4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
Joh. 1:17
De weg om de waarheid te leren kennen, is veel in het gebed met de Heere Jezus Christus te verkeren. Als u op uw slaapplaats ligt, te midden van uw dagelijkse bezigheden, moet er van tijd tot tijd een opzien zijn naar de Heere Zelf, zittende op de troon Zijner genade, en een vragen, dat Hij Zelf u onderwijst, want Hij is de beste leermeester. De woorden die Hij spreekt, zijn „Geest en leven”. Wij vergeten wat wij van mensen leren, maar nooit wat wij van Jezus geleerd hebben. Mensen mogen ons misleiden; Christus kan dat niet.
U kunt een geestelijke nooit geheel vertrouwen. Hoewel u de waarheid van zijn lippen mag horen, is het altijd vermengd met menselijke zwakheid. Maar wat u van de lippen van Jezus verneemt, dat verneemt u in al zijn zuiverheid en kracht. Het komt warm van Hem; het komt koud van ons. Het druipt als de regen en vloeit als de dauw van Zijn mond; van ons komt het slechts door de tweede hand.
Als ik u de waarheid predik, predik ik inderdaad, zoals de Heere mij in staat stelt te spreken. Maar Hij moet met kracht tot uw ziel spreken, om u waarlijk van nut te zijn. Ziet dan van mij af; ziet over mij heen tot Hem, Die alleen ons beiden onderwijzen kan. Door op Jezus te zien met de oprechte gevoelens van uw ziel, zult u levende waarheid vanuit Zijn boezem in de uwe, van Zijn hart in het uwe voelen overgaan, en zo zult u naar waarheid en bij ervaring de zegen van Zijn eigen verklaring leren kennen: „Ik ben de Waarheid.”
Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald,
dan zal ik die ten einde toe bewaren.
Geef mij verstand, met godd’lijk licht bestraald,
dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt,
dan zal zich ’t hart met mijne daden paren.
Ps. 119:17
Aan de lezer…
Hier wordt u een vraag gesteld: van wie wilt u de waarheid leren? Van boeken en predikers kunnen wij veel horen, en de Heere gebruikt hen, maar wat van mensen komt, is altijd vermengd met menselijke zwakheid. Daarom zeg ik u: zie van mij af, zie over mij heen. Wat wij van mensen leren, vergeten wij; wat Jezus ons leert, vergeten wij nooit. Zijn woorden zijn Geest en leven, en zij komen warm uit Zijn hart.
Zoek Hem dan in het gebed, op uw slaapplaats en tussen uw dagelijkse bezigheden door. U behoeft geen lange gebeden te maken; een opzien naar Hem, Die zit op de troon Zijner genade, met de bede dat Hij Zelf u onderwijst, is Hem niet te gering. Hij is de beste Leermeester en Hij misleidt nooit. Wie zo met Hem verkeert, zal voelen hoe de waarheid van Zijn hart in het zijne overgaat, en bij ervaring leren wat Hij betuigt: „Ik ben de Waarheid.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
Joh. 1:17
De weg om de waarheid te leren kennen, is veel in gebed met de Heere Jezus Christus om te gaan. Als u op uw bed ligt, of te midden van uw dagelijkse bezigheden bent, moet u van tijd tot tijd opzien naar de Heere Zelf, Die op de troon van Zijn genade zit, en Hem vragen of Hij u Zelf wil onderwijzen, want Hij is de beste Leermeester. De woorden die Hij spreekt, zijn „Geest en leven”. Wat wij van mensen leren, vergeten wij, maar wat wij van Jezus geleerd hebben, vergeten wij nooit. Mensen kunnen ons misleiden; Christus kan dat niet.
U kunt een geestelijk leidsman nooit volledig vertrouwen. Ook al hoort u de waarheid uit zijn mond, zij is altijd vermengd met menselijke zwakheid. Maar wat u uit de mond van Jezus hoort, dat hoort u in al zijn zuiverheid en kracht. Bij Hem komt het warm vandaan; bij ons komt het koud vandaan. Het druppelt als de regen en vloeit als de dauw uit Zijn mond; van ons komt het slechts uit de tweede hand.
Wanneer ik u de waarheid predik, dan predik ik inderdaad, zoals de Heere mij in staat stelt te spreken. Maar Hij moet met kracht tot uw ziel spreken, wil het u werkelijk tot nut zijn. Zie dan van mij af; zie over mij heen naar Hem, Die alleen ons beiden kan onderwijzen. Wanneer u met de oprechte gevoelens van uw ziel op Jezus ziet, zult u levende waarheid vanuit Zijn boezem in de uwe, vanuit Zijn hart in het uwe voelen overgaan. Zo zult u in waarheid en bij ervaring de zegen leren kennen van Zijn eigen verklaring: „Ik ben de Waarheid.”
Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald,
dan zal ik die ten einde toe bewaren.
Geef mij verstand, met godd’lijk licht bestraald,
dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt,
dan zal zich ’t hart met mijne daden paren.
Ps. 119:17
Aan de lezer…
Hier wordt u een vraag gesteld: van wie wilt u de waarheid leren? Van boeken en predikers kunnen wij veel horen, en de Heere gebruikt hen, maar wat van mensen komt, is altijd vermengd met menselijke zwakheid. Daarom zeg ik u: zie van mij af, zie over mij heen. Wat wij van mensen leren, vergeten wij; wat Jezus ons leert, vergeten wij nooit. Zijn woorden zijn Geest en leven, en zij komen warm uit Zijn hart.
Zoek Hem dan in het gebed, op uw bed en tussen uw dagelijkse bezigheden door. U hoeft geen lange gebeden te maken; een opzien naar Hem, Die op de troon van Zijn genade zit, met de bede dat Hij Zelf u onderwijst, is Hem niet te gering. Hij is de beste Leermeester en Hij misleidt nooit. Wie zo met Hem omgaat, zal voelen hoe de waarheid van Zijn hart in het zijne overgaat, en bij ervaring leren wat Hij betuigt: „Ik ben de Waarheid.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Grace and truth came by Jesus Christ.
John 1:17
The way to learn truth is to be much in prayer to the Lord Jesus Christ; as you lie upon your bed, as engaged in your daily occupation, to be from time to time looking up to the Lord Himself as He sits upon His throne of grace, and be begging of Him to teach you Himself, for He is the best teacher. The words which He speaks, they “are spirit and life.” What He writes upon our hearts is written in characters which will “stand every storm and live at last.”
We forget what we learn from man, but we never forget what we learn from Jesus. Men may deceive—Christ cannot. You can trust no minister really and fully. Though you may receive truth from his lips, it is always mixed with human infirmity. But what you get from the lips of Jesus, you get in all its purity and power. It comes warm from Him; it comes cold from us. It drops like the rain and distills like the dew from His mouth; it comes only second-hand from ours.
If I preach to you the truth, I preach indeed as the Lord enables me to speak. But it is He Who must speak with power to your souls to do you any real good. Look then away from me; look beyond me, to Him Who alone can teach us both. By looking to Jesus in the inmost feelings of your soul, you will draw living truth from out of His bosom into your own, from His heart into your heart, and thus will come feelingly and experimentally to know the blessedness of His own declaration—“I am the truth.”
To the reader…
Here a question is put to you: from whom do you want to learn the truth? We can hear much from books and preachers, and the Lord uses them, but what comes from men is always mixed with human weakness. That is why I say to you: look away from me, look beyond me. What we learn from men we forget; what Jesus teaches us we never forget. His words are spirit and life, and they come warm from His heart.
Seek Him, then, in prayer, on your bed and in the midst of your daily occupations. You do not need to make long prayers; a looking up to Him, Who sits on the throne of His grace, with the plea that He Himself would teach you, is not too small for Him. He is the best Teacher and He never leads astray. Whoever deals with Him in this way will feel how the truth passes from His heart into his own, and will learn by experience what He declares: “I am the truth.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La gracia y la verdad por Jesucristo fue hecha.
Juan 1:17
La manera de aprender la verdad es estar mucho en oración al Señor Jesucristo; estando acostado en su cama, o ocupado en su trabajo diario, mirar de cuando en cuando al Señor mismo, sentado en Su trono de gracia, y suplicarle que Él mismo le enseñe, porque Él es el mejor maestro. Las palabras que Él habla “son espíritu y son vida”. Lo que Él escribe en nuestro corazón queda escrito en caracteres que “resistirán toda tormenta y vivirán al fin”.
Olvidamos lo que aprendemos del hombre, pero nunca olvidamos lo que aprendemos de Jesús. Los hombres pueden engañar; Cristo no puede. No puede usted confiar real y plenamente en ningún ministro. Aunque reciba la verdad de sus labios, siempre va mezclada con la flaqueza humana. Pero lo que recibe de los labios de Jesús, lo recibe en toda su pureza y poder. Viene cálido de Él; viene frío de nosotros. Gotea como la lluvia y destila como el rocío de Su boca; de la nuestra viene solo de segunda mano.
Si les predico la verdad, predico ciertamente según el Señor me capacita para hablar. Pero es Él Quien debe hablar con poder a sus almas para hacerles algún bien verdadero. Aparten, pues, la vista de mí; miren más allá de mí, a Aquel que es el único que puede enseñarnos a ambos. Mirando a Jesús en los sentimientos más íntimos de su alma, sacarán verdad viva de Su seno al suyo propio, de Su corazón a su corazón, y así llegarán a conocer, con sentimiento y por experiencia, la bienaventuranza de Su propia declaración: “Yo soy la verdad”.
Al lector…
Aquí se le hace a usted una pregunta: ¿de quién quiere aprender la verdad? Podemos oír mucho de libros y predicadores, y el Señor los usa, pero lo que viene de los hombres siempre va mezclado con la debilidad humana. Por eso le digo: aparte la vista de mí, mire más allá de mí. Lo que aprendemos de los hombres lo olvidamos; lo que Jesús nos enseña no lo olvidamos nunca. Sus palabras son espíritu y vida, y vienen cálidas de Su corazón.
Búsquele, pues, en oración, en su cama y en medio de sus ocupaciones diarias. No necesita hacer largas oraciones; una mirada hacia Él, que está sentado en el trono de Su gracia, con la súplica de que Él mismo le enseñe, no es demasiado pequeña para Él. Él es el mejor Maestro y nunca extravía. Quien trata así con Él sentirá cómo la verdad pasa de Su corazón al suyo propio, y aprenderá por experiencia lo que Él declara: “Yo soy la verdad”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De loopbaan lopen
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Naarmate de ziel steeds meer haar eigen zwakte en hulpeloosheid ontdekt, teweeggebracht door pijnlijke beproevingen en oefeningen, krijgt zij meer behoefte aan geduldig uithoudingsvermogen, opdat zij het tot het eind toe kan volhouden; want alleen degenen die het tot het einde toe uithouden, zullen worden verlost. Velen lopen een tijdje goed. Bij velen lijkt het alsof ze door hun ernst en bedrijvigheid, hun ijver en vuur de prijs door een paar stappen vooruit in de wacht zullen slepen — alsof ze de overwinning behalen door zich een dag lang in te spannen, of de hemel winnen door een uur lang ernstig te zijn. Maar dit zijn de eersten die ermee ophouden; de eersten die, net als de kinderen van Efraïm, zich omkeren op de dag dat de strijd begint; de eersten die zich aan de vijand overgeven als ze sterk onder druk worden gezet.
Velen rennen, maar slechts weinigen winnen. De zonde brengt sommigen ten ondergang; dwaling richt anderen te gronde; de wereld smoort de ijver van de een, en voorspoed dooft het vuur van de ander, tot de loopbaan bezaaid is met gevallenen, en slechts een paar tot het eind toe doorworstelen. Alleen de genade stelt de prijs zeker; en dit komt doordat de genade Gods in het hart van blijvende aard is, en daarom blijft bestaan als al het andere verloren is. Natuurlijk geloof dooft al gauw uit; menselijke hoop geeft de geest; en vleselijke ijver en ernst raken al gauw tot en met het laatste sprankje uitgedoofd.
Maar de genade is van blijvende aard, want zij komt uit een goddelijke fontein. „De rechtvaardige zal zijn weg vasthouden” (Job 17:9), omdat „de genade heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven” (Rom. 5:21). Daarom zullen degenen die de genade bezitten het tot het eind toe volhouden; ze zullen niet alleen de wedstrijd lopen, maar ook de prijs winnen. Voor hen geldt alles wat Paulus van zichzelf heeft gezegd: „Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2 Tim. 4:7, 8).
Lezen: 2 Timotheüs 4
Aan de lezer…
Ziet u, lieve lezer, hoe de loopbaan bezaaid is met gevallenen, en vreest u dat u ook eens uit de wedloop zult stappen? Velen begonnen met ernst en vuur, en hielden op toen de strijd begon. Natuurlijk geloof dooft uit, menselijke hoop geeft de geest, en vleselijke ijver raakt tot het laatste sprankje uitgedoofd. Als u op uzelf ziet, hebt u reden genoeg om te beven.
Maar zie dan niet op uzelf, maar op de genade. Zij is van blijvende aard, want zij komt uit een goddelijke fontein, en zij heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven. Daarom zal de rechtvaardige zijn weg vasthouden; niet omdat hij sterk is, maar omdat de genade in zijn hart blijft wanneer al het andere verloren is. Wie die genade ontvangen heeft, zal niet alleen lopen, maar ook de kroon der rechtvaardigheid ontvangen, met allen die Zijn verschijning liefgehad hebben.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Naarmate de ziel door pijnlijke beproevingen en oefeningen steeds meer haar eigen zwakheid en hulpeloosheid ontdekt, heeft zij meer geduldig uithoudingsvermogen nodig om het tot het einde vol te houden; want alleen wie volhardt tot het einde, zal zalig worden. Velen lopen een tijd goed. Bij velen lijkt het alsof ze door hun ernst en bedrijvigheid, hun ijver en vuur de prijs met een paar stappen zullen behalen – alsof ze de overwinning winnen door zich een dag in te spannen, of de hemel verwerven door een uur ernstig te zijn. Maar zij zijn de eersten die ermee ophouden. Zij zijn de eersten die, zoals de kinderen van Efraïm, zich omkeren op de dag van de strijd, en de eersten die zich aan de vijand overgeven wanneer ze zwaar onder druk komen te staan.
Velen lopen, maar weinigen winnen. De zonde brengt sommigen ten val, de dwaling richt anderen te gronde; de wereld verstikt de ijver van de een, en voorspoed dooft het vuur van de ander. Zo raakt de loopbaan bezaaid met gevallenen, en worstelen maar enkelen door tot het einde. Alleen de genade maakt de prijs zeker. Dat komt doordat de genade van God in het hart van blijvende aard is, en daarom blijft als al het andere verloren is. Natuurlijk geloof dooft al snel uit, menselijke hoop sterft weg, en vleselijke ijver en ernst raken al gauw tot het laatste sprankje uitgedoofd.
Maar de genade is van blijvende aard, want zij komt uit een goddelijke fontein. „De rechtvaardige zal zijn weg vasthouden” (Job 17:9), omdat „de genade heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven” (Rom. 5:21). Daarom zullen zij die de genade bezitten, volharden tot het einde. Ze zullen niet alleen de wedloop lopen, maar ook de prijs winnen. Voor hen geldt alles wat Paulus van zichzelf heeft gezegd: „Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2 Tim. 4:7, 8).
Lezen: 2 Timotheüs 4
Aan de lezer…
Ziet u, lieve lezer, hoe de loopbaan bezaaid is met gevallenen, en vreest u dat u ook eens uit de wedloop zult stappen? Velen begonnen met ernst en vuur, en hielden op toen de strijd begon. Natuurlijk geloof dooft uit, menselijke hoop sterft weg, en vleselijke ijver raakt tot het laatste sprankje uitgedoofd. Als u op uzelf ziet, hebt u reden genoeg om te beven.
Zie dan niet op uzelf, maar op de genade. Zij is van blijvende aard, want zij komt uit een goddelijke fontein, en zij heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven. Daarom zal de rechtvaardige zijn weg vasthouden; niet omdat hij sterk is, maar omdat de genade in zijn hart blijft wanneer al het andere verloren is. Wie die genade ontvangen heeft, zal niet alleen lopen, maar ook de kroon der rechtvaardigheid ontvangen, met allen die Zijn verschijning liefgehad hebben.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore seeing we also are compassed about with so great a cloud of witnesses, let us lay aside every weight, and the sin which doth so easily beset us, and let us run with patience the race that is set before us.
Hebrews 12:1
As the soul, through painful trials and exercises, discovers more and more of its own weakness and helplessness, it needs more patient endurance to hold out to the end; for only he that endureth to the end shall be saved. Many run well for a time. With many it seems as though, by their earnestness and activity, their zeal and fire, they will gain the prize in a few strides – as though they would win the victory by one day’s exertion, or gain heaven by an hour’s earnestness. But they are the first to give up. They are the first who, like the children of Ephraim, turn back in the day of battle, and the first to surrender to the enemy when they are hard pressed.
Many run, but few win. Sin brings some to a fall, error ruins others; the world chokes the zeal of one, and prosperity quenches the fire of another. So the course becomes strewn with the fallen, and only a few struggle on to the end. Grace alone makes the prize sure. This is because the grace of God in the heart is of an abiding nature, and therefore remains when all else is lost. Natural faith soon dies out, human hope fades away, and fleshly zeal and earnestness are soon quenched to the last spark.
But grace is of an abiding nature, for it comes from a divine fountain. “The righteous also shall hold on his way” (Job 17:9), because “grace reigns through righteousness unto eternal life” (Romans 5:21). Therefore those who possess grace shall endure to the end. They shall not only run the race, but also win the prize. To them applies all that Paul said of himself: “I have fought a good fight, I have finished my course, I have kept the faith: henceforth there is laid up for me a crown of righteousness, which the Lord, the righteous Judge, shall give me at that day: and not to me only, but unto all them also that love His appearing” (2 Timothy 4:7, 8).
Reading: 2 Timothy 4
To the reader…
Do you see, dear reader, how the course is strewn with the fallen, and do you fear that you too will one day drop out of the race? Many began with earnestness and fire, and gave up when the battle began. Natural faith dies out, human hope fades away, and fleshly zeal is quenched to the last spark. If you look at yourself, you have reason enough to tremble.
Do not look at yourself, then, but at grace. It is of an abiding nature, for it comes from a divine fountain, and it reigns through righteousness unto eternal life. That is why the righteous shall hold on his way; not because he is strong, but because grace remains in his heart when all else is lost. Whoever has received that grace will not only run, but will also receive the crown of righteousness, with all those who love His appearing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto nosotros también, teniendo en derredor nuestro una tan grande nube de testigos, dejando todo el peso del pecado que nos rodea, corramos con paciencia la carrera que nos es propuesta.
Hebreos 12:1
A medida que el alma, por medio de pruebas y ejercicios dolorosos, descubre más y más de su propia debilidad e impotencia, necesita más paciencia y perseverancia para aguantar hasta el fin; porque solo el que perseverare hasta el fin será salvo. Muchos corren bien por un tiempo. En muchos parece como si, por su seriedad y actividad, su celo y su fuego, fueran a ganar el premio en unas pocas zancadas, como si quisieran obtener la victoria con el esfuerzo de un día, o ganar el cielo con una hora de seriedad. Pero son los primeros en rendirse. Son los primeros que, como los hijos de Efraín, vuelven las espaldas el día de la batalla, y los primeros en entregarse al enemigo cuando se ven apremiados.
Muchos corren, pero pocos vencen. El pecado hace caer a algunos, el error arruina a otros; el mundo ahoga el celo de uno, y la prosperidad apaga el fuego de otro. Así el recorrido queda sembrado de caídos, y solo unos pocos luchan hasta el fin. Solo la gracia asegura el premio. Esto es porque la gracia de Dios en el corazón es de naturaleza permanente, y por eso permanece cuando todo lo demás se pierde. La fe natural pronto se extingue, la esperanza humana se desvanece, y el celo y la seriedad carnales pronto se apagan hasta la última chispa.
Pero la gracia es de naturaleza permanente, porque procede de una fuente divina. “No obstante, proseguirá el justo su camino” (Job 17:9), porque “la gracia reina por la justicia para vida eterna” (Romanos 5:21). Por tanto, los que poseen la gracia perseverarán hasta el fin. No solo correrán la carrera, sino que también ganarán el premio. A ellos se aplica todo lo que Pablo dijo de sí mismo: “He peleado la buena batalla, he acabado la carrera, he guardado la fe. Por lo demás, me está guardada la corona de justicia, la cual me dará el Señor, Juez justo, en aquel día; y no solo a mí, sino también a todos los que aman Su venida” (2 Timoteo 4:7, 8).
Lectura: 2 Timoteo 4
Al lector…
¿Ve usted, querido lector, cómo el recorrido está sembrado de caídos, y teme que también usted un día abandone la carrera? Muchos comenzaron con seriedad y fuego, y se rindieron cuando empezó la batalla. La fe natural se extingue, la esperanza humana se desvanece, y el celo carnal se apaga hasta la última chispa. Si se mira a sí mismo, tiene motivo suficiente para temblar.
No se mire, pues, a sí mismo, sino a la gracia. Es de naturaleza permanente, porque procede de una fuente divina, y reina por la justicia para vida eterna. Por eso el justo proseguirá su camino; no porque sea fuerte, sino porque la gracia permanece en su corazón cuando todo lo demás se pierde. Quien ha recibido esa gracia no solo correrá, sino que también recibirá la corona de justicia, con todos los que aman Su venida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen; gebroken bakken, die geen water houden.
Jeremia 2:13
Er is niets zo beroerend als de herinnering van het afwijken van een goed en heilig God. Er is niets dat een tedere consciëntie meer wondt, dan te hebben gezondigd tegen bewezen barmhartigheid en geopenbaarde zaligheid. Het schijnt bijna gelijk of men de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan, of dat wij het bloed des Testaments, waardoor wij geheiligd waren, onrein geacht hebben; alsof wij onze beste Vriend nog erger onthaald hadden dan Zijn vijanden dit gedaan hebben. En wanneer deze dingen op ons gemoed gebracht en met gewicht en kracht op onze consciëntie gelegd worden, dan zinken wij soms zó ver weg in moedeloosheid en droefgeestigheid, dat bijna al onze hoop vergaat.
Maar de Heere is zeer genadig en barmhartig degenen die Zijn Naam vrezen. Hij wendt Zich tot het geroep der gans ontbloten en versmaadt niet hunlieder gebed. Hij luistert naar de zuchtingen en de belijdenis van het berouwhebbende hart en de verbroken en verslagen geest; en ofschoon Hij te allen tijde het hoge zal vernederen, zal Hij toch het nederige verhogen. Hij zal nooit Zijn rechtvaardige aanspraak op Zijn volk opgeven. Als Hij ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, dan zal Hij nooit toestaan dat deze koop door de boosaardigheid van de satan of door de goddeloosheid van onze natuur tenietgedaan wordt.
Hoe doorslaggevend zijn deze woorden: „Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd; keert nochtans weder tot Mij, zegt de Heere. Keert weder, gij afkerige kinderen, zegt de Heere, want Ik heb u getrouwd. Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” En zullen wij niet antwoorden: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God. Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere onze God is Israëls heil”, Jeremia 3:23.
Aan de lezer…
Kent u dat, dat de herinnering aan uw afwijkingen u neerdrukt? Hebt u gezondigd tegen bewezen barmhartigheid, en voelt u dat u uw beste Vriend erger hebt behandeld dan Zijn vijanden deden? Dan weet u hoe diep zo’n wond kan gaan, en hoe de hoop er bijna onder bezwijkt. U hebt de Springader des levenden waters verlaten en gebroken bakken uitgehouwen, en nu ervaart u dat die geen water houden.
Maar hoor, de Heere is zeer genadig en barmhartig degenen die Zijn Naam vrezen. Hij versmaadt het gebed der gans ontbloten niet, en Hij luistert naar de zuchtingen van een verslagen geest. Wat Hij met Zijn dierbaar bloed gekocht heeft, laat Hij niet los. Daarom roept Hij nog: „Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” Wil dan niet langer bij uw bakken blijven staan, maar antwoord Hem: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen; gebroken bakken, die geen water houden.
Jeremia 2:13
Er is niets zo ontroerend als de herinnering dat men is afgeweken van een goed en heilig God. Er is niets wat een teder geweten dieper wondt dan gezondigd te hebben tegen bewezen barmhartigheid en geopenbaarde zaligheid. Het lijkt bijna alsof men de Geest der genade smaad heeft aangedaan, of alsof wij het bloed van het testament, waardoor wij geheiligd waren, onrein hebben geacht; alsof wij onze beste Vriend nog erger behandeld hebben dan Zijn vijanden deden. En wanneer deze dingen ons voor de geest worden gebracht en met gewicht en kracht op ons geweten worden gelegd, dan zinken wij soms zo ver weg in moedeloosheid en neerslachtigheid dat bijna al onze hoop vergaat.
Maar de Heere is zeer genadig en barmhartig voor hen die Zijn Naam vrezen. Hij wendt Zich tot het gebed van de geheel ontblote en versmaadt hun gebed niet. Hij luistert naar de zuchten en de belijdenis van het berouwvolle hart en de verbroken en verslagen geest. En hoewel Hij te allen tijde het hoge zal vernederen, zal Hij toch het nederige verhogen. Hij zal Zijn rechtmatige aanspraak op Zijn volk nooit opgeven. Als Hij ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, dan zal Hij nooit toestaan dat deze koop door de boosaardigheid van de satan of door de goddeloosheid van onze natuur tenietgedaan wordt.
Hoe doorslaggevend zijn deze woorden: „Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd; keert nochtans weder tot Mij, zegt de Heere. Keert weder, gij afkerige kinderen, zegt de Heere, want Ik heb u getrouwd. Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” En zullen wij dan niet antwoorden: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God. Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere onze God is Israëls heil”, Jeremia 3:23.
Aan de lezer…
Kent u dat, dat de herinnering aan uw afwijkingen u neerdrukt? Hebt u gezondigd tegen bewezen barmhartigheid, en voelt u dat u uw beste Vriend erger hebt behandeld dan Zijn vijanden deden? Dan weet u hoe diep zo’n wond kan gaan, en hoe de hoop er bijna onder bezwijkt. U hebt de Springader des levenden waters verlaten en gebroken bakken uitgehouwen, en nu ervaart u dat die geen water houden.
Maar hoor: de Heere is zeer genadig en barmhartig voor hen die Zijn Naam vrezen. Hij versmaadt het gebed van de geheel ontblote niet, en Hij luistert naar de zuchten van een verslagen geest. Wat Hij met Zijn dierbaar bloed gekocht heeft, laat Hij niet los. Daarom roept Hij nog: „Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” Blijf dan niet langer bij uw bakken staan, maar antwoord Hem: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For my people have committed two evils; they have forsaken me the fountain of living waters, and hewed them out cisterns, broken cisterns, that can hold no water.
Jeremiah 2:13
There is nothing so piercing as the remembrance of backsliding against a good and holy God. There is nothing so wounding to a tender conscience as having sinned against manifested mercy and revealed salvation. It seems almost like doing despite to the Spirit of grace; almost like trampling under foot the blood of the covenant whereby we were sanctified, and treating our best Friend worse than His very enemies treated Him. And as these things are brought to mind, and laid upon the conscience with weight and power, they will sometimes sink us very low into despondency and gloom so as almost to take away our very hope.
But the Lord is very merciful and compassionate to those who fear His Name. He regards the prayer of the destitute, and will not despise their cry. He listens to the sighs and confessions of the penitent heart, and broken, contrite spirit; and thus, though He will ever abase him that is high, He will exalt him that is low. He will never give up His rightful claim to His people. If He has bought us with His precious blood, He will never allow that purchase to be annulled by the malice of Satan or by the wickedness of our own nature.
How striking are those words, “You have played the harlot with many lovers; yet return again to Me, says the Lord.” And again, “Turn, O backsliding children, says the Lord, for I am married unto you.” “Return, O backsliding children, and I will heal your backslidings.” And shall we not answer, “Behold, we come unto you, for you are the Lord our God! Truly in vain is salvation hoped for from the hills, and from the multitude of mountains—truly in the Lord our God is the salvation of Israel” (Jer. 3:23).
To the reader…
Do you know what it is for the memory of your backslidings to weigh you down? Have you sinned against mercy shown to you, and do you feel that you have treated your best Friend worse than His enemies did? Then you know how deep such a wound can go, and how hope almost gives way beneath it. You have forsaken the Fountain of living waters and hewn out broken cisterns, and now you find that they can hold no water.
But listen: the Lord is very gracious and merciful to those who fear His Name. He does not despise the prayer of the destitute, and He listens to the sighs of a contrite spirit. What He has bought with His precious blood, He does not let go. That is why He still calls, “Return, ye backsliding children, and I will heal your backslidings.” Do not stand any longer by your cisterns, then, but answer Him, “Behold, we come unto Thee; for Thou art the LORD our God.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque dos males ha hecho Mi pueblo: dejáronme a Mí, fuente de agua viva, por cavar para sí cisternas, cisternas rotas que no detienen aguas.
Jeremías 2:13
Nada hay tan penetrante como el recuerdo de haberse apartado de un Dios bueno y santo. Nada hiere tanto a una conciencia tierna como haber pecado contra una misericordia manifestada y una salvación revelada. Parece casi como hacer afrenta al Espíritu de gracia; casi como hollar la sangre del pacto en la cual fuimos santificados, y tratar a nuestro mejor Amigo peor de lo que le trataron Sus mismos enemigos. Y cuando estas cosas vienen a la memoria y son puestas sobre la conciencia con peso y poder, a veces nos hunden muy hondo en el desaliento y la tristeza, hasta casi quitarnos la esperanza misma.
Pero el Señor es muy misericordioso y compasivo para con los que temen Su Nombre. Mira a la oración de los desvalidos, y no desecha su ruego. Escucha los suspiros y las confesiones del corazón arrepentido y del espíritu quebrantado y contrito; y así, aunque siempre abatirá al que se enaltece, ensalzará al humilde. Nunca renunciará a Su legítimo derecho sobre Su pueblo. Si nos ha comprado con Su preciosa sangre, jamás permitirá que esa compra sea anulada por la malicia de Satanás ni por la maldad de nuestra propia naturaleza.
¡Cuán notables son estas palabras: “Tú pues has fornicado con muchos amigos; mas vuélvete a Mí, dijo Jehová”! Y también: “Convertíos, hijos rebeldes, dice Jehová, porque Yo soy vuestro esposo.” “Convertíos, hijos rebeldes, sanaré vuestras rebeliones.” ¿Y no responderemos: “He aquí nosotros venimos a Ti; porque Tú eres Jehová nuestro Dios. Ciertamente vanidad son los collados, la multitud de los montes: ciertamente en Jehová nuestro Dios está la salud de Israel” (Jer. 3:23)?
Al lector…
¿Sabe usted lo que es sentirse abatido por el recuerdo de sus extravíos? ¿Ha pecado contra la misericordia que le fue mostrada, y siente que ha tratado a su mejor Amigo peor que Sus enemigos? Entonces sabe cuán hondo puede llegar tal herida, y cómo la esperanza casi cede bajo ella. Ha dejado la Fuente de agua viva y ha cavado cisternas rotas, y ahora descubre que no detienen aguas.
Pero escuche: el Señor es muy clemente y misericordioso para con los que temen Su Nombre. No desecha la oración del desvalido, y escucha los suspiros de un espíritu contrito. Lo que ha comprado con Su preciosa sangre, no lo suelta. Por eso sigue llamando: “Convertíos, hijos rebeldes, sanaré vuestras rebeliones.” No se quede, pues, más tiempo junto a sus cisternas, sino respóndale: “He aquí nosotros venimos a Ti; porque Tú eres Jehová nuestro Dios.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl