vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? zij is als een rij van twee heiren.
Hooglied van Salomo 6:13
Zijt gij niet dikwijls een raadsel voor uzelf? Nu eens warm, daarna koud; uzelf het ene half uur verlagende, het volgende uzelf verheffende; de wereld liefhebbende en u er als ’t ware heden in badende, morgen roepende, kermende en zuchtende om een lieflijke openbaring van de liefde Gods; met een diep gevoel van nietigheid, bedekt met schaamte en verwarring, op uw knieën voordat gij uw kamer verlaat; vol trotsheid en gevoel van eigen waarde voordat gij onder aan de trap zijt; de wereld verwachtende en alles willende geven voor een teug van Jezus zolang gij in de eenzaamheid zijt; haar met beide handen aangrijpende te midden uwer bezigheden. Welk een raadsel zijt gij! Getroffen door liefde, geprikkeld door vijandschap; weinig wijsheid en veel dwaasheid bezittend; aardsgezind en toch getrokken naar de hemel; voorwaarts spoedende en toch vertragende; vol traagheid en toch het koninkrijk nemende met geweld!
En aldus leidt ons de Geest, door een werking die wij mogen gevoelen, maar niet juist kunnen beschrijven, in de verborgenheid der twee naturen, die „rij van twee heiren,” die voortdurend met elkander in strijd zijn en in dezelfde boezem worstelen; zodat de ene mens niet meer van de andere verschillen kan dan dezelfde mens van zichzelf verschilt. Maar spreken de natuur, het verstand en de rede dit niet tegen? Ontkennen de wijzen en voorzichtigen dit niet? „Er moet een trapsgewijze vooruitgang zijn,” zeggen zij, „in heiligheid; er moet een trapsgewijze verbetering onzer natuur plaatshebben, totdat eindelijk alle zonde is uitgeroeid en wij volmaakt worden gelijk Christus.”
Maar de verborgenheid van het koninkrijk der hemelen is deze, dat ons vleselijk gemoed geen verandering ondergaat, maar een immer voortdurende krijg voert tegen de genade; en dus, hoe dieper wij zinken in zelfvernedering onder een gevoel onzer onreinheid, des te hoger stijgen wij in een kennis van Christus; en hoe zwarter wij zijn in ons eigen oog, des te liefelijker schijnt ons de Heere Jezus toe.
Hij, die uw naam in waarheid kent,
zal, Heer, op U in zijn ellend’
vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten
hen, die gelovig tot U vluchten.
Ps. 9:10
Aan de lezer…
Bent u een raadsel voor uzelf, lezer? Nu eens op uw knieën in schaamte, en een uur later weer vol trotsheid; nu eens zuchtend om een openbaring van Gods liefde, en straks weer met beide handen aan de wereld vastgeklemd? U schrikt ervan en vraagt of iemand die zo is, wel een kind van God kan zijn. Wees eerlijk over die strijd, maar laat hij u niet doen wanhopen.
Want dat is juist de rij van twee heiren: twee naturen in dezelfde boezem, die voortdurend met elkander in strijd zijn. Het vleselijk gemoed wordt niet beter; het voert zijn krijg tegen de genade zolang u leeft. Maar hoe dieper u onder het gevoel van uw onreinheid wegzinkt, des te hoger stijgt u in de kennis van Christus. Hoe zwarter u in uw eigen oog bent, hoe liefelijker de Heere Jezus u toeschijnt. Hij laat hen die gelovig tot Hem vluchten, nooit tevergeefs zuchten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? zij is als een rij van twee heiren.
Hooglied van Salomo 6:13
Bent u niet vaak een raadsel voor uzelf? Nu eens warm, dan weer koud. Het ene halfuur vernedert u uzelf, het volgende verheft u uzelf. Vandaag hebt u de wereld lief en baadt u er als het ware in, morgen roept, kermt en zucht u om een lieflijke openbaring van de liefde van God. Voordat u uw kamer verlaat, ligt u op uw knieën met een diep besef van uw nietigheid, bedekt met schaamte en verwarring; voordat u onder aan de trap bent, zit u vol trots en eigenwaarde. Zolang u in de eenzaamheid bent, wilt u de wereld van u afwerpen en alles geven voor één teug van Jezus; midden in uw bezigheden grijpt u haar met beide handen aan. Wat een raadsel bent u! Geraakt door liefde, geprikkeld door vijandschap; weinig wijsheid en veel dwaasheid; aardsgezind en toch naar de hemel getrokken; voortsnellend en toch traag; vol traagheid en toch het koninkrijk nemend met geweld!
Zo leidt de Geest ons, door een werking die wij wel mogen voelen maar niet precies kunnen beschrijven, in de verborgenheid van de twee naturen, die „rij van twee heiren”. Die twee zijn voortdurend met elkaar in strijd en worstelen in hetzelfde hart, zodat de ene mens niet meer van de andere kan verschillen dan dezelfde mens van zichzelf verschilt. Maar spreken de natuur, het verstand en de rede dit niet tegen? Ontkennen de wijzen en verstandigen dit niet? „Er moet een trapsgewijze vooruitgang zijn,” zeggen zij, „in heiligheid; er moet een trapsgewijze verbetering onzer natuur plaatshebben, totdat eindelijk alle zonde is uitgeroeid en wij volmaakt worden gelijk Christus.”
Maar de verborgenheid van het koninkrijk der hemelen is deze: ons vleselijk gemoed ondergaat geen verandering, maar voert een voortdurende oorlog tegen de genade. Daarom geldt: hoe dieper wij wegzinken in zelfvernedering onder het besef van onze onreinheid, hoe hoger wij stijgen in de kennis van Christus. En hoe zwarter wij zijn in ons eigen oog, hoe lieflijker de Heere Jezus ons toeschijnt.
Hij, die uw naam in waarheid kent,
zal, Heer, op U in zijn ellend’
vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten
hen, die gelovig tot U vluchten.
Ps. 9:10
Aan de lezer…
Bent u een raadsel voor uzelf, lezer? Nu eens op uw knieën in schaamte, en een uur later weer vol trots; nu eens zuchtend om een openbaring van Gods liefde, en straks weer met beide handen aan de wereld vastgeklemd? U schrikt ervan en vraagt zich af of iemand die zo is, wel een kind van God kan zijn. Wees eerlijk over die strijd, maar laat hij u niet tot wanhoop brengen.
Want dat is juist de rij van twee heiren: twee naturen in hetzelfde hart, die voortdurend met elkaar in strijd zijn. Het vleselijk gemoed wordt niet beter; het voert zijn oorlog tegen de genade zolang u leeft. Maar hoe dieper u onder het besef van uw onreinheid wegzinkt, hoe hoger u stijgt in de kennis van Christus. Hoe zwarter u in uw eigen oog bent, hoe lieflijker de Heere Jezus u toeschijnt. Hij laat hen die gelovig tot Hem vluchten, nooit tevergeefs zuchten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
What will ye see in the Shulamite? As it were the company of two armies.
Song of Solomon 6:13
Are you not often a mystery to yourself? Warm one moment, cold the next; abasing yourself one hour, exalting yourself the following; loving the world, full of it, steeped up to your lips in it today; crying, groaning, and sighing for a sweet manifestation of the love of God tomorrow; brought down to nothingness, covered with shame and confusion, on your knees before you leave your room; filled with pride and self-importance before you have got down stairs; despising the world, and willing to give it all up for one taste of the love of Jesus when in solitude; trying to grasp it with both hands when in business.
What a mystery are you! Touched by love, and stung with enmity; possessing a little wisdom, and a great deal of folly; earthly-minded, and yet having the affections in heaven; pressing forward, and lagging behind; full of sloth, and yet taking the kingdom with violence!
And thus the Spirit, by a process which we may feel but cannot adequately describe, leads us into the mystery of the two natures, that “company of two armies,” perpetually struggling and striving against each other in the same bosom. So that one man cannot more differ from another than the same man differs from himself.
But do not nature, sense, and reason contradict this? Do not the wise and prudent deny this? “There must be a progressive advance,” they say, “in holiness; there must be a gradual amendment of our nature until at length all sin is rooted out, and we become as perfect as Christ.” But the mystery of the kingdom of heaven is this—that our carnal mind undergoes no alteration, but maintains a perpetual war with grace—and thus, the deeper we sink in self-abasement under a sense of our vileness, the higher we rise in a knowledge of Christ; and the blacker we are in our own view, the more lovely does Jesus appear.
To the reader…
Are you a mystery to yourself, reader? One moment on your knees in shame, and an hour later full of pride again; now sighing for a manifestation of God’s love, and soon grasping the world with both hands again? You are alarmed at it and wonder whether anyone who is like that can be a child of God at all. Be honest about that conflict, but do not let it drive you to despair.
For that is just the company of two armies: two natures in the same heart, perpetually at war with each other. The carnal mind does not get better; it wages its war against grace as long as you live. But the deeper you sink under a sense of your vileness, the higher you rise in the knowledge of Christ. The blacker you are in your own eyes, the more lovely the Lord Jesus appears to you. He never lets those who flee to Him in faith sigh in vain.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Qué veréis en la Sulamita? Como la reunión de dos campamentos.
Cantar de los Cantares 6:13
¿No es usted a menudo un misterio para sí mismo? Caliente un momento, frío al siguiente; humillándose una hora, exaltándose la siguiente; amando el mundo, lleno de él, empapado en él hasta los labios hoy; clamando, gimiendo y suspirando mañana por una dulce manifestación del amor de Dios; reducido a la nada, cubierto de vergüenza y confusión, de rodillas antes de salir de su cuarto; lleno de orgullo y de presunción antes de haber bajado la escalera; despreciando el mundo y dispuesto a renunciar a todo él por una sola probada del amor de Jesús cuando está a solas; intentando asirlo con ambas manos cuando está en sus negocios.
¡Qué misterio es usted! Tocado por el amor y aguijoneado por la enemistad; poseyendo un poco de sabiduría y muchísima necedad; de mente terrenal y, sin embargo, con los afectos en el cielo; avanzando y rezagándose; lleno de pereza y, sin embargo, arrebatando el reino por la fuerza.
Y así el Espíritu, por un proceso que podemos sentir pero no describir adecuadamente, nos introduce en el misterio de las dos naturalezas, esa “reunión de dos campamentos” que perpetuamente luchan y combaten el uno contra el otro en el mismo pecho. De modo que un hombre no puede diferir más de otro que lo que el mismo hombre difiere de sí mismo.
Pero ¿no contradicen esto la naturaleza, los sentidos y la razón? ¿No lo niegan los sabios y entendidos? “Tiene que haber un avance progresivo en la santidad”, dicen; “tiene que haber una enmienda gradual de nuestra naturaleza hasta que al fin todo pecado sea desarraigado y lleguemos a ser tan perfectos como Cristo”. Pero el misterio del reino de los cielos es este: que nuestra mente carnal no sufre alteración alguna, sino que mantiene una guerra perpetua con la gracia; y así, cuanto más hondo nos hundimos en la humillación bajo el sentido de nuestra vileza, tanto más alto nos elevamos en el conocimiento de Cristo; y cuanto más negros somos a nuestros propios ojos, tanto más hermoso aparece Jesús.
Al lector…
¿Es usted un misterio para sí mismo, lector? ¿Un momento de rodillas avergonzado y una hora después otra vez lleno de orgullo; ahora suspirando por una manifestación del amor de Dios, y pronto otra vez asiendo el mundo con ambas manos? Eso le alarma y se pregunta si alguien que es así puede ser en absoluto un hijo de Dios. Sea honrado acerca de esa lucha, pero no deje que le lleve a la desesperación.
Porque eso es precisamente la reunión de dos campamentos: dos naturalezas en el mismo corazón, perpetuamente en guerra la una con la otra. La mente carnal no mejora; libra su guerra contra la gracia mientras usted viva. Pero cuanto más hondo se hunde bajo el sentido de su vileza, tanto más alto se eleva en el conocimiento de Cristo. Cuanto más negro es usted a sus propios ojos, tanto más hermoso le parece el Señor Jesús. Él nunca deja suspirar en vano a los que huyen a Él por la fe.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wendt u naar Mij toe
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
De Heere zegt: „Zie op Mij, wordt behouden” (Eng. Vert.). Eén blik betekent dus verlossing. Het is, om gered te worden, niet nodig talloze schatten van onze eigen rechtvaardigheid te verzamelen, een grote hoeveelheid goede daden te vergaren, een zekere hoeveelheid vroomheid te verzamelen, of ons omhoog te werken naar het toppunt van menselijke heiligheid. Eén blik van geloof is genoeg, een oog geopend door een goddelijke lering om te zien Wie en wat Jezus is. Hij doet daarom een beroep op „de einden der aarde” om ons naar Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn rechtvaardigheid en Zijn liefde toe te wenden, en in Hem alles te zien wat we nodig hebben en alles wat we willen hebben. En als we ons naar Hem toewenden, zoals Hij ons uitnodigt, en we zien Wie Hij is en hoe toereikend Hij is voor elke behoefte, dan wensen we geen andere verlossing en geen andere Verlosser.
Hoe vaak lijken we geen enkele echte vroomheid te hebben, noch enige echte troost te genieten! Hoe vaak zijn onze kenmerken verdoezeld en vertroebeld, en is ons verstand gehuld in diepe duisternis! Hoe vaak verbergt de Heere Zich, zodat we Hem niet kunnen aanschouwen, noch bij Hem kunnen komen; en hoe vaak verdwijnt de vaste grond waarop we dachten te staan, onder onze voeten! Wat is dit een pijnlijk pad om te bewandelen, maar wat geeft het een groot voordeel! Als we tot de bedelstaf zijn gebracht, leren we de waarde van Christus’ heerlijke rijkdommen kennen.
Hoe slechter we over ons eigen hart denken, en hoe bedrieglijker en slechter we het vinden, des te meer stellen we vertrouwen in Zijn getrouwheid. En hoe donkerder we onszelf achten, des te schoner en aantrekkelijker ziet Hij er in onze ogen uit. Als we wegzinken, komt Jezus omhoog; als we zwak worden, geeft Hij Zijn kracht; als we in gevaar komen, brengt Hij redding; als we in verzoeking komen, maakt Hij de strik los; en als we opgesloten zitten in duisternis, laat Hij het licht van Zijn aangezicht schijnen.
Lezen: Jesaja 52
Aan de lezer…
Kent u dat? U meent dat u eerst iets moet verzamelen voordat u op Christus mag zien: een voorraad goede daden, een zekere mate van vroomheid, een trede hoger op de ladder van heiligheid. Hoe vaak schijnt u juist niets van dat alles te hebben! Uw kenmerken zijn verdoezeld, de Heere verbergt Zich, en de grond waarop u dacht te staan, zinkt onder uw voeten weg. Het is een pijnlijk pad; ik zeg niet dat het licht is.
Maar hoor wat de Heere zegt: „Zie op Mij, wordt behouden.” Eén blik van geloof is genoeg. Ook een arme aan de bedelstaf mag zien op Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn rechtvaardigheid en Zijn liefde. Hoe zwarter u uzelf vindt, hoe schoner Hij u zal toeschijnen. Als u wegzinkt, komt Hij omhoog; als u zwak bent, geeft Hij kracht; en zit u in duisternis, Hij kan het licht van Zijn aangezicht weer over u doen opgaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
De Heere zegt: „Zie op Mij, wordt behouden” (Eng. Vert.). Eén blik betekent dus verlossing. Om gered te worden is het niet nodig talloze schatten van eigen gerechtigheid te verzamelen, een grote hoeveelheid goede werken bijeen te brengen, een zekere voorraad vroomheid op te bouwen, of ons op te werken naar het toppunt van menselijke heiligheid. Eén blik van het geloof is genoeg: een oog dat door goddelijk onderwijs geopend is om te zien Wie en wat Jezus is. Daarom roept Hij „de einden der aarde” op om zich te wenden naar Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn liefde, en in Hem alles te zien wat we nodig hebben en alles wat we begeren. En als we ons naar Hem toe wenden, zoals Hij ons uitnodigt, en zien Wie Hij is en hoe genoegzaam Hij is voor elke nood, dan wensen we geen andere verlossing en geen andere Verlosser.
Hoe vaak lijken we geen enkele echte godsvrucht te hebben en geen enkele echte troost te genieten! Hoe vaak zijn onze kenmerken uitgewist en vertroebeld, en is ons verstand in diepe duisternis gehuld! Hoe vaak verbergt de Heere Zich, zodat we Hem niet kunnen aanschouwen en niet bij Hem kunnen komen! En hoe vaak verdwijnt de vaste grond waarop we dachten te staan onder onze voeten! Wat is dit een pijnlijk pad om te gaan, maar wat levert het veel op! Wanneer we tot de bedelstaf gebracht zijn, leren we de waarde kennen van Christus’ heerlijke rijkdom.
Hoe slechter we over ons eigen hart denken, en hoe bedrieglijker en slechter we het bevinden, des te meer vertrouwen we op Zijn getrouwheid. En hoe zwarter we onszelf vinden, des te schoner en aantrekkelijker wordt Hij in onze ogen. Als wij wegzinken, rijst Jezus op; als wij zwak worden, geeft Hij Zijn kracht; als wij in gevaar komen, brengt Hij redding; als wij in verzoeking komen, maakt Hij de strik los; en als wij in duisternis opgesloten zitten, laat Hij het licht van Zijn aangezicht schijnen.
Lezen: Jesaja 52
Aan de lezer…
Kent u dat? U denkt dat u eerst iets moet verzamelen voordat u op Christus mag zien: een voorraad goede werken, een zekere mate van vroomheid, een trede hoger op de ladder van heiligheid. Hoe vaak lijkt u juist niets van dat alles te hebben! Uw kenmerken zijn uitgewist, de Heere verbergt Zich, en de grond waarop u dacht te staan, zakt onder uw voeten weg. Het is een pijnlijk pad; ik zeg niet dat het licht is.
Maar hoor wat de Heere zegt: „Zie op Mij, wordt behouden.” Eén blik van het geloof is genoeg. Ook een arme aan de bedelstaf mag zien op Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn liefde. Hoe zwarter u uzelf vindt, hoe schoner Hij u zal toeschijnen. Als u wegzinkt, rijst Hij op; als u zwak bent, geeft Hij kracht; en zit u in duisternis, dan kan Hij het licht van Zijn aangezicht weer over u laten opgaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
The Lord says, “Look unto Me, and be ye saved.” One look, then, is salvation. To be saved it is not necessary to heap up countless treasures of our own righteousness, to gather together a great quantity of good works, to build up a certain stock of piety, or to work ourselves up to the pinnacle of human holiness. One look of faith is enough: an eye opened by Divine teaching to see Who and what Jesus is. Therefore He calls upon “the ends of the earth” to look to His Person, His blood, His righteousness and His love, and to see in Him all that we need and all that we desire. And if we look unto Him, as He invites us, and see Who He is and how sufficient He is for every need, we desire no other salvation and no other Saviour.
How often we seem to have no real godliness and to enjoy no real comfort! How often our evidences are blotted and clouded, and our minds shrouded in deep darkness! How often the Lord hides Himself, so that we cannot behold Him nor come to Him! And how often the firm ground on which we thought we stood gives way beneath our feet! What a painful path this is to walk, and yet how profitable! When we are brought to beggary, we learn the value of Christ’s glorious riches.
The worse we think of our own heart, and the more deceitful and wicked we find it, the more we trust in His faithfulness. And the blacker we find ourselves, the fairer and more lovely He becomes in our eyes. When we sink, Jesus rises; when we grow weak, He gives His strength; when we are in danger, He brings deliverance; when we are in temptation, He breaks the snare; and when we are shut up in darkness, He makes the light of His countenance to shine.
Reading: Isaiah 52
To the reader…
Do you know this? You think you must first gather something together before you may look to Christ: a stock of good works, a certain measure of piety, a rung higher on the ladder of holiness. How often you seem to have nothing of all that! Your evidences are blotted out, the Lord hides Himself, and the ground on which you thought you stood gives way beneath your feet. It is a painful path; I do not say it is a light one.
But hear what the Lord says: “Look unto Me, and be ye saved.” One look of faith is enough. Even a poor beggar may look to His Person, His blood, His righteousness and His love. The blacker you find yourself, the fairer He will appear to you. When you sink, He rises; when you are weak, He gives strength; and if you sit in darkness, He can make the light of His countenance rise upon you once more.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
El Señor dice: “Mirad a Mí, y sed salvos”. Una mirada, pues, es salvación. Para ser salvos no es necesario amontonar incontables tesoros de nuestra propia justicia, reunir una gran cantidad de buenas obras, acumular cierta reserva de piedad, ni elevarnos hasta la cumbre de la santidad humana. Basta una mirada de fe: un ojo abierto por la enseñanza divina para ver Quién y qué es Jesús. Por eso llama a “los términos de la tierra” a mirar a Su Persona, Su sangre, Su justicia y Su amor, y a ver en Él todo lo que necesitamos y todo lo que deseamos. Y si miramos a Él, como Él nos invita, y vemos Quién es y cuán suficiente es para toda necesidad, no deseamos otra salvación ni otro Salvador.
¡Cuán a menudo parece que no tenemos verdadera piedad ni gozamos de verdadero consuelo! ¡Cuán a menudo nuestras evidencias están borrosas y nubladas, y nuestras mentes envueltas en profunda oscuridad! ¡Cuán a menudo el Señor se esconde, de modo que no podemos contemplarle ni llegar a Él! ¡Y cuán a menudo el suelo firme en que creíamos estar se hunde bajo nuestros pies! ¡Qué camino tan doloroso es este de andar, y sin embargo cuán provechoso! Cuando somos llevados a la mendicidad, aprendemos el valor de las gloriosas riquezas de Cristo.
Cuanto peor pensamos de nuestro propio corazón, y cuanto más engañoso y perverso lo hallamos, tanto más confiamos en Su fidelidad. Y cuanto más negros nos hallamos, tanto más hermoso y amable se vuelve Él a nuestros ojos. Cuando nos hundimos, Jesús se levanta; cuando nos debilitamos, Él da Su fuerza; cuando estamos en peligro, Él trae liberación; cuando estamos en tentación, Él quebranta el lazo; y cuando estamos encerrados en oscuridad, Él hace resplandecer la luz de Su rostro.
Lectura: Isaías 52
Al lector…
¿Conoce usted esto? Piensa que primero tiene que reunir algo antes de poder mirar a Cristo: una reserva de buenas obras, cierta medida de piedad, un peldaño más alto en la escalera de la santidad. ¡Cuán a menudo parece que no tiene nada de todo eso! Sus evidencias están borradas, el Señor se esconde, y el suelo en que creía estar se hunde bajo sus pies. Es un camino doloroso; no digo que sea ligero.
Pero escuche lo que dice el Señor: “Mirad a Mí, y sed salvos”. Basta una mirada de fe. Aun un pobre mendigo puede mirar a Su Persona, Su sangre, Su justicia y Su amor. Cuanto más negro se halle, tanto más hermoso le parecerá Él. Cuando usted se hunde, Él se levanta; cuando está débil, Él da fuerza; y si está sentado en oscuridad, Él puede hacer que la luz de Su rostro se levante de nuevo sobre usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij; en Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt.
Hebreeën 12:6
Zegt niet Jacobus: „Zalig is de man, die de verzoeking verdraagt”? En wederom: „Acht het voor grote vreugde wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”? Waarom? Is er enige blijdschap in de verzoekingen, en genoegen in smart? Neen, niets. Maar in de verlossing des Heeren, in de kracht Gods om de ziel uit te helpen, daarin is blijdschap. En daarom moeten wij wandelen in een donker pad, zal het licht dierbaar zijn voor onze ogen. Wij moeten kennismaken met wegen van beproeving, zullen wij de aangenaamheid der beloften, met kracht toegepast, recht kunnen smaken; wij moeten verzoekingen doorstaan om de zoetigheid der verlossing te kunnen genieten.
En wees ervan verzekerd dat dit de weg is waarin God met Zijn volk handelt. Is uw consciëntie eerlijk gemaakt? Spreekt die vermaner in uw boezem de waarheid? Vertel mij eens wat hij zegt. Zegt hij niet: „Weinig beproevingen, weinig vertroostingen; weinig smarten, weinig genietingen; weinig moeilijkheden, weinig bewijzen van God; weinig kwellingen, weinig ontdekkingen van de liefde en het bloed”?
Zegt niet de apostel: „Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig” (2 Corinthe 1:5)? En zegt hij niet: „En onze hoop van u is vast, als die weten, dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting”? En zegt hij ons niet zorgvuldig acht te geven op hetgeen de Heere tot Zijn volk spreekt, dat namelijk het deel van een kind is de kastijdingen te moeten ondergaan? Hij zegt: „Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt; want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon, die Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt? Maar indien gij zonder kastijding zijt — o ernstig woord, en hoe toepasselijk op duizenden! — welke allen deelachtig zijn geworden, dan zijt gij bastaarden en niet zonen.”
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken tot u die door een donker pad gaat en zich afvraagt waarom de Heere u zo kastijdt. Er is geen blijdschap in de smart zelf, en dat behoeft u ook niet te veinzen. Maar laat uw consciëntie eens eerlijk spreken: waren uw vertroostingen niet het zoetst juist na de zwaarste beproeving, en leerde u de liefde en het bloed niet het best kennen in de nood?
Zo handelt God met Zijn volk. De kastijding is geen teken dat Hij u verworpen heeft, maar het deel van een kind. „Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij.” Acht dan Zijn kastijding niet klein, en bezwijk niet als u van Hem bestraft wordt. Hij gedraagt Zich jegens u als een Vader. En wacht op Zijn verlossing, want daarin ligt de blijdschap; gelijk het lijden overvloedig is, zo zal door Christus ook uw vertroosting overvloedig zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij; en Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt.
Hebreeën 12:6
Zegt Jakobus niet: „Zalig is de man, die de verzoeking verdraagt”? En ook: „Acht het voor grote vreugde wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”? Waarom? Is er dan blijdschap in de verzoekingen, en genoegen in smart? Nee, helemaal niet. Maar in de verlossing van de Heere, in de kracht van God om de ziel eruit te helpen, daarin is blijdschap. Daarom moeten wij over een donker pad gaan, wil het licht kostbaar zijn voor onze ogen. Wij moeten wegen van beproeving leren kennen, willen wij de aangenaamheid van de beloften, met kracht toegepast, werkelijk kunnen smaken; wij moeten verzoekingen doorstaan om de zoetheid van de verlossing te kunnen genieten.
En wees ervan verzekerd dat dit de weg is waarin God met Zijn volk handelt. Is uw geweten eerlijk gemaakt? Spreekt die vermaner in uw binnenste de waarheid? Vertel mij eens wat hij zegt. Zegt hij niet: „Weinig beproevingen, weinig vertroostingen; weinig smarten, weinig genietingen; weinig moeilijkheden, weinig bewijzen van God; weinig kwellingen, weinig ontdekkingen van de liefde en het bloed”?
Zegt de apostel niet: „Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig” (2 Corinthe 1:5)? En zegt hij niet: „En onze hoop van u is vast, als die weten, dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting”? En zegt hij ons niet zorgvuldig te letten op wat de Heere tot Zijn volk spreekt, namelijk dat het tot het deel van een kind behoort kastijdingen te moeten ondergaan? Hij zegt: „Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt; want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon, die Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt? Maar indien gij zonder kastijding zijt — o ernstig woord, en hoe toepasselijk op duizenden! — welke allen deelachtig zijn geworden, dan zijt gij bastaarden en niet zonen.”
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken tot u die over een donker pad gaat en zich afvraagt waarom de Heere u zo kastijdt. Er is geen blijdschap in de smart zelf, en dat hoeft u ook niet te veinzen. Maar laat uw geweten eens eerlijk spreken: waren uw vertroostingen niet het zoetst juist na de zwaarste beproeving, en leerde u de liefde en het bloed niet het best kennen in de nood?
Zo handelt God met Zijn volk. De kastijding is geen teken dat Hij u verworpen heeft, maar het deel van een kind. „Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij.” Acht Zijn kastijding dan niet klein, en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt. Hij gedraagt Zich tegenover u als een Vader. En wacht op Zijn verlossing, want daarin ligt de blijdschap; zoals het lijden overvloedig is, zo zal door Christus ook uw vertroosting overvloedig zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For whom the Lord loveth he chasteneth, and scourgeth every son whom he receiveth.”
Hebrews 12:6
Does not James say, “Blessed is the man who endures temptation?” And again, “Count it all joy when you fall into diverse temptations?” Why? Is there any joy in trials, any pleasure in sorrow? No, none. But in the deliverance from the Lord; in the power of God put forth to bring the soul out; there is joy there. And, therefore, we have to walk in a dark path to make the light dear to our eyes; we have to pass through trials to taste the sweetness of the promises when applied with power; we have to endure temptations, that we may enjoy the sweetness of deliverance. And this is the way, be sure of it, that God deals with His people.
Is your conscience made honest? Does that monitor in your bosom speak the truth? Tell me what it says. Does it not say, “Few trials, few consolations; few sorrows, few joys; few difficulties, few testimonies from God; few sufferings, few discoveries of love and blood?” Does not the Apostle say, “As the sufferings of Christ abound in us, so our consolation also abounds by Christ?” (2 Cor. 1:5.) And does he not say, “Our hope of you is steadfast, knowing, that as you are partakers of the sufferings, so shall you be also of the consolation?”
And does he not tell us to be mindful not to forget what the Lord says when He speaks to His people, that the lot of a child is to endure chastisement? He says, “My son, despise not the chastening of the Lord, nor faint when you are rebuked of Him; for whom the Lord loves He chastens, and scourges every son whom He receives. If you endure chastening, God deals with you as with sons; for what son is he whom the father chastens not? But if you be without chastisement,” (O solemn word! O how applicable to thousands!) “whereof all are partakers, then are you bastards, and not sons.”
To the reader…
Here you are addressed, you who walk a dark path and wonder why the Lord chastens you so. There is no joy in the sorrow itself, and you need not pretend there is. But let your conscience speak honestly for once: were your consolations not sweetest just after the heaviest trial, and did you not learn to know the love and the blood best in your need?
That is how God deals with His people. Chastening is no sign that He has rejected you, but the portion of a child. “Whom the Lord loveth He chasteneth.” Do not despise His chastening, then, and do not faint when you are rebuked by Him. He is dealing with you as a Father. And wait for His deliverance, for in it lies the joy; as the sufferings abound, so your consolation also will abound by Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque el Señor al que ama castiga, y azota a cualquiera que recibe por hijo.”
Hebreos 12:6
¿No dice Santiago: “Bienaventurado el varón que sufre la tentación”? ¿Y otra vez: “Tened por sumo gozo cuando cayereis en diversas tentaciones”? ¿Por qué? ¿Hay algún gozo en las pruebas, algún placer en el dolor? No, ninguno. Pero en la liberación que viene del Señor, en el poder de Dios desplegado para sacar al alma, allí hay gozo. Y por tanto, tenemos que andar por una senda oscura para que la luz sea preciosa a nuestros ojos; tenemos que pasar por pruebas para gustar la dulzura de las promesas cuando son aplicadas con poder; tenemos que soportar tentaciones para disfrutar la dulzura de la liberación. Y este es el camino, téngalo por cierto, por el cual Dios trata a Su pueblo.
¿Ha sido hecha honrada su conciencia? ¿Dice la verdad aquel monitor que hay en su pecho? Dígame lo que dice. ¿No dice: “Pocas pruebas, pocas consolaciones; pocos pesares, pocos gozos; pocas dificultades, pocos testimonios de Dios; pocos padecimientos, pocos descubrimientos de amor y de sangre”? ¿No dice el apóstol: “Porque de la manera que abundan en nosotros las aflicciones de Cristo, así abunda también por el mismo Cristo nuestra consolación”? (2 Corintios 1:5.) ¿Y no dice: “Y nuestra esperanza de vosotros es firme; estando ciertos que como sois compañeros de las aflicciones, así también lo sois de la consolación”?
¿Y no nos dice que tengamos cuidado de no olvidar lo que el Señor dice cuando habla a Su pueblo, que la suerte de un hijo es soportar castigo? Dice: “Hijo mío, no menosprecies el castigo del Señor, ni desmayes cuando eres de Él reprendido. Porque el Señor al que ama castiga, y azota a cualquiera que recibe por hijo. Si sufrís el castigo, Dios se os presenta como a hijos; porque ¿qué hijo es aquel a quien el padre no castiga? Mas si estáis fuera del castigo” (¡oh palabra solemne! ¡oh, cuán aplicable a millares!), “del cual todos han sido hechos participantes, luego sois bastardos, y no hijos.”
Al lector…
Aquí se le habla a usted, que anda por una senda oscura y se pregunta por qué el Señor le castiga así. En el dolor mismo no hay gozo, y no necesita fingir que lo hay. Pero deje que su conciencia hable honradamente por una vez: ¿no fueron sus consolaciones las más dulces justo después de la prueba más pesada, y no aprendió a conocer mejor el amor y la sangre en su necesidad?
Así trata Dios a Su pueblo. El castigo no es señal de que Él le haya rechazado, sino la porción de un hijo. “El Señor al que ama castiga.” No menosprecie, pues, Su castigo, ni desmaye cuando sea reprendido por Él. Él le está tratando como un Padre. Y espere Su liberación, porque en ella está el gozo; como abundan las aflicciones, así abundará también por Cristo su consolación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl