5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen: anderszins zo zoude Ik het u gezegd hebben; Ik ga henen om u plaats te bereiden.
Johannes 14:2
O, konden wij onze ogen maar opheffen naar dat gezegende verblijf, naar die woningen van hemelse gelukzaligheid waar geen verdriet meer zal zijn. Waar de zonde niet meer is, waar de tranen van alle gezichten worden afgewist; waar geen pijn meer is, geen verwoestende ziekte, geen bedroefde ziel, geen twijfel, geen angst, geen duisternis of lijden, maar onvermengd geluk en vreugde. Daar zullen ziel en lichaam lofliederen zingen ter ere van God en het Lam!
En wat nog meer is, wij zullen deze heerlijkheden, die zich voor eeuwig en altijd aan de rechterhand van God bevinden, voor eeuwig genieten. Terwijl onze verbeelding zich uitstrekt tot het hoogste begrip van de nooit eindigende eeuwigheid, duizelen onze gedachten, hoewel het geloof de gezegende waarheid aanvaardt. Ja, in dat gelukkige land zullen de onsterfelijke ziel en het onsterfelijke lichaam hun krachten en vermogens verenigen om in de hoogste mate te genieten van alles wat God heeft weggelegd voor hen die Hem liefhebben.
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God,
mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen!
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot,
dat Gij zo mild voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren!
O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend,
waarvan in druk ’t vooruitzicht mij verheugde.
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde.
De lieflijkheên van ’t zalig hemelleven
zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.
Ps. 16:3 en 6
Aan de lezer…
Misschien bent u vandaag moe van het verdriet van dit leven: van ziekte die u verzwakt, van twijfel en angst, van de zonde die u nog steeds aankleeft. Hef dan uw ogen op naar het huis des Vaders, waar vele woningen zijn. Daar is geen zonde meer en geen pijn, geen bedroefde ziel en geen duisternis; daar worden de tranen van alle gezichten afgewist en is er onvermengd geluk.
En hoor Wie dat zegt: „Ik ga henen om u plaats te bereiden.” Het is Christus Zelf Die de plaats bereidt; het hangt niet af van wat u kunt verdienen. Uw gedachten mogen duizelen bij de gedachte aan de eeuwigheid, het geloof mag die gezegende waarheid toch aannemen. Laat het u sterken voor de weg die nog voor u ligt: wat God weggelegd heeft voor hen die Hem liefhebben, zal ziel en lichaam eens ten volle genieten, eeuwig.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen: anderszins zo zoude Ik het u gezegd hebben; Ik ga henen om u plaats te bereiden.
Johannes 14:2
Konden wij onze ogen maar opheffen naar dat gezegende verblijf, naar die woningen van hemelse gelukzaligheid waar geen verdriet meer zal zijn! Daar is de zonde niet meer en worden de tranen van alle gezichten afgewist. Daar is geen pijn meer, geen slopende ziekte, geen bedroefde ziel, geen twijfel, geen angst, geen duisternis of lijden, maar onvermengd geluk en vreugde. Daar zullen ziel en lichaam lofliederen zingen ter ere van God en het Lam!
En wat nog meer is: wij zullen deze heerlijkheden, die voor eeuwig en altijd aan de rechterhand van God zijn, eeuwig genieten. Wanneer onze verbeelding zich uitstrekt naar het hoogste begrip van de nooit eindigende eeuwigheid, duizelen onze gedachten, al aanvaardt het geloof die gezegende waarheid wel. Ja, in dat gelukkige land zullen de onsterfelijke ziel en het onsterfelijke lichaam hun krachten en vermogens verenigen om in de hoogste mate te genieten van alles wat God heeft weggelegd voor hen die Hem liefhebben.
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God,
mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen!
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot,
dat Gij zo mild voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren!
O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend,
waarvan in druk ’t vooruitzicht mij verheugde.
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde.
De lieflijkheên van ’t zalig hemelleven
zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.
Ps. 16:3 en 6
Aan de lezer…
Misschien bent u vandaag moe van het verdriet van dit leven: van ziekte die u verzwakt, van twijfel en angst, van de zonde die u nog altijd aankleeft. Hef dan uw ogen op naar het huis van de Vader, waar vele woningen zijn. Daar is geen zonde meer en geen pijn, geen bedroefde ziel en geen duisternis. Daar worden de tranen van alle gezichten afgewist en is er onvermengd geluk.
En hoor Wie dat zegt: „Ik ga henen om u plaats te bereiden.” Het is Christus Zelf Die de plaats bereidt; het hangt niet af van wat u kunt verdienen. Uw gedachten mogen duizelen bij de gedachte aan de eeuwigheid, toch mag het geloof die gezegende waarheid aannemen. Laat het u sterken voor de weg die nog voor u ligt: wat God heeft weggelegd voor hen die Hem liefhebben, zullen ziel en lichaam eens ten volle genieten, voor eeuwig.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In My Father’s house are many mansions: if it were not so, I would have told you. I go to prepare a place for you.
John 14:2
O that we could lift our eyes to those blest abodes, those mansions of heavenly bliss, where no sorrow intrudes, where sin is unknown, where tears are wiped from off all faces, where there is no languishing body, no wasting sickness, no pining soul, no doubt, fear, darkness or distress; but one unmingled scene of happiness and pleasure, and the whole soul and body are engaged in singing the praises of God and the Lamb! And what crowns the whole, there is the eternal enjoyment of those pleasures which are at the right hand of God for evermore. But how lost are we in the contemplation of these things; and though our imagination may seem to stretch itself beyond the utmost conception of the mind, into the countless ages of a never-ending eternity, yet are we baffled with the thought, though faith embraces the blessed truth. But in that happy land, the immortal soul and the immortal body will combine their powers and faculties to enjoy to the uttermost all that God has prepared for those that love Him.
To the reader…
Perhaps today you are weary of the sorrows of this life: of sickness that weakens you, of doubt and fear, of the sin that still clings to you. Then lift up your eyes to the Father’s house, where there are many mansions. There is no more sin and no pain there, no grieving soul and no darkness. There tears are wiped from all faces, and there is unmingled happiness.
And hear Who says it: “I go to prepare a place for you.” It is Christ Himself Who prepares the place; it does not depend on what you can earn. Your thoughts may reel at the thought of eternity, yet faith may lay hold of that blessed truth. Let it strengthen you for the road that still lies before you: what God has prepared for those who love Him, soul and body shall one day fully enjoy, for ever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En la casa de Mi Padre muchas moradas hay: de otra manera os lo hubiera dicho: voy, pues, a preparar lugar para vosotros.
Juan 14:2
¡Oh, si pudiéramos alzar nuestros ojos a aquellas benditas moradas, aquellas mansiones de dicha celestial, donde no entra el dolor, donde el pecado es desconocido, donde las lágrimas son enjugadas de todos los rostros, donde no hay cuerpo que languidezca, ni enfermedad que consuma, ni alma que se aflija, ni duda, temor, oscuridad o angustia; sino una sola escena, sin mezcla, de felicidad y deleite, y el alma y el cuerpo enteros se ocupan en cantar las alabanzas de Dios y del Cordero! Y lo que corona todo, allí está el goce eterno de aquellos deleites que hay a la diestra de Dios para siempre. Pero ¡cuán perdidos quedamos en la contemplación de estas cosas! Y aunque nuestra imaginación parezca extenderse más allá de la máxima concepción de la mente, hacia las incontables edades de una eternidad sin fin, quedamos desconcertados ante el pensamiento, aunque la fe abrace la bendita verdad. Pero en aquella tierra dichosa, el alma inmortal y el cuerpo inmortal unirán sus potencias y facultades para gozar hasta lo sumo de todo lo que Dios ha preparado para aquellos que Le aman.
Al lector…
Quizá hoy esté usted cansado de las penas de esta vida: de la enfermedad que le debilita, de la duda y el temor, del pecado que todavía se le adhiere. Alce entonces los ojos a la casa del Padre, donde hay muchas moradas. Allí ya no hay pecado ni dolor, ni alma afligida ni oscuridad. Allí las lágrimas son enjugadas de todos los rostros, y hay felicidad sin mezcla.
Y oiga Quién lo dice: “Voy, pues, a preparar lugar para vosotros”. Es Cristo mismo Quien prepara el lugar; no depende de lo que usted pueda merecer. Sus pensamientos pueden aturdirse ante la idea de la eternidad, pero la fe puede asirse de esa bendita verdad. Que ello le fortalezca para el camino que aún tiene por delante: lo que Dios ha preparado para aquellos que Le aman, el alma y el cuerpo lo gozarán un día plenamente, para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zaligmaken dat verloren was
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Heere brengt op verschillende wijze het besef van onze verloren toestand bij ons teweeg. Bij sommigen wellicht plotseling, bij anderen op een geleidelijker manier. Allen brengt Hij echter uiteindelijk tot hetzelfde punt: dat ze zich volkomen verloren voelen. Men moet zijn leven verliezen om het te vinden; men moet zijn godsdienst verliezen om hem te verwerven; men moet zijn macht en sterkte verliezen, meer nog, zijn alles, voordat men nieuwe kracht en een nieuwe wil via het Evangelie van de genade Gods ontvangt. „De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.”
Hier is een arme zondaar die bittere dingen tegen zichzelf schrijft. Helaas! Hij is zijn hele godsdienst kwijtgeraakt. O, wat was hij ooit godsdienstig! Wat liep hij rustig naar de kerk met zijn Bijbel onder de arm, en hij keek zo vroom en heilig als hij maar kon! Wat las hij vaak in de Heilige Schrift, en bad hij op zijn manier, en dacht hij dat hij al met één been in de hemel stond. Maar er is een lichtstraal in zijn ziel gekomen die hem heeft getoond wie en wat God is, wat de zonde en een zondig hart zijn, en wie en wat hijzelf als zondaar is.
Als u dit hebt meegemaakt, mag ik u dan vragen waar uw vroegere godsdienst is gebleven? U hebt hem verloren, en dat is maar goed ook. We vinden nooit de juiste godsdienst tot we de verkeerde zijn kwijtgeraakt; vinden nooit Christus tot we onszelf hebben verloren; vinden nooit genade tot we wat Bunyan, dacht ik, onze eigen „zielige zelfheiligheid” noemt, zijn kwijtgeraakt; en we beleven nooit de schoonheid en zaligheid van verlossing door genade tot we wanhopig zijn geworden van verlossing door de werken des vlezes. „De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.” Maar hoe maakt Hij zalig? Door het Evangelie.
Er is wellicht iemand die uitroept met Jona: „Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen.” Jona moest de buik van de walvis ingaan, de buik van de hel, om zichzelf verloren te voelen en om zijn Farizeïsme te verdrinken. Toen hij uitriep: „Ik ben uitgestoten!” was dat de beste redevoering die Jona ooit in zijn leven hield. En toen hij zei: „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen!” was dat de beste blik die Jona ooit in zijn leven wierp. Want het waren die uitroep en die blik die Jona uit de buik van de hel brachten. En hoewel ik niet wil beweren dat we in de buik van de walvis moeten worden geworpen, of zelfs in de buik van de hel, moeten we toch iets van wat Jona ondervond zelf ook beleven, voordat we een verlossing als die van Jona kunnen meemaken.
Lezen: Jona 2
Aan de lezer…
Bekommerde ziel, voelt u zich kwijt? Is uw godsdienst u ontvallen, die godsdienst waarmee u zo rustig naar de kerk ging en meende al met één been in de hemel te staan? Schrik dan niet te zeer. Het licht dat u toonde wie God is en wat u zelf bent, is geen vijand, maar een bode van genade. Wat u verloren hebt, moest verloren worden, opdat u iets beters zou vinden.
Want de Zoon des mensen is niet gekomen voor hen die nog iets in handen hebben, maar om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Roept u met Jona: „Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen”? Laat dan die uitroep niet uw laatste woord zijn. Sla met hem uw oog op naar de tempel Zijner heiligheid. Die blik heeft Jona uit de diepte gebracht, en Hij Die hem hoorde, is nog dezelfde voor een arme, verloren zondaar als u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Heere brengt het besef van onze verloren toestand op verschillende manieren bij ons teweeg. Bij sommigen misschien plotseling, bij anderen meer geleidelijk. Maar allen brengt Hij uiteindelijk tot hetzelfde punt: dat ze zich volkomen verloren voelen. Men moet zijn leven verliezen om het te vinden. Men moet zijn godsdienst verliezen om hem te verwerven. Men moet zijn macht en kracht verliezen, ja, zijn alles, voordat men door het Evangelie van de genade van God nieuwe kracht en een nieuwe wil ontvangt. „De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.”
Hier is een arme zondaar die bittere dingen tegen zichzelf schrijft. Helaas! Hij is zijn hele godsdienst kwijtgeraakt. O, wat was hij eens godsdienstig! Wat liep hij rustig naar de kerk met zijn Bijbel onder de arm, en wat keek hij zo vroom en heilig als hij maar kon! Wat las hij vaak in de Heilige Schrift, wat bad hij op zijn manier, en wat dacht hij dat hij al met één been in de hemel stond! Maar er is een lichtstraal in zijn ziel gekomen die hem heeft laten zien wie en wat God is, wat de zonde en een zondig hart zijn, en wie en wat hijzelf als zondaar is.
Als u dit hebt meegemaakt, mag ik u dan vragen waar uw vroegere godsdienst gebleven is? U bent hem kwijtgeraakt, en dat is maar goed ook. We vinden nooit de juiste godsdienst voordat we de verkeerde kwijt zijn. We vinden nooit Christus voordat we onszelf verloren hebben. We vinden nooit genade voordat we kwijt zijn wat Bunyan, meen ik, onze eigen „zielige zelfheiligheid” noemt. En we ervaren nooit de schoonheid en zaligheid van verlossing door genade voordat we gewanhoopt hebben aan verlossing door de werken van het vlees. „De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.” Maar hoe maakt Hij zalig? Door het Evangelie.
Misschien is er iemand die met Jona uitroept: „Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen.” Jona moest in de buik van de vis, in de buik van de hel, om zich verloren te voelen en om zijn farizeïsme te verdrinken. Toen hij uitriep: „Ik ben uitgestoten!”, was dat de beste rede die Jona ooit in zijn leven hield. En toen hij zei: „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen!”, was dat de beste blik die Jona ooit in zijn leven wierp. Want juist die uitroep en die blik brachten Jona uit de buik van de hel. Ik wil niet beweren dat we in de buik van de vis geworpen moeten worden, of zelfs in de buik van de hel; toch moeten we zelf iets beleven van wat Jona ondervond, voordat we een verlossing als die van Jona kunnen meemaken.
Lezen: Jona 2
Aan de lezer…
Bekommerde ziel, voelt u zich kwijt? Is uw godsdienst u ontvallen, die godsdienst waarmee u zo rustig naar de kerk ging en meende al met één been in de hemel te staan? Schrik dan niet te zeer. Het licht dat u liet zien wie God is en wat u zelf bent, is geen vijand, maar een bode van genade. Wat u verloren hebt, moest verloren gaan, zodat u iets beters zou vinden.
Want de Zoon des mensen is niet gekomen voor hen die nog iets in handen hebben, maar om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Roept u met Jona: „Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen”? Laat die uitroep dan niet uw laatste woord zijn. Sla met hem uw oog op naar de tempel van Zijn heiligheid. Die blik heeft Jona uit de diepte gebracht, en Hij Die hem hoorde, is nog Dezelfde voor een arme, verloren zondaar als u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
The Lord brings about in us the sense of our lost condition in various ways. In some perhaps suddenly, in others more gradually. But He brings all at last to the same point: that they feel themselves utterly lost. A man must lose his life to find it. He must lose his religion to gain it. He must lose his power and strength, yes, his all, before he receives new strength and a new will through the gospel of the grace of God. “The Son of man is come to save that which was lost.”
Here is a poor sinner writing bitter things against himself. Alas! He has lost all his religion. Oh, how religious he once was! How comfortably he walked to church with his Bible under his arm, and how pious and holy he looked, as much as ever he could! How often he read the Holy Scriptures, how he prayed after his fashion, and how he thought he already had one foot in heaven! But a ray of light has come into his soul which has shown him who and what God is, what sin and a sinful heart are, and who and what he himself is as a sinner.
If you have passed through this, may I ask you where your former religion has gone? You have lost it, and it is well that you have. We never find the right religion until we have lost the wrong one. We never find Christ until we have lost ourselves. We never find grace until we have lost what Bunyan, I believe, calls our own “pitiful self-holiness.” And we never know the beauty and blessedness of salvation by grace until we have despaired of salvation by the works of the flesh. “The Son of man is come to save that which was lost.” But how does He save? By the gospel.
Perhaps there is one who cries out with Jonah, “I am cast out of Thy sight.” Jonah had to go into the belly of the fish, into the belly of hell, to feel himself lost and to drown his Pharisaism. When he cried out, “I am cast out!” it was the best speech Jonah ever made in his life. And when he said, “Yet I will look again toward Thy holy temple!” it was the best look Jonah ever gave in his life. For that very cry and that very look brought Jonah out of the belly of hell.
I do not mean to say that we must be cast into the belly of the fish, or even into the belly of hell; yet we must ourselves experience something of what Jonah passed through before we can know a deliverance like Jonah’s.
Reading: Jonah 2
To the reader…
Troubled soul, do you feel lost? Has your religion slipped away from you, that religion with which you went so comfortably to church and thought you already stood with one foot in heaven? Then do not be too alarmed. The light that showed you who God is and what you yourself are is no enemy, but a messenger of grace. What you have lost had to be lost, so that you might find something better.
For the Son of man did not come for those who still have something in their hands, but to seek and to save that which was lost. Do you cry out with Jonah, “I am cast out of Thy sight”? Then do not let that cry be your last word. Lift up your eyes with him toward His holy temple. That look brought Jonah up out of the depths, and He Who heard him is still the same for a poor, lost sinner like you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
El Señor produce en nosotros el sentir de nuestra condición perdida de diversas maneras. En algunos quizá de repente, en otros más gradualmente. Pero a todos los lleva al fin al mismo punto: que se sientan completamente perdidos. Un hombre tiene que perder su vida para hallarla. Tiene que perder su religión para ganarla. Tiene que perder su poder y su fuerza, sí, su todo, antes de recibir nueva fuerza y una nueva voluntad por medio del evangelio de la gracia de Dios. “El Hijo del hombre vino a salvar lo que se había perdido.”
He aquí un pobre pecador que escribe cosas amargas contra sí mismo. ¡Ay! Ha perdido toda su religión. ¡Oh, qué religioso era antes! ¡Con qué comodidad iba a la iglesia con su Biblia bajo el brazo, y qué piadoso y santo parecía, tanto como podía! ¡Cuántas veces leía las Sagradas Escrituras, cómo oraba a su manera, y cómo pensaba que ya tenía un pie en el cielo! Pero ha entrado en su alma un rayo de luz que le ha mostrado quién y qué es Dios, qué son el pecado y un corazón pecaminoso, y quién y qué es él mismo como pecador.
Si usted ha pasado por esto, ¿puedo preguntarle adónde se ha ido su religión de antes? La ha perdido, y bien está que la haya perdido. Nunca hallamos la religión verdadera hasta que hemos perdido la falsa. Nunca hallamos a Cristo hasta que nos hemos perdido a nosotros mismos. Nunca hallamos la gracia hasta que hemos perdido lo que Bunyan, creo, llama nuestra propia “lastimosa santidad propia”. Y nunca conocemos la hermosura y la bienaventuranza de la salvación por gracia hasta que hemos desesperado de la salvación por las obras de la carne. “El Hijo del hombre vino a salvar lo que se había perdido.” Pero ¿cómo salva? Por el evangelio.
Quizá hay alguno que clama con Jonás: “Desechado soy de delante de Tus ojos.” Jonás tuvo que ir al vientre del pez, al vientre del infierno, para sentirse perdido y ahogar su fariseísmo. Cuando clamó: “¡Desechado soy!”, fue el mejor discurso que Jonás pronunció en toda su vida. Y cuando dijo: “¡Mas aún veré Tu santo templo!”, fue la mejor mirada que Jonás dirigió en toda su vida. Porque ese mismo clamor y esa misma mirada sacaron a Jonás del vientre del infierno.
No quiero decir que tengamos que ser arrojados al vientre del pez, ni siquiera al vientre del infierno; pero sí tenemos que experimentar nosotros mismos algo de lo que pasó Jonás antes de poder conocer una liberación como la de Jonás.
Lectura: Jonás 2
Al lector…
Alma atribulada, ¿se siente perdida? ¿Se le ha escapado su religión, aquella religión con la que iba tan cómodamente a la iglesia y pensaba que ya estaba con un pie en el cielo? Entonces no se alarme demasiado. La luz que le mostró quién es Dios y qué es usted mismo no es un enemigo, sino un mensajero de la gracia. Lo que ha perdido tenía que perderse, para que hallara algo mejor.
Porque el Hijo del hombre no vino por los que todavía tienen algo en las manos, sino a buscar y salvar lo que se había perdido. ¿Clama usted con Jonás: “Desechado soy de delante de Tus ojos”? Entonces no deje que ese clamor sea su última palabra. Alce con él sus ojos hacia Su santo templo. Esa mirada sacó a Jonás de las profundidades, y Aquel que le oyó sigue siendo el mismo para un pobre pecador perdido como usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.
Psalm 118:27
Zijt gij een arm kind van de levende God met een verbroken hart? Is er iets van de Geest van Christus in u? Is er een zwakke overeenkomst met Zijn nederigheid en heilig beeld afgedrukt in uw ziel? Dan bevindt gij uzelf gebonden met touwen aan de hoornen des altaars. Gij gevoelt de sterke banden der noodzakelijkheid en toegenegenheid die u daar vasthouden. Maar daarbij gevoelt gij ook dat gij een tegenspartelend slachtoffer zijt, die gaarne de moeiten en beproevingen die als gevolg van het gebonden zijn aan de hoornen des altaars over u komen, zoudt willen ontgaan; en dat gij gaarne in een minder ruwe weg zoudt wandelen.
Of misschien ontdekt ge in uw hart een gewilligheid om zelf een altaar op te richten, naar het voorbeeld van dat van Damascus (2 Kon. 16:10). Misschien ook zoudt ge blijde zijn om, gelijk de roomsen, uw lichaam met een stoffelijk kruis te vereren, in plaats van in uw ziel de aanbiddelijke Godmens, Die aan het kruis hing en bloedde, de eer toe te brengen. Gij zoudt er de voorkeur aan geven om uit de weg van zelfverzaking, oefening, beproeving en aanvechting over te gaan in een bloeiende weide van leerregels en beschouwingen, waarin gij met gemak zoudt kunnen wandelen, zonder kwelling of beproeving in uw consciëntie. Maar de Heere zegt: „Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.” Van deze hoornen kunt gij niet ontslagen worden.
Gij moogt toornig en gemelijk zijn over u en u verweren in alle of enige van deze koorden, maar gij kunt ze niet verbreken. Gij moogt in uw verweer de koorden tot het uiterste rekken, maar zij zijn te stevig rond uw tedere consciëntie en te sterk om uw verbroken hart bevestigd, dan dat gij ze zoudt kunnen laten springen. Nog eerder zoudt gij uw hart in tweeën splijten, dan dat gij de koorden zoudt kunnen verbreken. En in uw rechte gestalte zijnde, zoudt gij niets anders wensen dan met touwen gebonden te zijn aan de hoornen des altaars. Op uw rechte plaats zijnde, wenst gij de koorden strakker gespannen, om steeds dichter bij het altaar getrokken te mogen worden, en het bloed dat op het altaar vergoten is, op uw consciëntie gesprengd te mogen vinden. In uw rechte gestalte wenst gij het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat eens daarop bloedende de doodsstrijd streed. En wanneer gij op Hem ziet, wenst gij Zijn beeld op uw ziel afgedrukt te krijgen, en ook de vernederende kracht die ervan uitgaat.
Doch wanneer gij aan het altaar verbonden zijt, volgen zulke beproevingen, verzoekingen en opofferingen, dat gij, in uw vlagen van opstand en vleesstrelend gemak, u bij tijden zoudt verblijden los van het altaar te zijn; terwijl er andere tijden volgen waarin gij u zoudt verblijden er nauwer aan verbonden te mogen zijn. Wij zijn snode schepselen, die er menigmaal de voorkeur aan geven het vlees en de wereld te dienen, en om zo te spreken de kans voor de eeuwigheid erop te wagen, liever dan beproevingen en verzoekingen te ondergaan als navolgers van Christus. Maar het is ons geluk dat wij noch vastmaken, noch ontbinden of breken kunnen één koordje van de eeuwige liefde; maar dat in weerwil van het schepsel „God zal vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.”
Aan de lezer…
Bent u, lezer, een arm kind van God met een verbroken hart, en voelt u zich gebonden aan de hoornen des altaars? Misschien spartelt u soms tegen en zou u liever een gemakkelijker weg gaan, zonder beproeving en aanvechting. Wees eerlijk: zo zijn wij allen, snode schepselen die het vlees zo graag sparen. Maar die koorden van noodzaak en liefde zijn sterker dan uw tegenstand. U kunt ze niet verbreken.
En op uw rechte plaats wilt u dat ook niet. Dan wenst u juist dichter bij het altaar getrokken te worden, het bloed op uw consciëntie gesprengd te vinden en het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat daar bloedde. Wat een geluk dat wij geen enkel koordje van de eeuwige liefde kunnen losmaken! God zal in u vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.
Psalm 118:27
Bent u een arm kind van de levende God met een verbroken hart? Is er iets van de Geest van Christus in u? Is er een zwakke gelijkenis met Zijn nederigheid en Zijn heilig beeld in uw ziel afgedrukt? Dan merkt u dat u met touwen gebonden bent aan de hoornen des altaars. U voelt de sterke banden van noodzaak en genegenheid die u daar vasthouden. Maar daarnaast voelt u ook dat u een tegenspartelend offerdier bent, dat graag zou ontkomen aan de moeiten en beproevingen die over u komen doordat u aan de hoornen des altaars gebonden bent, en dat graag een minder ruwe weg zou gaan.
Of misschien ontdekt u in uw hart de bereidheid om zelf een altaar op te richten, naar het voorbeeld van dat van Damascus (2 Kon. 16:10). Misschien zou u ook blij zijn om, zoals de roomsen, uw lichaam met een stoffelijk kruis te sieren, in plaats van in uw ziel de aanbiddelijke Godmens te eren, Die aan het kruis hing en bloedde. U zou liever de weg van zelfverzaking, oefening, beproeving en aanvechting verlaten en overgaan naar een bloeiende weide van leerstellingen en beschouwingen, waar u gemakkelijk zou kunnen wandelen, zonder kwelling of beproeving in uw geweten. Maar de Heere zegt: „Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.” Van deze hoornen kunt u niet losgemaakt worden.
U mag boos en wrevelig zijn en u verzetten tegen al deze koorden of tegen een ervan, maar u kunt ze niet verbreken. U mag de koorden in uw verzet tot het uiterste rekken, maar zij zitten te stevig om uw tedere consciëntie en zijn te sterk om uw verbroken hart bevestigd dan dat u ze zou kunnen laten springen. Eerder zou u uw hart in tweeën splijten dan dat u de koorden zou kunnen verbreken. En wanneer u in uw rechte gestalte bent, zou u niets anders wensen dan met touwen gebonden te zijn aan de hoornen des altaars. Op uw rechte plaats wenst u dat de koorden strakker gespannen worden, zodat u steeds dichter bij het altaar getrokken wordt en merkt dat het bloed dat op het altaar vergoten is, op uw consciëntie gesprengd wordt.
In uw rechte gestalte wenst u het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat daar eens bloedend de doodsstrijd streed. En wanneer u op Hem ziet, wenst u dat Zijn beeld in uw ziel afgedrukt wordt, en dat u ook de vernederende kracht ervaart die ervan uitgaat. Maar wanneer u aan het altaar verbonden bent, volgen er zulke beproevingen, verzoekingen en offers, dat u zich in uw vlagen van opstand en in uw verlangen naar vleselijk gemak soms zou verblijden als u los van het altaar was. Toch volgen er ook andere tijden waarin u zich zou verblijden als u er nauwer aan verbonden mocht zijn.
Wij zijn snode schepselen, die vaak liever het vlees en de wereld dienen en als het ware de kans voor de eeuwigheid erop wagen, dan dat wij als navolgers van Christus beproevingen en verzoekingen ondergaan. Maar het is ons geluk dat wij geen enkel koordje van de eeuwige liefde kunnen vastmaken, losmaken of breken, maar dat, ondanks het schepsel, „God zal vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.”
Aan de lezer…
Bent u, lezer, een arm kind van God met een verbroken hart, en voelt u zich gebonden aan de hoornen des altaars? Misschien spartelt u soms tegen en zou u liever een gemakkelijker weg gaan, zonder beproeving en aanvechting. Wees eerlijk: zo zijn wij allemaal, snode schepselen die het vlees zo graag sparen. Maar die koorden van noodzaak en liefde zijn sterker dan uw verzet. U kunt ze niet verbreken.
En op uw rechte plaats wilt u dat ook niet. Dan wenst u juist dichter bij het altaar getrokken te worden, het bloed op uw consciëntie gesprengd te vinden en het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat daar bloedde. Wat een geluk dat wij geen enkel koordje van de eeuwige liefde kunnen losmaken! God zal in u vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.”
Psalm 118:27
Are you a poor broken-hearted child of the living God? Is there any measure of the Spirit of Christ in you? Is there any faint resemblance of His meekness and holy image stamped upon you? Then you feel yourself bound with cords to the horns of the altar. You feel the strong ties of necessity, and you feel the strong ties of affection binding you there.
But with this, you feel also that you are a struggling victim; that you would gladly escape the troubles and trials that being bound to the horns of the altar brings upon you; you would gladly get into an easier path if you could; or if you dared, would willingly set up some altar yourself, made after the pattern of Damascus (2 Kings 16:10); and would gladly, like the Roman Catholic, worship with your body a material cross, instead of worshiping in your soul the adorable God-Man Who hung and bled there. You would gladly, if you could, step out of a self-loathing, exercised, tried, harassed, and tempted path, to get into the flowery meadow of doctrine and speculation, and there walk at ease without one pang in your conscience, or one trial in your soul.
But the Lord has said, “Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.” You are bound to the horns of the altar. From those horns you cannot escape. You may fume, fret, and rebel against all or any of these cords, but you cannot break them. Aye, you may, in your strugglings, stretch to their utmost extent these cords; but they are too firmly fastened round your tender conscience, and too strongly wreathed round your broken heart, for you to burst them. They would sooner cut your heart in two, than you could break them, or escape from them.
And in your right mind, you would not be otherwise than bound with cords to the horns of the altar. In your right mind, you want the cords tightened, and so to be drawn nearer and nearer unto it; and to have the blood that was shed upon it sprinkled upon your conscience. In your right mind, you want to see with the eye of faith the Victim that once lay bleeding and writhing there; and as you look upon Him, to drink into His image, and to feel the melting power and softening efficacy of that sight.
But, then, connected with it, there are such trials, such temptations, and such sacrifices, that you, in your fits of rebellion or flesh-pleasing ease, would at times as gladly get away, as at other times, you would gladly get near. Vile wretches that we are, who would often prefer to serve the flesh and the world, and take our chance, as men speak, for eternity, than suffer trials and temptations as the followers of Christ! But it is our mercy that we can neither make nor unmake, do nor undo, bind nor break any one cord of eternal love, but that, in spite of the creature, God will “fulfill all the good pleasure of His goodness, and the work of faith with power.”
To the reader…
Are you, dear reader, a poor child of God with a broken heart, and do you feel yourself bound to the horns of the altar? Perhaps at times you struggle against it and would rather take an easier road, without trial or temptation. Be honest: we are all like that, vile creatures who so gladly spare the flesh. But those cords of necessity and love are stronger than your resistance. You cannot break them.
And in your right mind you do not want to. Then you long to be drawn nearer to the altar, to find the blood sprinkled on your conscience, and to fix the eye of faith on the Victim Who bled there. What a mercy that we cannot loosen a single cord of eternal love! God will fulfill in you all the good pleasure of His goodness, and the work of faith with power.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Atad víctimas con cuerdas a los cuernos del altar.”
Salmo 118:27
¿Es usted un pobre hijo del Dios viviente, de corazón quebrantado? ¿Hay en usted alguna medida del Espíritu de Cristo? ¿Hay alguna tenue semejanza de Su mansedumbre y santa imagen impresa en usted? Entonces se siente atado con cuerdas a los cuernos del altar. Siente los fuertes lazos de la necesidad, y siente los fuertes lazos del afecto que le atan allí.
Pero con esto siente también que es una víctima que forcejea; que de buena gana escaparía de las angustias y pruebas que le acarrea el estar atado a los cuernos del altar; que de buena gana pasaría a un camino más fácil si pudiera; o, si se atreviera, levantaría con gusto algún altar por su cuenta, hecho según el modelo del de Damasco (2 Reyes 16:10); y de buena gana, como el católico romano, adoraría con su cuerpo una cruz material, en vez de adorar en su alma al adorable Dios-Hombre que pendió y sangró en ella. De buena gana, si pudiera, saldría de un camino de aborrecimiento de sí mismo, ejercitado, probado, acosado y tentado, para entrar en el prado florido de la doctrina y la especulación, y pasear allí a sus anchas sin una sola punzada en su conciencia ni una sola prueba en su alma.
Pero el Señor ha dicho: “Atad víctimas con cuerdas a los cuernos del altar.” Usted está atado a los cuernos del altar. De esos cuernos no puede escapar. Puede enfurecerse, inquietarse y rebelarse contra todas o cualquiera de estas cuerdas, pero no puede romperlas. Sí, puede, en sus forcejeos, estirar estas cuerdas hasta el máximo; pero están demasiado firmemente atadas alrededor de su conciencia tierna, y demasiado fuertemente enlazadas alrededor de su corazón quebrantado, para que usted las reviente. Antes le partirían el corazón en dos que usted pudiera romperlas o escapar de ellas.
Y en su sano juicio, usted no querría estar de otra manera que atado con cuerdas a los cuernos del altar. En su sano juicio, quiere que las cuerdas se aprieten, y así ser atraído más y más cerca de él; y que la sangre que se derramó sobre él sea rociada sobre su conciencia. En su sano juicio, quiere ver con el ojo de la fe a la Víctima que una vez yació allí sangrando y retorciéndose; y, al mirarle, beber de Su imagen y sentir el poder que derrite y la eficacia que ablanda de esa visión.
Pero, por otro lado, unido a ello hay tales pruebas, tales tentaciones y tales sacrificios, que usted, en sus arrebatos de rebelión o de comodidad complaciente con la carne, a veces se alejaría de buena gana, así como otras veces se acercaría de buena gana. ¡Viles miserables que somos, que a menudo preferiríamos servir a la carne y al mundo y, como dicen los hombres, arriesgarnos en cuanto a la eternidad, antes que padecer pruebas y tentaciones como seguidores de Cristo! Pero es misericordia para nosotros que no podamos hacer ni deshacer, atar ni romper una sola cuerda del amor eterno, sino que, a pesar de la criatura, Dios “cumplirá todo intento de bondad, y toda obra de fe con potencia”.
Al lector…
¿Es usted, querido lector, un pobre hijo de Dios con el corazón quebrantado, y se siente atado a los cuernos del altar? Quizá a veces forcejea contra ello y preferiría tomar un camino más fácil, sin pruebas ni tentaciones. Sea sincero: todos somos así, viles criaturas que con tanto gusto mimamos la carne. Pero esas cuerdas de la necesidad y del amor son más fuertes que su resistencia. No puede romperlas.
Y en su sano juicio tampoco lo quiere. Entonces anhela ser atraído más cerca del altar, hallar la sangre rociada sobre su conciencia y fijar el ojo de la fe en la Víctima que sangró allí. ¡Qué misericordia que no podamos soltar una sola cuerda del amor eterno! Dios cumplirá en usted todo intento de bondad, y toda obra de fe con potencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl