6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.
Johannes 14:23
Er zijn twee grote levenspunten die elke christen voor zijn ziel behoort te zoeken. Het eerste is: gelooft hij in Christus? Heeft de Heilige Geest Christus aan zijn ziel doen kennen? Heeft hij Jezus omvat in de armen van een levend geloof? Het tweede punt dat hij voor zijn ziel moet zoeken, is: woont hij in Christus? Dit kan hij weten zo hij een getuigenis heeft dat Christus in hem woont, en hij de vruchten voortbrengt die uit die inwoning voortvloeien.
Indien Christus in hem woont, zal zijn hart niet zijn gelijk de onderste molensteen; hij zal de wereld niet liefhebben en de dingen van de tijd en de zinnelijkheid; hij kan de afgoden niet beminnen en er gelukkig bij zijn, of die dingen doen die door goddeloze leraren zonder schroom en zonder wroeging worden verricht. Jezus in de ziel is een Gast Die Zich bekend zal maken; ja, zo Hij erin woont, is Hij er Koning. Hij is Heerser in Sion, en als Hij in het hart komt, komt Hij als Koning. Daarom, haar wettig Souverein zijnde, bestuurt Hij de vermogens der ziel en maakt haar gehoorzaam aan Zijn scepter; want: „Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht” (Psalm 110:3). „HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams” (Jesaja 26:13).
De Heer is groot, een heerlijk God,
een Koning, die het zaligst lot,
ver boven alle goön kan schenken!
Het diepst van ’s aardrijks ingewand,
het hoogst gebergt’ is in zijn hand:
’t Is al gehoorzaam op zijn wenken.
Ps. 95:2
Aan de lezer…
Hier worden u twee vragen voorgelegd voor uw eigen ziel: gelooft u in Christus, en woont Hij in u? Misschien schrikt u terug, omdat u zoveel liefde tot de wereld en de dingen van de tijd in uw hart bespeurt, en vreest u dat het nog als de onderste molensteen is. Sla die vraag niet over, maar breng haar eerlijk voor Hem.
Want waar Hij inwoont, daar is Hij geen stille Gast. Hij maakt Zich bekend, en Hij komt als Koning, Die de vermogens der ziel buigt onder Zijn scepter. Kunt u met het volk des Heeren zeggen: „Andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams”? Dan is dat zelf een teken van Zijn heirkracht in u. Hij heeft beloofd tot hen te komen die Hem liefhebben en woning bij hen te maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.
Johannes 14:23
Er zijn twee grote levensvragen die elke christen voor zijn ziel hoort te onderzoeken. De eerste is: gelooft hij in Christus? Heeft de Heilige Geest Christus aan zijn ziel bekendgemaakt? Heeft hij Jezus omvat met de armen van een levend geloof? De tweede vraag die hij voor zijn ziel moet onderzoeken, is: woont hij in Christus? Dat kan hij weten als hij een getuigenis heeft dat Christus in hem woont, en als hij de vruchten voortbrengt die uit die inwoning voortvloeien.
Als Christus in hem woont, zal zijn hart niet zijn als de onderste molensteen. Dan zal hij de wereld niet liefhebben, noch de dingen van de tijd en van de zinnen. Dan kan hij de afgoden niet beminnen en daar gelukkig bij zijn, of de dingen doen die goddeloze leraren zonder schroom en zonder wroeging doen. Jezus in de ziel is een Gast Die Zich bekend zal maken; ja, als Hij er woont, is Hij er Koning. Hij is Heerser in Sion, en als Hij in het hart komt, komt Hij als Koning.
Omdat Hij de wettige Vorst van de ziel is, bestuurt Hij daarom haar vermogens en maakt Hij haar gehoorzaam aan Zijn scepter. Want: „Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht” (Psalm 110:3). „HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams” (Jesaja 26:13).
De Heer is groot, een heerlijk God,
een Koning, die het zaligst lot,
ver boven alle goön kan schenken!
Het diepst van ’s aardrijks ingewand,
het hoogst gebergt’ is in zijn hand:
’t Is al gehoorzaam op zijn wenken.
Ps. 95:2
Aan de lezer…
Hier worden u twee vragen voorgelegd voor uw eigen ziel: gelooft u in Christus, en woont Hij in u? Misschien schrikt u terug, omdat u zoveel liefde voor de wereld en de dingen van de tijd in uw hart bespeurt, en vreest u dat het nog als de onderste molensteen is. Sla die vraag niet over, maar breng haar eerlijk bij Hem.
Want waar Hij woont, is Hij geen stille Gast. Hij maakt Zich bekend, en Hij komt als Koning, Die de vermogens van de ziel buigt onder Zijn scepter. Kunt u met het volk van de Heere zeggen: „Andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams”? Dan is dat zelf al een teken van Zijn heirkracht in u. Hij heeft beloofd te komen tot wie Hem liefhebben en bij hen woning te maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jesus answered and said unto him, If a man love me, he will keep my words: and my Father will love him, and we will come unto him, and make our abode with him.
John 14:23
There are two grand vital points that every Christian should seek to be established in. The first is—Is he a believer in Christ? Has the blessed Spirit made Christ known to his soul? Has he embraced Jesus in the arms of living faith? The second point which he should seek to have established in his soul is—Does he abide in Christ?
This he may know by having some testimony that Christ abides in him, and produces the fruits that flow out of this inward abiding. If Christ abides in him, his heart will not be like the nether mill-stone. He cannot rush greedily into sin; he will not love the world, and the things of time and sense; he cannot happily love idols, or do those things which ungodly professors do without one check or pang.
Jesus in the soul is a guest that will make Himself known; yes, abiding there, He is King therein. He is Ruler in Zion, and when He comes into the heart, He comes as King. Being, therefore, its rightful Sovereign, He sways the faculties of the soul, and makes it obedient to His scepter; for “Your people shall be willing in the day of Your power” (Psalm 110:3). “O Lord our God, other lords beside You have had dominion over us; but we worship You alone” (Isaiah 26:13).
To the reader…
Here two questions are set before you for your own soul: do you believe in Christ, and does He abide in you? Perhaps you shrink back, because you find so much love for the world and the things of time in your heart, and you fear that it is still like the nether mill-stone. Do not pass that question by, but bring it honestly to Him.
For where He abides, He is no silent Guest. He makes Himself known, and He comes as King, bending the faculties of the soul under His sceptre. Can you say with the people of the Lord: “Other lords beside Thee have had dominion over us: but by Thee only will we make mention of Thy name”? Then that in itself is already a sign of His power in you. He has promised to come to those who love Him and to make His abode with them.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Respondió Jesús, y díjole: El que me ama, mi palabra guardará; y mi Padre le amará, y vendremos a él, y haremos con él morada.
Juan 14:23
Hay dos grandes puntos vitales en los que todo cristiano debería procurar ser afirmado. El primero es: ¿Es él creyente en Cristo? ¿Le ha dado a conocer el bendito Espíritu a Cristo a su alma? ¿Ha abrazado a Jesús en los brazos de una fe viva? El segundo punto que debería procurar tener afirmado en su alma es: ¿Permanece él en Cristo?
Esto puede saberlo teniendo algún testimonio de que Cristo permanece en él y produce los frutos que brotan de esta permanencia interior. Si Cristo permanece en él, su corazón no será como la muela de abajo. No puede lanzarse ávidamente al pecado; no amará al mundo ni las cosas del tiempo y de los sentidos; no puede amar con gusto a los ídolos, ni hacer aquellas cosas que los profesantes impíos hacen sin un solo freno ni remordimiento.
Jesús en el alma es un huésped que Se dará a conocer; sí, morando allí, Él es Rey en ella. Él es Soberano en Sion, y cuando entra en el corazón, entra como Rey. Siendo, pues, su Soberano legítimo, gobierna las facultades del alma y la hace obediente a Su cetro; porque “Tu pueblo serálo de buena voluntad en el día de Tu poder” (Salmo 110:3). “Jehová Dios nuestro, señores se enseñorearon de nosotros fuera de Ti; mas en Ti solamente nos acordaremos de Tu nombre” (Isaías 26:13).
Al lector…
Aquí se le presentan dos preguntas para su propia alma: ¿cree usted en Cristo, y permanece Él en usted? Quizá usted retrocede, porque halla tanto amor al mundo y a las cosas del tiempo en su corazón, y teme que todavía sea como la muela de abajo. No pase por alto esa pregunta, sino llévela con sinceridad a Él.
Porque donde Él permanece, no es un Huésped silencioso. Se da a conocer, y viene como Rey, sometiendo las facultades del alma bajo Su cetro. ¿Puede usted decir con el pueblo del Señor: “Señores se enseñorearon de nosotros fuera de Ti; mas en Ti solamente nos acordaremos de Tu nombre”? Entonces eso mismo es ya una señal de Su poder en usted. Él ha prometido venir a los que Le aman y hacer con ellos morada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Gods liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid maken deel uit van de Naam Gods. Hij heeft dit getoond door Zijn eniggeboren Zoon te schenken. „Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft” (1 Joh. 3:16). Welnu, als we iets hebben geproefd, al is het maar een kleine hoeveelheid, van de liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid van God; als Zijn genegenheid ooit op onze ziel is gevallen, zoals dauw op een tak; als dit geheim van de Heere zich ooit op onze tabernakel heeft bevonden — dan kennen we dat deel van de Naam van de Heere, en als we die kennen, kunnen we ons vertrouwen erin stellen. We weten dat Hij betrouwbaar is, een steun voor de ziel die weet dat de liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid van God van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn (Ps. 103:17).
Een ander deel van Zijn Naam is Zijn oneindige en onnoembare wijsheid. Kan Hij Zich vergissen? Heeft Hij Zich ooit vergist? Heeft de Heere, ondanks alle moeilijkheid en verscheidenheid aan omstandigheden die de kinderen Gods hebben benauwd, ooit een verkeerde stap gezet? Hoewel Hij de natuur heeft verbijsterd, hoewel Hij de rede in de war heeft gebracht, hoewel Hij onze plannen op hun kop heeft gezet, hoewel Hij misschien datgene heeft gedaan wat wij het meest vreesden, en elke natuurlijke bedoeling en neiging van ons hart heeft gedwarsboomd — kunnen we zeggen dat Hij Zich heeft vergist? Dat Hij een fout heeft gemaakt? Dat Hij onverstandig heeft gehandeld? Dat Hij niet datgene heeft gedaan wat voor ons geestelijk welzijn is?
Klagend, opstandig, ongelovig hart, zwijg! Zal de mens, de dwaze mens, een aardse worm, een eendagsschepsel, zijn nietige stem verheffen en zeggen dat God een fout kan maken?
Lezen: Jesaja 41:1-14
Aan de lezer…
Hoe beproevend is het als de Heere uw plannen op hun kop zet, en misschien juist dat doet wat u het meest vreesde! Komt er dan een klagend, opstandig, ongelovig hart in u op dat fluistert dat Hij Zich vergist heeft? Wees eerlijk: zulke gedachten zijn ook in de kinderen Gods. Maar laat dat hart zwijgen voor Hem, want wie zijn wij, aardse wormen, eendagsschepselen, dat wij zouden zeggen dat God een fout kan maken?
Zijn wijsheid is oneindig, en Zijn liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid zijn van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hebt u daarvan ooit iets geproefd, al was het maar als dauw op een tak, dan kent u iets van Zijn Naam. Stel dan uw vertrouwen op Hem, ook waar u Zijn weg niet verstaat; Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, en Hij zal geen verkeerde stap zetten met u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Gods liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid maken deel uit van de Naam van God. Dat heeft Hij laten zien door Zijn eniggeboren Zoon te geven. „Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft” (1 Joh. 3:16). Welnu, als we iets hebben geproefd van de liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid van God, al is het maar een klein beetje; als Zijn genegenheid ooit op onze ziel is gevallen zoals dauw op een tak; als dit verborgen geheim van de Heere ooit over onze tent is geweest — dan kennen we dat deel van de Naam van de Heere. En als we die kennen, kunnen we er ons vertrouwen op stellen. We weten dat Hij betrouwbaar is, een steun voor de ziel die weet dat de liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid van God van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn (Ps. 103:17).
Een ander deel van Zijn Naam is Zijn oneindige en onuitsprekelijke wijsheid. Kan Hij Zich vergissen? Heeft Hij Zich ooit vergist? Heeft de Heere, bij alle moeite en verscheidenheid van omstandigheden die de kinderen van God benauwd hebben, ooit een verkeerde stap gezet? Hij heeft de natuur verbijsterd, de rede in verwarring gebracht en onze plannen op hun kop gezet. Misschien heeft Hij juist gedaan wat wij het meest vreesden, en elke natuurlijke bedoeling en neiging van ons hart gedwarsboomd. Maar kunnen we zeggen dat Hij Zich heeft vergist? Dat Hij een fout heeft gemaakt? Dat Hij onverstandig heeft gehandeld? Dat Hij niet heeft gedaan wat goed is voor ons geestelijk welzijn?
Klagend, opstandig, ongelovig hart, zwijg! Zal de mens, de dwaze mens, een aardse worm, een schepsel van één dag, zijn nietige stem verheffen en zeggen dat God een fout kan maken?
Lezen: Jesaja 41:1-14
Aan de lezer…
Hoe beproevend is het als de Heere uw plannen op hun kop zet, en misschien juist doet wat u het meest vreesde! Komt er dan een klagend, opstandig, ongelovig hart in u op dat fluistert dat Hij Zich vergist heeft? Wees eerlijk: zulke gedachten leven ook in de kinderen van God. Maar laat dat hart voor Hem zwijgen, want wie zijn wij, aardse wormen, schepselen van één dag, dat wij zouden zeggen dat God een fout kan maken?
Zijn wijsheid is oneindig, en Zijn liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid zijn van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hebt u daar ooit iets van geproefd, al was het maar als dauw op een tak, dan kent u iets van Zijn Naam. Stel dan uw vertrouwen op Hem, ook waar u Zijn weg niet begrijpt. Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, en Hij zal met u geen verkeerde stap zetten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
God’s lovingkindness and tender mercy are part of the Name of God. This He has shown by giving His only-begotten Son. “Hereby perceive we the love of God, because He laid down His life for us” (1 John 3:16). Now, if we have tasted anything of the lovingkindness and tender mercy of God, be it ever so little; if His favour has ever fallen upon our soul like dew upon the branch; if this secret of the Lord has ever been upon our tabernacle—then we know that part of the Name of the Lord. And if we know it, we can put our trust in it.
We know that He is faithful, a stay for the soul that knows that the lovingkindness and tender mercy of God are from everlasting to everlasting (Psalm 103:17).
Another part of His Name is His infinite and unspeakable wisdom. Can He err? Has He ever erred? Amid all the trouble and variety of circumstances that have distressed the children of God, has the Lord ever taken a wrong step? He has baffled nature, confounded reason and turned our plans upside down. Perhaps He has done the very thing we most dreaded, and crossed every natural purpose and inclination of our hearts. But can we say that He has erred? That He has made a mistake? That He has acted unwisely? That He has not done what is good for our spiritual welfare?
Murmuring, rebellious, unbelieving heart, be still! Shall man, foolish man, a worm of earth, a creature of a day, lift up his puny voice and say that God can make a mistake?
Reading: Isaiah 41:1-14
To the reader…
How trying it is when the Lord turns your plans upside down, and perhaps does the very thing you most dreaded! Does a murmuring, rebellious, unbelieving heart then rise up within you and whisper that He has made a mistake? Be honest: such thoughts live in the children of God too. But let that heart be still before Him, for who are we, worms of earth, creatures of a day, that we should say God can make a mistake?
His wisdom is infinite, and His lovingkindness and tender mercy are from everlasting to everlasting. If you have ever tasted anything of these, even if only like dew upon the branch, then you know something of His Name. Put your trust in Him, then, even where you do not understand His way. He gave His only-begotten Son, and He will not take a wrong step with you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
La misericordia y la tierna compasión de Dios forman parte del Nombre de Dios. Esto lo ha mostrado dando a Su Hijo unigénito. “En esto hemos conocido el amor de Dios, porque Él puso Su vida por nosotros” (1 Juan 3:16). Pues bien, si hemos gustado algo de la misericordia y la tierna compasión de Dios, por poco que sea; si Su favor ha caído alguna vez sobre nuestra alma como el rocío sobre la rama; si este secreto del Señor ha estado alguna vez sobre nuestra tienda, entonces conocemos esa parte del Nombre del Señor. Y si la conocemos, podemos poner nuestra confianza en ella.
Sabemos que Él es fiel, un apoyo para el alma que sabe que la misericordia y la tierna compasión de Dios son desde el siglo y hasta el siglo (Salmo 103:17).
Otra parte de Su Nombre es Su infinita e indecible sabiduría. ¿Puede Él errar? ¿Ha errado alguna vez? En medio de toda la angustia y variedad de circunstancias que han afligido a los hijos de Dios, ¿ha dado alguna vez el Señor un paso equivocado? Ha desconcertado a la naturaleza, confundido a la razón y trastornado nuestros planes. Quizá ha hecho precisamente lo que más temíamos, y ha contrariado todo propósito e inclinación natural de nuestro corazón. Pero ¿podemos decir que ha errado? ¿Que se ha equivocado? ¿Que ha obrado sin sabiduría? ¿Que no ha hecho lo que es bueno para nuestro bien espiritual?
¡Corazón murmurador, rebelde e incrédulo, calla! ¿Alzará el hombre, el hombre necio, un gusano de la tierra, una criatura de un día, su débil voz para decir que Dios puede equivocarse?
Lectura: Isaías 41:1-14
Al lector…
¡Qué difícil es cuando el Señor trastorna sus planes, y quizá hace precisamente lo que usted más temía! ¿Se levanta entonces dentro de usted un corazón murmurador, rebelde e incrédulo que le susurra que Él se ha equivocado? Sea sincero: tales pensamientos viven también en los hijos de Dios. Pero calle ese corazón delante de Él, porque ¿quiénes somos nosotros, gusanos de la tierra, criaturas de un día, para decir que Dios puede equivocarse?
Su sabiduría es infinita, y Su misericordia y tierna compasión son desde el siglo y hasta el siglo. Si alguna vez ha gustado algo de ellas, aunque sea solo como el rocío sobre la rama, entonces conoce algo de Su Nombre. Ponga, pues, su confianza en Él, aun donde no entiende Su camino. Él dio a Su Hijo unigénito, y no dará un paso equivocado con usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen.
Prediker 3:4
Weent een mens slechts eenmaal in zijn leven? Loopt niet de tijd van wenen min of meer door het leven van een christen heen? Gaat niet het treuren evenwijdig aan zijn bestaan in deze aardse tabernakel? Want een mens is tot moeite geboren, gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen. Dan is er een tijd om te doden en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen; en deze moeten parallel lopen met eens christens leven, evenzeer als een tijd om te wenen en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen en een tijd om op te springen.
Levende zielen zullen vele tijden van wenen kennen; zij zullen dikwijls te zuchten en te kermen hebben over hun ellendige harten, en te treuren met tranen van Goddelijke droefheid over hun afkeringen van God; te wenen hebben over hun verbroken afgoden, over hun verwelkte hoop en vervlogen verwachtingen; ook te wenen dat zij door hun ongehoorzaamheid, vleselijkheid en wereldgelijkvormigheid de Geest van God zo bedroefd hebben. Zij smelten wel eens van berouw aan de voeten van een stervende Middelaar, en worden wel eens enigermate geleid in het pad hetwelk Jezus bewandeld heeft als een Man van smarten en verzocht in krankheid. Zij krijgen wel de afval te betreuren van vrienden die in hun oog veel geschikter waren voor het Koninkrijk Gods dan zijzelf; zij wenen menigmaal wanneer de wrede pijlen van laster door belijders op hen worden afgeschoten. Ook treuren zij over de lage stand van Sion: hoe weinigen er zijn die waarlijk de Heere dienen met aangenaamheid en Goddelijke vrees, en die de leer in alle dingen versieren.
Maar boven alles zullen zij te wenen hebben over de inwendige ijdelheden van hun verdorven natuur; te wenen dat zij die God, Die zij wensen te beminnen en te aanbidden, op zulk een belediging onthaald hebben; dat zij die Zaligmaker, Die hen kroont met goedertierenheid en barmhartigheden, zo aan Zijn plaats kunnen laten, en dat zij Hem hun rug hebben toegekeerd; en daarbij, dat zij zo weinig in gedachten hebben gehouden de lering en onderwijzing hun door de Heilige Geest medegedeeld. Er is voor Gods kinderen menige wenenstijd, en zo er een gemoedsgesteldheid in de bevinding der ziel is waarnaar meer dan naar een andere verlangd wordt, dan is het te mogen wenen aan Jezus’ voeten.
Wij hebben twee voorbeelden waar de Heere Zichzelf kwam openbaren aan wenenden. De ene was de vrouw die een zondares was, die achter Hem stond en Zijn voeten met tranen nat maakte; de andere was Maria Magdalena, die buiten bij het graf stond, wenende. O, hoe verschilt het wenen van een gekastijde geest van een kind van God van de verharde, dorre vermetelheid van een hoogmoedige belijder! Hoe verschillen de gewaarwordingen van een kind des Heeren dat verbroken van hart is, van de lichtzinnigheid, de ijdelheid, de ledigheid en de wereldgezindheid van honderden die in een belijdenis van godsdienst leven! Hoezeer onderscheiden is een treurende heilige, die in een eenzame hoek zijn afwijkingen betreurt, van een zorgeloze belijder, die zichzelf in elk opzicht rechtvaardigt, die de zonde maar licht acht, en die, hoe lichtzinnig hij ook handelt, nooit zijn consciëntie daardoor gewond gevoelt. „Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden.”
Aan de lezer…
Kent u dat? Uw leven schijnt meer een tijd van wenen dan een tijd van lachen. Treurt u over uw ellendig hart, over verwelkte hoop en vervlogen verwachtingen, en bovenal hierover dat u de Geest van God zo bedroefd en de Zaligmaker uw rug toegekeerd hebt? Schaam u niet voor die tranen voor Zijn aangezicht. Zij zijn heel iets anders dan de verharde, dorre vermetelheid van wie de zonde maar licht acht.
Denk aan de vrouw die een zondares was, en aan Maria Magdalena bij het graf: aan wenenden kwam de Heere Zichzelf openbaren. Ween dan, als het moet, maar ween aan Jezus’ voeten, in die eenzame hoek waar niemand u ziet dan Hij. Hij heeft gezegd: „Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden”, en ook voor u zal de tijd om te lachen komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen.
Prediker 3:4
Weent een mens maar één keer in zijn leven? Loopt de tijd van wenen niet min of meer door het hele leven van een christen heen? Gaat het treuren niet gelijk op met zijn bestaan in deze aardse tabernakel? Want een mens is tot moeite geboren, zoals de vonken van vurige kolen omhoog vliegen. Er is een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. Deze moeten gelijk oplopen met het leven van een christen, net zo goed als een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te kermen en een tijd om op te springen.
Levende zielen zullen vele tijden van wenen kennen. Zij zullen vaak moeten zuchten en kermen over hun ellendige hart en met tranen van goddelijke droefheid treuren over hun afkeren van God. Zij zullen moeten wenen over hun verbroken afgoden, over hun verwelkte hoop en vervlogen verwachtingen, en ook omdat zij door hun ongehoorzaamheid, vleselijkheid en gelijkvormigheid aan de wereld de Geest van God zo bedroefd hebben. Soms smelten zij van berouw aan de voeten van een stervende Middelaar, en worden zij enigszins geleid op het pad dat Jezus gegaan is als een Man van smarten en verzocht in krankheid. Zij moeten soms de afval betreuren van vrienden die in hun ogen veel geschikter waren voor het Koninkrijk van God dan zijzelf; zij wenen menigmaal wanneer belijders de wrede pijlen van laster op hen afschieten. Ook treuren zij over de lage stand van Sion: hoe weinigen er zijn die de Heere werkelijk dienen met aangenaamheid en goddelijke vrees, en die de leer in alle dingen versieren.
Maar boven alles zullen zij moeten wenen over de inwendige ijdelheden van hun verdorven natuur. Zij wenen dat zij de God Die zij wensen te beminnen en te aanbidden zo beledigd hebben; dat zij de Zaligmaker, Die hen kroont met goedertierenheid en barmhartigheden, zo links kunnen laten liggen en Hem hun rug hebben toegekeerd; en bovendien dat zij zo weinig gedacht hebben aan de lering en het onderwijs die de Heilige Geest hun heeft meegedeeld. Gods kinderen kennen menige tijd van wenen. En als er in de bevinding van de ziel één gemoedsgesteldheid is waarnaar meer verlangd wordt dan naar een andere, dan is het te mogen wenen aan Jezus’ voeten.
Wij hebben twee voorbeelden waarin de Heere Zich kwam openbaren aan wenenden. Het ene was de vrouw die een zondares was, die achter Hem stond en Zijn voeten met tranen nat maakte; het andere was Maria Magdalena, die buiten bij het graf stond te wenen. O, wat verschilt het wenen van de gekastijde geest van een kind van God van de verharde, dorre vermetelheid van een hoogmoedige belijder! Wat verschillen de gevoelens van een kind van de Heere dat verbroken van hart is van de lichtzinnigheid, de ijdelheid, de leegheid en de wereldsgezindheid van honderden die in een belijdenis van godsdienst leven! Hoe verschillend is een treurende heilige, die in een eenzame hoek zijn afwijkingen betreurt, van een zorgeloze belijder, die zichzelf in alles rechtvaardigt, de zonde maar licht acht en, hoe lichtzinnig hij ook handelt, nooit voelt dat zijn geweten daardoor gewond wordt. „Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden.”
Aan de lezer…
Kent u dat? Uw leven lijkt meer een tijd van wenen dan een tijd van lachen. Treurt u over uw ellendig hart, over verwelkte hoop en vervlogen verwachtingen, en bovenal hierover dat u de Geest van God zo bedroefd en de Zaligmaker uw rug toegekeerd hebt? Schaam u niet voor die tranen voor Zijn aangezicht. Zij zijn iets heel anders dan de verharde, dorre vermetelheid van wie de zonde maar licht acht.
Denk aan de vrouw die een zondares was, en aan Maria Magdalena bij het graf: aan wenenden kwam de Heere Zich openbaren. Ween dan, als het moet, maar ween aan Jezus’ voeten, in die eenzame hoek waar niemand u ziet dan Hij. Hij heeft gezegd: „Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden”, en ook voor u zal de tijd om te lachen komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A time to weep.”
Ecclesiastes 3:4
Does a man only WEEP once in his life? Does not the time of weeping run, more or less, through a Christian’s whole life? Does not mourning run parallel with his existence in this tabernacle of clay? for “man is born to trouble as the sparks fly upwards.” Then “a time to kill, and a time to heal; a time to break down, and a time to build up” must run parallel with a Christian’s life, just as much as “a time to weep, and a time to laugh; a time to mourn, and a time to dance.”
Living souls will know many times to weep; they will have often to sigh and cry over their base hearts; to mourn with tears of godly sorrow their backslidings from God; to weep over their broken idols, faded hopes, and marred prospects; to weep at having so grieved the Spirit of God by their disobedience, carnality, and worldliness; to be melted into contrition at the feet of a dying Lord, so as in some measure to be led into the path in which Jesus walked as “a man of sorrows, and acquainted with grief.” They will have to bewail the falling off of those friends whom once they looked upon as bidding fairer for the kingdom of God than themselves; to weep at the cruel arrows of calumny which are shot against them by professors; to mourn over the low state of Zion, how few there are who really serve the Lord acceptably with reverence and godly fear, and adorn the doctrine in all things.
But above all things will they have to weep over the inward idolatries of their filthy nature; to weep that they ever should have treated with such insult that God Whom they desire to love and adore; that they should so neglect and turn their backs upon that Savior Who crowns them with loving-kindness and tender mercies; and that they bear so little in mind the instruction that has been communicated to them by the Holy Spirit.
There is many a weeping time for God’s children; and if there be one frame of mind in soul experience more to be coveted than another, it is to be weeping at Jesus’ feet. We have two sweet instances of the Lord’s manifesting Himself to those who were weeping—one to “the woman who was an immoral sinner,” who stood behind Him, and washed His feet with her tears; the other was to Mary Magdalene, who “stood outside the sepulcher weeping.”
Oh, how different is the weeping, chastened spirit of a living soul from the hardened, seared presumption of a proud professor! How different are the feelings of a broken-hearted child of God from the lightness, the frivolity, the emptiness, and the worldliness of hundreds who stand in a profession of religion! How different is a mourning saint, weeping in his solitary corner over his base backslidings, from a reckless professor who justifies himself in every action, who thinks sin a light thing, and who, however inconsistently he acts, never feels conscience wounded thereby! “Blessed are they who mourn, for they shall be comforted.”
To the reader…
Do you know this? Your life seems more a time to weep than a time to laugh. Do you mourn over your wretched heart, over faded hopes and lost expectations, and above all that you have so grieved the Spirit of God and turned your back on the Savior? Do not be ashamed of those tears before His face. They are something quite different from the hardened, seared presumption of those who think sin a light thing.
Think of the woman who was a sinner, and of Mary Magdalene at the tomb: it was to those who wept that the Lord came to reveal Himself. Weep, then, if you must, but weep at Jesus’ feet, in that solitary corner where no one sees you but He. He has said, “Blessed are they that mourn: for they shall be comforted,” and for you too the time to laugh will come.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tiempo de llorar.
Eclesiastés 3:4
¿Llora un hombre solo una vez en su vida? ¿No recorre el tiempo de llorar, más o menos, toda la vida de un cristiano? ¿No corre el duelo paralelo a su existencia en este tabernáculo de barro? Porque “el hombre nace para la aflicción, como las centellas se levantan para volar por el aire”. Entonces, “tiempo de matar, y tiempo de curar; tiempo de destruir, y tiempo de edificar” han de correr paralelos a la vida de un cristiano, tanto como “tiempo de llorar, y tiempo de reír; tiempo de endechar, y tiempo de bailar”.
Las almas vivientes conocerán muchos tiempos de llorar; a menudo tendrán que suspirar y clamar por su corazón bajo; que llorar con lágrimas de tristeza según Dios sus rebeliones contra Dios; que llorar por sus ídolos quebrados, sus esperanzas marchitas y sus perspectivas arruinadas; que llorar por haber contristado tanto al Espíritu de Dios con su desobediencia, carnalidad y mundanalidad; que ser derretidos en contrición a los pies de un Señor que muere, de modo que en alguna medida sean conducidos por la senda en que Jesús anduvo como “varón de dolores, experimentado en quebranto”. Tendrán que lamentar el apartamiento de aquellos amigos a quienes una vez consideraron con mejores perspectivas para el reino de Dios que ellos mismos; llorar por las crueles flechas de la calumnia que los profesantes disparan contra ellos; lamentar el bajo estado de Sión, cuán pocos hay que de veras sirvan al Señor agradablemente con reverencia y piadoso temor, y adornen la doctrina en todo.
Pero, sobre todo, tendrán que llorar por las idolatrías interiores de su naturaleza inmunda; llorar por haber tratado alguna vez con tal afrenta a aquel Dios a quien desean amar y adorar; por descuidar tanto y volver la espalda a aquel Salvador que los corona de favores y misericordias; y por tener tan poco presente la instrucción que les ha sido comunicada por el Espíritu Santo.
Hay muchos tiempos de llanto para los hijos de Dios; y si hay en la experiencia del alma un estado de ánimo más deseable que otro, es el de estar llorando a los pies de Jesús. Tenemos dos dulces ejemplos de que el Señor se manifestó a quienes lloraban: uno a “la mujer que era pecadora”, que estuvo detrás de Él y lavó Sus pies con sus lágrimas; el otro a María Magdalena, que “estaba fuera llorando junto al sepulcro”.
¡Oh, cuán diferente es el espíritu lloroso y castigado de un alma viviente de la presunción endurecida y cauterizada de un profesante orgulloso! ¡Cuán diferentes son los sentimientos de un hijo de Dios con el corazón quebrantado de la ligereza, la frivolidad, el vacío y la mundanalidad de cientos que están en una profesión de religión! ¡Cuán diferente es un santo que llora en su rincón solitario por sus bajas rebeliones de un profesante temerario que se justifica en cada acción, que tiene el pecado por cosa ligera, y que, por inconsecuente que sea su conducta, nunca siente herida su conciencia por ello! “Bienaventurados los que lloran, porque ellos recibirán consolación.”
Al lector…
¿Conoce usted esto? Su vida parece más un tiempo de llorar que un tiempo de reír. ¿Se lamenta por su corazón miserable, por esperanzas marchitas y expectativas perdidas, y sobre todo por haber contristado tanto al Espíritu de Dios y haber vuelto la espalda al Salvador? No se avergüence de esas lágrimas delante de Su rostro. Son algo muy distinto de la presunción endurecida y cauterizada de quienes tienen el pecado por cosa ligera.
Piense en la mujer que era pecadora, y en María Magdalena junto al sepulcro: fue a quienes lloraban a quienes el Señor vino a revelarse. Llore, pues, si debe llorar, pero llore a los pies de Jesús, en ese rincón solitario donde nadie le ve sino Él. Él ha dicho: “Bienaventurados los que lloran, porque ellos recibirán consolación”, y también para usted llegará el tiempo de reír.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl