gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En het gebrokene zal Ik verbinden.
Ezechiël 34:16
Bijzondere ziekten eisen bijzondere middelen; maar hier is een algemeen geneesmiddel, een huismiddel. De Heere heeft niet alleen sterke middelen voor gevaarlijke kwalen, maar in de Goddelijke Apotheek heeft Hij versterkende en opwekkende middelen. „Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen; want ik ben krank van de liefde”, roept de Bruid. Zij was bezwijmd en had behoefte aan een opwekkend middel om haar te herstellen.
Zo kan een arme bezwijmende ziel komen om het Evangelie te horen prediken, of haar Bijbel openslaan, en zeggen: „Wat is hier voor mij? Wanneer ik een diepe ervaring hoor beschrijven, schijnt deze mij geheel af te snijden, als zijnde te diep voor mij; en wanneer ik van grote openbaringen hoor, dan snijden ook deze mij af, want zij zijn mij te hoog. Zo schijn ik een vreemdeling te zijn, een verdoolde, die noch kan duiken, noch vliegen, noch zinken, noch rijzen.” Wel, gij zijt ziek; een kranke gelijk in een gasthuis, lijdende aan een krankheid waarvoor de geneesheren stilstaan.
Eindelijk zegt er een, vernuftiger dan zijn ambtgenoten: „Er is geen bijzondere ziekte. Maar de man lijdt, gelijk zovelen in onze gasthuizen, aan gebrek aan voeding, stervende van uitputting. Er moet beter bloed in hem gebracht worden. Hij moet goed vlees en wijn hebben, en een leefregel waardoor hij steeds gevoed wordt, teneinde op deze wijze zijn krachten te herstellen en een nieuw leven in zijn lichaam te brengen.” Zo doet ook de grote Geneesheer Jehova-rophi. „Ik zal het gebrokene verbinden”, versterken, die ziek was.
Het bloed en de gerechtigheid van Jezus, dat vlees hetwelk waarlijk spijs, en dat bloed hetwelk waarlijk drank is, worden de hongerigen gegeven, om hen als met een hemels versterkend middel te doen herleven. Er is balsem in Gilead; daar is ook een Geneesheer; naar die balsem en die Geneesheer zoeken de zielen die krank zijn van de zonden. Zo gij in waarheid zo krank zijt, dan kunt gij er staat op maken: er is een middel in de familie-apotheek. Het is nog niet gevonden, althans gij kunt het niet vinden, maar er is een middel bedacht door oneindige wijsheid en bereid door eeuwige liefde. Het is het enige middel. En wanneer gij dit neemt, zult gij met David in de vreugde uws harten kunnen zeggen: „Loof de Heere, mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam!”
Ps. 143:11
Aan de lezer…
Wie als een bezwijmende ziel de Bijbel openslaat, zucht: „Wat is hier voor mij?” Bent u zo’n ziel? Snijden de diepe ervaringen van anderen u af, en zijn hun hoge openbaringen u te hoog, zodat u zich een vreemdeling voelt, die noch kan zinken noch rijzen? Dan bent u niet zonder hoop, maar ziek, en wel ziek van gebrek aan voeding. Uw kwaal is niet zo bijzonder dat de grote Geneesheer er geen middel voor heeft.
In Zijn apotheek ligt een middel, bedacht door oneindige wijsheid en bereid door eeuwige liefde: het vlees van Jezus, dat waarlijk spijs is, en Zijn bloed, dat waarlijk drank is. Dat wordt juist de hongerigen gegeven. Er is balsem in Gilead, en daar is een Geneesheer. Zoek Hem dan, u die krank bent van de zonden. Hij heeft gezegd: „Het gebrokene zal Ik verbinden”, en Hij zal het doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En het gebrokene zal Ik verbinden.
Ezechiël 34:16
Bijzondere ziekten vragen om bijzondere middelen, maar hier is een algemeen geneesmiddel, een huismiddel. De Heere heeft niet alleen sterke middelen voor gevaarlijke kwalen, maar in de Goddelijke apotheek heeft Hij ook versterkende en opwekkende middelen. „Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen; want ik ben krank van de liefde”, roept de bruid. Zij was bezwijmd en had een opwekkend middel nodig om weer op krachten te komen.
Zo kan een arme, bezwijmende ziel komen om het Evangelie te horen prediken, of haar Bijbel openslaan, en zeggen: „Wat is hier voor mij? Als ik een diepe ervaring hoor beschrijven, lijkt die mij helemaal buiten te sluiten, omdat zij te diep voor mij is; en als ik van grote openbaringen hoor, sluiten ook die mij buiten, want zij zijn mij te hoog. Zo lijk ik een vreemdeling, een verdwaalde, die niet kan duiken en niet kan vliegen, niet kan zinken en niet kan rijzen.” Welnu, u bent ziek. U bent als een zieke in een ziekenhuis, die lijdt aan een kwaal waar de artsen geen raad mee weten.
Ten slotte zegt er een, die schranderder is dan zijn collega’s: „Er is geen bijzondere ziekte. Deze man lijdt, zoals zovelen in onze ziekenhuizen, aan gebrek aan voeding; hij sterft van uitputting. Er moet beter bloed in hem komen. Hij moet goed vlees en wijn hebben, en een leefregel waardoor hij steeds gevoed wordt, om zo zijn krachten te herstellen en nieuw leven in zijn lichaam te brengen.” Zo doet ook de grote Geneesheer, Jehova-rophi. „Ik zal het gebrokene verbinden”, en versterken wie ziek was.
Het bloed en de gerechtigheid van Jezus, dat vlees dat waarlijk spijs is en dat bloed dat waarlijk drank is, worden aan de hongerigen gegeven, om hen als met een hemels versterkend middel te doen herleven. Er is balsem in Gilead, en daar is ook een Geneesheer. Naar die balsem en die Geneesheer zoeken de zielen die krank zijn van de zonden. Als u werkelijk zo krank bent, kunt u erop rekenen: er is een middel in de huisapotheek.
Het is nog niet gevonden, of in elk geval kunt u het niet vinden, maar er is een middel bedacht door oneindige wijsheid en bereid door eeuwige liefde. Het is het enige middel. En wanneer u het neemt, zult u met David in de vreugde van uw hart kunnen zeggen: „Loof de Heere, mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam!”
Ps. 143:11
Aan de lezer…
Wie als een bezwijmende ziel de Bijbel openslaat, zucht: „Wat is hier voor mij?” Bent u zo’n ziel? Sluiten de diepe ervaringen van anderen u buiten, en zijn hun hoge openbaringen u te hoog, zodat u zich een vreemdeling voelt die niet kan zinken en niet kan rijzen? Dan bent u niet zonder hoop, maar ziek, en wel ziek van gebrek aan voeding. Uw kwaal is niet zo bijzonder dat de grote Geneesheer er geen middel voor heeft.
In Zijn apotheek ligt een middel, bedacht door oneindige wijsheid en bereid door eeuwige liefde: het vlees van Jezus, dat waarlijk spijs is, en Zijn bloed, dat waarlijk drank is. Dat wordt juist aan de hongerigen gegeven. Er is balsem in Gilead, en daar is een Geneesheer. Zoek Hem dan, u die krank bent van de zonden. Hij heeft gezegd: „Het gebrokene zal Ik verbinden”, en Hij zal het doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And will bind up that which was broken, and will strengthen that which was sick.
Ezekiel 34:16
Peculiar maladies require peculiar remedies; but here is a general remedy, a family medicine. The Lord not only has strong remedies for desperate diseases; but in the divine medicine chest He has His restoratives and cordials. “Strengthen me with raisins, refresh me with apples,” cries the Bride, “for I am faint with love.” She was in a swoon, and needed a reviving cordial to restore her. So a poor fainting soul may come to hear the preached gospel, or may open his Bible, and say, “What is here for me? When I hear any deep experience described, that seems to cut me off as too deep; and when I hear great manifestations entered into, that cuts me off as too high. So I seem to be a strange being, a peculiar out-of-the-way creature, that can neither dive nor fly, sink nor rise.”
Well, you are sick; you are like one in a hospital, ill of a malady that puzzles all the doctors. At last, one more skillful than his brethren, says, “There is no peculiar disease. But the man, like many of our London patients, is suffering from lack of nourishment, dying from sheer exhaustion. He needs better blood put into him. He must have some good food and wine, and a nourishing diet to recruit his strength and put new life into his body.” Thus acts the great Physician—Jehovah-rophi. “I will strengthen the sick.” The blood and righteousness of Jesus—that flesh which is food indeed, and that blood which is drink indeed, is given to the hunger-bitten wretch to revive him as with a heavenly cordial.
There is balm in Gilead; there is a Physician there; to that balm and to that Physician sin-sick souls seek. If you have a real case, you may depend upon it, there is a remedy in the family medicine chest. It is not found out yet, at least you may not have found it, but there is a drawer, and in that drawer there is a draught devised by infinite wisdom and compounded by everlasting love. It is indeed a remedy such as no learned physician of the school of the pharisees ever prescribed, or an apothecary wise in his own conceit ever compounded; but yet the very thing, the very thing. And when that drawer is opened and the draught brought out, and you take it, you will be able to say with David in the joy of your heart, “Bless the Lord, O my soul, and all that is within me, bless His holy Name.”
To the reader…
Whoever opens the Bible as a fainting soul sighs, “What is here for me?” Are you such a soul? Do the deep experiences of others shut you out, and are their great manifestations too high for you, so that you feel a stranger who can neither sink nor rise? Then you are not without hope, but sick, and sick from lack of nourishment. Your malady is not so peculiar that the great Physician has no remedy for it.
In His medicine chest lies a draught devised by infinite wisdom and compounded by everlasting love: the flesh of Jesus, which is food indeed, and His blood, which is drink indeed. It is given to the very ones who hunger. There is balm in Gilead, and there is a Physician there. Seek Him, then, you who are sick of sin. He has said, “I will bind up that which was broken,” and He will do it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ligaré la perniquebrada, y corroboraré la enferma.
Ezequiel 34:16
Las dolencias particulares requieren remedios particulares; pero aquí hay un remedio general, una medicina de familia. El Señor no solo tiene remedios fuertes para enfermedades desesperadas, sino que en el botiquín divino tiene también Sus reconstituyentes y cordiales. “Sustentadme con frascos, corroboradme con manzanas; porque estoy enferma de amor”, clama la Esposa. Estaba desmayada y necesitaba un cordial que la reanimara. Así un alma pobre y desfallecida puede venir a oír el evangelio predicado, o abrir su Biblia, y decir: “¿Qué hay aquí para mí? Cuando oigo describir alguna experiencia profunda, parece excluirme por ser demasiado profunda; y cuando oigo hablar de grandes manifestaciones, eso me excluye por ser demasiado alto. Así parezco un ser extraño, una criatura singular y fuera de lo común, que no puede ni sumergirse ni volar, ni hundirse ni elevarse”.
Pues bien, usted está enfermo; es como uno que está en un hospital, aquejado de una dolencia que desconcierta a todos los médicos. Por fin, uno más hábil que sus colegas dice: “No hay ninguna enfermedad particular. Sino que este hombre, como muchos de nuestros pacientes de Londres, sufre de falta de alimento; se está muriendo de puro agotamiento. Necesita que se le ponga mejor sangre. Tiene que tomar buena comida y vino, y una dieta nutritiva que le devuelva las fuerzas y ponga nueva vida en su cuerpo”. Así obra el gran Médico, Jehová-rafa. “Corroboraré la enferma”. La sangre y la justicia de Jesús, esa carne que es verdaderamente comida y esa sangre que es verdaderamente bebida, se dan al desdichado consumido por el hambre para reanimarlo como con un cordial celestial.
Hay bálsamo en Galaad; hay allí Médico; a ese bálsamo y a ese Médico acuden las almas enfermas de pecado. Si su caso es real, puede estar seguro de que hay un remedio en el botiquín de la familia. Aún no se ha descubierto, al menos puede que usted no lo haya hallado, pero hay un cajón, y en ese cajón hay una poción ideada por la sabiduría infinita y preparada por el amor eterno. Es en verdad un remedio como ningún médico docto de la escuela de los fariseos recetó jamás, ni ningún boticario sabio en su propia opinión preparó nunca; pero es justamente lo que hace falta, justamente eso. Y cuando se abre ese cajón y se saca la poción, y usted la toma, podrá decir con David, en el gozo de su corazón: “Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre”.
Al lector…
Quien abre la Biblia como alma desfallecida suspira: “¿Qué hay aquí para mí?”. ¿Es usted una de esas almas? ¿Le excluyen las experiencias profundas de otros, y son sus grandes manifestaciones demasiado altas para usted, de modo que se siente un extraño que no puede ni hundirse ni elevarse? Entonces no está sin esperanza, sino enfermo, y enfermo por falta de alimento. Su dolencia no es tan particular que el gran Médico no tenga remedio para ella.
En Su botiquín hay una poción ideada por la sabiduría infinita y preparada por el amor eterno: la carne de Jesús, que es verdaderamente comida, y Su sangre, que es verdaderamente bebida. Se da precisamente a los que tienen hambre. Hay bálsamo en Galaad, y hay allí Médico. Búsquele, pues, usted que está enfermo de pecado. Él ha dicho: “Ligaré la perniquebrada”, y lo hará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
In heiligmaking des Geestes
Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.
2 Thessalonicensen 2:13
Ik wil „de heiligmaking des Geestes” met u bespreken. Merkt u om te beginnen de opvallende kracht op van het woord „in”; het is „in heiligmaking des Geestes” (2 Thess. 2:13). Alle uitverkorenen Gods moeten daarom de heiligmaking volledig doormaken. Het is een pad dat zij niet alleen in moeten slaan, maar waar zij door moeten, zodat, omdat er geen verlossing van de vloek van de wet kan plaatsvinden dan door het bloed en de gehoorzaamheid van de Zoon van God, er ook geen verlossing van de innerlijke ontheiliging en buitensporige kracht van de zonde kan plaatsvinden dan in de heiligmaking des Geestes.
De Bruid moet niet alleen in het bloed van Christus worden gewassen en met de gerechtigheid van Christus worden getooid, opdat zij haar hoofd kan opheffen zonder zonde of schaamte in de aanwezigheid van de Heere, maar ze moet ook deelnemen in die „heiligmaking zonder welke niemand de Heere zal zien” (Hebr. 12:14). Christus’ gerechtigheid is haar bruidsjurk, getooid in welke Hij tegen haar zegt: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u” (Hoogl. 4:7). Dit is haar titel en haar zekerheid voor de hemelse zaligheid. Ze heeft echter innerlijke betamelijkheid nodig, want ze moet zowel een hart hebben als een gewaad bezitten dat een koningin waardig is.
Die twee worden prachtig samengebracht in de woorden van de psalmist: „Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.” Ze is „geheel verheerlijkt inwendig”, en „haar kleding is van gouden borduursel”. De Geest kleedt haar uitwendig als Hij de bruidsjapon brengt en hem aantrekt. Dezelfde Geest geeft haar tegelijk inwendige heerlijkheid als Hij haar heilig maakt door Zijn bijzondere genade.
Dus Christus „hield niet alleen van de Kerk en gaf Zichzelf ervoor”, maar „heiligt haar, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord, opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen” (Ef. 5:26) – heerlijk vanbuiten en heerlijk vanbinnen, „die geen vlek of rimpel heeft”, of iets wat haar uiterlijke schoonheid bezoedelt, om zo ook „heilig en onberispelijk” te zijn, zodat haar inwendige heerlijkheid niet wordt bedorven.
Lezen: 2 Thessalonicensen 2
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u terugschrikt voor het woord heiligmaking, omdat u in uzelf zoveel ontheiliging en zo’n kracht van de zonde vindt. Bedenk dan dat het „in heiligmaking des Geestes” is: het is een pad waar Gods uitverkorenen doorheen moeten, maar het is het werk van de Geest en niet van uw eigen kracht. Zoals er geen verlossing van de vloek is dan door het bloed van de Zoon van God, zo is er geen verlossing van de macht der zonde dan door die Geest.
Ziet u op uw armoede, zie dan ook op Hem Die Zijn Bruid kleedt. Christus’ gerechtigheid is haar bruidsjurk, waarin Hij zegt: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin.” En dezelfde Geest Die haar uitwendig kleedt, maakt haar ook inwendig heerlijk door Zijn bijzondere genade. Wat Hij in u begonnen heeft, zal Hij heerlijk voorstellen, zonder vlek of rimpel. Vertrouw dan uw heiliging toe aan Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.
2 Thessalonicensen 2:13
Ik wil met u spreken over „de heiligmaking des Geestes”. Let om te beginnen op de opvallende kracht van het woordje „in”: het is „in heiligmaking des Geestes” (2 Thess. 2:13). Alle uitverkorenen van God moeten de heiligmaking daarom helemaal doorgaan. Het is een pad dat zij niet alleen moeten inslaan, maar waar zij doorheen moeten. Zoals er geen verlossing van de vloek van de wet kan zijn dan door het bloed en de gehoorzaamheid van de Zoon van God, zo kan er ook geen verlossing zijn van de innerlijke onheiligheid en de overheersende kracht van de zonde dan in de heiligmaking des Geestes.
De Bruid moet niet alleen in het bloed van Christus gewassen en met de gerechtigheid van Christus versierd worden, zodat zij haar hoofd kan opheffen zonder zonde of schaamte in de tegenwoordigheid van de Heere. Zij moet ook deel hebben aan die „heiligmaking zonder welke niemand de Heere zal zien” (Hebr. 12:14). Christus’ gerechtigheid is haar bruidskleed, en terwijl zij daarmee bekleed is, zegt Hij tegen haar: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u” (Hoogl. 4:7). Dit is haar recht en haar zekerheid op de hemelse zaligheid. Maar zij heeft ook innerlijke geschiktheid nodig, want zij moet zowel een hart hebben als een kleed dragen dat een koningin waardig is.
Die twee worden prachtig samengebracht in de woorden van de psalmist: „Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.” Ze is „geheel verheerlijkt inwendig”, en „haar kleding is van gouden borduursel”. De Geest kleedt haar uitwendig wanneer Hij het bruidskleed brengt en het haar aantrekt. Dezelfde Geest geeft haar tegelijk inwendige heerlijkheid wanneer Hij haar heiligt door Zijn bijzondere genade.
Dus Christus „hield niet alleen van de Kerk en gaf Zichzelf ervoor”, maar Hij „heiligt haar, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord, opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen” (Ef. 5:26): heerlijk van buiten en heerlijk van binnen, „die geen vlek of rimpel heeft” of iets wat haar uiterlijke schoonheid bezoedelt, om zo ook „heilig en onberispelijk” te zijn, zodat haar inwendige heerlijkheid niet wordt aangetast.
Lezen: 2 Thessalonicensen 2
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u terugschrikt voor het woord heiligmaking, omdat u in uzelf zoveel onheiligheid en zo’n kracht van de zonde vindt. Bedenk dan dat het „in heiligmaking des Geestes” is: het is een pad waar Gods uitverkorenen doorheen moeten, maar het is het werk van de Geest en niet van uw eigen kracht. Zoals er geen verlossing van de vloek is dan door het bloed van de Zoon van God, zo is er geen verlossing van de macht van de zonde dan door die Geest.
Ziet u op uw armoede, zie dan ook op Hem Die Zijn Bruid kleedt. Christus’ gerechtigheid is haar bruidskleed, waarin Hij zegt: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin.” En dezelfde Geest Die haar uitwendig kleedt, maakt haar ook inwendig heerlijk door Zijn bijzondere genade. Wat Hij in u begonnen heeft, zal Hij heerlijk voorstellen, zonder vlek of rimpel. Vertrouw uw heiliging dan aan Hem toe.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we are bound to give thanks alway to God for you, brethren beloved of the Lord, because God hath from the beginning chosen you to salvation through sanctification of the Spirit and belief of the truth.
2 Thessalonians 2:13
I wish to speak with you about “sanctification of the Spirit”. Notice, to begin with, the striking force of the little word “through”: it is “through sanctification of the Spirit” (2 Thess. 2:13). All the elect of God must therefore pass right through sanctification. It is a path which they must not only enter upon, but go through. As there can be no deliverance from the curse of the law except by the blood and obedience of the Son of God, so there can be no deliverance from inward unholiness and the reigning power of sin except through sanctification of the Spirit.
The Bride must not only be washed in the blood of Christ and adorned with the righteousness of Christ, so that she may lift up her head without sin or shame in the presence of the Lord. She must also be a partaker of that “holiness, without which no man shall see the Lord” (Heb. 12:14). Christ’s righteousness is her wedding garment, and while she is clothed with it, He says to her, “Thou art all fair, My love; there is no spot in thee” (Song 4:7). This is her title and her security for heavenly bliss. But she needs inward fitness as well, for she must have a heart as well as wear a robe worthy of a queen.
These two are beautifully brought together in the words of the psalmist: “The King’s daughter is all glorious within: her clothing is of wrought gold.” She is “all glorious within”, and “her clothing is of wrought gold”. The Spirit clothes her outwardly when He brings the wedding garment and puts it upon her. The same Spirit at the same time gives her inward glory when He sanctifies her by His special grace.
So Christ not only “loved the church, and gave Himself for it”, but He “sanctifies and cleanses it with the washing of water by the Word, that He might present it to Himself a glorious church” (Eph. 5:26-27): glorious without and glorious within, “not having spot, or wrinkle”, or anything that mars her outward beauty, that so she might also be “holy and without blemish”, so that her inward glory is not impaired.
Reading: 2 Thessalonians 2
To the reader…
There are times when you shrink back from the word sanctification, because you find in yourself so much unholiness and such power of sin. Remember then that it is “through sanctification of the Spirit”: it is a path through which God’s elect must pass, but it is the work of the Spirit and not of your own strength. As there is no deliverance from the curse except by the blood of the Son of God, so there is no deliverance from the power of sin except by that Spirit.
If you look at your poverty, look also at Him Who clothes His Bride. Christ’s righteousness is her wedding garment, in which He says, “Thou art all fair, My love.” And the same Spirit Who clothes her outwardly also makes her glorious within by His special grace. What He has begun in you He will present glorious, without spot or wrinkle. Entrust your sanctification, then, to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas nosotros debemos siempre dar gracias a Dios por vosotros, hermanos amados del Señor, de que Dios os haya escogido desde el principio para salud, por la santificación del Espíritu y fe de la verdad.
2 Tesalonicenses 2:13
Deseo hablarle de la “santificación del Espíritu”. Observe, para empezar, la notable fuerza de la pequeña palabra “por”: es “por la santificación del Espíritu” (2 Tesalonicenses 2:13). Todos los escogidos de Dios deben, por tanto, pasar de punta a punta por la santificación. Es un camino en el que no solo deben entrar, sino que deben recorrer hasta el final. Así como no puede haber liberación de la maldición de la ley sino por la sangre y la obediencia del Hijo de Dios, así no puede haber liberación de la impiedad interior y del poder dominante del pecado sino por la santificación del Espíritu.
La Esposa no solo debe ser lavada en la sangre de Cristo y adornada con la justicia de Cristo, para que pueda alzar la cabeza sin pecado ni vergüenza en la presencia del Señor. Debe también ser partícipe de esa “santidad, sin la cual nadie verá al Señor” (Hebreos 12:14). La justicia de Cristo es su vestido de bodas, y mientras está vestida de él, Él le dice: “Toda tú eres hermosa, amiga Mía, y en ti no hay mancha” (Cantares 4:7). Este es su título y su garantía para la dicha celestial. Pero necesita también idoneidad interior, porque debe tener un corazón, así como llevar un manto digno de una reina.
Ambas cosas se reúnen hermosamente en las palabras del salmista: “Toda ilustre es de dentro la hija del Rey: de brocado de oro es su vestido.” Ella es “toda ilustre de dentro”, y “de brocado de oro es su vestido”. El Espíritu la viste por fuera cuando trae el vestido de bodas y se lo pone. El mismo Espíritu le da al mismo tiempo gloria interior cuando la santifica por Su gracia especial.
Así Cristo no solo “amó a la iglesia, y se entregó a Sí mismo por ella”, sino que la santifica, “limpiándola en el lavacro del agua por la palabra, para presentársela gloriosa para Sí” (Efesios 5:26-27): gloriosa por fuera y gloriosa por dentro, “que no tuviese mancha ni arruga”, ni cosa alguna que estropee su hermosura exterior, para que así fuese también “santa y sin mancha”, de modo que su gloria interior no quede menoscabada.
Lectura: 2 Tesalonicenses 2
Al lector…
Hay momentos en que usted retrocede ante la palabra santificación, porque halla en sí mismo tanta impiedad y tal poder del pecado. Recuerde entonces que es “por la santificación del Espíritu”: es un camino por el que los escogidos de Dios deben pasar, pero es obra del Espíritu y no de su propia fuerza. Así como no hay liberación de la maldición sino por la sangre del Hijo de Dios, así no hay liberación del poder del pecado sino por ese Espíritu.
Si mira su pobreza, mire también a Aquel que viste a Su Esposa. La justicia de Cristo es su vestido de bodas, en el cual Él dice: “Toda tú eres hermosa, amiga Mía.” Y el mismo Espíritu que la viste por fuera la hace también gloriosa por dentro por Su gracia especial. Lo que Él ha comenzado en usted, lo presentará glorioso, sin mancha ni arruga. Confíe, pues, a Él su santificación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus.
Hebreeën 6:20
Hoe aangenaam vertroostte de Heere Zijn bedroefde discipelen toen Hij tot hen zei: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga henen om u plaats te bereiden.” Hij is voor hen henen gegaan om Zijn en hun eeuwig huis in bezit te nemen, want Hij is opgevaren tot Zijn en hun Vader, tot Zijn en hun God. Hij heeft als het ware de hemel vervuld met een nieuwe schoonheid, met nieuw geluk, met nieuwe heerlijkheid. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Zijn heerlijke Persoon als Immanuël is het Voorwerp van des hemels lof en aanbidding geworden. De uitverkoren engelen, die Hij in hun staat bevestigd heeft, aanbidden Hem als Godmens; en de geesten der volmaakt rechtvaardigen eren Hem in het gezelschap van der engelen heirscharen. Wat een gezicht had de heilige Johannes van des hemels heerlijke eredienst, toen hij de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen zag neervallen voor het Lam, toen hij hun nieuw gezang hoorde en de stem van vele engelen rondom de troon, zeggende met een grote stem: „Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, de rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging” (Openb. 5:12).
De hemel zelf wacht op de voltooiing van de grote verborgenheid der godzaligheid, wanneer de gehele kerk zal verzameld zijn rondom de troon; wanneer de bruiloft des Lams komen zal; wanneer de hoofdsteen zal voortgebracht worden door de hand van de geestelijke Zerubbabel, met toeroepingen: „Genade, genade zij dezelve!” De aarde zelf zucht onder het gewicht der zonde en onder de smart; en de zielen dergenen die onder het altaar zijn en gedood zijn om het Woord Gods en om het getuigenis dat zij hadden, roepen met luide stem: „Hoe lang, o heilige en waarachtige God, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen?”
Wat meer is, de tekenen der tijden roepen het als uit één mond uit, dat de tijd niet ver is dat de Heere ten tweeden male komen zal en zonder zonde zal gezien worden van degenen die Hem verwachten tot zaligheid.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls bent u bedroefd zoals de discipelen waren, en lijkt de hemel u ver weg en vreemd! Hoor dan hoe aangenaam de Heere hen vertroostte: „Ik ga henen om u plaats te bereiden.” Hij is als Voorloper voor ons ingegaan, opgevaren tot Zijn en hun Vader, tot Zijn en hun God. Het huis waar Hij nu woont, is het eeuwige huis van allen die Hem toebehoren.
Daar wordt het Lam, Dat geslacht is, aanbeden door engelen en volmaakt rechtvaardigen. En hier beneden zucht de aarde onder het gewicht der zonde en de smart, en misschien zucht uw hart mee. Maar de hemel zelf wacht op de dag dat de gehele kerk rondom de troon verzameld zal zijn. Hij zal ten tweeden male komen, zonder zonde, tot zaligheid van hen die Hem verwachten. Verwacht Hem dan, en laat dit uw troost zijn in de vallei.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus.
Hebreeën 6:20
Hoe aangenaam troostte de Heere Zijn bedroefde discipelen toen Hij tot hen zei: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga henen om u plaats te bereiden.” Hij is hun voorgegaan om Zijn en hun eeuwig huis in bezit te nemen, want Hij is opgevaren tot Zijn en hun Vader, tot Zijn en hun God. Hij heeft als het ware de hemel vervuld met een nieuwe schoonheid, met nieuw geluk, met nieuwe heerlijkheid. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Zijn heerlijke Persoon als Immanuël is het Voorwerp geworden van de lof en aanbidding van de hemel. De uitverkoren engelen, die Hij in hun staat bevestigd heeft, aanbidden Hem als Godmens, en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen eren Hem samen met de heirscharen van de engelen. Wat een gezicht kreeg de heilige Johannes van de heerlijke eredienst van de hemel! Hij zag de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen neervallen voor het Lam, hij hoorde hun nieuw gezang en de stem van vele engelen rondom de troon, zeggende met een grote stem: „Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, de rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging” (Openb. 5:12).
De hemel zelf wacht op de voltooiing van de grote verborgenheid der godzaligheid: wanneer de hele kerk rondom de troon verzameld zal zijn, wanneer de bruiloft van het Lam zal komen, wanneer de hoofdsteen door de hand van de geestelijke Zerubbabel zal worden voortgebracht, met toeroepingen: „Genade, genade zij dezelve!” De aarde zelf zucht onder het gewicht van de zonde en onder de smart. En de zielen van hen die onder het altaar zijn en gedood zijn om het Woord van God en om het getuigenis dat zij hadden, roepen met luide stem: „Hoe lang, o heilige en waarachtige God, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen?”
Wat meer is, de tekenen der tijden roepen als uit één mond uit dat de tijd niet ver meer is dat de Heere ten tweeden male zal komen en zonder zonde gezien zal worden van degenen die Hem verwachten tot zaligheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak bent u bedroefd zoals de discipelen waren, en lijkt de hemel u ver weg en vreemd! Hoor dan hoe aangenaam de Heere hen troostte: „Ik ga henen om u plaats te bereiden.” Hij is als Voorloper voor ons ingegaan, opgevaren tot Zijn en hun Vader, tot Zijn en hun God. Het huis waar Hij nu woont, is het eeuwige huis van allen die Hem toebehoren.
Daar wordt het Lam, Dat geslacht is, aanbeden door engelen en volmaakt rechtvaardigen. Hier beneden zucht de aarde onder het gewicht van de zonde en de smart, en misschien zucht uw hart mee. Maar de hemel zelf wacht op de dag dat de hele kerk rondom de troon verzameld zal zijn. Hij zal ten tweeden male komen, zonder zonde, tot zaligheid van hen die Hem verwachten. Verwacht Hem dan, en laat dit uw troost zijn in het dal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Whither the forerunner is for us entered, even Jesus.
Hebrews 6:20
How blessedly did the Lord comfort His sorrowing disciples when He said to them, “In My Father’s house are many mansions—if it were not so, I would have told you. I go to prepare a place for you.” He has gone to take possession beforehand of His and their everlasting home; for He is ascended to His Father and their Father, to His God and their God. He has, as it were, filled heaven with new beauty, new happiness, new glory. In Him dwells all the fullness of the Godhead bodily.
His glorious Person as Immanuel has become the object of heaven’s praise and adoration. The elect angels adore Him as God-man; and the spirits of just men made perfect worship Him in company with the angelic host. What a view had holy John of heaven’s glorious worship, when he saw the four living creatures and the twenty-four elders fall down before the Lamb; when he heard their new song and the voice of many angels round about the throne, and all saying with a loud voice, “Worthy is the Lamb Who was slain—to receive power, and riches, and wisdom, and strength, and honor, and glory, and blessing” (Rev. 5:12).
Heaven itself is waiting for the completion of the great mystery of godliness, when the whole Church shall be assembled around the throne; when the marriage supper of the Lamb shall come; when the headstone shall be brought forth by the hands of the spiritual Zerubbabel, with shoutings of Grace, grace unto it. Earth itself is groaning under the weight of sin and sorrow; and the souls of those under the altar who were slain for the Word of God, and for the testimony which they held, are crying with a loud voice, “How long, O Lord, holy and true, do You not judge and avenge our blood on them that dwell on the earth?” No, the very signs of the times themselves are all proclaiming as with one voice that it cannot be long before the Lord will come a second time without sin unto salvation.
To the reader…
How often are you sorrowful, as the disciples were, and heaven seems far away and strange to you! Then hear how sweetly the Lord comforted them: “I go to prepare a place for you.” He has entered as the Forerunner for us, ascended to His Father and their Father, to His God and their God. The house where He now dwells is the everlasting home of all who belong to Him.
There the Lamb that was slain is worshipped by angels and by the spirits of just men made perfect. Here below the earth groans under the weight of sin and sorrow, and perhaps your heart groans with it. But heaven itself is waiting for the day when the whole Church will be gathered around the throne. He will appear the second time, without sin, unto salvation for those who look for Him. Look for Him, then, and let this be your comfort in the valley.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Donde entró por nosotros como precursor Jesús.
Hebreos 6:20
¡Con cuánta bendición consoló el Señor a Sus afligidos discípulos cuando les dijo: “En la casa de Mi Padre muchas moradas hay: de otra manera os lo hubiera dicho: voy, pues, a preparar lugar para vosotros”! Él ha ido a tomar posesión de antemano de Su hogar eterno y del de ellos; porque ha subido a Su Padre y al Padre de ellos, a Su Dios y al Dios de ellos. Él ha llenado, por así decirlo, el cielo de nueva hermosura, nueva felicidad, nueva gloria. En Él habita toda la plenitud de la Divinidad corporalmente.
Su gloriosa Persona como Emanuel ha llegado a ser el objeto de la alabanza y adoración del cielo. Los ángeles escogidos le adoran como Dios-hombre; y los espíritus de los justos hechos perfectos le rinden culto junto con la hueste angélica. ¡Qué visión tuvo el santo Juan del glorioso culto del cielo, cuando vio a los cuatro animales y a los veinticuatro ancianos postrarse delante del Cordero; cuando oyó su cántico nuevo y la voz de muchos ángeles alrededor del trono, y todos diciendo a gran voz: “El Cordero que fue inmolado es digno de tomar el poder y riquezas y sabiduría, y fortaleza y honra y gloria y alabanza” (Apoc. 5:12)!
El cielo mismo espera la consumación del gran misterio de la piedad, cuando toda la Iglesia será reunida alrededor del trono; cuando llegará la cena de las bodas del Cordero; cuando la piedra principal será sacada por las manos del Zorobabel espiritual, con aclamaciones de: Gracia, gracia a ella. La tierra misma gime bajo el peso del pecado y del dolor; y las almas de los que están debajo del altar, que fueron muertos por la Palabra de Dios y por el testimonio que tenían, claman a gran voz: “¿Hasta cuándo, Señor, santo y verdadero, no juzgas y vengas nuestra sangre de los que moran en la tierra?” Sí, las mismas señales de los tiempos proclaman todas como a una voz que no puede tardar mucho antes que el Señor venga por segunda vez, sin pecado, para salvación.
Al lector…
¡Cuántas veces está usted afligido, como lo estaban los discípulos, y el cielo le parece lejano y extraño! Escuche entonces con cuánta dulzura los consoló el Señor: “Voy a preparar lugar para vosotros.” Él ha entrado por nosotros como el Precursor, ha subido a Su Padre y al Padre de ellos, a Su Dios y al Dios de ellos. La casa donde Él mora ahora es el hogar eterno de todos los que le pertenecen.
Allí el Cordero que fue inmolado es adorado por los ángeles y por los espíritus de los justos hechos perfectos. Aquí abajo la tierra gime bajo el peso del pecado y del dolor, y quizá su corazón gime con ella. Pero el cielo mismo espera el día en que toda la Iglesia será reunida alrededor del trono. Él aparecerá la segunda vez, sin pecado, para salvación de los que le esperan. Espérele, pues, y sea esto su consuelo en el valle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl