is. Het is de grote hoofdgenade in de ziel. Het is het voornaamste rad, dat alle andere raderen in het hart doet draaien. Het is het oog, het oor, de hand van de nieuwe mens der genade. Alleen voor zover wij geloof hebben en de Heere het geloof in oefening doet zijn, voor zó ver hebben wij ook een waar, geestelijk gevoel.
Maar wat doet mij het geloof of de gave des geloofs zo hoog achten? Het is de kennis van het smartelijk in het ongeloof zijn en de werking daarvan in de ziel. Is dit niet heel natuurlijk? Wat doet mij de gezondheid zo op prijs stellen? Is het niet dat ik een zwak, ziekelijk lichaam heb? Wat doet mij de rust zo waarderen? Vermoeidheid. Wanneer stel ik het gemak zo op prijs? Wanneer ik pijn heb. Wat doet mij het voedsel zo hoog schatten? Het is de honger. En waarom waardeer ik een kop koud water? Het is omdat ik dorst heb.
Door deze omstandigheden ken ik niet alleen de waarde daarvan, maar ik geniet ook de zegen, wanneer ik ze mag ontvangen en zij medegedeeld worden. Evenzo is het in het geestelijke als in het natuurlijke. Wat weet ik van het geloof af, wanneer ik het geloof niet in oefening ken, en zo ik niet dagelijks min of meer de werking van het ongeloof, van trouweloosheid, van vragen van het verdorven verstand en van het zaad van mijn ongelovig hart moest waarnemen? Wanneer de ziel op en neer geworpen wordt (en menigmaal wordt zij op deze zee van het ongeloof geslingerd), dan leert zij de haven des geloofs waarderen. En wanneer de Heere naar Zijn barmhartigheid een weinig geloof aan de ziel mededeelt en het geloof zich begint te verwezenlijken, zich bewust wordt en zich voedt met de waarheid, zo zij in Jezus is, dan kennen wij wat het geloof is door het bezit ervan.
Wat een genade is het, dat de Heere de gave des geloofs kan schenken. Hier zijn arme zielen, die zwoegen, tobben, werken, steunen, zuchten, verdrukt door het ongeloof, die geweldige reus in het hart, die zijn duizenden en tienduizenden verslagen heeft. Wat zinken onze zielen somtijds diep weg onder dit vreselijke ongeloof! Maar ook, wat waarderen wij het geloof te meer als het invloeit!
Al de nederdrukkingen door het ongeloof doen het geloof te hoger opklimmen, en al die droefgeestigheden doen de veranderingen des te dierbaarder zijn. Gelijk het op en neer geworpen worden van de zeeman op zee, met al de gevaren en verdrietelijkheden van de reis, de kalme haven zo genoeglijk doet zijn, zo wordt de heilige kalmte van het levend geloof in de ziel des te dierbaarder, naarmate de baren van het ongeloof zich in de ziel hebben doen gelden.
Aan de lezer…
Lezer, wordt u op en neer geworpen op de zee van het ongeloof? Zwoegt en zucht u onder die geweldige reus in het hart, die al zovelen heeft neergeslagen? Schaam u niet om het eerlijk te zeggen. Zoals de dorstige de waarde van een kop koud water kent en de vermoeide de rust leert waarderen, zo leert juist de ziel die het ongeloof kent, het geloof hoogachten.
Het geloof is een gave Gods, niet iets dat u in uzelf kunt opwekken. „Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.” Dat is uw troost: de zaligheid hangt niet aan de kracht van uw geloof, maar aan de genade van Hem Die het geeft. Roep dan tot Hem om een weinig geloof. Wanneer Hij het schenkt, zult u de stille haven des te dierbaarder vinden na de storm.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.
Romeinen 4:16
Wij lezen in het bijzonder dat het geloof een gave van God is. Het is de grote hoofdgenade in de ziel. Het is het voornaamste rad, dat alle andere raderen in het hart doet draaien. Het is het oog, het oor en de hand van de nieuwe mens van de genade. Alleen voor zover wij geloof hebben en de Heere het geloof in oefening brengt, hebben wij ook een waar, geestelijk gevoel.
Maar wat maakt dat ik het geloof, de gave van het geloof, zo hoog acht? Het is de kennis van de smart van het ongeloof en van de werking daarvan in de ziel. Is dat niet heel natuurlijk? Wat maakt dat ik de gezondheid zo op prijs stel? Is het niet dat ik een zwak, ziekelijk lichaam heb? Wat doet mij de rust zo waarderen? Vermoeidheid. Wanneer stel ik gemak zo op prijs? Wanneer ik pijn heb. Wat doet mij het voedsel zo hoog schatten? Het is de honger. En waarom waardeer ik een kop koud water? Omdat ik dorst heb.
Door deze omstandigheden ken ik niet alleen de waarde ervan, maar geniet ik ook de zegen wanneer ik ze mag ontvangen en ze mij gegeven worden. Zo is het in het geestelijke net als in het natuurlijke. Wat zou ik van het geloof weten als ik het geloof niet in oefening kende, en als ik niet dagelijks in meerdere of mindere mate de werking van het ongeloof moest opmerken: van trouweloosheid, van de vragen van het verdorven verstand en van het zaad van mijn ongelovig hart? Wanneer de ziel op en neer geworpen wordt (en vaak wordt zij op deze zee van het ongeloof heen en weer geslingerd), dan leert zij de haven van het geloof waarderen. En wanneer de Heere in Zijn barmhartigheid de ziel een weinig geloof geeft, en het geloof werkelijkheid begint te worden, zich bewust wordt en zich voedt met de waarheid zoals die in Jezus is, dan weten wij wat het geloof is doordat wij het bezitten.
Wat een genade is het dat de Heere de gave van het geloof kan schenken. Hier zijn arme zielen die zwoegen, tobben, werken, steunen en zuchten, verdrukt door het ongeloof, die geweldige reus in het hart, die zijn duizenden en tienduizenden verslagen heeft. Wat zinken onze zielen soms diep weg onder dit vreselijke ongeloof! Maar ook: wat waarderen wij het geloof des te meer als het binnenstroomt!
Al het neergedrukt worden door het ongeloof doet het geloof des te hoger opklimmen, en al die somberheid maakt de veranderingen des te dierbaarder. Zoals het op en neer geworpen worden van de zeeman op zee, met alle gevaren en ellende van de reis, de kalme haven zo aangenaam maakt, zo wordt de heilige kalmte van het levend geloof in de ziel des te dierbaarder, naarmate de golven van het ongeloof zich in de ziel hebben laten gelden.
Aan de lezer…
Lezer, wordt u op en neer geworpen op de zee van het ongeloof? Zwoegt en zucht u onder die geweldige reus in het hart, die al zovelen heeft neergeslagen? Schaam u niet om het eerlijk te zeggen. Zoals de dorstige de waarde van een kop koud water kent en de vermoeide de rust leert waarderen, zo leert juist de ziel die het ongeloof kent, het geloof hoogachten.
Het geloof is een gave van God, niet iets dat u in uzelf kunt opwekken. „Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.” Dat is uw troost: de zaligheid hangt niet aan de kracht van uw geloof, maar aan de genade van Hem Die het geeft. Roep dan tot Hem om een weinig geloof. Wanneer Hij het schenkt, zult u de stille haven na de storm des te dierbaarder vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Therefore it is of faith, that it might be by grace.”
Romans 4:16
Of faith we read expressly that “it is the gift of God.” This is the grand master-grace of the soul; it is the grand wheel which moves every other wheel in the heart; it is the eye, the ear, the hand of the new man of grace. Only so far as we have faith, and the Lord draws out this faith in exercise, have we any true spiritual feeling. But what makes me prize the gift of faith? It is knowing so much and so painfully the indwelling and inworking of unbelief.
Is not this the case naturally? What makes me prize health? It is having a poor, weakly body. What makes me prize rest? Fatigue. What makes me prize ease? It is pain. What makes me prize food? It is hunger. What makes me prize the cup of cold water? It is thirst. By these feelings, I not only know the reality by the lack of it, but also enjoy the blessing when communicated.
It is just so spiritually, as naturally. What can I know of faith, except I am exercised (and exercised I am more or less daily) by the workings of unbelief, infidelity, questionings of the reasoning mind, and all the spawn of an unbelieving heart? As the soul is tossed up and down, (and often, it is tossed up and down on this sea of unbelief,) it learns to prize the harbor of faith. And when the Lord mercifully communicates a little faith to the soul, and faith begins to realize, feel, experience, and feed upon the truth as it is in Jesus, then we know what faith is by the possession of it.
What a mercy it is that the Lord has the gift of faith to bestow! Here are poor souls toiling, troubling, laboring, groaning, sighing, oppressed with unbelief—that great giant in the heart, who has slain his thousands and tens of thousands. How our souls sometimes sink down under this wretched unbelief! But how we prize the faith all the more when it comes! How all the sinkings make the risings higher, and all the sadness makes the change more blessed! As the tossings to and fro of the sailor upon the sea, with all the perils and sufferings of the voyage, make the calm harbor so pleasant; so all the tossings up and down of unbelief endears the holy calm of living faith to the soul.
To the reader…
Dear reader, are you being tossed up and down on the sea of unbelief? Do you toil and sigh under that great giant in the heart, who has already struck down so many? Do not be ashamed to say so honestly. Just as the thirsty know the worth of a cup of cold water and the weary learn to value rest, so it is the very soul that knows unbelief that learns to prize faith.
Faith is a gift of God, not something you can stir up in yourself. “Therefore it is of faith, that it might be by grace.” That is your comfort: salvation does not hang on the strength of your faith, but on the grace of Him Who gives it. Cry to Him, then, for a little faith. When He grants it, you will find the quiet harbor after the storm all the more precious.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por tanto es por la fe, para que sea por gracia.”
Romanos 4:16
De la fe leemos expresamente que “es don de Dios”. Esta es la gran gracia maestra del alma; es la gran rueda que mueve todas las demás ruedas en el corazón; es el ojo, el oído, la mano del nuevo hombre de la gracia. Solo en la medida en que tenemos fe, y el Señor saca esta fe a ejercicio, tenemos algún verdadero sentir espiritual. Pero ¿qué me hace apreciar el don de la fe? El conocer tanto y tan dolorosamente la morada y la obra interior de la incredulidad.
¿No es así en lo natural? ¿Qué me hace apreciar la salud? El tener un cuerpo pobre y débil. ¿Qué me hace apreciar el descanso? El cansancio. ¿Qué me hace apreciar el alivio? El dolor. ¿Qué me hace apreciar el alimento? El hambre. ¿Qué me hace apreciar el vaso de agua fría? La sed. Por estos sentimientos no solo conozco la realidad por la falta de ella, sino que también disfruto la bendición cuando se me comunica.
Así es en lo espiritual, igual que en lo natural. ¿Qué puedo saber de la fe si no soy ejercitado (y ejercitado lo soy, más o menos, a diario) por las obras de la incredulidad, de la infidelidad, de los cuestionamientos de la mente razonadora y de toda la cría de un corazón incrédulo? A medida que el alma es zarandeada de un lado a otro (y a menudo es zarandeada de un lado a otro en este mar de incredulidad), aprende a apreciar el puerto de la fe. Y cuando el Señor comunica misericordiosamente un poco de fe al alma, y la fe comienza a hacer real, sentir, experimentar y alimentarse de la verdad tal como es en Jesús, entonces sabemos lo que es la fe por poseerla.
¡Qué misericordia es que el Señor tenga el don de la fe para otorgarlo! He aquí pobres almas que se afanan, se inquietan, trabajan, gimen, suspiran, oprimidas por la incredulidad, ese gran gigante del corazón que ha matado a sus miles y a sus diez miles. ¡Cómo se hunde a veces nuestra alma bajo esta miserable incredulidad! ¡Pero cuánto más apreciamos la fe cuando viene! ¡Cómo todos los hundimientos hacen más altas las subidas, y toda la tristeza hace más bendito el cambio! Así como los vaivenes del marinero en el mar, con todos los peligros y padecimientos del viaje, hacen tan agradable el puerto tranquilo, así todos los vaivenes de la incredulidad hacen querida al alma la santa calma de la fe viva.
Al lector…
Querido lector, ¿es usted zarandeado de un lado a otro en el mar de la incredulidad? ¿Se afana y suspira bajo ese gran gigante del corazón, que ya ha derribado a tantos? No se avergüence de decirlo con sinceridad. Así como el sediento conoce el valor de un vaso de agua fría y el cansado aprende a estimar el descanso, así es precisamente el alma que conoce la incredulidad la que aprende a apreciar la fe.
La fe es un don de Dios, no algo que usted pueda despertar en sí mismo. “Por tanto es por la fe, para que sea por gracia.” Ese es su consuelo: la salvación no depende de la fuerza de su fe, sino de la gracia de Aquel que la da. Clame, pues, a Él por un poco de fe. Cuando Él la conceda, hallará el puerto tranquilo después de la tormenta tanto más precioso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl