6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid.
Spreuken 8:20
Hoe doet de Heere Jezus — Die hier onder de naam van de opperste Wijsheid spreekt — Zijn heiligen op de weg der gerechtigheid wandelen? Door een verborgen licht in hun ziel te verspreiden, waardoor zij zien wat God heeft geopenbaard, en een geheimzinnige macht in hun hart te storten, waardoor het geloof wordt geboren, om alles wat God bekend heeft gemaakt, te ontvangen, aan te grijpen en te vertrouwen. Wij zullen Gods Woord altijd en te vergeefs lezen, zo dat Woord geen leven en licht voor onze ziel geworden is; maar wanneer God de Heilige Geest, Wiens verbondsroeping en werk het is van de dingen van de Heere Jezus te nemen en ze aan het hart te openbaren, een verborgen en gezegend licht werpt op die plaatsen der Schrift waar gesproken wordt van de Heere Jezus als van de Vervuller der Wet, als een heerlijke rechtvaardigmaking teweeggebracht hebbende, en Die tevens in het hart het geloof en de kracht werkt om te ontvangen, te vertrouwen, te omhelzen en te gebruiken wat Hij aldus heeft geopenbaard — dan doet Hij de ziel wandelen „op de weg der gerechtigheid”.
En o, welk een wonderbare weg is dat, dat God zulk een weg kan vinden om geheel Zijn volk te rechtvaardigen, door het de rechtvaardigheid van een Ander te geven! Dat zal de bewondering en het lied uitmaken der engelen in alle eeuwigheid; het zal de diepte van al hun wijsheid uitputten om die geheimen der wijsheid, der liefde en der macht te doorzien. Ja, de engelen zelfs, die de mensen zo ver in wijsheid overtreffen, worden voorgesteld als „begerig, die dingen in te zien”; en daarom werden, toen de arke was gemaakt en het verzoendeksel over de tafelen die erin weggeborgen waren, was gelegd, de serafijnen afgebeeld als te staren op dat gouden verzoendeksel, om aan te tonen hoever de hoogte, de breedte, de lengte en de diepte dezer geheimen de kennis der engelen zelfs te boven gaat.
Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,
verheugd in God, naar waarde nooit te danken!
Zingt vrolijk, roemt zijn deugden t’alle tijd,
gij, die oprecht van hart en wandel zijt!
Ps. 32:6
Aan de lezer…
Herkent u dit? Misschien leest u Gods Woord en blijft het u gesloten, alsof de woorden langs uw hart heen gaan. Laat ik het eerlijk zeggen: wij lezen het te vergeefs, zolang het geen leven en licht voor onze ziel geworden is. Maar het is juist het werk van de Heilige Geest om de dingen van de Heere Jezus te nemen en ze aan het hart te openbaren, en tegelijk het geloof te werken om ze te omhelzen. Zo doet de Wijsheid Zelf Zijn heiligen wandelen op de weg der gerechtigheid.
En welk een weg is dat voor een schuldige! Geen gerechtigheid die u zelf moet bijeenbrengen, maar de gerechtigheid van een Ander, van Hem Die de Wet vervuld heeft, aan u geschonken. De engelen zijn begerig die dingen in te zien; zou dan een arme zondaar er niet verwonderd over staan? Vraag Hem om dat verborgen licht, en wandel, al is het met wankele schreden, op die weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid.
Spreuken 8:20
Hoe laat de Heere Jezus, Die hier als de hoogste Wijsheid spreekt, Zijn heiligen wandelen op de weg van de gerechtigheid? Door een verborgen licht in hun ziel te verspreiden, waardoor zij zien wat God geopenbaard heeft. En door een geheimzinnige kracht in hun hart te storten, waardoor het geloof geboren wordt, om alles wat God bekendgemaakt heeft te ontvangen, aan te grijpen en te vertrouwen. Wij zullen Gods Woord altijd tevergeefs lezen zolang dat Woord geen leven en licht voor onze ziel geworden is. Het is het verbondsambt en het werk van God de Heilige Geest om de dingen van de Heere Jezus te nemen en ze aan het hart te openbaren. Wanneer Hij een verborgen en gezegend licht werpt op die plaatsen in de Schrift waar over de Heere Jezus gesproken wordt als de Vervuller van de wet, als Degene Die een heerlijke rechtvaardiging tot stand heeft gebracht, en wanneer Hij tegelijk in het hart het geloof en de kracht werkt om te ontvangen, te vertrouwen, te omhelzen en te gebruiken wat Hij zo geopenbaard heeft, dan laat Hij de ziel wandelen „op de weg der gerechtigheid”.
En o, wat een wonderbare weg is dat: dat God zo’n weg kan vinden om heel Zijn volk te rechtvaardigen, door het de gerechtigheid van een Ander te geven! Dat zal tot in alle eeuwigheid de verwondering en het lied van de engelen zijn. Het zal de diepte van al hun wijsheid uitputten om die geheimenissen van wijsheid, liefde en macht te doorgronden. Ja, zelfs de engelen, die de mensen zo ver in wijsheid overtreffen, worden voorgesteld als „begerig, die dingen in te zien”. Daarom werden de serafs, toen de ark gemaakt was en het verzoendeksel was gelegd over de tafelen die erin waren weggeborgen, afgebeeld alsof zij naar dat gouden verzoendeksel staarden. Zo werd getoond hoever de hoogte, de breedte, de lengte en de diepte van deze geheimenissen zelfs de kennis van de engelen te boven gaan.
Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,
verheugd in God, naar waarde nooit te danken!
Zingt vrolijk, roemt zijn deugden t’alle tijd,
gij, die oprecht van hart en wandel zijt!
Ps. 32:6
Aan de lezer…
Herkent u dit? Misschien leest u Gods Woord en blijft het voor u gesloten, alsof de woorden langs uw hart heen gaan. Laat ik het eerlijk zeggen: wij lezen het tevergeefs zolang het geen leven en licht voor onze ziel geworden is. Maar het is juist het werk van de Heilige Geest om de dingen van de Heere Jezus te nemen en ze aan het hart te openbaren, en tegelijk het geloof te werken om ze te omhelzen. Zo laat de Wijsheid Zelf Zijn heiligen wandelen op de weg der gerechtigheid.
En wat een weg is dat voor een schuldige! Geen gerechtigheid die u zelf bij elkaar moet brengen, maar de gerechtigheid van een Ander, van Hem Die de wet vervuld heeft, aan u geschonken. De engelen zijn begerig die dingen in te zien; zou een arme zondaar er dan niet verwonderd over staan? Vraag Hem om dat verborgen licht, en wandel op die weg, al is het met wankele schreden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I lead in the way of righteousness.
Proverbs 8:20
How does the Lord Jesus–who speaks here under the name of Wisdom–lead His saints “in the way of righteousness?” By casting a mysterious light into their souls, whereby they see what the Word of God has revealed, and shedding abroad a mysterious power in their hearts, whereby faith is created, to receive, lay hold of, and credit that which God has made known.
We may read the Word of God forever in vain, unless that Word is made life and light to our souls; but when the Lord the Spirit, Whose covenant office and work it is to take of the things of Jesus and reveal them to the heart, sheds a mysterious and blessed light upon those Scriptures which speak of Jesus as the law-fulfiller, as having brought in a glorious righteousness, and at the same moment is pleased to raise up faith and power in the heart to receive, credit, embrace, and handle what He has thus revealed, then by His own persuasive power He leads the soul “in the way of righteousness.” And O what a wonderful way it is! that God should ever find out such a way, as to make all His people righteous, by imputing to them another’s righteousness! It will be the wonder, the song of saints through all eternity; it will exhaust all the depths of their finite wisdom to look into these secrets of wisdom, love, and power.
Yes, the angels themselves, who so far exceed men in wisdom, are represented as “desiring to look into” these things, and therefore when the ark was made, and the mercy seat put over the tables which were inclosed therein, the seraphim were framed as looking down upon this golden mercy seat, representing how the height, breadth, length, and depth of these mysteries overpass even the faculties of the angels themselves.
To the reader…
Do you recognize this? Perhaps you read God’s Word and it remains closed to you, as though the words pass by your heart. Let me say it honestly: we read it in vain as long as it has not been made life and light to our souls. But it is precisely the work of the Holy Spirit to take the things of the Lord Jesus and reveal them to the heart, and at the same time to work faith to embrace them. So Wisdom Himself leads His saints in the way of righteousness.
And what a way that is for a guilty sinner! Not a righteousness you must gather together yourself, but the righteousness of Another, of Him Who fulfilled the law, given to you. The angels desire to look into these things; should not a poor sinner then stand amazed at them? Ask Him for that hidden light, and walk in that way, even if it is with faltering steps.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por vereda de justicia guiaré.
Proverbios 8:20
¿Cómo guía el Señor Jesús, que aquí habla bajo el nombre de la Sabiduría, a Sus santos “por vereda de justicia”? Derramando una luz misteriosa en sus almas, por la cual ven lo que la Palabra de Dios ha revelado, y derramando un poder misterioso en sus corazones, por el cual es creada la fe, para recibir, asir y creer aquello que Dios ha dado a conocer.
Podemos leer la Palabra de Dios para siempre en vano, a menos que esa Palabra sea hecha vida y luz para nuestras almas; pero cuando el Señor el Espíritu, cuyo oficio y obra en el pacto es tomar de las cosas de Jesús y revelarlas al corazón, derrama una luz misteriosa y bendita sobre aquellas Escrituras que hablan de Jesús como el que cumplió la ley, como Aquel que trajo una justicia gloriosa, y en el mismo momento Le place levantar fe y poder en el corazón para recibir, creer, abrazar y palpar lo que Él ha revelado así, entonces, por Su propio poder persuasivo, guía al alma “por vereda de justicia”. ¡Y oh, qué camino tan maravilloso es! ¡Que Dios hallara jamás un camino tal como hacer justos a todos Sus hijos imputándoles la justicia de otro! Será la maravilla y el cántico de los santos por toda la eternidad; agotará todas las profundidades de su sabiduría finita contemplar estos secretos de sabiduría, amor y poder.
Sí, los ángeles mismos, que tanto superan a los hombres en sabiduría, son presentados como “deseando mirar” en estas cosas; y por eso, cuando se hizo el arca y se puso el propiciatorio sobre las tablas que estaban encerradas en ella, los querubines fueron formados mirando hacia abajo sobre este propiciatorio de oro, representando cómo la altura, la anchura, la longitud y la profundidad de estos misterios sobrepasan aun las facultades de los ángeles mismos.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Quizá lee la Palabra de Dios y le permanece cerrada, como si las palabras pasaran de largo por su corazón. Permítame decirlo con franqueza: la leemos en vano mientras no ha sido hecha vida y luz para nuestras almas. Pero es precisamente la obra del Espíritu Santo tomar las cosas del Señor Jesús y revelarlas al corazón, y a la vez obrar la fe para abrazarlas. Así la Sabiduría misma guía a Sus santos por vereda de justicia.
¡Y qué camino es ese para un pecador culpable! No una justicia que usted mismo tenga que reunir, sino la justicia de Otro, de Aquel que cumplió la ley, dada a usted. Los ángeles desean mirar en estas cosas; ¿no habría de quedar asombrado ante ellas un pobre pecador? Pídale esa luz escondida, y ande por ese camino, aunque sea con pasos vacilantes.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
Laten we eens een blik werpen op de invloed van de voorspraak van onze grote Hogepriester in de hemel en zien hoe geschikt Deze is om de ziel te verlichten die gebukt gaat onder een zondelast. „En indien iemand gezondigd heeft,” zegt Johannes, „wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige” (1 Joh. 2:1). Wat kunnen we met onze zonden, hun last, hun schuld, hun vuil en hun kracht doen? Niets, absoluut niets, dan eronder weg te zinken, want we kunnen ze verwijderen noch beteugelen. Maar Jezus kan beide, want „Die is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing” (1 Kor. 1:30).
Tot Hem kan een arme, schuldige, ellendige en zinkende zondaar zich dus wenden om zijn zaak te bepleiten, want in Hem heeft hij „een Voorspraak bij de Vader”, door God Zelf aangesteld, en daarmee zeker van het oor van de Rechter, Wonderlijk, Raad (Jes. 9:5), Die in het hemelse gerecht voor hem kan opkomen, Eén Die nooit een zaak heeft verloren, een nederig verzoek heeft afgewezen of een cliënt heeft teleurgesteld. Maar de kracht en invloed van deze Voorspraak in de hemel berust op Zijn zoenoffer dat op aarde werd gedaan. Johannes voegt daarom direct toe: „En Hij is een verzoening voor onze zonden.”
Het is omdat Hij „om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offerande”, en „eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen” (Hebr. 9:26, 28); het is omdat „uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende” (Kol. 2:14); het is omdat Zijn werk is volbracht (Joh. 17:4; 19:30), en Hij vrede heeft gesticht door het bloed van Zijn kruis (Kol. 1:20), dat Hij nu onze heersende Voorspraak en Bemiddelaar in de hemel is, waar de zaak wordt gehoord en beoordeeld.
Lezen: 1 Johannes 1:1-2:2
Aan de lezer…
Dat woord over de Voorspraak begint met een vraag: wat kunt u doen met uw zonden, met hun last, hun schuld, hun vuil en hun kracht? Niets, en dat is een harde maar eerlijke waarheid. U kunt ze verwijderen noch beteugelen. Wie dat leert, zinkt onder de last weg en weet niet meer waar hij het zoeken moet. Maar juist voor zo’n arme, schuldige en zinkende zondaar staat hier geschreven: „Wij hebben een Voorspraak bij de Vader.”
Hij is door God Zelf aangesteld en heeft het oor van de Rechter. Hij heeft nooit een zaak verloren of een nederig verzoek afgewezen. En Zijn pleiten rust niet op uw verdiensten, maar op Zijn eigen offer: Hij is een verzoening voor onze zonden. Het handschrift dat tegen u was, is aan het kruis genageld, en Zijn werk is volbracht. Leg uw zaak dan in Zijn handen; die zaak is daar veiliger dan ooit in de uwe.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
Laten we eens kijken naar de kracht van de voorspraak van onze grote Hogepriester in de hemel, en zien hoe geschikt die is om een ziel te verlichten die gebukt gaat onder een last van zonde. „En indien iemand gezondigd heeft,” zegt Johannes, „wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige” (1 Joh. 2:1). Wat kunnen wij doen met onze zonden, met hun last, hun schuld, hun vuil en hun kracht? Niets, helemaal niets, behalve eronder wegzinken, want we kunnen ze verwijderen noch beteugelen. Maar Jezus kan beide, want „Die is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing” (1 Kor. 1:30).
Tot Hem kan een arme, schuldige, ellendige en zinkende zondaar zich dus wenden om zijn zaak te laten bepleiten. Want in Hem heeft hij „een Voorspraak bij de Vader”, door God Zelf aangesteld en daarom zeker van het oor van de Rechter: Wonderlijk, Raad (Jes. 9:5). Hij kan in het hemelse gerecht voor hem opkomen; Hij heeft nooit een zaak verloren, een nederig verzoek afgewezen of iemand die zich aan Hem toevertrouwde teleurgesteld. Maar de kracht en invloed van deze Voorspraak in de hemel rust op Zijn zoenoffer, dat op aarde werd gebracht. Daarom voegt Johannes er direct aan toe: „En Hij is een verzoening voor onze zonden.”
Hij is nu onze machtige Voorspraak en Middelaar in de hemel, waar de zaak wordt gehoord en beoordeeld. Dat is Hij omdat Hij „om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offerande”, en „eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen” (Hebr. 9:26, 28). Het is omdat Hij „uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende” (Kol. 2:14). Het is omdat Zijn werk volbracht is (Joh. 17:4; 19:30) en Hij vrede heeft gemaakt door het bloed van Zijn kruis (Kol. 1:20).
Lezen: 1 Johannes 1:1-2:2
Aan de lezer…
Dat woord over de Voorspraak begint met een vraag: wat kunt u doen met uw zonden, met hun last, hun schuld, hun vuil en hun kracht? Niets, en dat is een harde maar eerlijke waarheid. U kunt ze verwijderen noch beteugelen. Wie dat leert, zinkt onder de last weg en weet niet meer waar hij het zoeken moet. Maar juist voor zo’n arme, schuldige en zinkende zondaar staat hier geschreven: „Wij hebben een Voorspraak bij de Vader.”
Hij is door God Zelf aangesteld en heeft het oor van de Rechter. Hij heeft nooit een zaak verloren of een nederig verzoek afgewezen. En Zijn pleiten rust niet op uw verdiensten, maar op Zijn eigen offer: Hij is een verzoening voor onze zonden. Het handschrift dat tegen u was, is aan het kruis genageld, en Zijn werk is volbracht. Leg uw zaak dan in Zijn handen; die zaak is daar veiliger dan ooit in de uwe.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If any man sin, we have an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous: and He is the propitiation for our sins.
1 John 2:1-2
Let us look at the power of the intercession of our great High Priest in heaven, and see how suited it is to relieve a soul bowed down under a burden of sin. “And if any man sin,” says John, “we have an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous” (1 John 2:1). What can we do with our sins, with their burden, their guilt, their filth and their power? Nothing, nothing at all, but sink under them, for we can neither remove nor subdue them. But Jesus can do both, for He “of God is made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption” (1 Cor. 1:30).
To Him, then, a poor, guilty, wretched and sinking sinner may turn to have his cause pleaded. For in Him he has “an Advocate with the Father,” appointed by God Himself and therefore sure of the ear of the Judge: Wonderful, Counsellor (Isa. 9:6). He can stand up for him in the court of heaven; He has never lost a cause, refused a humble petition, or disappointed one who committed himself to Him. But the power and influence of this Advocate in heaven rest upon His atoning sacrifice, which was offered upon earth. Therefore John at once adds: “And He is the propitiation for our sins.”
He is now our mighty Advocate and Mediator in heaven, where the cause is heard and judged. That He is because He appeared “to put away sin by the sacrifice of Himself,” and “was once offered to bear the sins of many” (Heb. 9:26, 28). It is because He has blotted out “the handwriting of ordinances that was against us, which was contrary to us, and took it out of the way, nailing it to His cross” (Col. 2:14). It is because His work is finished (John 17:4; 19:30) and He has made peace through the blood of His cross (Col. 1:20).
Reading: 1 John 1:1-2:2
To the reader…
This word about the Advocate begins with a question: what can you do with your sins, with their burden, their guilt, their filth and their power? Nothing, and that is a hard but honest truth. You can neither remove nor subdue them. Whoever learns that sinks under the burden and no longer knows where to look. But it is precisely for such a poor, guilty and sinking sinner that it is written here: “We have an Advocate with the Father.”
He is appointed by God Himself and has the ear of the Judge. He has never lost a cause or refused a humble petition. And His pleading does not rest on your merits, but on His own sacrifice: He is the propitiation for our sins. The handwriting that was against you has been nailed to the cross, and His work is finished. Lay your cause, then, in His hands; it is safer there than it ever was in yours.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si alguno hubiere pecado, abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo; y Él es la propiciación por nuestros pecados.
1 Juan 2:1-2
Consideremos el poder de la intercesión de nuestro gran Sumo Sacerdote en el cielo, y veamos cuán adecuada es para aliviar a un alma encorvada bajo una carga de pecado. “Y si alguno hubiere pecado”, dice Juan, “abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo” (1 Juan 2:1). ¿Qué podemos hacer con nuestros pecados, con su carga, su culpa, su inmundicia y su poder? Nada, absolutamente nada, sino hundirnos bajo ellos, porque no podemos ni quitarlos ni someterlos. Pero Jesús puede hacer ambas cosas, porque Él “nos ha sido hecho por Dios sabiduría, y justificación, y santificación, y redención” (1 Cor. 1:30).
A Él, pues, puede volverse un pecador pobre, culpable, miserable y que se hunde, para que defienda su causa. Porque en Él tiene “abogado para con el Padre”, nombrado por Dios mismo y por tanto seguro del oído del Juez: Admirable, Consejero (Is. 9:6). Él puede abogar por él en el tribunal del cielo; nunca ha perdido una causa, ni rechazado una petición humilde, ni defraudado a quien se encomendó a Él. Pero el poder y la influencia de este Abogado en el cielo descansan en Su sacrificio expiatorio, que fue ofrecido en la tierra. Por eso Juan añade enseguida: “Y Él es la propiciación por nuestros pecados”.
Él es ahora nuestro poderoso Abogado y Mediador en el cielo, donde la causa se oye y se juzga. Lo es porque se presentó “para deshacimiento del pecado por el sacrificio de Sí mismo”, y “fue ofrecido una vez para agotar los pecados de muchos” (Heb. 9:26, 28). Es porque ha raído “la cédula de los ritos que nos era contraria, que era contra nosotros, quitándola de en medio y enclavándola en la cruz” (Col. 2:14). Es porque Su obra está acabada (Juan 17:4; 19:30) y ha hecho la paz por la sangre de Su cruz (Col. 1:20).
Lectura: 1 Juan 1:1-2:2
Al lector…
Esta palabra sobre el Abogado comienza con una pregunta: ¿qué puede hacer usted con sus pecados, con su carga, su culpa, su inmundicia y su poder? Nada, y esa es una verdad dura pero sincera. No puede ni quitarlos ni someterlos. Quien aprende eso se hunde bajo la carga y ya no sabe adónde mirar. Pero es precisamente para un pecador así, pobre, culpable y que se hunde, que está escrito aquí: “Abogado tenemos para con el Padre”.
Él ha sido nombrado por Dios mismo y tiene el oído del Juez. Nunca ha perdido una causa ni rechazado una petición humilde. Y Su defensa no descansa en los méritos de usted, sino en Su propio sacrificio: Él es la propiciación por nuestros pecados. La cédula que era contra usted ha sido enclavada en la cruz, y Su obra está acabada. Ponga, pues, su causa en Sus manos; allí está más segura de lo que jamás estuvo en las suyas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.
Romeinen 3:23
Wat wil het zeggen, de heerlijkheid Gods te derven? Het is te handelen zonder opzicht tot Zijn heerlijkheid. Nu, alles wat wij ooit gedaan hebben, wat niet gedaan is in eenvoudigheid tot Gods heerlijkheid, heeft het brandmerk der zonde op zich afgedrukt. Doch wie had ooit in een onwedergeboren staat, als gevallen zoon van gevallen ouders, een oog voor de heerlijkheid Gods? Kwam het ooit in een natuurlijk mensenhart op om tot Gods eer te spreken, te handelen, te raadplegen en te leven? Aleer zulk een gedachte, zulk een verlangen ooit in ons gemoed kan opkomen, moeten wij Hem hebben aanschouwd, Die onzichtbaar is; moeten wij een geloofsgezicht hebben gehad van de drie-enige God. Er moet door de Heilige Geest ons gegeven zijn een eenvoudig oog om te zien dat deze heerlijkheid alle ondermaanse heerlijkheid te boven gaat.
Elke beweging dan van het eigenlievend hart, elk verlangen ons te bevredigen, te vergenoegen, derft de heerlijkheid Gods. Dit brandmerkt alle natuurlijke godsdienst des mensen met het brandmerk der zonde. Het laat de godsdienstige mens in dezelfde treurige staat als de ongodsdienstige; het houwt de belijdende wereld met hetzelfde zwaard terneder waarmede het de spotter treft. Wanneer men in de natuurstaat is, wat men godsdienstig noemt, is dan de bedoeling en het oogmerk daarvan de heerlijkheid Gods, de heerlijkheid van vrije genade, de heerlijkheid van de Middelaar tussen God en mensen, de heerlijkheid van de Heilige Geest, de enige Leermeester van het volk van God? Neem het op zijn best, in zijn beste vorm, is het niet slechts een andere gedaante van eigenliefde, om de eigengerechtigheid te verhogen en ten hemel op te klimmen door de ladder van eigen werken? En is dit niet een derven van de heerlijkheid Gods?
Maar behalve dit, de heerlijkheid Gods vereist dat allen die Hem aangenaam zullen zijn, moeten zijn zonder vlek of rimpel of iets dergelijks. Een vlekkeloos God kan niet aannemen, niet zien op, geen vergenoegen hebben in een bevlekt zondaar; en juist in verhouding tot de oneindige zuiverheid en onuitsprekelijke heerlijkheid van Jehova moet alle onzuiverheid, alle vleselijkheid, alle onheiligheid en de minste afwijking van de volstrekte volmaaktheid in Zijn oog hatelijk en verfoeilijk zijn. Welnu, al de uitverkorenen worden, zij het in min of meerdere mate, hierin onderwezen. Het is de ernstige en noodzakelijke voorbereiding van het hart door genade; het is de inleiding, door de hand des Geestes, in de voorkamer van de Koning der koningen.
Het is een brengen van de ziel op die plaats, de enige plaats, waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Het is derhalve voor de gekenden door genade, voor al de vrijgekochte en levendgemaakte kinderen van God ten uiterste noodzakelijk dat zij in hun consciënties zijn overtuigd geworden dat zij allen gezondigd hebben en derven de heerlijkheid Gods.
Aan de lezer…
Hoe weinig beseffen wij wat het is de heerlijkheid Gods te derven! Het is een hard woord, dat ook onze beste godsdienst treft, want hoe vaak zochten wij in ons bidden en doen toch onszelf? Een vlekkeloos God kan geen vergenoegen hebben in een bevlekt zondaar. Wordt u daarvan overtuigd, en ziet u uw eigengerechtigheid als een ladder die nergens heen leidt, verdrijf die overtuiging dan niet. Zij is geen teken dat God u verwerpt.
Ik noem het juist de inleiding, door de hand des Geestes, in de voorkamer van de Koning der koningen. Het is de enige plaats waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Wie leert dat hij gezondigd heeft en de heerlijkheid Gods derft, wordt gebracht waar vrije genade alles wordt. Laat u dan zo neerleggen, en zie op naar de Middelaar, in Wie de heerlijkheid Gods en de redding van de zondaar samenkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.
Romeinen 3:23
Wat wil het zeggen dat wij de heerlijkheid Gods derven? Het betekent dat wij handelen zonder te letten op Zijn heerlijkheid. Alles wat wij ooit gedaan hebben en wat niet in eenvoud tot Gods heerlijkheid gedaan is, draagt daarom het brandmerk van de zonde. Maar wie had in een onwedergeboren staat, als gevallen zoon van gevallen ouders, ooit oog voor de heerlijkheid van God? Kwam het ooit in een natuurlijk mensenhart op om tot Gods eer te spreken, te handelen, te overleggen en te leven? Voordat zo’n gedachte, zo’n verlangen ooit in ons kan opkomen, moeten wij Hem hebben gezien Die onzichtbaar is, en moeten wij een geloofsgezicht hebben gehad van de drie-enige God. De Heilige Geest moet ons een eenvoudig oog gegeven hebben om te zien dat deze heerlijkheid alle aardse heerlijkheid te boven gaat.
Elke beweging van het eigenlievende hart, elk verlangen om onszelf te bevredigen en te behagen, derft dus de heerlijkheid van God. Dit drukt op alle natuurlijke godsdienst van de mens het brandmerk van de zonde. Het laat de godsdienstige mens in dezelfde treurige staat als de ongodsdienstige; het slaat de belijdende wereld neer met hetzelfde zwaard waarmee het de spotter treft. Wanneer iemand in de natuurstaat iets doet wat hij godsdienstig noemt, is dan het doel en de bedoeling daarvan de heerlijkheid van God, de heerlijkheid van de vrije genade, de heerlijkheid van de Middelaar tussen God en mensen, de heerlijkheid van de Heilige Geest, de enige Leermeester van het volk van God? Neem het op zijn best, in zijn beste vorm: is het dan niet slechts een andere gedaante van eigenliefde, om de eigengerechtigheid te verhogen en langs de ladder van eigen werken naar de hemel te klimmen? En is dit niet een derven van de heerlijkheid van God?
Maar daarnaast vereist de heerlijkheid van God dat allen die Hem aangenaam zullen zijn, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zijn. Een vlekkeloos God kan een bevlekte zondaar niet aannemen, niet aanzien en geen behagen in hem hebben. Juist naar de maat van de oneindige zuiverheid en onuitsprekelijke heerlijkheid van Jehova moet alle onreinheid, alle vleselijkheid, alle onheiligheid en de minste afwijking van de volstrekte volmaaktheid in Zijn oog hatelijk en verfoeilijk zijn. Welnu, alle uitverkorenen worden hierin onderwezen, in meerdere of mindere mate. Het is de ernstige en noodzakelijke voorbereiding van het hart door de genade; het is de inleiding, door de hand van de Geest, in de voorkamer van de Koning der koningen.
Het is het brengen van de ziel op die plaats, de enige plaats, waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Daarom is het voor hen die door genade gekend zijn, voor alle vrijgekochte en levendgemaakte kinderen van God, uiterst noodzakelijk dat zij in hun geweten ervan overtuigd zijn dat zij allen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven.
Aan de lezer…
Hoe weinig beseffen wij wat het is de heerlijkheid van God te derven! Het is een hard woord, dat ook onze beste godsdienst treft, want hoe vaak zochten wij in ons bidden en doen toch onszelf? Een vlekkeloos God kan geen behagen hebben in een bevlekte zondaar. Wordt u daarvan overtuigd, en ziet u uw eigengerechtigheid als een ladder die nergens heen leidt? Verdrijf die overtuiging dan niet. Zij is geen teken dat God u verwerpt.
Ik noem het juist de inleiding, door de hand van de Geest, in de voorkamer van de Koning der koningen. Het is de enige plaats waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Wie leert dat hij gezondigd heeft en de heerlijkheid van God derft, wordt gebracht waar de vrije genade alles wordt. Laat u dan zo neerleggen, en zie op naar de Middelaar, in Wie de heerlijkheid van God en de redding van de zondaar samenkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For all have sinned, and come short of the glory of God.
Romans 3:23
What is it to “come short of the glory of God?” It is to act without a view to His glory. Now everything that we have ever done, which has not been done with a single eye to God’s glory, has the brand of sin stamped on it. But who in an unregenerate state, who, as the fallen son of a fallen parent, ever had an eye to the glory of God? Did such a thing ever enter into man’s natural heart as to speak to God’s glory, act to His glory, consult His glory, and live to His glory? Before ever such a thought, such a desire can cross our breast, we must have seen Him Who is invisible; we must have had a view by faith of the glory of the Three-One God; we must have had a single eye given us by the Holy Spirit to see that glory outshining all creature good.
Every movement, then, of the selfish heart, every desire to gratify, please and exalt self, is a coming short of the glory of God. This stamps all natural men’s religious services with the brand of sin. It leaves the religious in the same dreadful state as the irreligious; it hews down the professing world with the same sword that cuts down the profane world. When men in a state of nature are what is called “religious,” is their religion’s end and aim the glory of God, the glory of free grace, the glory of the Mediator between God and man, the glory of the Holy Spirit, the only Teacher of God’s people? Take it in its best, its brightest shape, is it not another form of selfishness, to exalt their own righteousness, and climb to heaven by the ladder of their own doings?
And is not this a coming short of the glory of God? But besides that, the very glory of God requires that every one accepted in His sight should be without spot, speck, stain or blemish. A pure God cannot accept, cannot look upon, cannot be pleased with impurity; and just in proportion to the infinite purity and ineffable holiness of Jehovah, must all impurity, all carnality, all unholiness, and the slightest deviation from absolute perfection be hateful and horrible in His sight.
Now this all the ‘election of grace’ are brought more or less to feel. It is the solemn and indispensable preparation of the heart for mercy; it is the introduction by the hand of the Spirit into the antechamber of the King of kings. It is the bringing of the soul to that spot, that only spot, where grace is felt, received, and known. It is, therefore, utterly indispensable for the election of grace, for all the ransomed and quickened family of God, to have this felt in their conscience, that they “have sinned, and come short of the glory of God.”
To the reader…
How little we realise what it is to come short of the glory of God! It is a hard word, which strikes even our best religion, for how often have we sought ourselves after all in our praying and doing? A spotless God can take no pleasure in a stained sinner. Are you being convinced of this, and do you see your own righteousness as a ladder that leads nowhere? Then do not drive that conviction away. It is no sign that God is rejecting you.
On the contrary, it is called here the introduction, by the hand of the Spirit, into the antechamber of the King of kings. It is the only place where grace is tasted, received and known. Whoever learns that he has sinned and comes short of the glory of God is brought to where free grace becomes everything. Let yourself be laid low in this way, then, and look up to the Mediator, in Whom the glory of God and the rescue of the sinner meet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por cuanto todos pecaron, y están destituidos de la gloria de Dios.
Romanos 3:23
¿Qué es estar “destituidos de la gloria de Dios”? Es obrar sin mirar a Su gloria. Ahora bien, todo cuanto hemos hecho alguna vez que no haya sido hecho con la mirada puesta únicamente en la gloria de Dios lleva estampada la marca del pecado. Pero ¿quién, en estado no regenerado, quién, como hijo caído de un padre caído, tuvo jamás la mirada puesta en la gloria de Dios? ¿Entró alguna vez en el corazón natural del hombre algo así como hablar para la gloria de Dios, obrar para Su gloria, buscar Su gloria y vivir para Su gloria? Antes de que tal pensamiento, tal deseo, pueda cruzar nuestro pecho, tenemos que haber visto al Invisible; tenemos que haber tenido por la fe una vista de la gloria del Dios Trino; tenemos que haber recibido del Espíritu Santo un ojo sencillo para ver esa gloria resplandecer por encima de todo bien de criatura.
Todo movimiento, pues, del corazón egoísta, todo deseo de complacer, agradar y exaltar al yo, es un estar destituido de la gloria de Dios. Esto estampa la marca del pecado sobre todos los servicios religiosos de los hombres naturales. Deja al religioso en el mismo estado terrible que al irreligioso; derriba al mundo que profesa con la misma espada que abate al mundo profano. Cuando los hombres en estado natural son lo que se llama “religiosos”, ¿es el fin y la meta de su religión la gloria de Dios, la gloria de la libre gracia, la gloria del Mediador entre Dios y los hombres, la gloria del Espíritu Santo, el único Maestro del pueblo de Dios? Tómela usted en su mejor y más brillante forma: ¿no es otra forma de egoísmo, para exaltar su propia justicia y subir al cielo por la escalera de sus propias obras?
¿Y no es esto estar destituido de la gloria de Dios? Pero además de eso, la misma gloria de Dios exige que todo aquel que sea aceptado delante de Él esté sin mancha, sin mota, sin tacha ni defecto. Un Dios puro no puede aceptar la impureza, no puede mirarla, no puede complacerse en ella; y en la misma proporción que la pureza infinita y la santidad inefable de Jehová, toda impureza, toda carnalidad, toda falta de santidad y la más leve desviación de la perfección absoluta tienen que ser aborrecibles y horribles a Sus ojos.
Ahora bien, esto lo llegan a sentir, en mayor o menor medida, todos los de la ‘elección de gracia’. Es la preparación solemne e indispensable del corazón para la misericordia; es la introducción, por la mano del Espíritu, en la antecámara del Rey de reyes. Es llevar al alma a aquel lugar, al único lugar, donde la gracia se siente, se recibe y se conoce. Es, por tanto, absolutamente indispensable para la elección de gracia, para toda la familia rescatada y vivificada de Dios, sentir esto en su conciencia: que “pecaron, y están destituidos de la gloria de Dios”.
Al lector…
¡Qué poco comprendemos lo que es estar destituidos de la gloria de Dios! Es una palabra dura, que alcanza aun a nuestra mejor religión, pues ¿cuántas veces, después de todo, nos hemos buscado a nosotros mismos en nuestro orar y en nuestro hacer? Un Dios sin mancha no puede complacerse en un pecador manchado. ¿Está usted siendo convencido de esto, y ve su propia justicia como una escalera que no lleva a ninguna parte? Entonces no aleje de sí esa convicción. No es señal de que Dios le esté rechazando.
Al contrario, aquí se la llama la introducción, por la mano del Espíritu, en la antecámara del Rey de reyes. Es el único lugar donde la gracia se gusta, se recibe y se conoce. Quien aprende que ha pecado y está destituido de la gloria de Dios es llevado allí donde la libre gracia lo llega a ser todo. Déjese, pues, abatir de este modo, y alce los ojos al Mediador, en Quien la gloria de Dios y el rescate del pecador se encuentran.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl