6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1
Waar geloof is, daar is hoop; en daar dit geloof hemelse zaken omvat, omvat de hoop datgene waarvan het geloof getuigt. Wanneer er nu op de ziel gewerkt wordt door een Goddelijke kracht, en het geloof zich uitspreekt in de beoefening der beloften waarvan het overtuigd is en die het omhelst, ontbrandt de hoop voor het genieten ervan. Godsdienst is geen zware, pijnlijke, treurige, vervelende en moeilijke taak of bezigheid, zoals velen denken. Hij heeft zijn beproevingen, verzoekingen, droefenis, snijdend verdriet en drukkende smart; maar hij heeft ook zijn liefelijkheden, zijn vrede, zijn vreugde, zijn genietingen.
En het is de liefelijkheid die wij gevoelen, de genietingen die wij smaken en het ons verheugen in de dingen Gods, die ons het hoofd doen omhoog houden en ons bemoedigen om te volharden op onze doorreizen in de woestijn. Het is niet alles dienstbaarheid, noch gedruktheid van geest, noch harteleed, noch gedruktheid der ziel, welke de erfgenamen der belofte gevoelen. Er zijn teugjes en proefjes, druppels en kruimkens, en ogenblikkelijke genietingen, die zo niet lang en duurzaam, toch zoet zijn als zij komen; zoet zolang zij duren, en zoet in de herinnering als zij voorbij zijn. De Heere geeft datgene wat bemoedigt, versterkt, vertroost en verheugt, en maakt ons bekwaam om te zien dat er in Hem die schoonheid, die zaligheid en die heerlijkheid is welke wij gesmaakt, gevoeld en getast hebben, en die wij voor geen duizend werelden zouden willen afstaan.
Uw hoop, uw kudde woonde daar.
Uit vrije goedheid waart Gij haar
een vriendelijk beschermer,
en hebt ellendigen dat land,
bereid door uwe sterke hand,
o Israëls Ontfermer!
De Heer gaf rijke juichensstof
om zijne wond’ren en zijn lof
met hart en mond te melden.
Men zag welhaast een grote schaar
met klanken van de blijdste maar
vervullen berg en velden.
Ps. 68:5
Aan de lezer…
Wanneer de weg van de godsdienst u een zware, treurige taak geworden is, ziet u soms niets dan beproeving, verzoeking, droefenis en drukkende smart. Dan vraagt u zich af of het ooit anders zal worden. Het is waar, de erfgenamen der belofte kennen veel harteleed. Maar het is niet alles dienstbaarheid en gedruktheid. Er zijn ook teugjes en proefjes, druppels en kruimkens van de liefelijkheid des Heeren.
Gedenk dan aan die ogenblikken waarin u iets van Zijn schoonheid gesmaakt hebt. Zij duurden misschien niet lang, maar zij waren zoet toen zij kwamen, zoet zolang zij duurden, en zij zijn nog zoet in de herinnering. Zij werden u niet gegeven om ze te vergeten, maar om u het hoofd omhoog te doen houden op de doorreis door de woestijn. Wat u in Hem gesmaakt hebt, zou u voor geen duizend werelden willen afstaan; en Hij Die het gaf, heeft nog meer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1
Waar geloof is, daar is hoop. En omdat dit geloof hemelse zaken omvat, omvat de hoop wat het geloof getuigt. Wanneer er nu door een goddelijke kracht in de ziel gewerkt wordt, en het geloof zich uit in het beoefenen van de beloften waarvan het overtuigd is en die het omhelst, ontbrandt de hoop op het genieten ervan. Godsdienst is geen zware, pijnlijke, treurige, vervelende en moeilijke taak of bezigheid, zoals velen denken. Hij heeft zijn beproevingen, verzoekingen, droefheid, snijdend verdriet en drukkende smart; maar hij heeft ook zijn lieflijkheden, zijn vrede, zijn vreugde, zijn genietingen.
En het is de lieflijkheid die we voelen, de genietingen die we smaken en de vreugde die we hebben in de dingen van God, die ons het hoofd omhoog doen houden en ons bemoedigen om te volharden op onze doorreis door de woestijn. Het is niet alles dienstbaarheid, noch gedruktheid van geest, noch hartenleed, noch gedruktheid van de ziel wat de erfgenamen van de belofte voelen. Er zijn teugjes en proefjes, druppels en kruimels, en kortstondige genietingen die, al zijn ze niet lang en blijvend, toch zoet zijn als ze komen, zoet zolang ze duren en zoet in de herinnering als ze voorbij zijn. De Heere geeft wat bemoedigt, versterkt, troost en verblijdt. Hij maakt ons bekwaam om te zien dat er in Hem die schoonheid, die zaligheid en die heerlijkheid is die we gesmaakt, gevoeld en getast hebben, en die we voor geen duizend werelden zouden willen afstaan.
Uw hoop, uw kudde woonde daar.
Uit vrije goedheid waart Gij haar
een vriendelijk beschermer,
en hebt ellendigen dat land,
bereid door uwe sterke hand,
o Israëls Ontfermer!
De Heer gaf rijke juichensstof
om zijne wond’ren en zijn lof
met hart en mond te melden.
Men zag welhaast een grote schaar
met klanken van de blijdste maar
vervullen berg en velden.
Ps. 68:5
Aan de lezer…
Wanneer de weg van de godsdienst voor u een zware, treurige taak geworden is, ziet u soms niets dan beproeving, verzoeking, droefheid en drukkende smart. Dan vraagt u zich af of het ooit anders zal worden. Het is waar: de erfgenamen van de belofte kennen veel hartenleed. Maar het is niet alles dienstbaarheid en gedruktheid. Er zijn ook teugjes en proefjes, druppels en kruimels van de lieflijkheid van de Heere.
Denk dan terug aan die ogenblikken waarin u iets van Zijn schoonheid gesmaakt hebt. Ze duurden misschien niet lang, maar ze waren zoet toen ze kwamen, zoet zolang ze duurden, en ze zijn nog zoet in de herinnering. Ze werden u niet gegeven om ze te vergeten, maar om u het hoofd omhoog te doen houden op de doorreis door de woestijn. Wat u in Hem gesmaakt hebt, zou u voor geen duizend werelden willen afstaan; en Hij Die het gaf, heeft nog meer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Now faith is the substance of things hoped for, the evidence of things not seen.
Hebrews 11:1
Wherever there is faith, there is desire; and as faith embraces heavenly realities, desire embraces that of which faith testifies. Now as the soul is wrought upon by a divine power, and faith is drawn forth into blessed exercise upon the promises of which it is persuaded and which it embraces, desire is kindled for their enjoyment.
True religion is not a burdensome, painful, melancholy, wearisome, and toilsome task or employment as many think. It has indeed its trials, temptations, afflictions, cutting griefs, and depressing sorrows; but it has its sweetness, its peace, its delights, and its enjoyments. And it is the sweetness that we feel, the enjoyment that we have, and the delighting ourselves in the things of God, which hold our head up and encourage us still to persevere and travel on through the wilderness.
It is not all bondage, nor distress of mind, nor sorrow of heart, nor perplexity of soul which the heirs of promise feel. There are sips and tastes, drops and crumbs, and momentary enjoyments, if not long nor lasting, yet sweet when they come, sweet while they last, and sweet in the recollection when they are gone. The Lord gives that which encourages, strengthens, comforts, and delights, and enables us to see that there is that beauty, blessedness, and glory in Him which we have tasted, felt, and handled, and which we would not part with for a thousand worlds.
To the reader…
When the way of religion has become a heavy, sorrowful task for you, you sometimes see nothing but trial, temptation, grief and oppressive sorrow. Then you wonder whether it will ever be any different. It is true: the heirs of promise know much heartache. But it is not all bondage and heaviness. There are also sips and tastes, drops and crumbs of the loveliness of the Lord.
Think back, then, to those moments in which you tasted something of His beauty. Perhaps they did not last long, but they were sweet when they came, sweet while they lasted, and they are still sweet in the remembering. They were not given you so that you would forget them, but to hold your head up on the journey through the wilderness. What you have tasted in Him you would not part with for a thousand worlds; and He Who gave it has more still.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Es pues la fe la sustancia de las cosas que se esperan, la demostración de las cosas que no se ven.
Hebreos 11:1
Dondequiera que hay fe, hay deseo; y así como la fe abraza las realidades celestiales, el deseo abraza aquello de lo cual la fe da testimonio. Ahora bien, cuando el alma es obrada por un poder divino, y la fe es sacada a un bendito ejercicio sobre las promesas de las cuales está persuadida y que abraza, se enciende el deseo de gozarlas.
La verdadera religión no es una tarea u ocupación gravosa, dolorosa, melancólica, fatigosa y penosa, como muchos piensan. Tiene, en verdad, sus pruebas, tentaciones, aflicciones, penas punzantes y tristezas abrumadoras; pero tiene su dulzura, su paz, sus deleites y sus goces. Y es la dulzura que sentimos, el gozo que tenemos y el deleitarnos en las cosas de Dios lo que nos mantiene la cabeza en alto y nos anima a perseverar todavía y seguir caminando por el desierto.
No todo es servidumbre, ni angustia de mente, ni tristeza de corazón, ni perplejidad de alma lo que sienten los herederos de la promesa. Hay sorbos y gustos, gotas y migajas, y goces momentáneos que, si no son largos ni duraderos, son dulces cuando vienen, dulces mientras duran y dulces en el recuerdo cuando ya se han ido. El Señor da lo que anima, fortalece, consuela y deleita, y nos capacita para ver que hay en Él aquella hermosura, bienaventuranza y gloria que hemos gustado, sentido y palpado, y que no cambiaríamos por mil mundos.
Al lector…
Cuando el camino de la religión se le ha vuelto una tarea pesada y triste, a veces no ve usted más que prueba, tentación, pena y tristeza opresiva. Entonces se pregunta si alguna vez será distinto. Es verdad: los herederos de la promesa conocen mucho dolor de corazón. Pero no todo es servidumbre y pesadumbre. Hay también sorbos y gustos, gotas y migajas de la hermosura del Señor.
Piense, pues, en aquellos momentos en que gustó algo de Su hermosura. Quizá no duraron mucho, pero fueron dulces cuando vinieron, dulces mientras duraron, y siguen siendo dulces al recordarlos. No se le dieron para que los olvidara, sino para mantenerle la cabeza en alto en el viaje por el desierto. Lo que ha gustado en Él no lo cambiaría por mil mundos; y Aquel que se lo dio tiene todavía más.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mozes’ zegen over Israël
Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan, en dat ik de kinderen Israëls uit Egypte zou voeren?
Exodus 3:11
Mozes, de man Gods, aangesteld om de kinderen van Israël uit Egypte te leiden, kreeg de zwaarste last op zijn schouders gelegd die een sterveling maar kan dragen, en tegelijk de hoogste eer aan hem toevertrouwd die mensenhanden maar kunnen ontvangen. Het was geen taak die hij op zich nam zonder verkozen, geroepen en gemachtigd te zijn. De genade had zijn hart geraakt en hem geleerd de smaadheid van Christus grotere rijkdom toe te kennen dan de schatten van Egypte. Toen Mozes groot was geworden, „weigerde hij een zoon van Farao’s dochter te worden genoemd” (Hebr. 11), zag hij af van alle eer en genietingen van een aards hof, en ging hij eropuit om zijn broeders te bezoeken.
Ik hoef niet te vermelden waarom hij gedwongen was Egypte te verlaten en naar het land Midian te vluchten, waar hij veertig jaar vertoefde. En wat een lessen leerde hij daar! — lessen zonder welke hij volkomen ongeschikt zou zijn geweest om de kinderen van Israël uit Egypte weg te leiden. Vele net aan de universiteit afgestudeerde jongemannen vinden zichzelf volledig bevoegd om de Kerk van God te leiden. Maar Mozes was niet bekwaam — toen hij al veertig jaar oud was, met alle geleerdheid van Egypte — om de kinderen van Israël te leiden.
Hij moest veertig jaar de woestijn in gaan, niet slechts om door pijnlijke ervaring de uiterlijke ontberingen te leren kennen, maar de verzoekingen en beproevingen, de gevaren en het lijden van een woestijnhart, waar woeste slangen zijn wier beet giftiger is, en felle schorpioenen wier steek scherper is dan welke slang of schorpioen dan ook die zijn slijmerig spoor door woest zand trekt. Daar leerde hij de verschrikkingen Gods in de wet waarvan hij naderhand de middelaar was, en daar leerde hij tevens de zegeningen van het evangelie, toen hij door het oog van het geloof een vleesgeworden God zag in het brandende braambos, waar hij „de vriend van God” werd door de openbaring van eeuwigdurende liefde aan zijn ziel.
Aan de lezer…
Soms voert de Heere u door een woestijn en verstaat u niet waarom het zo lang moet duren. Ontdekt u daar de woeste slangen en felle schorpioenen van uw eigen hart, giftiger dan u ooit gedacht had? Zie dan hoe het Mozes ging. Met alle geleerdheid van Egypte was hij nog niet bekwaam; hij moest veertig jaar in de woestijn leren wat hij nergens anders leren kon.
Daar leerde hij de verschrikkingen Gods in de wet, maar daar zag hij ook in het brandende braambos de zegeningen van het evangelie, en werd hij een vriend van God door de openbaring van eeuwigdurende liefde. Zo werkt de Heere nog. Wie zich in eigen kracht bekwaam acht, moet klein gemaakt worden; maar wie met Mozes zegt: „Wie ben ik?”, die kan Hij gebruiken en zegenen. Achter de bittere lessen van uw woestijn verbergt zich een liefde die u niet loslaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan, en dat ik de kinderen Israëls uit Egypte zou voeren?
Exodus 3:11
Mozes, de man Gods, die aangesteld was om de kinderen van Israël uit Egypte te leiden, kreeg de zwaarste last op zijn schouders gelegd die een sterveling maar kan dragen. Tegelijk werd hem de hoogste eer toevertrouwd die een mens maar kan ontvangen. Het was geen taak die hij op zich nam zonder verkoren, geroepen en gemachtigd te zijn. De genade had zijn hart geraakt en hem geleerd de smaadheid van Christus voor grotere rijkdom te houden dan de schatten van Egypte. Toen Mozes groot geworden was, „weigerde hij een zoon van Farao’s dochter te worden genoemd” (Hebr. 11). Hij zag af van alle eer en genietingen van een aards hof en ging op weg om zijn broeders te bezoeken.
Ik hoef niet te vertellen waarom hij gedwongen was Egypte te verlaten en naar het land Midian te vluchten, waar hij veertig jaar verbleef. En wat een lessen leerde hij daar! Zonder die lessen zou hij volkomen ongeschikt zijn geweest om de kinderen van Israël uit Egypte weg te leiden. Veel jonge mannen die net aan de universiteit zijn afgestudeerd, vinden zichzelf volledig bevoegd om de Kerk van God te leiden. Maar Mozes was niet bekwaam om de kinderen van Israël te leiden — toen hij al veertig jaar oud was en alle geleerdheid van Egypte bezat.
Hij moest veertig jaar de woestijn in, niet alleen om door pijnlijke ervaring de uiterlijke ontberingen te leren kennen. Hij moest ook de verzoekingen en beproevingen, de gevaren en het lijden leren kennen van een woestijnhart. Daar zijn woeste slangen wier beet giftiger is, en felle schorpioenen wier steek scherper is, dan van welke slang of schorpioen ook die zijn slijmerig spoor door het woeste zand trekt. Daar leerde hij de verschrikkingen van God in de wet, waarvan hij later de middelaar was. En daar leerde hij ook de zegeningen van het evangelie, toen hij met het oog van het geloof een vleesgeworden God zag in het brandende braambos, waar hij door de openbaring van eeuwige liefde aan zijn ziel „de vriend van God” werd.
Aan de lezer…
Soms voert de Heere u door een woestijn en begrijpt u niet waarom het zo lang moet duren. Ontdekt u daar de woeste slangen en felle schorpioenen van uw eigen hart, giftiger dan u ooit gedacht had? Zie dan hoe het Mozes ging. Met alle geleerdheid van Egypte was hij nog niet bekwaam; hij moest veertig jaar in de woestijn leren wat hij nergens anders kon leren.
Daar leerde hij de verschrikkingen van God in de wet, maar daar zag hij ook in het brandende braambos de zegeningen van het evangelie, en werd hij een vriend van God door de openbaring van eeuwige liefde. Zo werkt de Heere nog altijd. Wie zich in eigen kracht bekwaam acht, moet klein gemaakt worden; maar wie met Mozes zegt: „Wie ben ik?”, die kan Hij gebruiken en zegenen. Achter de bittere lessen van uw woestijn gaat een liefde schuil die u niet loslaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And Moses said unto God, Who am I, that I should go unto Pharaoh, and that I should bring forth the children of Israel out of Egypt?
Exodus 3:11
Moses, the man of God, who was appointed to lead the children of Israel out of Egypt, had laid upon his shoulders the heaviest burden that a mortal can bear. At the same time there was entrusted to him the highest honour that a man can receive. It was no task which he took upon himself without being chosen, called and commissioned. Grace had touched his heart and taught him to esteem the reproach of Christ greater riches than the treasures in Egypt. When Moses was come to years, he “refused to be called the son of Pharaoh’s daughter” (Hebrews 11). He gave up all the honours and pleasures of an earthly court and went out to visit his brethren.
I need not tell why he was compelled to leave Egypt and flee into the land of Midian, where he stayed forty years. And what lessons he learned there! Without those lessons he would have been altogether unfit to lead the children of Israel out of Egypt. Many young men just come from the university think themselves fully qualified to guide the Church of God. But Moses was not fit to lead the children of Israel — when he was already forty years old and possessed all the learning of Egypt.
He had to go forty years into the wilderness, not only to learn by painful experience its outward hardships. He had also to learn the temptations and trials, the dangers and sufferings of a wilderness heart. There are fiery serpents whose bite is more venomous, and fierce scorpions whose sting is sharper, than those of any serpent or scorpion that ever trailed its slimy track through the desert sand. There he learned the terrors of God in the law, of which he was afterwards the mediator. And there he learned also the blessings of the gospel, when with the eye of faith he saw an incarnate God in the burning bush, where, by the revelation of eternal love to his soul, he became “the friend of God.”
To the reader…
Sometimes the Lord leads you through a wilderness and you do not understand why it must last so long. Do you discover there the fiery serpents and fierce scorpions of your own heart, more venomous than you had ever thought? Then see how it went with Moses. With all the learning of Egypt he was not yet fit; he had to learn for forty years in the wilderness what he could learn nowhere else.
There he learned the terrors of God in the law, but there too he saw in the burning bush the blessings of the gospel, and became a friend of God through the revelation of eternal love. So the Lord still works. Whoever thinks himself fit in his own strength must be made small; but whoever says with Moses, “Who am I?”, He can use and bless. Behind the bitter lessons of your wilderness lies hidden a love that will not let you go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Entonces Moisés respondió a Dios: ¿Quién soy yo, para que vaya a Faraón, y saque de Egipto a los hijos de Israel?
Éxodo 3:11
Moisés, el varón de Dios, que fue designado para sacar de Egipto a los hijos de Israel, tuvo sobre sus hombros la carga más pesada que un mortal puede llevar. Al mismo tiempo se le confió el más alto honor que un hombre puede recibir. No era una tarea que tomara sobre sí sin ser escogido, llamado y comisionado. La gracia había tocado su corazón y le había enseñado a tener por mayores riquezas el vituperio de Cristo que los tesoros de Egipto. Cuando Moisés fue ya grande, “rehusó ser llamado hijo de la hija de Faraón” (Hebreos 11). Renunció a todos los honores y placeres de una corte terrenal y salió a visitar a sus hermanos.
No necesito contar por qué se vio obligado a dejar Egipto y huir a la tierra de Madián, donde permaneció cuarenta años. ¡Y qué lecciones aprendió allí! Sin esas lecciones habría sido del todo inepto para sacar de Egipto a los hijos de Israel. Muchos jóvenes recién salidos de la universidad se creen plenamente capacitados para guiar a la Iglesia de Dios. Pero Moisés no era apto para conducir a los hijos de Israel, cuando ya tenía cuarenta años y poseía toda la sabiduría de Egipto.
Tuvo que ir cuarenta años al desierto, no solo para aprender por dolorosa experiencia sus penalidades externas. Tuvo que aprender también las tentaciones y pruebas, los peligros y sufrimientos de un corazón desierto. Hay serpientes ardientes cuya mordedura es más venenosa, y escorpiones feroces cuyo aguijón es más agudo, que los de cualquier serpiente o escorpión que haya arrastrado jamás su rastro viscoso por la arena del desierto. Allí aprendió los terrores de Dios en la ley, de la cual fue después el mediador. Y allí aprendió también las bendiciones del evangelio, cuando con el ojo de la fe vio a un Dios encarnado en la zarza ardiente, donde, por la revelación del amor eterno a su alma, llegó a ser “amigo de Dios”.
Al lector…
A veces el Señor lo conduce por un desierto y usted no entiende por qué ha de durar tanto. ¿Descubre allí las serpientes ardientes y los escorpiones feroces de su propio corazón, más venenosos de lo que jamás había pensado? Entonces vea cómo le fue a Moisés. Con toda la sabiduría de Egipto aún no era apto; tuvo que aprender durante cuarenta años en el desierto lo que no podía aprender en ninguna otra parte.
Allí aprendió los terrores de Dios en la ley, pero allí también vio en la zarza ardiente las bendiciones del evangelio, y llegó a ser amigo de Dios por la revelación del amor eterno. Así obra todavía el Señor. Quien se cree apto en sus propias fuerzas tiene que ser hecho pequeño; pero a quien dice con Moisés: “¿Quién soy yo?”, Él lo puede usar y bendecir. Tras las amargas lecciones de su desierto se esconde un amor que no lo soltará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten.
Psalm 107:6
O, wat een genade is het dat er een God is om tot Hem de toevlucht te nemen! Een God Die hoort en antwoordt op het gebed! En wat een zaligheid is het, in staat gesteld te worden zijn belaste geest in Zijn boezem uit te storten. Merkt op de woorden: „Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid.” Indien gij in benauwdheid zijt, hier hebt gij een voldoende waarborg om daarmede tot God te gaan. Bemoeilijkt uzelf niet met de vraag of gij uitverkoren of niet uitverkoren zijt. De Heere zet u niet voor die vraag, en gij behoeft dit ook niet te doen.
Het antwoord zal u best tonen aan welke kant van de lijn gij staat. Zegt Hij niet: „Roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eren”? Bevindt gij u in een dag der benauwdheid? Hier hebt gij een zekere waarborg dat gij tot God gaan kunt. Indien gij verwaardigd wordt te zuchten en uit te roepen tot de Heere, dan is er leven in uw ziel. God heeft u levend gemaakt door Zijn gezegende Geest, als Hij een zucht in uw hart gegeven heeft.
Herinner u de man in Ezechiël, op wie de Heere het zegel van goedkeuring zette. Het waren degenen die zuchtten en uitriepen over al de gruwelen die zij zagen en waarnamen in zichzelf en in anderen (Ezechiël 9:4). Indien dan de Heere een zucht en uitroep in uw ziel gelegd heeft vanwege de waarneming uwer gruwelen in uw hart, dan zijt gij één dergenen op wie Hij Zijn zegel gezet heeft. Geheiligde benauwdheden zijn wel de grootste zegeningen, en één dier gezegende vruchten is deze, dat zij ons bewaren van neder te zinken op onze droesem en stil en gerust te zijn te Sion.
Zou bij zorgeloze, wereldsgezinde, hoogmoedige, inhalige belijders, verzonken in vleselijkheid en dood, ooit een zuchten of roepen in hun ziel gevonden worden? Zij mogen een vormelijk gebed — een morgengebed, een avondgebed, een familiegebed — hebben, zo rond als een bal en zo koud als op Kerstmis. Stijf en bevroren in het vlees, zijn ze ijs in zichzelf, en waar zij komen, brengen zij die koude met zich mede. Maar de Heere laat Zijn volk niet wandelen op zo’n koude, levenloze, bevroren weg met slechts wat vormelijke vroomheid, wat lippendienst en met gebeden die op een oude, versleten schoen gelijken, zijnde veel gebruikt. Hij zendt verdrukkingen, beproevingen en benauwdheden over hen, brengt hen in de woestijn, oefent hen degelijk in het pad der verdrukking, en onder dit alles ondersteunt Hij hen en verwekt een roepen in hun ziel, dat Hij gewis verhoren zal.
Aan de lezer…
U die in benauwdheid bent en daarbij gekweld wordt door de vraag of u wel uitverkoren bent: bemoeilijk uzelf daar niet mee. De Heere zet u niet voor die vraag; Hij zegt eenvoudig: „Roept Mij aan in de dag der benauwdheid.” Uw benauwdheid zelf is een voldoende waarborg om tot Hem te gaan, en het antwoord zal u beter tonen aan welke kant van de lijn u staat dan al uw gepeins.
Kunt u niet meer dan zuchten over de gruwelen die u in uw eigen hart waarneemt? Dat zuchten is geen teken van de dood, maar van leven; God Zelf heeft het in uw hart gelegd. Een koude, vormelijke belijder zucht niet. Daarom zendt de Heere Zijn volk benauwdheden, opdat zij niet neerzinken op hun droesem. Roep dan, al is het met een gebroken stem; want Hij verwekt geen roepen in een ziel dat Hij niet gewis verhoren zal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten.
Psalm 107:6
O, wat een genade is het dat er een God is bij Wie wij onze toevlucht kunnen nemen! Een God Die hoort en het gebed beantwoordt! En wat een zaligheid is het om in staat gesteld te worden zijn belaste geest in Zijn schoot uit te storten. Let op de woorden: „Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid.” Als u in benauwdheid bent, dan hebt u hier een voldoende waarborg om daarmee naar God te gaan. Maak het uzelf niet moeilijk met de vraag of u uitverkoren of niet uitverkoren bent. De Heere stelt u niet voor die vraag, en u hoeft dat ook zelf te laten.
Het antwoord zal u het beste laten zien aan welke kant van de lijn u staat. Zegt Hij niet: „Roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eren”? Bent u in een dag van benauwdheid? Dan hebt u hier een zekere waarborg dat u naar God kunt gaan. Als u verwaardigd wordt te zuchten en tot de Heere te roepen, dan is er leven in uw ziel. God heeft u door Zijn gezegende Geest levend gemaakt, als Hij een zucht in uw hart gegeven heeft.
Denk aan de man in Ezechiël, op wie de Heere het zegel van Zijn goedkeuring zette. Het waren degenen die zuchtten en uitriepen over al de gruwelen die zij zagen en opmerkten in zichzelf en in anderen (Ezechiël 9:4). Als de Heere dan een zucht en een roep in uw ziel gelegd heeft, omdat u de gruwelen in uw hart opmerkt, dan bent u een van hen op wie Hij Zijn zegel gezet heeft. Geheiligde benauwdheden zijn wel de grootste zegeningen. Een van hun gezegende vruchten is dat zij ons ervoor bewaren neer te zinken op onze droesem en stil en gerust te zijn in Sion.
Zou er bij zorgeloze, wereldsgezinde, hoogmoedige, hebzuchtige belijders, verzonken in vleselijkheid en dood, ooit een zuchten of roepen in hun ziel gevonden worden? Zij mogen een vormelijk gebed hebben — een morgengebed, een avondgebed, een gezinsgebed — zo rond als een bal en zo koud als met Kerstmis. Stijf en bevroren in het vlees zijn zij ijs in zichzelf, en waar zij komen, brengen zij die kou met zich mee. Maar de Heere laat Zijn volk niet wandelen op zo’n koude, levenloze, bevroren weg, met alleen wat vormelijke vroomheid, wat lippendienst en gebeden die op een oude, versleten schoen lijken, omdat ze zo veel gebruikt zijn. Hij zendt hun verdrukkingen, beproevingen en benauwdheden, brengt hen in de woestijn en oefent hen grondig op het pad van de verdrukking. En onder dat alles ondersteunt Hij hen en wekt Hij een roepen in hun ziel, dat Hij zeker zal verhoren.
Aan de lezer…
U die in benauwdheid bent en daarbij gekweld wordt door de vraag of u wel uitverkoren bent: maak het uzelf daarmee niet moeilijk. De Heere stelt u niet voor die vraag; Hij zegt eenvoudig: „Roept Mij aan in de dag der benauwdheid.” Uw benauwdheid zelf is een voldoende waarborg om naar Hem toe te gaan, en het antwoord zal u beter laten zien aan welke kant van de lijn u staat dan al uw gepieker.
Kunt u niet meer dan zuchten over de gruwelen die u in uw eigen hart opmerkt? Dat zuchten is geen teken van de dood, maar van leven; God Zelf heeft het in uw hart gelegd. Een koude, vormelijke belijder zucht niet. Daarom zendt de Heere Zijn volk benauwdheden, zodat zij niet neerzinken op hun droesem. Roep dan, ook al is het met een gebroken stem; want Hij wekt geen roepen in een ziel dat Hij niet zeker zal verhoren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Then they cried unto the LORD in their trouble, and he delivered them out of their distresses.”
Psalm 107:6
Oh what a mercy it is that there is a God to go to! a God Who hears and answers prayer! And what a blessing it is to be able to unbosom before Him the burdened spirit! Observe the words—“Then they cried unto the Lord in their trouble.” If you have trouble it is a sufficient warrant for you to go to God with it. Do not trouble yourself with the question, whether you are elect or non-elect. God does not put it in that shape, and you need not. The answer will best show on which side of the line you stand.
Does He not say—“Call upon Me in the day of trouble—I will deliver you, and you shall glorify Me?” If you have a day of trouble, you have here a sufficient warrant to call upon God. Write not, then, bitter things against yourself. If you are enabled to sigh and cry unto the Lord there is life in your soul. God has quickened you by His blessed Spirit if He has put a sigh and cry into your bosom. Remember the men in Ezekiel on whom the Lord put the approving seal. It was those who sighed and cried for the abominations which they saw and felt in themselves and others (Ezekiel 9:4). If, then, the Lord has put a sigh and cry into your bosom on account of your felt inward abominations, you are one of those on whom He has set His seal.
Sanctified troubles are some of our greatest blessings; and one of their blessed fruits is that they keep us from settling on our lees and being at ease in Zion. Careless, worldly-minded, proud, covetous professors, sunk in carnality and death, where is there ever a cry in their soul? They may have a formal prayer—a morning prayer, an evening prayer, a family prayer, and all as round as a ball, and as cold as ice. Stiff and frozen in carnality they are ice themselves, and they bring their ice with them wherever they come.
But God does not allow His people to go on in this cold, lifeless, frozen, icy way, with mere formal devotion, lip service, and prayers worn out like an old shoe with long and continual treading. He sends afflictions, trials, and troubles upon them, takes them into the wilderness, exercises them well in the path of tribulation, and supporting them under it, raises up a cry which He is sure to hear.
To the reader…
You who are in trouble and are tormented besides by the question whether you are elect: do not make it hard for yourself with that. The Lord does not set that question before you; He says simply, “Call upon Me in the day of trouble.” Your trouble itself is a sufficient warrant to go to Him, and the answer will show you better on which side of the line you stand than all your brooding.
Can you do no more than sigh over the abominations you notice in your own heart? That sighing is no sign of death, but of life; God Himself has put it into your heart. A cold, formal professor does not sigh. That is why the Lord sends His people troubles, so that they do not settle on their lees. Cry, then, even if it is with a broken voice; for He raises up no cry in a soul which He will not surely hear.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Habiendo empero clamado á Jehová en su angustia, librólos de sus aflicciones.”
Salmo 107:6
¡Oh, qué misericordia es que haya un Dios a quien acudir! ¡Un Dios Que oye y responde la oración! ¡Y qué bendición es poder desahogar ante Él el espíritu cargado! Observe las palabras: “Clamaron a Jehová en su angustia.” Si usted tiene angustia, eso es garantía suficiente para ir con ella a Dios. No se atormente con la pregunta de si es elegido o no elegido. Dios no lo plantea en esa forma, y usted tampoco necesita hacerlo. La respuesta mostrará mejor de qué lado de la línea está usted.
¿No dice Él: “E invócame en el día de la angustia: te libraré, y tú me honrarás”? Si tiene usted un día de angustia, tiene aquí garantía suficiente para invocar a Dios. No escriba, pues, cosas amargas contra sí mismo. Si se le concede suspirar y clamar al Señor, hay vida en su alma. Dios le ha vivificado por Su bendito Espíritu si ha puesto un suspiro y un clamor en su pecho. Recuerde a los hombres de Ezequiel sobre quienes el Señor puso el sello de Su aprobación. Eran los que gemían y clamaban a causa de las abominaciones que veían y sentían en sí mismos y en otros (Ezequiel 9:4). Si, pues, el Señor ha puesto un suspiro y un clamor en su pecho a causa de las abominaciones interiores que usted siente, es usted uno de aquellos sobre quienes Él ha puesto Su sello.
Las angustias santificadas son algunas de nuestras mayores bendiciones; y uno de sus benditos frutos es que nos guardan de asentarnos sobre nuestras heces y de estar reposados en Sión. Los profesantes descuidados, mundanos, orgullosos, codiciosos, hundidos en la carnalidad y la muerte, ¿dónde hay jamás un clamor en su alma? Pueden tener una oración formal —una oración de la mañana, una oración de la noche, una oración familiar—, todo tan redondo como una bola y tan frío como el hielo. Rígidos y helados en la carnalidad, ellos mismos son hielo, y llevan su hielo consigo dondequiera que van.
Pero Dios no permite que Su pueblo siga de esta manera fría, sin vida, helada y gélida, con una mera devoción formal, un servicio de labios y oraciones gastadas como un zapato viejo por el largo y continuo pisar. Envía sobre ellos aflicciones, pruebas y angustias, los lleva al desierto, los ejercita bien en la senda de la tribulación, y sosteniéndolos en ella, levanta un clamor que Él de seguro oirá.
Al lector…
Usted que está en angustia y además es atormentado por la pregunta de si es elegido: no se lo haga difícil con eso. El Señor no le pone delante esa pregunta; dice sencillamente: “Invócame en el día de la angustia.” Su angustia misma es garantía suficiente para ir a Él, y la respuesta le mostrará mejor de qué lado de la línea está usted que todas sus cavilaciones.
¿No puede hacer más que suspirar por las abominaciones que nota en su propio corazón? Ese suspirar no es señal de muerte, sino de vida; Dios mismo lo ha puesto en su corazón. Un profesante frío y formal no suspira. Por eso el Señor envía angustias a Su pueblo, para que no se asiente sobre sus heces. Clame, pues, aunque sea con voz quebrada; porque Él no levanta en un alma ningún clamor que no vaya de seguro a oír.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl