6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jacob; nog zal hij daaruit verlost worden.
Jeremia 30:7
Die „dag van benauwdheid” is wanneer de zonde als een zware last op het geweten van een mens gelegd wordt; wanneer de schuld hem neerdrukt in het stof des doods; wanneer zijn ongerechtigheden hem aanstaren en groter in getal schijnen dan de haren van zijn hoofd; wanneer hij vreest voor eeuwig in de bodemloze afgrond der hel geworpen te zullen worden en zijn deel te hebben met de verdoemden. Die „dag van benauwdheid” is niet letterlijk een dag, een deel des tijds, beperkt door het op- en ondergaan der zon, een ruimte van vier-en-twintig uren. De wijzers van een klok of de schaduw van een zonnewijzer kunnen geen geestelijke benauwdheid bepalen. Een dag betekent hier een tijd, lang of kort; hetzij een dag, een week, een maand of een jaar.
En daar de tijd niet in lengte kan gemeten worden, zo ook kunnen die benauwdheden niet gemeten worden in hun diepte. De alleenwijze God deelt verschillende maten van bezoekingen aan Zijn volk uit. Allen zinken niet tot op dezelfde diepte en allen stijgen niet tot dezelfde hoogte. Allen drinken niet even diep uit de beker, en toch gaan allen, elk naar zijn mate, door die dag der benauwdheid, waarin hun vleselijke godsdienst in flarden gescheurd, hun eigengerechtigheid te schande gemaakt, hun ijdele hoop verijdeld en zijzelf tot de toestand van de melaatse gebracht worden en roepen: „Onrein! onrein!”
Zolang een mens die dag van benauwdheid niet doorstaan; zolang hij niet min of meer die oefeningen der ziel ervaren en schuld en verdoemenis in zijn geweten gevoeld heeft; zolang hij in die engte niet geworsteld heeft, de lompen der eigengerechtigheid hem niet van het lichaam gescheurd zijn, kan hij niets bij ervaring weten van de kracht van Jezus’ zoenbloed, noch de kracht gevoelen van de opstanding van Christus.
’k Schatte mij geheel verloren,
’k mocht van geen vertroosting horen.
Als mijn ziel aan God gedacht,
loosd’ ik niet dan klacht op klacht.
Ps. 77:2
Aan de lezer…
Vandaag wordt gesproken tot wie in die dag der benauwdheid is; bent u daar thans? Drukt de schuld u neer in het stof, schijnen uw ongerechtigheden talrijker dan de haren van uw hoofd, en vreest u dat er voor u geen uitkomst meer is? Dan bent u niet alleen. Niet allen drinken even diep uit de beker, maar allen die de Heere de Zijnen noemt, gaan, elk naar zijn mate, door die engte, waarin de lompen der eigengerechtigheid worden afgescheurd en de mond slechts roepen kan: „Onrein! onrein!”
Zie dan het tweede deel van de tekst niet over: „nog zal hij daaruit verlost worden.” De benauwdheid is niet het einde, maar de weg waarlangs de ziel leert wat Jezus’ zoenbloed vermag en wat de kracht is van Zijn opstanding. Hoe lang of hoe diep uw nacht ook is, de alleenwijze God heeft er de maat van bepaald. Hij legt niet meer op dan Hij bedoelt, en Hij leidt Jacob er weer uit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jacob; nog zal hij daaruit verlost worden.
Jeremia 30:7
Die „dag van benauwdheid” is er wanneer de zonde als een zware last op het geweten van een mens gelegd wordt. Dan drukt de schuld hem neer in het stof van de dood, staren zijn ongerechtigheden hem aan en lijken ze talrijker dan de haren van zijn hoofd. Dan vreest hij voor eeuwig in de bodemloze afgrond van de hel geworpen te worden en zijn deel te krijgen met de verdoemden. Die „dag van benauwdheid” is niet letterlijk een dag, een stuk tijd dat begrensd wordt door het op- en ondergaan van de zon, een periode van vierentwintig uur. De wijzers van een klok of de schaduw van een zonnewijzer kunnen geen geestelijke benauwdheid afmeten. Een dag betekent hier een tijd, lang of kort, of het nu een dag is, een week, een maand of een jaar.
En zoals die tijd niet in lengte te meten is, zo zijn ook die benauwdheden niet in hun diepte te meten. De alleenwijze God deelt Zijn volk verschillende maten van beproeving toe. Niet allen zinken even diep en niet allen stijgen even hoog. Niet allen drinken even diep uit de beker. Toch gaan allen, ieder naar zijn mate, door die dag van benauwdheid, waarin hun vleselijke godsdienst aan flarden wordt gescheurd, hun eigengerechtigheid te schande wordt gemaakt en hun ijdele hoop wordt verijdeld. Dan worden zij zelf in de toestand van de melaatse gebracht en roepen: „Onrein! onrein!”
Zolang een mens die dag van benauwdheid niet heeft doorstaan, zolang hij niet in meer of mindere mate die zielsoefeningen heeft ervaren en schuld en verdoemenis in zijn geweten heeft gevoeld, zolang hij niet in die engte heeft geworsteld en de lompen van de eigengerechtigheid niet van zijn lichaam zijn gescheurd, kan hij niets uit ervaring weten van de kracht van Jezus’ zoenbloed. Evenmin kan hij de kracht voelen van de opstanding van Christus.
’k Schatte mij geheel verloren,
’k mocht van geen vertroosting horen.
Als mijn ziel aan God gedacht,
loosd’ ik niet dan klacht op klacht.
Ps. 77:2
Aan de lezer…
Vandaag wordt gesproken tot wie in die dag van benauwdheid is; bent u daar nu? Drukt de schuld u neer in het stof, lijken uw ongerechtigheden talrijker dan de haren van uw hoofd, en vreest u dat er voor u geen uitkomst meer is? Dan bent u niet alleen. Niet allen drinken even diep uit de beker, maar allen die de Heere de Zijnen noemt, gaan ieder naar zijn mate door die engte. Daar worden de lompen van de eigengerechtigheid afgescheurd en kan de mond alleen nog roepen: „Onrein! onrein!”
Zie dan het tweede deel van de tekst niet over: „nog zal hij daaruit verlost worden.” De benauwdheid is niet het einde, maar de weg waarlangs de ziel leert wat Jezus’ zoenbloed vermag en wat de kracht is van Zijn opstanding. Hoe lang of hoe diep uw nacht ook is, de alleenwijze God heeft er de maat van bepaald. Hij legt niet meer op dan Hij bedoelt, en Hij leidt Jacob er weer uit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alas! for that day is great, so that none is like it: it is even the time of Jacob’s trouble; but he shall be saved out of it.
Jeremiah 30:7
This “day of trouble” is when sin is laid as a heavy burden upon a man’s conscience; when guilt presses him down into the dust of death, when his iniquities stare him in the face, and seem more in number than the hairs of his head; when he fears he shall be cast forever into the bottomless pit of hell, and have his portion with the hypocrites.
This “day of trouble” is not literally a day, a portion of time meted out by the rising or setting sun, a space of twenty-four hours. The hands of a clock, or the shadow of a dial, cannot regulate spiritual troubles. A day here means a season, be it long or short; be it a day, week, month, or year. And as the season cannot be measured in length, so the trouble cannot be measured in depth.
The only wise God deals out various measures of affliction to His people. All do not sink to the same depth, as all do not rise to the same height. All do not drink equally deep of the cup; yet all, each in their measure, pass through this day of trouble, wherein their fleshly religion is pulled to pieces, their self-righteousness marred, their presumptuous hopes crushed, and they brought into the state of the leper, to cry, “Unclean, unclean.” Until a man has passed through this day of trouble, until he has experienced more or less of these exercises of soul, and known guilt and condemnation in his conscience; until he has struggled in this narrow pass, and had his rags of creature righteousness torn away from him, he can know nothing experimentally of the efficacy of Jesus’ atoning blood, nor feel the power of Christ’s resurrection.
To the reader…
Today these words are spoken to those who are in that day of trouble; are you there now? Does guilt press you down into the dust, do your iniquities seem more in number than the hairs of your head, and do you fear there is no way out for you any more? Then you are not alone. Not all drink equally deep of the cup, but all whom the Lord calls His own pass, each in his measure, through that narrow place. There the rags of self-righteousness are torn away and the mouth can only cry, “Unclean, unclean!”
Do not overlook, then, the second part of the text: “but he shall be saved out of it.” The trouble is not the end, but the way by which the soul learns the efficacy of Jesus’ atoning blood and the power of His resurrection. However long or deep your night may be, the only wise God has fixed its measure. He lays on no more than He intends, and He brings Jacob out of it again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Ah, cuán grande es aquel día! tanto, que no hay otro semejante a él: tiempo de angustia para Jacob; mas de ella será librado.
Jeremías 30:7
Este “día de angustia” es cuando el pecado es puesto como una carga pesada sobre la conciencia de un hombre; cuando la culpa lo abate hasta el polvo de la muerte, cuando sus iniquidades le miran a la cara y parecen más en número que los cabellos de su cabeza; cuando teme ser arrojado para siempre al abismo sin fondo del infierno y tener su parte con los hipócritas.
Este “día de angustia” no es literalmente un día, una porción de tiempo medida por la salida o la puesta del sol, un espacio de veinticuatro horas. Las agujas de un reloj o la sombra de un cuadrante no pueden regular las angustias espirituales. Un día significa aquí una época, sea larga o corta; sea un día, una semana, un mes o un año. Y así como la época no puede medirse en longitud, tampoco la angustia puede medirse en profundidad.
El único sabio Dios reparte diversas medidas de aflicción a Su pueblo. No todos se hunden a la misma profundidad, como no todos se elevan a la misma altura. No todos beben igualmente hondo de la copa; sin embargo, todos, cada uno en su medida, pasan por este día de angustia, en el cual su religión carnal es hecha pedazos, su justicia propia estropeada, sus esperanzas presuntuosas aplastadas, y son llevados al estado del leproso, para clamar: “¡Inmundo, inmundo!” Hasta que un hombre ha pasado por este día de angustia, hasta que ha experimentado más o menos estos ejercicios del alma y ha conocido la culpa y la condenación en su conciencia; hasta que ha luchado en este paso estrecho y le han sido arrancados los harapos de la justicia de la criatura, no puede conocer nada por experiencia de la eficacia de la sangre expiatoria de Jesús, ni sentir la virtud de la resurrección de Cristo.
Al lector…
Hoy estas palabras se dirigen a quienes están en ese día de angustia; ¿está usted ahí ahora? ¿Le abate la culpa hasta el polvo, parecen sus iniquidades más en número que los cabellos de su cabeza, y teme que ya no hay salida para usted? Entonces no está solo. No todos beben igualmente hondo de la copa, pero todos los que el Señor llama Suyos pasan, cada uno en su medida, por ese lugar estrecho. Allí son arrancados los harapos de la justicia propia y la boca solo puede clamar: “¡Inmundo, inmundo!”
No pase por alto, pues, la segunda parte del texto: “mas de ella será librado”. La angustia no es el final, sino el camino por el cual el alma aprende la eficacia de la sangre expiatoria de Jesús y la virtud de Su resurrección. Por larga o profunda que sea su noche, el único sabio Dios ha fijado su medida. No pone más de lo que Él se propone, y saca de nuevo a Jacob de ella.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
We zijn geneigd de voorspraak van de Heere Jezus Christus als onze grote Hogepriester uit het oog te verliezen en ook te vergeten dat we zo’n Vriend hierboven hebben. We geloven deze waarheden stellig, verankeren ons erin en hebben geen andere hoop dan wat ermee is verbonden en eruit voortkomt. Maar in tijden van duisternis en nood, als de schuld van herhaaldelijk terugvallen zwaar op het geweten drukt; als de mist van ongeloof zich boven de fundamenten van onze hoop verzamelt; als onze kenmerken zijn vertroebeld en we onze tekenen slechts vaag waarnemen, dan willen we een levende Voorspraak, Die onze zaak kan bepleiten, aangezien we dit zelf niet kunnen, en Die ons, door voor ons Zijn bloed en gehoorzaamheid, Zijn lijden, offer en dood aan te bieden, tot overwinnaars maakt tegenover elke beschuldiging en elke tegenstander.
Zoals de duivel aan de rechterhand van Jozua de hogepriester stond om hem te wederstaan (Zach. 3:1); zoals de verklager der broederen hen verklaagde voor onze God dag en nacht (Op. 12:10); en noch Jozua noch de broederen een enkel woord ter verdediging van henzelf konden inbrengen, en beiden toch als overwinnaars aan de dag traden door de hulp van de Heere en het bloed van het Lam, zo zegevieren arme schuldige zondaars nu door de kracht van hun hemelse Voorspraak. Dan gebeurt het, omdat we het gewicht en de last van de zonde ervaren maar ook door het geloof zien dat onze grote Hogepriester het voorhangsel is binnengegaan, dat onze ogen, handen en harten allemaal naar Hem opgaan.
Doordat men het zo, door het geloof, beseft, gaat er een bijzondere kracht schuil achter deze gelovige blik op onze hemelse Voorspraak, die verlangens en smeekbeden uit de ziel naar Hem toehaalt. Inderdaad, het is deze levende en dagelijkse uitwisseling met Jezus in de hemel waarin het leven en de kracht van de godvruchtigheid besloten is.
Lezen: Zacharia 3
Aan de lezer…
Misschien drukt de schuld van herhaaldelijk terugvallen nu zwaar op uw geweten. De mist van ongeloof hangt over uw hoop, uw kenmerken zijn vertroebeld, en wanneer de verklager u aanklaagt, weet u geen enkel woord tot uw verdediging in te brengen. Wees dan niet verbaasd; zo is het de heiligen voor u ook gegaan. Ook zij stonden met de mond gesloten.
Toch traden zij als overwinnaars aan de dag, niet door hun eigen pleidooi, maar door het bloed van het Lam. Lieve lezer, u hebt een levende Voorspraak, Die het voorhangsel is binnengegaan en Die uw zaak bepleit nu u het zelf niet kunt. Laat uw ogen, handen en hart naar Hem opgaan. In die dagelijkse, levende omgang met Hem in de hemel ligt het leven en de kracht van de godvruchtigheid besloten, ook voor een ziel die zichzelf niets meer kan toespreken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
We zijn geneigd de voorspraak van de Heere Jezus Christus als onze grote Hogepriester uit het oog te verliezen, en ook te vergeten dat we zo’n Vriend daarboven hebben. We geloven deze waarheden vast, we zijn erin verankerd en we hebben geen andere hoop dan wat ermee verbonden is en eruit voortkomt. Maar er zijn tijden van duisternis en nood: wanneer de schuld van herhaald afdwalen zwaar op het geweten drukt, wanneer de mist van ongeloof zich samenpakt boven de fundamenten van onze hoop, wanneer onze kenmerken vertroebeld zijn en we onze tekenen maar vaag zien. Dan hebben we een levende Voorspraak nodig, Die onze zaak kan bepleiten, omdat wij dat zelf niet kunnen. Hij biedt voor ons Zijn bloed en gehoorzaamheid aan, Zijn lijden, offer en dood, en zo maakt Hij ons tot overwinnaars over elke beschuldiging en elke tegenstander.
De duivel stond aan de rechterhand van Jozua, de hogepriester, om hem te weerstaan (Zach. 3:1). De verklager van de broeders klaagde hen dag en nacht aan voor onze God (Op. 12:10). Noch Jozua noch de broeders konden ook maar één woord tot hun eigen verdediging inbrengen, en toch traden beiden als overwinnaars naar voren door de hulp van de Heere en het bloed van het Lam. Zo overwinnen arme, schuldige zondaars nu door de kracht van hun hemelse Voorspraak. Omdat we dan het gewicht en de last van de zonde voelen, maar ook door het geloof zien dat onze grote Hogepriester binnen het voorhangsel is ingegaan, gaan onze ogen, handen en harten allemaal naar Hem uit.
Wanneer men dit zo door het geloof beseft, ligt er een bijzondere kracht in deze gelovige blik op onze hemelse Voorspraak, die verlangens en smeekbeden uit de ziel naar Hem toe trekt. Ja, in deze levende en dagelijkse omgang met Jezus in de hemel ligt het leven en de kracht van de godsvrucht besloten.
Lezen: Zacharia 3
Aan de lezer…
Misschien drukt de schuld van herhaald afdwalen nu zwaar op uw geweten. De mist van ongeloof hangt over uw hoop, uw kenmerken zijn vertroebeld, en wanneer de verklager u aanklaagt, weet u geen enkel woord tot uw verdediging in te brengen. Wees dan niet verbaasd; zo is het de heiligen voor u ook gegaan. Ook zij stonden met de mond gesloten.
Toch traden zij als overwinnaars naar voren, niet door hun eigen pleidooi, maar door het bloed van het Lam. U hebt, lezer, een levende Voorspraak, Die binnen het voorhangsel is ingegaan en Die uw zaak bepleit nu u het zelf niet kunt. Laat uw ogen, handen en hart naar Hem uitgaan. In die dagelijkse, levende omgang met Hem in de hemel ligt het leven en de kracht van de godsvrucht besloten, ook voor een ziel die zichzelf niets meer kan toespreken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If any man sin, we have an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous: and He is the propitiation for our sins.
1 John 2:1-2
We are apt to lose sight of the intercession of the Lord Jesus Christ as our great High Priest, and to forget too that we have such a Friend above. We firmly believe these truths, we are anchored in them, and we have no other hope than what is bound up with them and flows from them. But there are times of darkness and distress: when the guilt of repeated backsliding lies heavy on the conscience, when the mist of unbelief gathers over the foundations of our hope, when our evidences are clouded and we see our tokens but dimly. Then we need a living Advocate, Who can plead our cause, because we cannot plead it ourselves. He presents for us His blood and obedience, His sufferings, sacrifice and death, and so He makes us more than conquerors over every accusation and every adversary.
Satan stood at the right hand of Joshua the high priest to resist him (Zech. 3:1). The accuser of the brethren accused them before our God day and night (Rev. 12:10). Neither Joshua nor the brethren could bring forward one word in their own defence, and yet both came forth as conquerors through the help of the Lord and the blood of the Lamb. So poor, guilty sinners now overcome through the power of their heavenly Advocate. Because, then, we feel the weight and burden of sin, but also see by faith that our great High Priest has entered within the veil, our eyes, hands and hearts all go out to Him.
When this is thus realised by faith, there is a peculiar power in this believing look to our heavenly Advocate, which draws out desires and supplications from the soul towards Him. Yea, in this living and daily communion with Jesus in heaven lie the life and power of godliness.
Reading: Zechariah 3
To the reader…
Perhaps the guilt of repeated backsliding now lies heavy on your conscience. The mist of unbelief hangs over your hope, your evidences are clouded, and when the accuser charges you, you cannot find a single word to say in your own defence. Do not be surprised at this; it went the same way with the saints before you. They too stood with their mouths shut.
Yet they came forth as conquerors, not by their own plea, but by the blood of the Lamb. You have, dear reader, a living Advocate, Who has entered within the veil and Who pleads your cause now that you cannot plead it yourself. Let your eyes, hands and heart go out to Him. In that daily, living communion with Him in heaven lie the life and power of godliness, even for a soul that can no longer speak a word of comfort to itself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si alguno hubiere pecado, abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo; y Él es la propiciación por nuestros pecados.
1 Juan 2:1-2
Fácilmente perdemos de vista la intercesión del Señor Jesucristo como nuestro gran Sumo Sacerdote, y olvidamos también que tenemos tal Amigo en lo alto. Creemos firmemente estas verdades, estamos anclados en ellas, y no tenemos otra esperanza que la que está ligada a ellas y fluye de ellas. Pero hay tiempos de oscuridad y angustia: cuando la culpa de repetidas rebeliones pesa sobre la conciencia, cuando la niebla de la incredulidad se cierne sobre los fundamentos de nuestra esperanza, cuando nuestras evidencias están nubladas y vemos nuestras señales solo vagamente. Entonces necesitamos un Abogado vivo, que pueda defender nuestra causa, porque nosotros no podemos defenderla. Él presenta por nosotros Su sangre y obediencia, Sus sufrimientos, sacrificio y muerte, y así nos hace más que vencedores sobre toda acusación y todo adversario.
Satanás estaba a la mano derecha de Josué el gran sacerdote para serle adversario (Zac. 3:1). El acusador de los hermanos los acusaba delante de nuestro Dios día y noche (Ap. 12:10). Ni Josué ni los hermanos podían aducir una sola palabra en su propia defensa, y sin embargo ambos salieron vencedores por la ayuda del Señor y la sangre del Cordero. Así vencen ahora los pobres pecadores culpables por el poder de su Abogado celestial. Porque sentimos el peso y la carga del pecado, pero vemos también por la fe que nuestro gran Sumo Sacerdote ha entrado dentro del velo, nuestros ojos, manos y corazones salen todos hacia Él.
Cuando esto se realiza así por la fe, hay un poder peculiar en esta mirada creyente a nuestro Abogado celestial, que hace brotar del alma deseos y súplicas hacia Él. Sí, en esta comunión viva y diaria con Jesús en el cielo están la vida y el poder de la piedad.
Lectura: Zacarías 3
Al lector…
Quizá la culpa de repetidas rebeliones pesa ahora sobre su conciencia. La niebla de la incredulidad se cierne sobre su esperanza, sus evidencias están nubladas, y cuando el acusador le acusa, no halla una sola palabra que decir en su propia defensa. No se sorprenda de ello; así les fue también a los santos antes de usted. También ellos se quedaron con la boca cerrada.
Sin embargo, salieron vencedores, no por su propia defensa, sino por la sangre del Cordero. Usted tiene, querido lector, un Abogado vivo, que ha entrado dentro del velo y que defiende su causa ahora que usted no puede defenderla. Deje que sus ojos, manos y corazón salgan hacia Él. En esa comunión diaria y viva con Él en el cielo están la vida y el poder de la piedad, aun para un alma que ya no puede decirse a sí misma una palabra de consuelo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus.
Hebreeën 10:19
Niets anders kan een levende ziel vergenoegen dan in te gaan in het heiligdom. Hij heeft behoefte aan gemeenschap met God, de heilige, heilige, heilige Heere der legerscharen. Hij handelt niet met een God Die veraf is, een afgod, een God in wie hij niet gelooft, noch waarop hij enige hoop heeft, die hij niet liefheeft; één die niet zien, noch horen, noch verlossen kan; een God van eigen verward begrip. Hij is gezet op een geheiligde en heilige gemeenschap met de God van hemel en aarde, de God Die Zich in zekere mate aan zijn ziel geopenbaard heeft als de God en Vader van de Heere Jezus Christus. Met Hem heeft hij te doen, tot Hem moet hij komen; met Hem moet hij een heilige gemeenschap onderhouden.
Hij gevoelt dat hij staat voor de ogen van een hartdoorzoekend God, voor Wiens altijd geopende oren hij zijn gebeden uitstort. Tot Zijn barmhartigheid en genade ziet hij op; Zijn mededogen smeekt hij af. Naar Zijn zaligheid verlangt hij; Zijn liefde zoekt hij en Zijn tegenwoordigheid stelt hij boven alles op prijs. Zo moet hij komen in het heilige der heiligen, want daar woont God, en tot God te genaken is te komen in het heilige der heiligen. Iemand die aldus gevoelt en handelt, is een ware Israëliet, in welke geen bedrog is; iemand van de rechte besnijdenis, die God in de Geest dient, zich in Christus Jezus verheugt en geen vertrouwen stelt in het vlees.
Anderen zijn vergenoegd met de voorhoven van het huis, met de uitwendige bouw van het huis, met de geschilderde ramen, met de gebeeldhouwde kerkbanken, met de lange zijbeuken der kerk, met lippenwerk om God te eren. Maar de levendgemaakte ziel gaat boven dit alles uit naar het binnenste heiligdom. Gelijk de hogepriester op de grote Verzoendag zich niet ophield met het volk in de voorhoven, noch met de priesters in het heilige, maar voorging en zich begaf achter het voorhangsel in het heilige der heiligen, zo ook doet het kind van God; hij blijft niet staan in het buitenste voorhof met de goddelozen, noch in het heilige met de belijders, om vergenoegd te kunnen zijn wanneer er nog een voorhangsel is tussen de Heere en zijn ziel.
Maar hij tracht te komen tot de onmiddellijke tegenwoordigheid Gods, waar hij iets moge ondervinden van Zijn genade, iets moge aanschouwen van Zijn heerlijkheid, iets moge ontmoeten van Zijn barmhartigheid en iets moge smaken van Zijn kracht. En dit doet hem voorwaarts treden in het allerheiligste.
Aan de lezer…
Bent u tevreden met de voorhoven, lezer? Met het uitwendige van de godsdienst, met een gewoonte, met lippenwerk? Of is er in uw hart iets dat daar niet mee vergenoegd kan zijn, een verlangen naar God Zelf, naar Zijn tegenwoordigheid, Zijn barmhartigheid en Zijn liefde? Dan kent u wat ik bedoel. Een levende ziel kan niet rusten zolang er nog een voorhangsel is tussen de Heere en haar.
Maar hoe zou zulk een arm, zondig mens ooit het heilige der heiligen durven binnengaan, voor de ogen van een hartdoorzoekend God? Niet door eigen waardigheid, maar „door het bloed van Jezus”. Daar ligt al de vrijmoedigheid. U mag komen zoals u bent, want het bloed spreekt voor u. Treed dan voorwaarts, met uw gebeden en uw nood. Iets van Zijn genade te ondervinden en iets van Zijn heerlijkheid te aanschouwen, dat is meer waard dan alle voorhoven van de wereld.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus.
Hebreeën 10:19
Niets anders kan een levende ziel tevredenstellen dan in te gaan in het heiligdom. Hij heeft behoefte aan gemeenschap met God, de heilige, heilige, heilige Heere der legerscharen. Hij heeft niet te maken met een God Die ver weg is, een afgod, een god in wie hij niet gelooft en op wie hij geen enkele hoop heeft, die hij niet liefheeft; een die niet zien, niet horen en niet verlossen kan; een god van zijn eigen verwarde begrip. Zijn hart is gericht op een heilige en geheiligde gemeenschap met de God van hemel en aarde, de God Die Zich in zekere mate aan zijn ziel geopenbaard heeft als de God en Vader van de Heere Jezus Christus. Met Hem heeft hij te doen, tot Hem moet hij komen, met Hem moet hij een heilige gemeenschap onderhouden.
Hij voelt dat hij staat voor de ogen van een hartdoorzoekend God, voor Wiens altijd geopende oren hij zijn gebeden uitstort. Hij ziet op naar Zijn barmhartigheid en genade; hij smeekt om Zijn medelijden. Hij verlangt naar Zijn zaligheid, hij zoekt Zijn liefde en hij stelt Zijn tegenwoordigheid boven alles op prijs. Zo moet hij binnengaan in het heilige der heiligen, want daar woont God, en tot God naderen is binnengaan in het heilige der heiligen. Wie zo voelt en handelt, is een ware Israëliet, in wie geen bedrog is. Hij is iemand van de rechte besnijdenis, die God in de Geest dient, zich in Christus Jezus verheugt en geen vertrouwen stelt in het vlees.
Anderen zijn tevreden met de voorhoven van het huis, met de uitwendige bouw ervan, met de beschilderde ramen, met de gebeeldhouwde kerkbanken, met de lange zijbeuken van de kerk, met lippenwerk om God te eren. Maar de levendgemaakte ziel gaat boven dit alles uit, naar het binnenste heiligdom. De hogepriester bleef op de grote Verzoendag niet bij het volk in de voorhoven, en ook niet bij de priesters in het heilige, maar hij ging verder en begaf zich achter het voorhangsel in het heilige der heiligen. Zo doet ook het kind van God. Hij blijft niet staan in het buitenste voorhof bij de goddelozen, en ook niet in het heilige bij de belijders, om daar tevreden te zijn terwijl er nog een voorhangsel is tussen de Heere en zijn ziel.
Maar hij probeert te komen tot de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, waar hij iets mag ervaren van Zijn genade, iets mag zien van Zijn heerlijkheid, iets mag ontmoeten van Zijn barmhartigheid en iets mag smaken van Zijn kracht. En dat doet hem voortgaan in het allerheiligste.
Aan de lezer…
Bent u tevreden met de voorhoven? Met het uitwendige van de godsdienst, met een gewoonte, met lippenwerk? Of is er in uw hart iets dat daarmee niet tevreden kan zijn: een verlangen naar God Zelf, naar Zijn tegenwoordigheid, Zijn barmhartigheid en Zijn liefde? Dan kent u wat ik bedoel. Een levende ziel kan niet rusten zolang er nog een voorhangsel is tussen de Heere en haar.
Maar hoe zou zo’n arm, zondig mens ooit het heilige der heiligen durven binnengaan, voor de ogen van een hartdoorzoekend God? Niet door eigen waardigheid, maar „door het bloed van Jezus”. Daar ligt alle vrijmoedigheid. U mag komen zoals u bent, want het bloed spreekt voor u. Ga dan voorwaarts, met uw gebeden en uw nood. Iets van Zijn genade te ervaren en iets van Zijn heerlijkheid te zien is meer waard dan alle voorhoven van de wereld.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by the blood of Jesus.
Hebrews 10:19
Nothing will satisfy a living soul but coming “into the holiest.” He wants to have communion with God, the holy, holy, holy Lord God of hosts. He is not dealing with a God distant and afar off—an idol, a God in whom he has neither faith, nor hope, nor love; who can neither see, nor hear, nor save; a God of his own conception or of some indistinct, traditional opinion; but he feels in his very conscience that he is carrying on a sacred and holy communion with the God of heaven and earth, the God Who has made Himself in some measure known to his soul as the God and Father of the Lord Jesus Christ.
With Him he has to do; to Him he must come; and with Him he must hold holy communion. Before His heart-searching eyes he feels he stands; into His ever-open ears he pours his petition; to His mercy and pity he appeals; His compassion he craves; His love he seeks; His salvation he longs for; and His presence above all things he earnestly desires. So he must come into the holiest, for there God dwells; and to come unto God is to come there.
The man who thus feels and acts is an Israelite indeed in whom there is no deceit; one of the true circumcision who worship God in the Spirit, rejoice in Christ Jesus, and have no confidence in the flesh. Others are satisfied with the courts of the house, with admiring the external building, or the painted windows, carved pews, and long drawn aisles; with the mere worship of God as so much lip service. But the living soul goes beyond all that into the very heart of the sanctuary itself.
As the high priest on the day of atonement did not tarry among the people in the court, nor with the priests in the holy place, but pressed on, ever pressed on through the thick veil until he got into the holy of holies; so with the saint of God—he does not tarry in the outer court with the profane, nor in the sanctuary with the professor, so as to be satisfied with seeing God with a veil between. But he must come into that immediate presence of God, where he may see something of His grace, behold something of His glory, feel something of His mercy, and taste something of His power. And this makes him press forward into the holiest.
To the reader…
Are you content with the outer courts? With the outward side of religion, with a habit, with lip service? Or is there something in your heart that cannot be content with that: a longing for God Himself, for His presence, His mercy and His love? Then you know what is meant here. A living soul cannot rest as long as there is still a veil between the Lord and itself.
But how would such a poor, sinful person ever dare to enter the holy of holies, before the eyes of a heart-searching God? Not by any worthiness of their own, but “by the blood of Jesus.” That is where all boldness lies. You may come just as you are, for the blood speaks for you. Press forward, then, with your prayers and your need. To experience something of His grace and to see something of His glory is worth more than all the outer courts of the world.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, hermanos, teniendo libertad para entrar en el santuario por la sangre de Jesucristo.
Hebreos 10:19
Nada satisfará a un alma viva sino entrar “en el santuario”. Desea tener comunión con Dios, el santo, santo, santo Señor Dios de los ejércitos. No trata con un Dios distante y lejano —un ídolo, un dios en quien no tiene fe, ni esperanza, ni amor; que no puede ver, ni oír, ni salvar; un dios de su propia invención o de alguna opinión vaga y tradicional—, sino que siente en su misma conciencia que mantiene una comunión sagrada y santa con el Dios del cielo y de la tierra, el Dios que en alguna medida Se ha dado a conocer a su alma como el Dios y Padre del Señor Jesucristo.
Con Él tiene que tratar; a Él tiene que venir; y con Él tiene que tener santa comunión. Siente que está delante de Sus ojos que escudriñan el corazón; en Sus oídos siempre abiertos derrama su petición; a Su misericordia y piedad apela; Su compasión implora; Su amor busca; Su salvación anhela; y Su presencia desea ardientemente por encima de todas las cosas. Así que tiene que entrar en el santuario, porque allí mora Dios; y venir a Dios es venir allí.
El hombre que así siente y obra es verdaderamente un israelita en quien no hay engaño; uno de la verdadera circuncisión, de los que sirven a Dios en espíritu, se gozan en Cristo Jesús y no tienen confianza en la carne. Otros se contentan con los atrios de la casa, con admirar el edificio exterior, o las vidrieras pintadas, los bancos tallados y las largas naves; con el mero culto a Dios como tanto servicio de labios. Pero el alma viva va más allá de todo eso, hasta el corazón mismo del santuario.
Así como el sumo sacerdote, en el día de la expiación, no se detenía entre el pueblo en el atrio, ni con los sacerdotes en el lugar santo, sino que avanzaba, avanzaba siempre a través del espeso velo hasta llegar al lugar santísimo; así sucede con el santo de Dios: no se detiene en el atrio exterior con el profano, ni en el santuario con el que solo profesa, como para contentarse con ver a Dios con un velo de por medio. Sino que tiene que llegar a aquella presencia inmediata de Dios, donde pueda ver algo de Su gracia, contemplar algo de Su gloria, sentir algo de Su misericordia y gustar algo de Su poder. Y esto le hace avanzar hacia el santuario.
Al lector…
¿Se contenta usted con los atrios exteriores? ¿Con el lado exterior de la religión, con una costumbre, con un servicio de labios? ¿O hay algo en su corazón que no puede contentarse con eso: un anhelo de Dios mismo, de Su presencia, Su misericordia y Su amor? Entonces sabe lo que aquí se quiere decir. Un alma viva no puede descansar mientras haya todavía un velo entre el Señor y ella.
Pero ¿cómo se atrevería jamás una persona tan pobre y pecadora a entrar en el lugar santísimo, ante los ojos de un Dios que escudriña el corazón? No por algún mérito propio, sino “por la sangre de Jesucristo”. Ahí está toda la libertad. Puede venir tal como es, porque la sangre habla por usted. Avance, pues, con sus oraciones y su necesidad. Experimentar algo de Su gracia y ver algo de Su gloria vale más que todos los atrios exteriores del mundo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl