Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

5 maart Korenaren uit de volle oogst

Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeente zegt.
Openbaring 2:29

Deze woorden zijn niet alleen tot de Kerk gericht, maar tot ieder bij wie het Woord komt en aan wie een oor is gegeven om te horen en te ontvangen. Zo wordt elke boodschap aan de Kerk een boodschap aan ieder van ons persoonlijk. Als wij een geestelijk besneden oor hebben en bereid zijn te luisteren naar de stem van de Heere, dan spreekt Hij in elke boodschap even persoonlijk en even duidelijk tot ons als tot elke gemeente afzonderlijk.

Het is werkelijk een onuitsprekelijke zegen dat ons een oor is gegeven, zodat wij in nederigheid, eenvoud en godvrezende oprechtheid mogen ontvangen wat de Heere spreekt in het Woord van Zijn genade. Door Zijn Woord klopt Hij aan de deur van ons hart. En wat een zegen heeft Hij uitgesproken over wie Zijn stem hoort en opendoet zodra hij het kloppen hoort, zoals een liefhebbende vrouw de deur van haar huis opent wanneer zij haar man hoort kloppen: „Ziet, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij” (Openb. 3:20).

Hij zal noch wank’len, noch bezwijken,
die op de Heer vertrouwt
en op zijn goedheid bouwt.
Hij zal, als Sions berg, nooit wijken,
wiens grondslag door geen aards vermogen
ooit wordt bewogen.

Gelijk ’t gebergt’, dat hoog gerezen
om Salem ligt gespreid,
zo is in eeuwigheid
de Heer rondom hen, die Hem vrezen;
rondom Zijn volk, ’t welk Hij wil hoeden
voor tegenspoeden.

Ps. 125:1 en 2

Aan de lezer…

U die de boodschappen aan de gemeenten leest alsof ze voor anderen bedoeld zijn: bedenk dat de Geest niet alleen tot de Kerk in het algemeen spreekt, maar tot ieder aan wie een oor gegeven is om te horen. Wie bereid is naar de stem van de Heere te luisteren, mag weten dat Hij even persoonlijk tot hem spreekt als tot die gemeenten van vroeger. Het is een onuitsprekelijke zegen zo’n oor te hebben ontvangen.

Want door Zijn Woord klopt Hij aan de deur van uw hart. Misschien hoort u dat kloppen al lang: in een preek, in een tekst, in een onrust die maar niet wijkt. Doe dan open, zoals een liefhebbende vrouw opendoet als zij haar man hoort kloppen. De belofte staat vast: „Indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij.” Laat Hem niet langer buiten staan.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

5 maart 365 dagen met Philpot

Zaligmaken dat verloren was

Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10

Hoe lieflijk heeft de Heere dit beschreven in de gelijkenis van het verloren schaap! Het arme schaap is afgedwaald, en als het eenmaal de kudde verlaten heeft, komt het vrijwel zeker op een of andere vreemde plaats terecht. Het is van een rots gevallen, of in een greppel gerold, of het zit onder een struik verstopt, of het is een grot in gekropen, of het ligt in een diep, afgelegen ravijn, waar alleen een geoefend oog en een geoefende hand het kunnen redden. Zo is het ook met de verloren schapen van de Heere. Ze komen op vreemde plekken terecht. Ze vallen van rotsen, glijden in gaten, verstoppen zich in de struiken, en kruipen soms weg in grotten om te sterven.

Als een gewoon schaap is afgedwaald, gaat de herder erachteraan om het te zoeken. Hier ziet hij een hoefafdruk, daar een plukje wol in de doornen. Hij doorzoekt elk schuilplekje en kijkt om elke hoek, totdat hij eindelijk het arme schaap vindt, vermoeid, gewond en halfdood, zo ellendig dat het nauwelijks nog de kracht heeft om te kreunen. Hij slaat het niet naar huis terug en steekt ook de prikstok niet in zijn rug, maar hij pakt het voorzichtig op, legt het op zijn schouder en brengt het blij naar huis. Zo gaat de Heere in Zijn genade met Zijn verloren schapen om.

Mensen handelen anders. Als een Farizeeër een schaap hulpeloos op zijn rug ziet liggen, schopt hij het overeind en schopt hij het naar huis, slaat het met zijn staf op de kop of drijft een scherpe nagel in zijn zij. Davids gebed was wijs: „Laat mij vallen in de handen van God, en niet in de handen van de mens.” O, te vallen in de handen van God, in de handen van een barmhartige en meelevende Hogepriester, Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, en daarom medelijden kan hebben met deze arme, verzochte mensen! Dit, dit zijn de enige handen waarin wij veilig kunnen vallen. Wie in deze handen valt, zal er niet uit vallen en er ook niet doorheen, want „eronder zijn de eeuwige armen”, en die kunnen niet gespleten en niet gebroken worden.

Lezen: Lukas 15:1-10

Aan de lezer…

Het kan zijn dat u afgedwaald bent en op een vreemde plaats terechtgekomen. Misschien ligt u als dat arme schaap in een greppel of diep in een ravijn, vermoeid, gewond en zo ellendig dat u nauwelijks nog kunt kreunen. Misschien hebt u al gemerkt hoe mensen met zulke schapen omgaan: zij schoppen en drijven, en u werd er alleen maar banger van.

Maar zo handelt de goede Herder niet. Hij zoekt, Hij volgt elk spoor, en als Hij u vindt, slaat Hij u niet naar huis, maar neemt u voorzichtig op en legt u op Zijn schouder. Bid dan met David dat u mag vallen in de handen van God, en niet in de handen van mensen. Het zijn de handen van een barmhartige Hogepriester, Die Zelf verzocht is geweest en medelijden met u heeft. Wie in die handen valt, valt er niet uit, want eronder zijn de eeuwige armen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

5 maart Door Baca’s vallei

En welke zij de uitnemende grootheid Zijner kracht aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt.
Efeze 1:19-20

De mens moet door een alvermogende kracht uit de slaap van de dood wakker geschud worden. Het is niet zomaar een rukje of een zachte aanraking van zijn kleed, een lichte trek aan zijn mouw, die hem uit zijn zonden zal doen opstaan. Hij moet eruit getrokken worden, zoals iemand uit zijn bed getrokken wordt als het huis in brand staat, of uit het water getrokken wordt als hij voor de laatste keer zal ondergaan. Laten we niet denken dat het werk van de genade in het hart een licht, oppervlakkig werk is. Er is inderdaad een almachtig werk van de genade in het hart van een zondaar nodig om hem van de ondergang te bevrijden.

Daarom zien we dat het werk van de genade zich altijd openbaart in een geestelijk zien van onze ellendige staat voor God. Maar dit alleen is niet genoeg om ons tot een waar discipel van Jezus te maken. Het is een voorbereidend, een zeer noodzakelijk voorbereidend werk voor het aanschouwen van de Koning in Zijn schoonheid. Maar het is niet hetzelfde als het zien van en geloven in de Zoon van God tot het eeuwige leven. Wij moeten iets meer hebben dan enige overtuiging van zonde of enig besef van onze verloren en gevallen staat.

Wij moeten door het geloof de gezegende Heere zien, in meerdere of mindere mate aan onze ziel geopenbaard door de Heilige Geest, Wiens werk het is uit de dingen van Christus te nemen en die aan het hart te openbaren. Namelijk om te zien: Zijn gepastheid, Zijn genade, Zijn heerlijkheid, Zijn arbeid, Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid; om die met het oog van het geloof te zien, en voor onszelf, als goddelijke en gezegende werkelijkheden, precies passend bij ons geval en onze staat. Zo zien wij dat dit juist de dingen zijn die wij nodig hebben om gered te worden van de toekomende toorn, en dat wij, voor zover wij er deel aan hebben, gered worden van de vloeden van het verderf.

Overal waar dit zien van Christus door het geloof aan de ziel geschonken wordt, schept en onderhoudt het een geloof dat door de liefde werkt. Overal waar er door het geloof een zien op Jezus is, daar openbaart Hij Zichzelf in zekere mate als dierbaar aan de ziel. En liefde is daarvan de zoete vrucht, want wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Wanneer wij de Heere gaan liefhebben, dan brengt die liefde een zoete vereniging en gemeenschap met Hem voort. Wanneer Hij dan Zijn beminnelijk aangezicht toont en steeds meer van Zijn schoonheid en vriendelijkheid laat zien, krijgt Hij een plaats in onze warmste, tederste genegenheden; dan komt Hij en neemt woning in de ziel en heerst daar als de rechtmatige Heerser.

De volgende dingen zijn daarom volstrekt noodzakelijk voor het ware discipelschap: eerst een geestelijk besef van onze verloren en gevallen staat; dan een kennis van Christus door een genadige ontdekking van Zijn gepastheid, schoonheid en bereidwilligheid; en ten derde een geloof in Hem dat door de liefde werkt en het hart reinigt, de wereld overwint en ons bevrijdt van dood en hel.

Aan de lezer…

Soms hebt u misschien gedacht dat het werk van de genade een licht en oppervlakkig werk is, een zachte trek aan de mouw. Wie ooit zijn ellendige staat voor God gezien heeft, weet beter. Er is een almachtige kracht nodig, dezelfde kracht waarmee God Christus uit de doden heeft opgewekt, om een zondaar uit de slaap van de dood te trekken. Maar die overtuiging van zonde is nog niet het einde; het is de weg naar iets meer.

U hebt het oog van het geloof op Christus nodig: Zijn gepastheid, Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid en Zijn schoonheid, door de Heilige Geest aan uw hart geopenbaard. Ziet u nog maar weinig van Hem? Vraag dan of de Geest uit het Zijne neemt en het u laat zien. Waar Jezus dierbaar wordt, daar volgt de liefde, want wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina