vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe.
Jeremia 32:41
God verheugt Zich evenzeer in het behouden van uw ziel, als gij u verheugen kunt in haar behouden te zien. Wat zeg ik: „evenzeer”? Zijn vreugde is oneindig, de uwe eindig; Zijn vreugde is goddelijke vreugde, de uwe slechts menselijke vreugde. Gelooft gij dat God Zich verheugt, een welbehagen heeft in het behouden? Waarom anders zou Hij dan Zijn lieve Zoon hebben gegeven? Verheugen de engelen zich over berouwhebbende zondaars? Is er dan ook geen vreugde in Gods hart om een zondaar te behouden?
Hoe trekt dit ons als het ware op in het rijk der zaligheid, en openbaart het ons het wondervolle karakter van God in Zijn Drie-eenheid van Personen en Eenheid van Wezen, dat er blijdschap is in de behoudenis der Gemeente, zodat God Zelf, om zo te spreken, vervuld is van eeuwige vreugde in het behoud van Zijn volk! Toen Zijn geliefde Zoon Zich als een Offer voor de zonde aanbood, en aldus de overtredingen en ongerechtigheden der Gemeente wegdeed door Zijn eigen bloedstorting en dood, dood en hel overwon en ons in Zijn bloed afwies van alle onreinheid en schuld en schande, verheugde God Zich, om zo te zeggen, met een oneindige vreugde in de volbrenging van het werk door Zijn geliefde Zoon. Het was de vervulling van Zijn eeuwig plan van wijsheid en genade. Het was de openbaring Zijner heerlijkheid aan mensen en engelen.
Het was de zegepraal van het goede over het kwade; van de heiligheid over de zonde; van de barmhartigheid over het oordeel; van de liefde over de vijandschap; van de wijsheid over de list; van de raad Gods over de beraadslagingen der mensen, en bovenal van de Zoon van God in Zijn zwakheid over de satan in zijn macht. Het was het bevolken van de hemel met een talloze schare van heiligen, wier eeuwige lofliederen moesten gezongen worden ter ere van God en het Lam. Aldus kunnen wij zien hoe de God des hemels Zich nu nog verheugt met een heilige vreugde over een ieder die Hij brengt tot het genot van zulk een vrije, grote en heerlijke zaligheid.
Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,
in eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
en zingen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwin’bre krachten.
Psalm 79:7
Aan de lezer…
Hoe dikwijls meent u dat God u slechts met tegenzin zou aannemen, als een last die Hij nu eenmaal moet dragen! Hoort dan wat Hij Zelf zegt: „Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe.” Zijn vreugde in het behouden van een zondaar is groter dan uw vreugde ooit kan zijn in het behouden worden. Waarom anders zou Hij Zijn lieve Zoon hebben gegeven?
Zie dan naar het kruis, waar Zijn geliefde Zoon Zich als een Offer aanbood en de Zoon in Zijn zwakheid zegepraalde over de satan in zijn macht. Daar verheugde God Zich in de volbrenging van het werk. Bent u een arme zondaar, die niets meebrengt dan schuld en schande, twijfel dan niet aan Zijn welbehagen. Over een ieder die Hij tot het genot van deze vrije zaligheid brengt, verheugt Hij Zich nog altijd met een heilige vreugde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe.
Jeremia 32:41
God verheugt Zich er evenzeer in uw ziel te behouden als u zich kunt verheugen wanneer u haar behouden ziet. Wat zeg ik: „evenzeer”? Zijn vreugde is oneindig, de uwe eindig. Zijn vreugde is goddelijke vreugde, de uwe slechts menselijke vreugde. Gelooft u dat God Zich verheugt en een welbehagen heeft in het behouden? Waarom zou Hij anders Zijn lieve Zoon hebben gegeven? Verheugen de engelen zich over berouwvolle zondaars? Is er dan ook geen vreugde in Gods hart wanneer Hij een zondaar behoudt?
Hoe trekt dit ons als het ware omhoog in het rijk van de zaligheid! Hoe openbaart het ons het wonderlijke karakter van God in Zijn Drie-eenheid van Personen en Eenheid van Wezen, dat er blijdschap is in de behoudenis van de Gemeente, zodat God Zelf, om zo te spreken, vervuld is van eeuwige vreugde over het behoud van Zijn volk! Zijn geliefde Zoon bood Zich aan als een Offer voor de zonde. Zo deed Hij de overtredingen en ongerechtigheden van de Gemeente weg door Zijn eigen bloedstorting en dood, overwon Hij dood en hel en wies Hij ons in Zijn bloed af van alle onreinheid, schuld en schande. Toen verheugde God Zich, om zo te zeggen, met een oneindige vreugde over de volbrenging van het werk door Zijn geliefde Zoon. Het was de vervulling van Zijn eeuwige plan van wijsheid en genade. Het was de openbaring van Zijn heerlijkheid aan mensen en engelen.
Het was de zegepraal van het goede over het kwade, van de heiligheid over de zonde, van de barmhartigheid over het oordeel, van de liefde over de vijandschap, van de wijsheid over de list, van de raad van God over de beraadslagingen van de mensen, en bovenal van de Zoon van God in Zijn zwakheid over de satan in zijn macht. Het was het bevolken van de hemel met een talloze schare heiligen, van wie de eeuwige lofliederen gezongen zouden worden ter ere van God en het Lam. Zo kunnen we zien hoe de God van de hemel Zich nu nog met een heilige vreugde verheugt over ieder die Hij brengt tot het genieten van zo’n vrije, grote en heerlijke zaligheid.
Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,
in eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
en zingen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwin’bre krachten.
Psalm 79:7
Aan de lezer…
Hoe vaak denkt u dat God u maar met tegenzin zou aannemen, als een last die Hij nu eenmaal moet dragen! Hoor dan wat Hij Zelf zegt: „Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe.” Zijn vreugde in het behouden van een zondaar is groter dan uw vreugde ooit kan zijn over uw eigen behoud. Waarom zou Hij anders Zijn lieve Zoon hebben gegeven?
Zie dan naar het kruis, waar Zijn geliefde Zoon Zich als een Offer aanbood en waar de Zoon in Zijn zwakheid zegevierde over de satan in zijn macht. Daar verheugde God Zich over de volbrenging van het werk. Bent u een arme zondaar die niets meebrengt dan schuld en schande, twijfel dan niet aan Zijn welbehagen. Over ieder die Hij tot het genieten van deze vrije zaligheid brengt, verheugt Hij Zich nog altijd met een heilige vreugde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Yea, I will rejoice over them to do them good.
Jeremiah 32:41
God rejoices as much in saving your soul as you can rejoice in your soul being saved. Say I “as much?” His joy is infinite, and yours is finite; His the joy of God, and yours but the joy of man. Do you believe that God rejoices to save, delights in saving? Why else would He have given His dear Son? Do the angels rejoice over repenting sinners? Is there no joy then in the bosom of God to save a sinner too? How this takes us up, as it were, into the very realms of bliss, and reveals to us the wondrous character of God in His Trinity of Persons and Unity of essence, that there is a rejoicing in the salvation of the Church, so that God Himself, so to speak, is filled with eternal joy in the salvation of His people.
When His dear Son offered Himself as a sacrifice for sin, and thus put away the transgressions and iniquities of the Church by His own blood-shedding and death, overcame death and hell, and washed us in His blood from all our filth and guilt and shame, God, so to speak, rejoiced with infinite joy in the completion of the work of His dear Son. It was the fulfillment of His eternal purposes of wisdom and grace. It was the manifestation of His glory to men and angels.
It was the triumph of good over evil, of holiness over sin, of mercy over judgment, of love over enmity, of wisdom over deceit, of the counsels of God over the devices of man, and, above all, of the Son of God in His weakness over Satan in his might. It was peopling heaven with an innumerable multitude of saints by whom eternal anthems of praise should be sung to God and the Lamb. Thus we may see how the God of heaven even now rejoices with holy joy over every one whom He brings to the enjoyment of a salvation so free, so great, so glorious.
To the reader…
How often you think that God would receive you only reluctantly, as a burden He simply has to bear! Then hear what He Himself says: “Yea, I will rejoice over them to do them good.” His joy in saving a sinner is greater than your joy over your own salvation could ever be. Why else would He have given His dear Son?
Look, then, to the cross, where His beloved Son offered Himself as a Sacrifice, and where the Son in His weakness triumphed over Satan in his might. There God rejoiced in the completion of the work. If you are a poor sinner who brings nothing but guilt and shame, do not doubt His good pleasure. Over everyone He brings to the enjoyment of this free salvation, He still rejoices with a holy joy.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y alegraréme con ellos haciéndoles bien.
Jeremías 32:41
Dios se alegra tanto en salvar su alma como usted pueda alegrarse de que su alma sea salva. ¿Digo “tanto”? Su gozo es infinito, y el suyo es finito; el de Él es el gozo de Dios, y el suyo no es más que el gozo de un hombre. ¿Cree usted que Dios se alegra en salvar, que se deleita en salvar? ¿Por qué otra razón habría dado a Su amado Hijo? ¿Se alegran los ángeles por los pecadores que se arrepienten? ¿No habrá, pues, gozo también en el seno de Dios por salvar a un pecador? ¡Cómo nos eleva esto, por así decirlo, a las mismas regiones de la dicha, y nos revela el maravilloso carácter de Dios en Su Trinidad de Personas y Unidad de esencia: que hay regocijo en la salvación de la Iglesia, de modo que Dios mismo, por así decirlo, está lleno de gozo eterno en la salvación de Su pueblo!
Cuando Su amado Hijo se ofreció a Sí mismo como sacrificio por el pecado, y así quitó las transgresiones e iniquidades de la Iglesia por Su propio derramamiento de sangre y Su muerte, venció la muerte y el infierno, y nos lavó en Su sangre de toda nuestra inmundicia, culpa y vergüenza, Dios, por así decirlo, se regocijó con gozo infinito en la consumación de la obra de Su amado Hijo. Fue el cumplimiento de Sus propósitos eternos de sabiduría y de gracia. Fue la manifestación de Su gloria a los hombres y a los ángeles.
Fue el triunfo del bien sobre el mal, de la santidad sobre el pecado, de la misericordia sobre el juicio, del amor sobre la enemistad, de la sabiduría sobre el engaño, de los consejos de Dios sobre las maquinaciones del hombre, y, sobre todo, del Hijo de Dios en Su debilidad sobre Satanás en su poder. Fue poblar el cielo con una multitud innumerable de santos, por los cuales se cantarían eternos himnos de alabanza a Dios y al Cordero. Así podemos ver cómo el Dios del cielo se regocija aun ahora con santo gozo por cada uno a quien trae al disfrute de una salvación tan gratuita, tan grande, tan gloriosa.
Al lector…
¡Cuántas veces piensa usted que Dios le recibiría solo de mala gana, como una carga que simplemente tiene que soportar! Escuche entonces lo que Él mismo dice: “Y alegraréme con ellos haciéndoles bien”. Su gozo al salvar a un pecador es mayor de lo que jamás podría ser el gozo de usted por su propia salvación. ¿Por qué otra razón habría dado a Su amado Hijo?
Mire, pues, a la cruz, donde Su amado Hijo se ofreció a Sí mismo como Sacrificio, y donde el Hijo en Su debilidad triunfó sobre Satanás en su poder. Allí se regocijó Dios en la consumación de la obra. Si usted es un pobre pecador que no trae otra cosa que culpa y vergüenza, no dude de Su buena voluntad. Por cada uno a quien trae al disfrute de esta salvación gratuita, Él se regocija todavía con santo gozo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
Deuteronomium 32:10
Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. Deze uitdrukking wordt meer dan eens in de Heilige Schrift gebruikt om de bijzondere tederheid van God aan te duiden bij het bewaren van Zijn kinderen. De oogappel is de zachtste plek van het hele lichaam, voor zover die toegankelijk is voor uiterlijk geweld. Zoals iemand dus koste wat kost dit belangrijke en gevoelige orgaan bewaakt, zo wordt gezegd dat God Zijn kinderen bewaakt en bewaart als Zijn eigen oogappel.
Maar sommigen zeggen wellicht: „Worden Gods kinderen altijd bewaard? Maken ze nooit een misstap? Maken ze zich nooit schuldig aan het vervallen in oude fouten? Dwalen ze nooit, op geen enkel punt? Worden ze altijd van zonde en dwaasheid afgehouden? Worden ze altijd voor het kleinste smetje kwaad behoed? Wie kan dit zeggen, als Bijbelteksten hem in het oog springen met uitspraken als: ‘Wij struikelen allen in vele’ (Jak. 3:2); ‘Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf’ (1 Joh. 1:8); ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik’ (Rom. 7:19)? Wie kan dit zeggen in weerwil van alle misstappen en struikelingen van de heiligen die in het Woord van God zijn vastgelegd, zoals van Abraham, Lot, Mozes, Aäron, David, Salomo, Hizkia en Petrus, op al wier namen een smet rust?”
En toch, ondanks alles, bewaart de Heere hen als Zijn oogappel. Er zijn bepaalde rotsen en zandbanken waarvoor de hemelse Roerganger het schip van de ziel altijd bewaart. Zo behoedt Hij hen er bijvoorbeeld voor dat het geloof schipbreuk lijdt (1 Tim. 1:19); voor het drinken van giftige teugen dwaling; voor de zonde tot de dood; voor aanmatiging en geloofsverzaking; voor wanhoop, goddeloosheid en onboetvaardigheid; voor vijandschap tegenover Zijn waarheid, doel en kinderen; voor het maken van een verbond met de dood en een overeenkomst met de hel; voor het versmaden van zielsbevinding; en voor het verwoesten van de goede naam van de beproefde heiligen en dienaren van God.
Lezen: Psalm 17
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u met schaamte terugdenkt aan uw struikelingen. Hebt u misstappen gedaan, bent u in oude fouten vervallen, en vraagt u zich af hoe zo iemand ooit een kind van God kan zijn, bewaard als Zijn oogappel? Zie dan naar Abraham, Mozes, David en Petrus, op wier namen ook een smet rust. Wij struikelen allen in vele, en wie zegt geen zonde te hebben, verleidt zichzelf.
Maar laat die eerlijke erkenning u niet in wanhoop drijven. De hemelse Roerganger houdt het schip van uw ziel van de rotsen af waarop het zou vergaan: Hij bewaart het geloof voor schipbreuk, en u voor wanhoop en onboetvaardigheid. Zoals iemand zijn oogappel teder en koste wat kost bewaakt, zo bewaakt Hij de Zijnen. Bent u dan verslagen over uw zonden, vlucht met uw schuld tot Hem; Hij laat Zijn oogappel niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
Deuteronomium 32:10
Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. Deze uitdrukking wordt meer dan eens in de Heilige Schrift gebruikt om de bijzondere tederheid aan te duiden waarmee God Zijn kinderen bewaart. De oogappel is het teerste deel van het hele lichaam, voor zover het blootstaat aan geweld van buitenaf. Zoals iemand dit belangrijke en gevoelige orgaan dus koste wat kost beschermt, zo wordt van God gezegd dat Hij Zijn kinderen beschermt en bewaart als Zijn eigen oogappel.
Maar sommigen zeggen misschien: „Worden Gods kinderen altijd bewaard? Maken ze nooit een misstap? Maken ze zich nooit schuldig aan het vervallen in oude fouten? Dwalen ze nooit, op geen enkel punt? Worden ze altijd van zonde en dwaasheid afgehouden? Worden ze altijd voor het kleinste smetje kwaad behoed? Wie kan dit zeggen, als Bijbelteksten hem in het oog springen met uitspraken als: ‘Wij struikelen allen in vele’ (Jak. 3:2); ‘Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf’ (1 Joh. 1:8); ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik’ (Rom. 7:19)? Wie kan dit zeggen in weerwil van alle misstappen en struikelingen van de heiligen die in het Woord van God zijn vastgelegd, zoals van Abraham, Lot, Mozes, Aäron, David, Salomo, Hizkia en Petrus, op al wier namen een smet rust?”
En toch bewaart de Heere hen, ondanks dat alles, als Zijn oogappel. Er zijn bepaalde rotsen en zandbanken waarvoor de hemelse Stuurman het schip van de ziel altijd bewaart. Zo bewaart Hij hen er bijvoorbeeld voor dat hun geloof schipbreuk lijdt (1 Tim. 1:19); voor het drinken van giftige teugen dwaling; voor de zonde tot de dood; voor vermetelheid en afval; voor wanhoop, goddeloosheid en onboetvaardigheid; voor vijandschap tegen Zijn waarheid, Zijn zaak en Zijn kinderen; voor het sluiten van een verbond met de dood en een verdrag met de hel; voor het verachten van bevindelijke godsdienst; en voor het belasteren van de goede naam van de beproefde heiligen en dienaren van God.
Lezen: Psalm 17
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u met schaamte terugdenkt aan uw struikelingen. Hebt u misstappen gedaan, bent u in oude fouten vervallen, en vraagt u zich af hoe zo iemand ooit een kind van God kan zijn, bewaard als Zijn oogappel? Kijk dan naar Abraham, Mozes, David en Petrus, op wier namen ook een smet rust. Wij struikelen allen in vele, en wie zegt geen zonde te hebben, verleidt zichzelf.
Maar laat die eerlijke erkenning u niet in wanhoop drijven. De hemelse Stuurman houdt het schip van uw ziel weg van de rotsen waarop het zou vergaan: Hij bewaart uw geloof voor schipbreuk, en u voor wanhoop en onboetvaardigheid. Zoals iemand zijn oogappel teder en koste wat kost beschermt, zo beschermt Hij de Zijnen. Bent u dan verslagen over uw zonden, vlucht met uw schuld tot Hem; Hij laat Zijn oogappel niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He found him in a desert land, and in the waste howling wilderness; He led him about, He instructed him, He kept him as the apple of His eye.
Deuteronomy 32:10
He kept him as the apple of His eye. This expression is used more than once in the Holy Scriptures to signify the peculiar tenderness with which God keeps His children. The apple of the eye is the tenderest part of the whole body, so far as it is exposed to violence from without. As, then, a man protects this important and sensitive organ at all costs, so God is said to protect and keep His children as the apple of His own eye.
But some may say, “Are God’s children always kept? Do they never make a slip? Are they never guilty of falling back into old faults? Do they never wander on any point? Are they always kept from sin and folly? Are they always preserved from the least speck of evil? Who can say this, when texts of Scripture stare him in the face such as, ‘In many things we offend all’ (James 3:2); ‘If we say that we have no sin, we deceive ourselves’ (1 John 1:8); ‘For the good that I would I do not: but the evil which I would not, that I do’ (Romans 7:19)? Who can say this in the face of all the slips and stumbles of the saints recorded in the Word of God, such as those of Abraham, Lot, Moses, Aaron, David, Solomon, Hezekiah and Peter, upon all whose names a blot rests?”
And yet, notwithstanding all this, the Lord keeps them as the apple of His eye. There are certain rocks and quicksands from which the heavenly Pilot always keeps the vessel of the soul. Thus, for instance, He keeps them from making shipwreck of their faith (1 Timothy 1:19); from drinking poisonous draughts of error; from the sin unto death; from presumption and apostasy; from despair, ungodliness and impenitence; from enmity against His truth, His cause and His children; from making a covenant with death and an agreement with hell; from despising experimental religion; and from slandering the good name of the tried saints and servants of God.
Reading: Psalm 17
To the reader…
There are days when you think back with shame on your stumblings. Have you made slips, fallen back into old faults, and do you wonder how such a one could ever be a child of God, kept as the apple of His eye? Then look at Abraham, Moses, David and Peter, upon whose names a blot also rests. In many things we offend all, and whoever says he has no sin deceives himself.
But do not let that honest confession drive you into despair. The heavenly Pilot keeps the vessel of your soul away from the rocks on which it would be lost: He keeps your faith from shipwreck, and keeps you from despair and impenitence. As a man tenderly and at all costs protects the apple of his eye, so He protects His own. If, then, you are cast down over your sins, flee with your guilt to Him; He does not let go of the apple of His eye.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Hallólo en tierra de desierto, y en desierto horrible y yermo; trájolo alrededor, instruyólo, guardólo como la niña de Su ojo.
Deuteronomio 32:10
Guardólo como la niña de Su ojo. Esta expresión se usa más de una vez en las Santas Escrituras para significar la ternura particular con que Dios guarda a Sus hijos. La niña del ojo es la parte más tierna de todo el cuerpo, en cuanto está expuesta a la violencia de fuera. Así pues, como un hombre protege a toda costa este órgano importante y sensible, así se dice que Dios protege y guarda a Sus hijos como la niña de Su propio ojo.
Pero algunos dirán: “¿Son siempre guardados los hijos de Dios? ¿Nunca dan un traspié? ¿Nunca son culpables de recaer en viejas faltas? ¿Nunca se desvían en ningún punto? ¿Son siempre guardados del pecado y la necedad? ¿Son siempre preservados de la menor mancha de mal? ¿Quién puede decir esto, cuando le miran a la cara textos de la Escritura como: ‘Porque todos ofendemos en muchas cosas’ (Santiago 3:2); ‘Si dijéremos que no tenemos pecado, nos engañamos a nosotros mismos’ (1 Juan 1:8); ‘Porque no hago el bien que quiero; mas el mal que no quiero, éste hago’ (Romanos 7:19)? ¿Quién puede decir esto frente a todos los traspiés y tropiezos de los santos registrados en la Palabra de Dios, como los de Abraham, Lot, Moisés, Aarón, David, Salomón, Ezequías y Pedro, sobre cuyos nombres pesa una mancha?”
Y sin embargo, a pesar de todo esto, el Señor los guarda como la niña de Su ojo. Hay ciertas rocas y arenas movedizas de las cuales el celestial Piloto siempre aparta la nave del alma. Así, por ejemplo, los guarda de naufragar en cuanto a la fe (1 Timoteo 1:19); de beber tragos venenosos de error; del pecado de muerte; de la presunción y la apostasía; de la desesperación, la impiedad y la impenitencia; de la enemistad contra Su verdad, Su causa y Sus hijos; de hacer pacto con la muerte y concierto con el infierno; de despreciar la religión experimental; y de calumniar el buen nombre de los santos y siervos probados de Dios.
Lectura: Salmo 17
Al lector…
Hay días en que usted recuerda con vergüenza sus tropiezos. ¿Ha dado traspiés, ha recaído en viejas faltas, y se pregunta cómo alguien así podría ser jamás un hijo de Dios, guardado como la niña de Su ojo? Mire entonces a Abraham, Moisés, David y Pedro, sobre cuyos nombres también pesa una mancha. Todos ofendemos en muchas cosas, y quien dice que no tiene pecado se engaña a sí mismo.
Pero no deje que esa confesión sincera le empuje a la desesperación. El celestial Piloto aparta la nave de su alma de las rocas en las que se perdería: guarda su fe del naufragio, y le guarda de la desesperación y la impenitencia. Como un hombre protege con ternura y a toda costa la niña de su ojo, así protege Él a los Suyos. Si, pues, está abatido por sus pecados, huya con su culpa a Él; Él no suelta la niña de Su ojo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Romeinen 10:11
Een kind van God kan dikwijls daarmee ernstig bezig gehouden worden, of hij in het geheel wel enig geloof heeft; want als hij leest wat het geloof vermag en gedaan heeft, en hij ziet en gevoelt hoe weinig het voor hem gedaan heeft, dan is hij vol twijfelingen en vrezen en vraagt hij zich af of hij wel ooit gezegend is met het geloof van de uitverkorenen Gods. Dit doet hem menigmaal zeggen: „Ach, bezit ik inderdaad wel een greintje van het zaligmakend geloof?” Maar hij bezit het; ja, het is zijn geloof dat hem zo ernstig zichzelf die vraag doet stellen, terwijl hij tegelijkertijd openbaart dat hij de natuur en de kracht van het ongeloof ziet en gevoelt. Het is het licht van God, schijnende in zijn ziel, dat hem zijn zonden doet zien in hun natuur en veelheid, dat hem overtuigt van de schuld der zonde, dat de last daarvan op de consciëntie legt en hem de werking van een ongelovig hart ontdekt.
Doch behalve dit: indien hij in het geheel geen geloof had, dan kon hij de stem Gods, sprekende in het Evangelie, niet horen, noch die ontvangen als een boodschap van genade. Zo heeft hij dus wel geloof, maar hij mist het overtuigend bewijs of de overvloedige vertroosting daarvan in zijn hart. Dit geloof zal zijn ziel behouden, „want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk”; dat is, dat God nooit berouw heeft van enige gift die Hij geschonken heeft, of van enige roeping door Hem gedaan.
Zo Hij u dan ooit beweldadigd heeft met het geloof, hoe klein dit geloof ook in zichzelf zijn moge, of ook in uw eigen schatting, Hij zal het nooit uit uw hart wegnemen, maar het rokende lemmet zal Hij aanvuren, totdat het zich als in een vlam openbaart. Hij zal het werk Zijner handen niet laten varen, want Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, zal hetzelve voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Indien gij ooit, ja al was het maar eens in uw leven, bevonden hebt dat het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid is; indien gij slechts eenmaal door het levend geloof Christus aanschouwd hebt, ja slechts eenmaal, onder de invloed van Zijn gezegende Geest in uw hart, Hem hebt mogen aangrijpen en voor slechts enkele minuten geloven dat Hij de uwe was, dan is uw ziel even veilig als ware zij voortdurend badende in de rivier die de stad Gods verblijdt, of voortdurend genietende van de honing en melk van het Evangelie, of de gehele dag wandelende in het volle licht van Zijn vriendelijk aangezicht.
Niet dat iemand vergenoegd zou moeten zijn om op een arme, zeer bekrompen schaal te leven. Dat is onze bedoeling niet; maar wij leggen dit hier alleen neer als een gedeelte van de waarheid Gods ten opzichte van de zaligheid: dat het niet de grootte, maar de innerlijke waarde, de oprechtheid van het geloof is, die de ziel behoudt.
Aan de lezer…
Vraagt u zich ook af, lezer, of u wel een greintje van het zaligmakend geloof bezit? U leest wat het geloof vermag, en u ziet hoe weinig het in u schijnt te doen. Maar bedenk dit: wie geen geloof heeft, vraagt er niet zo ernstig naar. Het is het licht van God in uw ziel dat u uw zonden en uw ongelovig hart doet zien.
Is er dan ooit, al was het maar eens, een ogenblik geweest waarin u Christus mocht aangrijpen en geloven dat Hij de uwe was? God heeft nooit berouw van Zijn gaven. Het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, maar aanvuren, en Die het goede werk in u begon, zal het voleindigen. U moet niet tevreden zijn met een schraal en bekrompen leven; zoek meer. Maar wanhoop ook niet om de kleinheid van uw geloof: niet de grootte, maar de oprechtheid ervan behoudt de ziel. Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Romeinen 10:11
Een kind van God kan vaak ernstig bezig zijn met de vraag of hij eigenlijk wel enig geloof heeft. Want als hij leest wat het geloof vermag en gedaan heeft, en hij ziet en voelt hoe weinig het voor hem gedaan heeft, dan is hij vol twijfels en vrezen. Dan vraagt hij zich af of hij ooit wel gezegend is met het geloof van Gods uitverkorenen. Dat doet hem menigmaal zeggen: „Ach, bezit ik inderdaad wel een greintje van het zaligmakend geloof?” Maar hij bezit het. Ja, het is juist zijn geloof dat hem zichzelf zo ernstig die vraag doet stellen, terwijl het tegelijk laat zien dat hij de aard en de kracht van het ongeloof ziet en voelt. Het is het licht van God, dat in zijn ziel schijnt, dat hem zijn zonden doet zien in hun aard en veelheid, hem overtuigt van de schuld van de zonde, de last daarvan op zijn geweten legt en hem de werking van een ongelovig hart laat zien.
Maar daarnaast: als hij helemaal geen geloof had, zou hij de stem van God, Die in het Evangelie spreekt, niet kunnen horen en die ook niet kunnen ontvangen als een boodschap van genade. Hij heeft dus wel geloof, maar hij mist het overtuigende bewijs of de overvloedige vertroosting ervan in zijn hart. Dit geloof zal zijn ziel behouden, „want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk”. Dat wil zeggen: God heeft nooit berouw van enige gave die Hij geschonken heeft, of van enige roeping die Hij gedaan heeft.
Als Hij u dan ooit met het geloof beweldadigd heeft, hoe klein dat geloof op zichzelf of in uw eigen schatting ook mag zijn, dan zal Hij het nooit uit uw hart wegnemen. Nee, het rokende lemmet zal Hij aanwakkeren, totdat het zich als een vlam openbaart. Hij zal het werk van Zijn handen niet laten varen, want Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, zal het voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Misschien hebt u ooit, al was het maar één keer in uw leven, ervaren dat het Evangelie een kracht van God is tot zaligheid. Misschien hebt u maar eenmaal door het levend geloof Christus aanschouwd, en mocht u Hem, ja maar eenmaal, onder de invloed van Zijn gezegende Geest in uw hart aangrijpen en voor enkele minuten geloven dat Hij de uwe was. Dan is uw ziel even veilig als wanneer zij voortdurend baadde in de rivier die de stad van God verblijdt, of voortdurend genoot van de honing en melk van het Evangelie, of de hele dag wandelde in het volle licht van Zijn vriendelijk aangezicht.
Niet dat iemand tevreden zou moeten zijn met een arm en zeer bekrompen leven. Dat bedoelen wij niet. Wij stellen dit hier alleen vast als een deel van Gods waarheid over de zaligheid: niet de grootte, maar de innerlijke waarde, de oprechtheid van het geloof is het die de ziel behoudt.
Aan de lezer…
Vraagt u zich ook af, lezer, of u wel een greintje van het zaligmakend geloof bezit? U leest wat het geloof vermag, en u ziet hoe weinig het in u lijkt te doen. Maar bedenk dit: wie geen geloof heeft, vraagt er niet zo ernstig naar. Het is het licht van God in uw ziel dat u uw zonden en uw ongelovig hart laat zien.
Is er dan ooit, al was het maar één keer, een ogenblik geweest waarin u Christus mocht aangrijpen en geloven dat Hij de uwe was? God heeft nooit berouw van Zijn gaven. Het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, maar aanwakkeren, en Hij Die het goede werk in u begon, zal het voleindigen. U moet niet tevreden zijn met een schraal en bekrompen leven; zoek meer. Maar wanhoop ook niet om de kleinheid van uw geloof: niet de grootte, maar de oprechtheid ervan behoudt de ziel. Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For the scripture saith, Whosoever believeth on him shall not be ashamed.”
Romans 10:11
A child of God may be often deeply exercised whether he has any faith at all; for when he reads what faith has done and can do, and sees and feels how little it has done for him, he is seized with doubts and fears whether he has ever been blessed with the faith of God’s elect. This makes him often say, “Oh, do I indeed possess one grain of saving faith?” But he does possess it—no, it is his very faith which makes him so anxiously ask himself the question, as well as see and feel the nature and amount of his unbelief. It is the very light of God shining into his soul that shows him his sins, their nature and number; convinces him of their guilt and enormity; lays the burden of them upon his conscience; and discovers to him the workings of an unbelieving heart.
But besides this, if he had no faith at all he could not hear the voice of God speaking in the gospel, nor receive it as a message of mercy; so that he has faith, though he has not its witnessing evidence, or its abounding comfort. This faith will save his soul; for “the gifts and calling of God are without repentance;” that is, God never repents of any gift that He bestows or of any calling which He has granted. If, then, He has ever blessed you with faith, however small that faith may be in itself or in your own view of it, He will never take it away out of your heart, but rather fan the smoking flax until it bursts forth into a flame. He will never forsake the work of His own hands, for He which “has begun a good work in you will perform it until the day of Jesus Christ.”
If ever, then, if but once in your life, you have felt the gospel to be the power of God unto salvation; if you have ever had one view of Christ by living faith; if but once only, under the influence of His blessed Spirit on your heart, you have laid hold of Him and felt even for a few minutes that He was yours, your soul is as safe as though it were continually bathing in the river which makes glad the city of God, continually drinking of the honey and milk of the gospel, and walking all day long in the full light of His most gracious countenance. Not that a man should be satisfied with living at a poor, cold, dying rate; I mean not that, but merely to lay it down as a part of God’s truth that as regards salvation, it is not the amount, but the reality of faith that saves the soul.
To the reader…
Do you also ask yourself, reader, whether you possess even a grain of saving faith? You read what faith can do, and you see how little it seems to do in you. But consider this: one who has no faith does not ask about it so earnestly. It is the light of God in your soul that shows you your sins and your unbelieving heart.
Has there ever been, even if only once, a moment when you were enabled to lay hold of Christ and believe that He was yours? God never repents of His gifts. The smoking flax He will not quench, but fan into a flame, and He Who began the good work in you will complete it. You must not be content with a poor and narrow life; seek for more. But do not despair either over the smallness of your faith: it is not its size but its reality that saves the soul. Whoever believes on Him shall not be ashamed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque la Escritura dice: Todo aquel que en él creyere, no será avergonzado.”
Romanos 10:11
Un hijo de Dios puede estar a menudo hondamente ejercitado sobre si tiene alguna fe; porque cuando lee lo que la fe ha hecho y puede hacer, y ve y siente cuán poco ha hecho por él, se ve asaltado por dudas y temores sobre si alguna vez ha sido bendecido con la fe de los escogidos de Dios. Esto le hace decir a menudo: “¡Oh!, ¿poseo de veras un solo grano de fe salvadora?”. Pero sí la posee; es más, es su misma fe la que le hace hacerse esa pregunta con tanta ansiedad, así como ver y sentir la naturaleza y la magnitud de su incredulidad. Es la misma luz de Dios que brilla en su alma la que le muestra sus pecados, su naturaleza y su número; le convence de su culpa y enormidad; pone su carga sobre su conciencia; y le descubre las operaciones de un corazón incrédulo.
Pero además de esto, si no tuviera fe alguna, no podría oír la voz de Dios hablando en el evangelio, ni recibirla como un mensaje de misericordia; de modo que tiene fe, aunque no tenga su evidencia testificante ni su consuelo abundante. Esta fe salvará su alma; porque “sin arrepentimiento son las mercedes y la vocación de Dios”; es decir, Dios nunca se arrepiente de ningún don que otorga ni de ningún llamamiento que ha concedido. Si, pues, alguna vez le ha bendecido a usted con fe, por pequeña que esa fe sea en sí misma o a sus propios ojos, nunca se la quitará de su corazón, sino que más bien avivará el pábilo que humea hasta que estalle en llama. Nunca abandonará la obra de Sus propias manos, porque “el que comenzó en vosotros la buena obra, la perfeccionará hasta el día de Jesucristo”.
Si alguna vez, pues, aunque sea una sola vez en su vida, ha sentido usted que el evangelio es potencia de Dios para salvación; si alguna vez ha tenido una sola vista de Cristo por una fe viva; si una sola vez, bajo la influencia de Su bendito Espíritu en su corazón, se ha aferrado a Él y ha sentido, aunque fuera por unos minutos, que Él era suyo, su alma está tan segura como si continuamente se bañara en el río que alegra la ciudad de Dios, continuamente bebiera de la miel y la leche del evangelio, y anduviera todo el día en la plena luz de Su rostro lleno de gracia. No que un hombre deba contentarse con vivir de un modo pobre, frío y moribundo; no quiero decir eso, sino solo establecer como parte de la verdad de Dios que, en lo que toca a la salvación, no es la cantidad, sino la realidad de la fe la que salva el alma.
Al lector…
¿También usted se pregunta, lector, si posee siquiera un grano de fe salvadora? Lee lo que la fe puede hacer, y ve cuán poco parece hacer en usted. Pero considere esto: quien no tiene fe no pregunta por ella con tanto afán. Es la luz de Dios en su alma la que le muestra sus pecados y su corazón incrédulo.
¿Ha habido alguna vez, aunque sea una sola, un momento en que fue capacitado para aferrarse a Cristo y creer que Él era suyo? Dios nunca se arrepiente de Sus dones. El pábilo que humea no lo apagará, sino que lo avivará hasta hacerlo llama, y el que comenzó en usted la buena obra la perfeccionará. No debe contentarse con una vida pobre y estrecha; busque más. Pero tampoco desespere por la pequeñez de su fe: no es su tamaño, sino su realidad, lo que salva el alma. Todo aquel que en Él creyere, no será avergonzado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl