4 de julio
Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Romeinen 10:11
Een kind van God kan dikwijls daarmee ernstig bezig gehouden worden, of hij in het geheel wel enig geloof heeft; want als hij leest wat het geloof vermag en gedaan heeft, en hij ziet en gevoelt hoe weinig het voor hem gedaan heeft, dan is hij vol twijfelingen en vrezen en vraagt hij zich af of hij wel ooit gezegend is met het geloof van de uitverkorenen Gods. Dit doet hem menigmaal zeggen: „Ach, bezit ik inderdaad wel een greintje van het zaligmakend geloof?” Maar hij bezit het; ja, het is zijn geloof dat hem zo ernstig zichzelf die vraag doet stellen, terwijl hij tegelijkertijd openbaart dat hij de natuur en de kracht van het ongeloof ziet en gevoelt. Het is het licht van God, schijnende in zijn ziel, dat hem zijn zonden doet zien in hun natuur en veelheid, dat hem overtuigt van de schuld der zonde, dat de last daarvan op de consciëntie legt en hem de werking van een ongelovig hart ontdekt.
Doch behalve dit: indien hij in het geheel geen geloof had, dan kon hij de stem Gods, sprekende in het Evangelie, niet horen, noch die ontvangen als een boodschap van genade. Zo heeft hij dus wel geloof, maar hij mist het overtuigend bewijs of de overvloedige vertroosting daarvan in zijn hart. Dit geloof zal zijn ziel behouden, „want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk”; dat is, dat God nooit berouw heeft van enige gift die Hij geschonken heeft, of van enige roeping door Hem gedaan.
Zo Hij u dan ooit beweldadigd heeft met het geloof, hoe klein dit geloof ook in zichzelf zijn moge, of ook in uw eigen schatting, Hij zal het nooit uit uw hart wegnemen, maar het rokende lemmet zal Hij aanvuren, totdat het zich als in een vlam openbaart. Hij zal het werk Zijner handen niet laten varen, want Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, zal hetzelve voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Indien gij ooit, ja al was het maar eens in uw leven, bevonden hebt dat het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid is; indien gij slechts eenmaal door het levend geloof Christus aanschouwd hebt, ja slechts eenmaal, onder de invloed van Zijn gezegende Geest in uw hart, Hem hebt mogen aangrijpen en voor slechts enkele minuten geloven dat Hij de uwe was, dan is uw ziel even veilig als ware zij voortdurend badende in de rivier die de stad Gods verblijdt, of voortdurend genietende van de honing en melk van het Evangelie, of de gehele dag wandelende in het volle licht van Zijn vriendelijk aangezicht.
Niet dat iemand vergenoegd zou moeten zijn om op een arme, zeer bekrompen schaal te leven. Dat is onze bedoeling niet; maar wij leggen dit hier alleen neer als een gedeelte van de waarheid Gods ten opzichte van de zaligheid: dat het niet de grootte, maar de innerlijke waarde, de oprechtheid van het geloof is, die de ziel behoudt.
Aan de lezer…
Vraagt u zich ook af, lezer, of u wel een greintje van het zaligmakend geloof bezit? U leest wat het geloof vermag, en u ziet hoe weinig het in u schijnt te doen. Maar bedenk dit: wie geen geloof heeft, vraagt er niet zo ernstig naar. Het is het licht van God in uw ziel dat u uw zonden en uw ongelovig hart doet zien.
Is er dan ooit, al was het maar eens, een ogenblik geweest waarin u Christus mocht aangrijpen en geloven dat Hij de uwe was? God heeft nooit berouw van Zijn gaven. Het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, maar aanvuren, en Die het goede werk in u begon, zal het voleindigen. U moet niet tevreden zijn met een schraal en bekrompen leven; zoek meer. Maar wanhoop ook niet om de kleinheid van uw geloof: niet de grootte, maar de oprechtheid ervan behoudt de ziel. Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Romeinen 10:11
Een kind van God kan vaak ernstig bezig zijn met de vraag of hij eigenlijk wel enig geloof heeft. Want als hij leest wat het geloof vermag en gedaan heeft, en hij ziet en voelt hoe weinig het voor hem gedaan heeft, dan is hij vol twijfels en vrezen. Dan vraagt hij zich af of hij ooit wel gezegend is met het geloof van Gods uitverkorenen. Dat doet hem menigmaal zeggen: „Ach, bezit ik inderdaad wel een greintje van het zaligmakend geloof?” Maar hij bezit het. Ja, het is juist zijn geloof dat hem zichzelf zo ernstig die vraag doet stellen, terwijl het tegelijk laat zien dat hij de aard en de kracht van het ongeloof ziet en voelt. Het is het licht van God, dat in zijn ziel schijnt, dat hem zijn zonden doet zien in hun aard en veelheid, hem overtuigt van de schuld van de zonde, de last daarvan op zijn geweten legt en hem de werking van een ongelovig hart laat zien.
Maar daarnaast: als hij helemaal geen geloof had, zou hij de stem van God, Die in het Evangelie spreekt, niet kunnen horen en die ook niet kunnen ontvangen als een boodschap van genade. Hij heeft dus wel geloof, maar hij mist het overtuigende bewijs of de overvloedige vertroosting ervan in zijn hart. Dit geloof zal zijn ziel behouden, „want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk”. Dat wil zeggen: God heeft nooit berouw van enige gave die Hij geschonken heeft, of van enige roeping die Hij gedaan heeft.
Als Hij u dan ooit met het geloof beweldadigd heeft, hoe klein dat geloof op zichzelf of in uw eigen schatting ook mag zijn, dan zal Hij het nooit uit uw hart wegnemen. Nee, het rokende lemmet zal Hij aanwakkeren, totdat het zich als een vlam openbaart. Hij zal het werk van Zijn handen niet laten varen, want Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, zal het voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Misschien hebt u ooit, al was het maar één keer in uw leven, ervaren dat het Evangelie een kracht van God is tot zaligheid. Misschien hebt u maar eenmaal door het levend geloof Christus aanschouwd, en mocht u Hem, ja maar eenmaal, onder de invloed van Zijn gezegende Geest in uw hart aangrijpen en voor enkele minuten geloven dat Hij de uwe was. Dan is uw ziel even veilig als wanneer zij voortdurend baadde in de rivier die de stad van God verblijdt, of voortdurend genoot van de honing en melk van het Evangelie, of de hele dag wandelde in het volle licht van Zijn vriendelijk aangezicht.
Niet dat iemand tevreden zou moeten zijn met een arm en zeer bekrompen leven. Dat bedoelen wij niet. Wij stellen dit hier alleen vast als een deel van Gods waarheid over de zaligheid: niet de grootte, maar de innerlijke waarde, de oprechtheid van het geloof is het die de ziel behoudt.
Aan de lezer…
Vraagt u zich ook af, lezer, of u wel een greintje van het zaligmakend geloof bezit? U leest wat het geloof vermag, en u ziet hoe weinig het in u lijkt te doen. Maar bedenk dit: wie geen geloof heeft, vraagt er niet zo ernstig naar. Het is het licht van God in uw ziel dat u uw zonden en uw ongelovig hart laat zien.
Is er dan ooit, al was het maar één keer, een ogenblik geweest waarin u Christus mocht aangrijpen en geloven dat Hij de uwe was? God heeft nooit berouw van Zijn gaven. Het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, maar aanwakkeren, en Hij Die het goede werk in u begon, zal het voleindigen. U moet niet tevreden zijn met een schraal en bekrompen leven; zoek meer. Maar wanhoop ook niet om de kleinheid van uw geloof: niet de grootte, maar de oprechtheid ervan behoudt de ziel. Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For the scripture saith, Whosoever believeth on him shall not be ashamed.”
Romans 10:11
A child of God may be often deeply exercised whether he has any faith at all; for when he reads what faith has done and can do, and sees and feels how little it has done for him, he is seized with doubts and fears whether he has ever been blessed with the faith of God’s elect. This makes him often say, “Oh, do I indeed possess one grain of saving faith?” But he does possess it—no, it is his very faith which makes him so anxiously ask himself the question, as well as see and feel the nature and amount of his unbelief. It is the very light of God shining into his soul that shows him his sins, their nature and number; convinces him of their guilt and enormity; lays the burden of them upon his conscience; and discovers to him the workings of an unbelieving heart.
But besides this, if he had no faith at all he could not hear the voice of God speaking in the gospel, nor receive it as a message of mercy; so that he has faith, though he has not its witnessing evidence, or its abounding comfort. This faith will save his soul; for “the gifts and calling of God are without repentance;” that is, God never repents of any gift that He bestows or of any calling which He has granted. If, then, He has ever blessed you with faith, however small that faith may be in itself or in your own view of it, He will never take it away out of your heart, but rather fan the smoking flax until it bursts forth into a flame. He will never forsake the work of His own hands, for He which “has begun a good work in you will perform it until the day of Jesus Christ.”
If ever, then, if but once in your life, you have felt the gospel to be the power of God unto salvation; if you have ever had one view of Christ by living faith; if but once only, under the influence of His blessed Spirit on your heart, you have laid hold of Him and felt even for a few minutes that He was yours, your soul is as safe as though it were continually bathing in the river which makes glad the city of God, continually drinking of the honey and milk of the gospel, and walking all day long in the full light of His most gracious countenance. Not that a man should be satisfied with living at a poor, cold, dying rate; I mean not that, but merely to lay it down as a part of God’s truth that as regards salvation, it is not the amount, but the reality of faith that saves the soul.
To the reader…
Do you also ask yourself, reader, whether you possess even a grain of saving faith? You read what faith can do, and you see how little it seems to do in you. But consider this: one who has no faith does not ask about it so earnestly. It is the light of God in your soul that shows you your sins and your unbelieving heart.
Has there ever been, even if only once, a moment when you were enabled to lay hold of Christ and believe that He was yours? God never repents of His gifts. The smoking flax He will not quench, but fan into a flame, and He Who began the good work in you will complete it. You must not be content with a poor and narrow life; seek for more. But do not despair either over the smallness of your faith: it is not its size but its reality that saves the soul. Whoever believes on Him shall not be ashamed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque la Escritura dice: Todo aquel que en él creyere, no será avergonzado.”
Romanos 10:11
Un hijo de Dios puede estar a menudo hondamente ejercitado sobre si tiene alguna fe; porque cuando lee lo que la fe ha hecho y puede hacer, y ve y siente cuán poco ha hecho por él, se ve asaltado por dudas y temores sobre si alguna vez ha sido bendecido con la fe de los escogidos de Dios. Esto le hace decir a menudo: “¡Oh!, ¿poseo de veras un solo grano de fe salvadora?”. Pero sí la posee; es más, es su misma fe la que le hace hacerse esa pregunta con tanta ansiedad, así como ver y sentir la naturaleza y la magnitud de su incredulidad. Es la misma luz de Dios que brilla en su alma la que le muestra sus pecados, su naturaleza y su número; le convence de su culpa y enormidad; pone su carga sobre su conciencia; y le descubre las operaciones de un corazón incrédulo.
Pero además de esto, si no tuviera fe alguna, no podría oír la voz de Dios hablando en el evangelio, ni recibirla como un mensaje de misericordia; de modo que tiene fe, aunque no tenga su evidencia testificante ni su consuelo abundante. Esta fe salvará su alma; porque “sin arrepentimiento son las mercedes y la vocación de Dios”; es decir, Dios nunca se arrepiente de ningún don que otorga ni de ningún llamamiento que ha concedido. Si, pues, alguna vez le ha bendecido a usted con fe, por pequeña que esa fe sea en sí misma o a sus propios ojos, nunca se la quitará de su corazón, sino que más bien avivará el pábilo que humea hasta que estalle en llama. Nunca abandonará la obra de Sus propias manos, porque “el que comenzó en vosotros la buena obra, la perfeccionará hasta el día de Jesucristo”.
Si alguna vez, pues, aunque sea una sola vez en su vida, ha sentido usted que el evangelio es potencia de Dios para salvación; si alguna vez ha tenido una sola vista de Cristo por una fe viva; si una sola vez, bajo la influencia de Su bendito Espíritu en su corazón, se ha aferrado a Él y ha sentido, aunque fuera por unos minutos, que Él era suyo, su alma está tan segura como si continuamente se bañara en el río que alegra la ciudad de Dios, continuamente bebiera de la miel y la leche del evangelio, y anduviera todo el día en la plena luz de Su rostro lleno de gracia. No que un hombre deba contentarse con vivir de un modo pobre, frío y moribundo; no quiero decir eso, sino solo establecer como parte de la verdad de Dios que, en lo que toca a la salvación, no es la cantidad, sino la realidad de la fe la que salva el alma.
Al lector…
¿También usted se pregunta, lector, si posee siquiera un grano de fe salvadora? Lee lo que la fe puede hacer, y ve cuán poco parece hacer en usted. Pero considere esto: quien no tiene fe no pregunta por ella con tanto afán. Es la luz de Dios en su alma la que le muestra sus pecados y su corazón incrédulo.
¿Ha habido alguna vez, aunque sea una sola, un momento en que fue capacitado para aferrarse a Cristo y creer que Él era suyo? Dios nunca se arrepiente de Sus dones. El pábilo que humea no lo apagará, sino que lo avivará hasta hacerlo llama, y el que comenzó en usted la buena obra la perfeccionará. No debe contentarse con una vida pobre y estrecha; busque más. Pero tampoco desespere por la pequeñez de su fe: no es su tamaño, sino su realidad, lo que salva el alma. Todo aquel que en Él creyere, no será avergonzado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl