4 de junio
Want wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.
Romeinen 3:23
Wat wil het zeggen, de heerlijkheid Gods te derven? Het is te handelen zonder opzicht tot Zijn heerlijkheid. Nu, alles wat wij ooit gedaan hebben, wat niet gedaan is in eenvoudigheid tot Gods heerlijkheid, heeft het brandmerk der zonde op zich afgedrukt. Doch wie had ooit in een onwedergeboren staat, als gevallen zoon van gevallen ouders, een oog voor de heerlijkheid Gods? Kwam het ooit in een natuurlijk mensenhart op om tot Gods eer te spreken, te handelen, te raadplegen en te leven? Aleer zulk een gedachte, zulk een verlangen ooit in ons gemoed kan opkomen, moeten wij Hem hebben aanschouwd, Die onzichtbaar is; moeten wij een geloofsgezicht hebben gehad van de drie-enige God. Er moet door de Heilige Geest ons gegeven zijn een eenvoudig oog om te zien dat deze heerlijkheid alle ondermaanse heerlijkheid te boven gaat.
Elke beweging dan van het eigenlievend hart, elk verlangen ons te bevredigen, te vergenoegen, derft de heerlijkheid Gods. Dit brandmerkt alle natuurlijke godsdienst des mensen met het brandmerk der zonde. Het laat de godsdienstige mens in dezelfde treurige staat als de ongodsdienstige; het houwt de belijdende wereld met hetzelfde zwaard terneder waarmede het de spotter treft. Wanneer men in de natuurstaat is, wat men godsdienstig noemt, is dan de bedoeling en het oogmerk daarvan de heerlijkheid Gods, de heerlijkheid van vrije genade, de heerlijkheid van de Middelaar tussen God en mensen, de heerlijkheid van de Heilige Geest, de enige Leermeester van het volk van God? Neem het op zijn best, in zijn beste vorm, is het niet slechts een andere gedaante van eigenliefde, om de eigengerechtigheid te verhogen en ten hemel op te klimmen door de ladder van eigen werken? En is dit niet een derven van de heerlijkheid Gods?
Maar behalve dit, de heerlijkheid Gods vereist dat allen die Hem aangenaam zullen zijn, moeten zijn zonder vlek of rimpel of iets dergelijks. Een vlekkeloos God kan niet aannemen, niet zien op, geen vergenoegen hebben in een bevlekt zondaar; en juist in verhouding tot de oneindige zuiverheid en onuitsprekelijke heerlijkheid van Jehova moet alle onzuiverheid, alle vleselijkheid, alle onheiligheid en de minste afwijking van de volstrekte volmaaktheid in Zijn oog hatelijk en verfoeilijk zijn. Welnu, al de uitverkorenen worden, zij het in min of meerdere mate, hierin onderwezen. Het is de ernstige en noodzakelijke voorbereiding van het hart door genade; het is de inleiding, door de hand des Geestes, in de voorkamer van de Koning der koningen.
Het is een brengen van de ziel op die plaats, de enige plaats, waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Het is derhalve voor de gekenden door genade, voor al de vrijgekochte en levendgemaakte kinderen van God ten uiterste noodzakelijk dat zij in hun consciënties zijn overtuigd geworden dat zij allen gezondigd hebben en derven de heerlijkheid Gods.
Aan de lezer…
Hoe weinig beseffen wij wat het is de heerlijkheid Gods te derven! Het is een hard woord, dat ook onze beste godsdienst treft, want hoe vaak zochten wij in ons bidden en doen toch onszelf? Een vlekkeloos God kan geen vergenoegen hebben in een bevlekt zondaar. Wordt u daarvan overtuigd, en ziet u uw eigengerechtigheid als een ladder die nergens heen leidt, verdrijf die overtuiging dan niet. Zij is geen teken dat God u verwerpt.
Ik noem het juist de inleiding, door de hand des Geestes, in de voorkamer van de Koning der koningen. Het is de enige plaats waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Wie leert dat hij gezondigd heeft en de heerlijkheid Gods derft, wordt gebracht waar vrije genade alles wordt. Laat u dan zo neerleggen, en zie op naar de Middelaar, in Wie de heerlijkheid Gods en de redding van de zondaar samenkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.
Romeinen 3:23
Wat wil het zeggen dat wij de heerlijkheid Gods derven? Het betekent dat wij handelen zonder te letten op Zijn heerlijkheid. Alles wat wij ooit gedaan hebben en wat niet in eenvoud tot Gods heerlijkheid gedaan is, draagt daarom het brandmerk van de zonde. Maar wie had in een onwedergeboren staat, als gevallen zoon van gevallen ouders, ooit oog voor de heerlijkheid van God? Kwam het ooit in een natuurlijk mensenhart op om tot Gods eer te spreken, te handelen, te overleggen en te leven? Voordat zo’n gedachte, zo’n verlangen ooit in ons kan opkomen, moeten wij Hem hebben gezien Die onzichtbaar is, en moeten wij een geloofsgezicht hebben gehad van de drie-enige God. De Heilige Geest moet ons een eenvoudig oog gegeven hebben om te zien dat deze heerlijkheid alle aardse heerlijkheid te boven gaat.
Elke beweging van het eigenlievende hart, elk verlangen om onszelf te bevredigen en te behagen, derft dus de heerlijkheid van God. Dit drukt op alle natuurlijke godsdienst van de mens het brandmerk van de zonde. Het laat de godsdienstige mens in dezelfde treurige staat als de ongodsdienstige; het slaat de belijdende wereld neer met hetzelfde zwaard waarmee het de spotter treft. Wanneer iemand in de natuurstaat iets doet wat hij godsdienstig noemt, is dan het doel en de bedoeling daarvan de heerlijkheid van God, de heerlijkheid van de vrije genade, de heerlijkheid van de Middelaar tussen God en mensen, de heerlijkheid van de Heilige Geest, de enige Leermeester van het volk van God? Neem het op zijn best, in zijn beste vorm: is het dan niet slechts een andere gedaante van eigenliefde, om de eigengerechtigheid te verhogen en langs de ladder van eigen werken naar de hemel te klimmen? En is dit niet een derven van de heerlijkheid van God?
Maar daarnaast vereist de heerlijkheid van God dat allen die Hem aangenaam zullen zijn, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zijn. Een vlekkeloos God kan een bevlekte zondaar niet aannemen, niet aanzien en geen behagen in hem hebben. Juist naar de maat van de oneindige zuiverheid en onuitsprekelijke heerlijkheid van Jehova moet alle onreinheid, alle vleselijkheid, alle onheiligheid en de minste afwijking van de volstrekte volmaaktheid in Zijn oog hatelijk en verfoeilijk zijn. Welnu, alle uitverkorenen worden hierin onderwezen, in meerdere of mindere mate. Het is de ernstige en noodzakelijke voorbereiding van het hart door de genade; het is de inleiding, door de hand van de Geest, in de voorkamer van de Koning der koningen.
Het is het brengen van de ziel op die plaats, de enige plaats, waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Daarom is het voor hen die door genade gekend zijn, voor alle vrijgekochte en levendgemaakte kinderen van God, uiterst noodzakelijk dat zij in hun geweten ervan overtuigd zijn dat zij allen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven.
Aan de lezer…
Hoe weinig beseffen wij wat het is de heerlijkheid van God te derven! Het is een hard woord, dat ook onze beste godsdienst treft, want hoe vaak zochten wij in ons bidden en doen toch onszelf? Een vlekkeloos God kan geen behagen hebben in een bevlekte zondaar. Wordt u daarvan overtuigd, en ziet u uw eigengerechtigheid als een ladder die nergens heen leidt? Verdrijf die overtuiging dan niet. Zij is geen teken dat God u verwerpt.
Ik noem het juist de inleiding, door de hand van de Geest, in de voorkamer van de Koning der koningen. Het is de enige plaats waar genade wordt gesmaakt, ontvangen en gekend. Wie leert dat hij gezondigd heeft en de heerlijkheid van God derft, wordt gebracht waar de vrije genade alles wordt. Laat u dan zo neerleggen, en zie op naar de Middelaar, in Wie de heerlijkheid van God en de redding van de zondaar samenkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For all have sinned, and come short of the glory of God.
Romans 3:23
What is it to “come short of the glory of God?” It is to act without a view to His glory. Now everything that we have ever done, which has not been done with a single eye to God’s glory, has the brand of sin stamped on it. But who in an unregenerate state, who, as the fallen son of a fallen parent, ever had an eye to the glory of God? Did such a thing ever enter into man’s natural heart as to speak to God’s glory, act to His glory, consult His glory, and live to His glory? Before ever such a thought, such a desire can cross our breast, we must have seen Him Who is invisible; we must have had a view by faith of the glory of the Three-One God; we must have had a single eye given us by the Holy Spirit to see that glory outshining all creature good.
Every movement, then, of the selfish heart, every desire to gratify, please and exalt self, is a coming short of the glory of God. This stamps all natural men’s religious services with the brand of sin. It leaves the religious in the same dreadful state as the irreligious; it hews down the professing world with the same sword that cuts down the profane world. When men in a state of nature are what is called “religious,” is their religion’s end and aim the glory of God, the glory of free grace, the glory of the Mediator between God and man, the glory of the Holy Spirit, the only Teacher of God’s people? Take it in its best, its brightest shape, is it not another form of selfishness, to exalt their own righteousness, and climb to heaven by the ladder of their own doings?
And is not this a coming short of the glory of God? But besides that, the very glory of God requires that every one accepted in His sight should be without spot, speck, stain or blemish. A pure God cannot accept, cannot look upon, cannot be pleased with impurity; and just in proportion to the infinite purity and ineffable holiness of Jehovah, must all impurity, all carnality, all unholiness, and the slightest deviation from absolute perfection be hateful and horrible in His sight.
Now this all the ‘election of grace’ are brought more or less to feel. It is the solemn and indispensable preparation of the heart for mercy; it is the introduction by the hand of the Spirit into the antechamber of the King of kings. It is the bringing of the soul to that spot, that only spot, where grace is felt, received, and known. It is, therefore, utterly indispensable for the election of grace, for all the ransomed and quickened family of God, to have this felt in their conscience, that they “have sinned, and come short of the glory of God.”
To the reader…
How little we realise what it is to come short of the glory of God! It is a hard word, which strikes even our best religion, for how often have we sought ourselves after all in our praying and doing? A spotless God can take no pleasure in a stained sinner. Are you being convinced of this, and do you see your own righteousness as a ladder that leads nowhere? Then do not drive that conviction away. It is no sign that God is rejecting you.
On the contrary, it is called here the introduction, by the hand of the Spirit, into the antechamber of the King of kings. It is the only place where grace is tasted, received and known. Whoever learns that he has sinned and comes short of the glory of God is brought to where free grace becomes everything. Let yourself be laid low in this way, then, and look up to the Mediator, in Whom the glory of God and the rescue of the sinner meet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por cuanto todos pecaron, y están destituidos de la gloria de Dios.
Romanos 3:23
¿Qué es estar “destituidos de la gloria de Dios”? Es obrar sin mirar a Su gloria. Ahora bien, todo cuanto hemos hecho alguna vez que no haya sido hecho con la mirada puesta únicamente en la gloria de Dios lleva estampada la marca del pecado. Pero ¿quién, en estado no regenerado, quién, como hijo caído de un padre caído, tuvo jamás la mirada puesta en la gloria de Dios? ¿Entró alguna vez en el corazón natural del hombre algo así como hablar para la gloria de Dios, obrar para Su gloria, buscar Su gloria y vivir para Su gloria? Antes de que tal pensamiento, tal deseo, pueda cruzar nuestro pecho, tenemos que haber visto al Invisible; tenemos que haber tenido por la fe una vista de la gloria del Dios Trino; tenemos que haber recibido del Espíritu Santo un ojo sencillo para ver esa gloria resplandecer por encima de todo bien de criatura.
Todo movimiento, pues, del corazón egoísta, todo deseo de complacer, agradar y exaltar al yo, es un estar destituido de la gloria de Dios. Esto estampa la marca del pecado sobre todos los servicios religiosos de los hombres naturales. Deja al religioso en el mismo estado terrible que al irreligioso; derriba al mundo que profesa con la misma espada que abate al mundo profano. Cuando los hombres en estado natural son lo que se llama “religiosos”, ¿es el fin y la meta de su religión la gloria de Dios, la gloria de la libre gracia, la gloria del Mediador entre Dios y los hombres, la gloria del Espíritu Santo, el único Maestro del pueblo de Dios? Tómela usted en su mejor y más brillante forma: ¿no es otra forma de egoísmo, para exaltar su propia justicia y subir al cielo por la escalera de sus propias obras?
¿Y no es esto estar destituido de la gloria de Dios? Pero además de eso, la misma gloria de Dios exige que todo aquel que sea aceptado delante de Él esté sin mancha, sin mota, sin tacha ni defecto. Un Dios puro no puede aceptar la impureza, no puede mirarla, no puede complacerse en ella; y en la misma proporción que la pureza infinita y la santidad inefable de Jehová, toda impureza, toda carnalidad, toda falta de santidad y la más leve desviación de la perfección absoluta tienen que ser aborrecibles y horribles a Sus ojos.
Ahora bien, esto lo llegan a sentir, en mayor o menor medida, todos los de la ‘elección de gracia’. Es la preparación solemne e indispensable del corazón para la misericordia; es la introducción, por la mano del Espíritu, en la antecámara del Rey de reyes. Es llevar al alma a aquel lugar, al único lugar, donde la gracia se siente, se recibe y se conoce. Es, por tanto, absolutamente indispensable para la elección de gracia, para toda la familia rescatada y vivificada de Dios, sentir esto en su conciencia: que “pecaron, y están destituidos de la gloria de Dios”.
Al lector…
¡Qué poco comprendemos lo que es estar destituidos de la gloria de Dios! Es una palabra dura, que alcanza aun a nuestra mejor religión, pues ¿cuántas veces, después de todo, nos hemos buscado a nosotros mismos en nuestro orar y en nuestro hacer? Un Dios sin mancha no puede complacerse en un pecador manchado. ¿Está usted siendo convencido de esto, y ve su propia justicia como una escalera que no lleva a ninguna parte? Entonces no aleje de sí esa convicción. No es señal de que Dios le esté rechazando.
Al contrario, aquí se la llama la introducción, por la mano del Espíritu, en la antecámara del Rey de reyes. Es el único lugar donde la gracia se gusta, se recibe y se conoce. Quien aprende que ha pecado y está destituido de la gloria de Dios es llevado allí donde la libre gracia lo llega a ser todo. Déjese, pues, abatir de este modo, y alce los ojos al Mediador, en Quien la gloria de Dios y el rescate del pecador se encuentran.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl