vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De Geest des Heeren heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.
2 Samuel 23:2
Wij lezen dat „geen profetie der Schrift voor bijzondere uitlegging vatbaar is”; dat wil zeggen: zij is het gemeenschappelijk eigendom van al Jehova’s gunstgenoten, en „heilige mannen Gods spraken zoals zij door de Geest gedreven werden”. De invloed des Heiligen Geestes werkte zodanig op hun zielen dat zij uit hun hart datgene tevoorschijn brachten wat paste aan het gehele volk Gods. Zo lezen wij in Psalm 51 Davids belijdenis van schuld; maar die belijdenis van zonde van David is van toepassing op iedere ziel die wegens haar zonde veroordeeld is. Toen Job zijn bittere klachten uitstortte, sprak hij, zonder het te weten, voor de kinderen Gods in de verste tijden.
Toen de Heere tot Jozua zeide: „Ik zal u niet begeven noch verlaten”, was het een belofte uitsluitend aan Jozua gegeven; zij scheen alleen tot hem gericht, alsof Jozua, en Jozua alleen, aanspraak had op die belofte. Maar wij zien de apostel Paulus diezelfde belofte aanhalen als het gemeenschappelijk eigendom van de gemeente Gods: „Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, noch Ik zal u niet verlaten” (Hebreeën 13:5). „Hij heeft gezegd.” Tot wie? Tot Jozua; maar toen Hij het tot Jozua zeide, zeide Hij het tot de gehele gemeente Gods. Door aan Jozua die belofte te geven, gaf Hij die belofte aan iedere ziel die met Jozua Zijn hulp nodig had, die met Jozua vreesde verlaten te zijn, die met Jozua Zijn ondersteunende hand nodig had. En daarom was deze belofte aan Jozua niet voor een bijzondere uitlegging vatbaar, maar, toegepast door de goede Geest, is zij geldig voor iedere levende ziel die in dezelfde omstandigheden geplaatst is als hij tot wie deze belofte kwam.
Nooddruftigen vergeet God niet,
noch laat hen eind’loos in ’t verdriet.
’t Ellendig volk mag op Hem wachten,
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Ps. 9:18
Aan de lezer…
U die soms de beloften van de Schrift niet durft aan te nemen, omdat zij tot anderen gesproken schijnen en niet tot u, leest wat de Heere tot Jozua zeide, en denkt: dat was voor hem, niet voor zo één als ik. Maar zie hoe de Geest dezelfde belofte later aan heel de gemeente Gods schenkt: „Ik zal u niet begeven.”
Hebt u dan met Jozua Zijn hulp nodig? Vreest u met Jozua verlaten te worden, en hebt u Zijn ondersteunende hand nodig? Dan staat u in dezelfde omstandigheden als hij tot wie deze belofte kwam, en zij is ook voor u geldig. Vraag de goede Geest haar aan uw hart toe te passen. Nooddruftigen vergeet God niet; het ellendige volk mag op Hem wachten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Geest des Heeren heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.
2 Samuel 23:2
Wij lezen dat „geen profetie der Schrift voor bijzondere uitlegging vatbaar is”. Dat wil zeggen: zij is het gemeenschappelijk eigendom van al Jehova’s gunstgenoten, en „heilige mannen Gods spraken zoals zij door de Geest gedreven werden”. De invloed van de Heilige Geest werkte zo op hun zielen dat zij uit hun hart naar voren brachten wat paste bij het hele volk van God. Zo lezen wij in Psalm 51 Davids belijdenis van schuld, maar die belijdenis van zonde van David is van toepassing op iedere ziel die vanwege haar zonde veroordeeld is. Toen Job zijn bittere klachten uitstortte, sprak hij, zonder het te weten, voor de kinderen van God in de verste tijden.
Toen de Heere tegen Jozua zei: „Ik zal u niet begeven noch verlaten”, was het een belofte die alleen aan Jozua gegeven werd. Zij leek alleen tot hem gericht, alsof Jozua, en Jozua alleen, aanspraak had op die belofte. Maar wij zien dat de apostel Paulus diezelfde belofte aanhaalt als het gemeenschappelijk eigendom van de gemeente van God: „Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, noch Ik zal u niet verlaten” (Hebreeën 13:5). „Hij heeft gezegd.” Tegen wie? Tegen Jozua; maar toen Hij het tegen Jozua zei, zei Hij het tegen de hele gemeente van God. Door Jozua die belofte te geven, gaf Hij die belofte aan iedere ziel die met Jozua Zijn hulp nodig had, die met Jozua vreesde verlaten te worden, die met Jozua Zijn ondersteunende hand nodig had. Daarom was deze belofte aan Jozua niet voor bijzondere uitlegging vatbaar. Integendeel, wanneer de goede Geest haar toepast, geldt zij voor iedere levende ziel die in dezelfde omstandigheden verkeert als hij tot wie deze belofte kwam.
Nooddruftigen vergeet God niet,
noch laat hen eind’loos in ’t verdriet.
’t Ellendig volk mag op Hem wachten,
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Ps. 9:18
Aan de lezer…
U die soms de beloften van de Schrift niet durft aan te nemen, omdat zij tot anderen gesproken lijken en niet tot u, leest wat de Heere tegen Jozua zei, en denkt: dat was voor hem, niet voor iemand zoals ik. Maar zie hoe de Geest dezelfde belofte later aan de hele gemeente van God schenkt: „Ik zal u niet begeven.”
Hebt u dan met Jozua Zijn hulp nodig? Vreest u met Jozua verlaten te worden, en hebt u Zijn ondersteunende hand nodig? Dan verkeert u in dezelfde omstandigheden als hij tot wie deze belofte kwam, en zij geldt ook voor u. Vraag de goede Geest haar aan uw hart toe te passen. Nooddruftigen vergeet God niet; het ellendige volk mag op Hem wachten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The Spirit of the LORD spake by me, and his word was in my tongue.
2 Samuel 23:2
We read that “no prophecy of the Scripture is of any private interpretation;” that is to say, it is the public property of the whole family of Jehovah; and “holy men of God spoke as they were moved by the Holy Spirit;” the Holy Spirit so influencing and working upon their minds as to make them bring forth out of their hearts that which should be suitable to the whole family of God. For instance, we read in Psalm 51, David’s confession of sin; but David’s confession of sin applies to every soul that is condemned on account of sin. When Job, also, poured out his piteous complaints, he was speaking, though he might not know it, for the children of God to the remotest time.
So when the Lord said to Joshua, “I will never leave you, nor forsake you,” it was a promise specially given to Joshua; it seemed to be confined to that individual; it appeared to be of private interpretation, as though Joshua, and Joshua alone, was entitled to that promise. But we find the apostle Paul bringing forward this promise as the general property of the whole Church of God–“Let your life be without covetousness; and be content with such things as you have–for He has said, I will never leave you, nor forsake you” (Heb. 13:5). “He has said?” to whom? To Joshua; but in saying it to Joshua, He said it to the Church of God; in giving Joshua the promise, He gave that promise to every soul that needed with Joshua His help, that feared with Joshua to be forsaken, that wanted with Joshua His sustaining hand; and therefore this private promise to Joshua was not of private interpretation, but, when applied by the blessed Spirit, suits every living soul that is placed in similar circumstances with the individual to whom that promise was addressed.
To the reader…
You who sometimes dare not take hold of the promises of Scripture, because they seem to have been spoken to others and not to you, read what the Lord said to Joshua and think: that was for him, not for someone like me. But see how the Spirit later gives the same promise to the whole church of God: “I will never leave thee.”
Do you, then, need His help as Joshua did? Do you, like Joshua, fear being forsaken, and do you need His sustaining hand? Then you are in the same circumstances as the one to whom this promise came, and it applies to you as well. Ask the good Spirit to apply it to your heart. God does not forget the needy; the poor and afflicted may wait upon Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El Espíritu de Jehová ha hablado por mí, y Su palabra ha sido en mi lengua.
2 Samuel 23:2
Leemos que “ninguna profecía de la Escritura es de particular interpretación”; es decir, es propiedad pública de toda la familia de Jehová; y que “los santos hombres de Dios hablaron siendo inspirados del Espíritu Santo”; influyendo y obrando el Espíritu Santo de tal manera en sus mentes que les hacía sacar de sus corazones lo que convenía a toda la familia de Dios. Por ejemplo, leemos en el Salmo 51 la confesión de pecado de David; pero la confesión de pecado de David se aplica a toda alma que está condenada a causa del pecado. También cuando Job derramaba sus lastimeras quejas, hablaba, aunque quizá no lo supiera, por los hijos de Dios hasta los tiempos más remotos.
Así, cuando el Señor dijo a Josué: “No te dejaré, ni te desampararé”, era una promesa dada especialmente a Josué; parecía estar limitada a aquel individuo; parecía ser de particular interpretación, como si Josué, y solo Josué, tuviera derecho a esa promesa. Pero hallamos que el apóstol Pablo presenta esta promesa como propiedad general de toda la Iglesia de Dios: “Sean las costumbres vuestras sin avaricia; contentos de lo presente; porque Él dijo: No te desampararé, ni te dejaré” (Hebreos 13:5). “Él dijo”, ¿a quién? A Josué; pero al decirlo a Josué, lo dijo a la Iglesia de Dios; al dar a Josué la promesa, dio esa promesa a toda alma que, como Josué, necesitaba Su ayuda, que como Josué temía ser desamparada, que como Josué necesitaba Su mano sustentadora; y por tanto, esta promesa particular a Josué no era de particular interpretación, sino que, cuando es aplicada por el bendito Espíritu, conviene a toda alma viviente que se halla en circunstancias semejantes a las del individuo a quien fue dirigida esa promesa.
Al lector…
Usted que a veces no se atreve a asirse de las promesas de la Escritura, porque parecen haber sido dichas a otros y no a usted, lee lo que el Señor dijo a Josué y piensa: eso era para él, no para alguien como yo. Pero vea cómo el Espíritu da después la misma promesa a toda la iglesia de Dios: “No te desampararé”.
¿Necesita usted, pues, Su ayuda como Josué? ¿Teme, como Josué, ser desamparado, y necesita Su mano sustentadora? Entonces está en las mismas circunstancias que aquel a quien llegó esta promesa, y también se aplica a usted. Pida al buen Espíritu que la aplique a su corazón. Dios no se olvida del menesteroso; el pobre y afligido pueden esperar en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis.
Deuteronomium 32:10
Het woord ‘huilende’ verwijst niet alleen naar de wildernis zelf, maar kan ook betrekking hebben op haar bewoners, de wilde dieren, die haar vullen met hun middernachtelijk gehuil. Reizigers hebben het vaak over het huilen van de jakhals en andere wilde roofdieren die de woestijn bewonen. Zo wordt ons hart bewoond door wilde dieren die zijn woestenij bewonen. Wat een kwaadaardige hartstochten wonen er in de menselijke borst! Hoogmoed, jaloezie, afgunst, toorn, haat, moord! Wordt iemand dwarsgezeten en tegengewerkt, of onder kritiek gesteld, zelfs al is dit terecht, wat een vijandschap en woede beginnen zich dan in zijn geest zelfs tegen zijn beste vriend te roeren! De jakhals, de tijger, de hyena, de wolf, de beer en de vos hebben allemaal hun hol in het menselijk hart. ‘De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen’; maar ’s nachts treden zij uit, ‘briesende om een roof’ (Ps. 104:20-22).
Wat een passende beschrijving van het menselijk hart, dat niet alleen een woestijn is, geheel verstoken van gewas, boom, fruit of bloem, maar een ‘woeste, huilende wildernis’, waar de vernietigende wind droefgeestig kermend doorheen raast en waar roofdieren voortdurend op jacht zijn. Kijk in uw eigen hart en onderzoek het goed: u zult het er allemaal aantreffen. Heeft de vernietigende wind van de zonde niet menig opkomend blaadje in de kiem gesmoord? Zwerven de nachtelijke roofdieren niet altijd rond op zoek naar wat smerig aas? Hier vindt God dus Zijn Israël. Israël zou nooit God hebben gevonden; het is God Die hem op deze ellendige plek vindt, in deze verlaten, totaal verlaten toestand. ‘Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis’ (Deut. 32:10).
Lezen: Deuteronomium 32:1-14
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in uw eigen hart gekeken hebt en daar die woeste, huilende wildernis gevonden hebt: hoogmoed, afgunst, toorn en vijandschap, die als roofdieren rondzwerven zodra het nacht wordt, en een vernietigende wind die menig opkomend blaadje in de kiem smoort. Schrik niet terug van dat eerlijke gezicht; het is beter het te kennen dan het te ontkennen.
Want juist daar vindt God Zijn Israël. U zou Hem nooit gevonden hebben; Hij is het Die de verlorene opzoekt op die ellendige, verlaten plek. Wanhoop dan niet omdat uw hart zo’n woestenij is. Dat Hij u daar uw ellende doet zien, is een teken dat Hij nabij is. Roep tot Hem uit de wildernis, want Hij Die Israël daar vond, is nog Dezelfde, en Hij zoekt arme zondaren op in hun woestijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis.
Deuteronomium 32:10
Het woord „huilende” slaat niet alleen op de wildernis zelf, maar kan ook betrekking hebben op haar bewoners, de wilde dieren, die haar vullen met hun gehuil in het holst van de nacht. Reizigers spreken vaak over het huilen van de jakhals en andere wilde roofdieren die in de woestijn leven. Zo wordt ook ons hart bewoond door wilde dieren die in zijn woestenij huizen. Wat een boze hartstochten wonen er in de menselijke borst! Hoogmoed, jaloersheid, afgunst, toorn, haat, moord! Wordt iemand gedwarsboomd en tegengewerkt, of wordt hij berispt, zelfs al is dat terecht, wat een vijandschap en woede beginnen zich dan in zijn geest te roeren, zelfs tegen zijn beste vriend! De jakhals, de tijger, de hyena, de wolf, de beer en de vos hebben allemaal hun hol in het menselijk hart. „De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen”; maar ’s nachts gaan zij eropuit, „briesende om een roof” (Ps. 104:20-22).
Wat een treffende beschrijving van het menselijk hart! Het is niet alleen een woestijn, geheel verstoken van gewas, boom, vrucht of bloem, maar een „woeste, huilende wildernis”, waar de verzengende wind met droevig gekerm doorheen raast en waar roofdieren voortdurend op jacht zijn. Kijk in uw eigen hart en onderzoek het goed: u zult het er allemaal aantreffen. Heeft de verzengende wind van de zonde niet menig opkomend blaadje in de kiem gesmoord? Zwerven de roofdieren van de nacht niet altijd rond op zoek naar vuil aas? Hier vindt God dus Zijn Israël. Israël zou God nooit gevonden hebben; het is God Die hem vindt op deze ellendige plek, in deze verlaten, volkomen verlaten toestand. „Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis” (Deut. 32:10).
Lezen: Deuteronomium 32:1-14
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in uw eigen hart gekeken hebt en daar die woeste, huilende wildernis gevonden hebt: hoogmoed, afgunst, toorn en vijandschap, die als roofdieren rondzwerven zodra het nacht wordt, en een verzengende wind die menig opkomend blaadje in de kiem smoort. Schrik niet terug voor die eerlijke aanblik; het is beter uw hart te kennen dan het te ontkennen.
Want juist daar vindt God Zijn Israël. U zou Hem nooit gevonden hebben; Hij is het Die de verlorene opzoekt op die ellendige, verlaten plek. Wanhoop dan niet omdat uw hart zo’n woestenij is. Dat Hij u daar uw ellende laat zien, is een teken dat Hij nabij is. Roep tot Hem uit de wildernis, want Hij Die Israël daar vond, is nog Dezelfde, en Hij zoekt arme zondaren op in hun woestijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He found him in a desert land, and in the waste howling wilderness.
Deuteronomy 32:10
The word “howling” refers not only to the wilderness itself, but may also have reference to its inhabitants, the wild beasts, which fill it with their howling in the dead of night. Travellers often speak of the howling of the jackal and other wild beasts of prey that live in the desert. So our heart too is inhabited by wild beasts that make their lair in its waste. What evil passions dwell in the human breast! Pride, jealousy, envy, anger, hatred, murder! If a man is crossed and thwarted, or if he is rebuked, even justly, what enmity and rage begin to stir in his mind, even against his best friend! The jackal, the tiger, the hyena, the wolf, the bear and the fox all have their den in the human heart. “The sun ariseth, they gather themselves together, and lay them down in their dens”; but by night they go forth, “roaring after their prey” (Ps. 104:20-22).
What a striking description of the human heart! It is not only a desert, wholly destitute of herb, tree, fruit or flower, but a “waste howling wilderness,” through which the scorching wind rushes with a mournful moan and where beasts of prey are continually on the hunt. Look into your own heart and search it well: you will find it all there. Has not the scorching wind of sin nipped many a springing leaf in the bud? Do not the beasts of prey of the night always roam about in search of foul carrion?
Here, then, God finds His Israel. Israel would never have found God; it is God Who finds him in this wretched place, in this desolate, utterly forsaken condition. “He found him in a desert land, and in the waste howling wilderness” (Deut. 32:10).
Reading: Deuteronomy 32:1-14
To the reader…
It may be that you have looked into your own heart and found there that waste howling wilderness: pride, envy, anger and enmity, roaming like beasts of prey as soon as night falls, and a scorching wind that nips many a springing leaf in the bud. Do not shrink from that honest sight; it is better to know your heart than to deny it.
For it is just there that God finds His Israel. You would never have found Him; it is He Who seeks out the lost in that wretched, forsaken place. Do not despair, then, because your heart is such a wilderness. That He shows you your misery there is a sign that He is near. Cry to Him out of the wilderness, for He Who found Israel there is still the same, and He seeks out poor sinners in their desert.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Hallólo en tierra de desierto, y en desierto horrible y yermo.
Deuteronomio 32:10
La palabra “horrible” (literalmente: “aullador”) no se refiere solo al desierto mismo, sino que puede aludir también a sus habitantes, las fieras, que lo llenan con sus aullidos en lo profundo de la noche. Los viajeros hablan a menudo del aullido del chacal y de otras fieras de presa que viven en el desierto. Así también nuestro corazón está habitado por fieras que hacen su guarida en su yermo. ¡Qué pasiones malas habitan en el pecho humano! ¡Orgullo, celos, envidia, ira, odio, homicidio! Si a un hombre se le contraría y se le estorba, o si se le reprende, aun con justicia, ¡qué enemistad y furor empiezan a agitarse en su mente, incluso contra su mejor amigo! El chacal, el tigre, la hiena, el lobo, el oso y la zorra tienen todos su cubil en el corazón humano. “Sale el sol, recógense, y échanse en sus cuevas”; pero de noche salen, “bramando a la presa” (Sal. 104:20-22).
¡Qué descripción tan elocuente del corazón humano! No es solo un desierto, del todo desprovisto de hierba, árbol, fruto o flor, sino un “desierto horrible y yermo”, por el cual el viento abrasador corre con un gemido lastimero y donde las fieras de presa andan continuamente de caza. Mire dentro de su propio corazón y escudríñelo bien: lo hallará todo allí. ¿No ha marchitado el viento abrasador del pecado en su brote muchas hojas nacientes? ¿No vagan siempre las fieras de la noche en busca de carroña inmunda?
Aquí, pues, halla Dios a Su Israel. Israel nunca habría hallado a Dios; es Dios quien lo halla en este lugar miserable, en esta condición desolada y del todo abandonada. “Hallólo en tierra de desierto, y en desierto horrible y yermo” (Deut. 32:10).
Lectura: Deuteronomio 32:1-14
Al lector…
Puede ser que usted haya mirado dentro de su propio corazón y haya hallado allí ese desierto horrible y yermo: orgullo, envidia, ira y enemistad, que vagan como fieras de presa en cuanto cae la noche, y un viento abrasador que marchita en su brote muchas hojas nacientes. No retroceda ante esa vista sincera; es mejor conocer su corazón que negarlo.
Porque es precisamente allí donde Dios halla a Su Israel. Usted nunca le habría hallado a Él; es Él quien busca a los perdidos en ese lugar miserable y abandonado. No desespere, pues, porque su corazón sea tal desierto. Que Él le muestre allí su miseria es señal de que está cerca. Clame a Él desde el desierto, porque Aquel que halló allí a Israel sigue siendo el mismo, y busca a los pobres pecadores en su desierto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Twijfelmoedig, doch niet mismoedig.
2 Korinthe 4:8
O, wat een genade, om te midden van alle in- en uitwendige verwarring en onrust buiten het bereik van Reus Wanhoop te blijven; niet te worden opgesloten in de ijzeren kooi, niet te worden overgegeven tot wanhoop en zelfmoord, gelijk Judas en Achitofel, en na een lang leven van belijdenis ten opzichte van het geloof ellendig schipbreuk te lijden. Nu, het kind van God, met al zijn twijfelingen, vrezen, inzinkingen, angstige voorgevoelens en beproevende moeilijkheden, komt nooit werkelijk in wanhoop. Hij moge zó dicht de grenzen van dat zwarte gebied betreden dat het bijna niet te onderscheiden is of hij op de grens dan wel in dit gebied zelf wandelt.
Want ik geloof dat vele kinderen van God bij tijden tot het ernstige besluit komen dat er geen hoop voor hen is, want zij kunnen niet bezien hoe zij verlost kunnen worden of hun zonden vergeven kunnen worden. En ofschoon dit niet de zwarte wanhoop is, noch zulk een volstrekte en onherstelbare vertwijfeling als Saul en Judas hebben beleefd – want op de bodem des harten leeft nog de gedachte „wie weet” – toch is dit gewisselijk een wandelen zeer nabij de grenzen van dit duistere en vreselijke land. Ik kan het niet zeggen, en ik geloof dat niemand dit kan, hoe laag een kind van God kan zinken en hoe lang hij daarin kan volharden onder schrik en vrees van de Almachtige; maar wij hebben de verzekering uit Gods Woord om te geloven dat hij nooit zal worden overgegeven tot een gehele wanhoop, want de Heere bewaart zijn voet van te vallen in die vreselijke put en te worden geworpen in die zee waar noch oever noch bodem te vinden is.
Aan de lezer…
Soms zinkt u zo laag dat u meent dat er voor u geen hoop meer is, omdat u niet zien kunt hoe uw zonden ooit vergeven kunnen worden. Wandelt u zo dicht bij de grenzen van dat duistere land dat u niet meer weet of u erop of erin staat? U bent niet de enige; vele kinderen van God zijn daar geweest, en niemand kan zeggen hoe diep zij kunnen zinken.
Maar leeft er op de bodem van uw hart nog een zwak „wie weet”? Houd dat vast, want daarin is het verschil met de zwarte wanhoop. Twijfelmoedig, doch niet mismoedig: zo spreekt Gods Woord over Zijn volk. De Heere bewaart de voet van de Zijnen, dat zij niet vallen in die vreselijke put. Al ziet u geen oever en geen bodem, Hij laat u niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Twijfelmoedig, doch niet mismoedig.
2 Korinthe 4:8
O, wat een genade om te midden van alle innerlijke en uiterlijke verwarring en onrust buiten het bereik van Reus Wanhoop te blijven; niet te worden opgesloten in de ijzeren kooi, niet te worden overgegeven aan wanhoop en zelfmoord, zoals Judas en Achitofel, en niet na een lang leven van belijdenis ellendig schipbreuk te lijden aan het geloof. Welnu, het kind van God komt, met al zijn twijfels, vrezen, inzinkingen, angstige voorgevoelens en beproevende moeilijkheden, nooit werkelijk in wanhoop. Hij kan wel zo dicht bij de grenzen van dat zwarte gebied komen dat bijna niet te onderscheiden is of hij op de grens loopt of in dat gebied zelf.
Want ik geloof dat veel kinderen van God soms tot de ernstige conclusie komen dat er voor hen geen hoop is, omdat zij niet kunnen zien hoe zij verlost kunnen worden of hoe hun zonden vergeven kunnen worden. Dit is niet de zwarte wanhoop, en ook niet zo’n volstrekte en onherstelbare wanhoop als Saul en Judas hebben gekend – want op de bodem van het hart leeft nog de gedachte „wie weet”. Toch is dit zeker een wandelen heel dicht bij de grenzen van dat duistere en vreselijke land. Ik kan niet zeggen, en ik geloof dat niemand het kan, hoe diep een kind van God kan zinken en hoe lang hij daarin kan blijven onder schrik en vrees voor de Almachtige. Maar wij hebben de zekerheid uit Gods Woord om te geloven dat hij nooit aan een volledige wanhoop zal worden overgegeven, want de Heere bewaart zijn voet ervoor te vallen in die vreselijke put en geworpen te worden in die zee waar geen oever en geen bodem te vinden is.
Aan de lezer…
Soms zinkt u zo diep dat u meent dat er voor u geen hoop meer is, omdat u niet kunt zien hoe uw zonden ooit vergeven kunnen worden. Wandelt u zo dicht bij de grenzen van dat duistere land dat u niet meer weet of u erop of erin staat? U bent niet de enige; veel kinderen van God zijn daar geweest, en niemand kan zeggen hoe diep zij kunnen zinken.
Maar leeft er op de bodem van uw hart nog een zwak „wie weet”? Houd dat vast, want daarin ligt het verschil met de zwarte wanhoop. Twijfelmoedig, doch niet mismoedig: zo spreekt Gods Woord over Zijn volk. De Heere bewaart de voet van de Zijnen, zodat zij niet vallen in die vreselijke put. Al ziet u geen oever en geen bodem, Hij laat u niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
We are perplexed, but not in despair.
2 Corinthians 4:8
Oh! what a mercy, amid every degree of inward or outward perplexity, to be out of the reach of Giant Despair; not to be shut up in the iron cage; not to be abandoned, as Judas or Ahithophel, to utter desperation and suicide, and, after a long life of profession, concerning faith to make dreadful shipwreck! Now the child of God, with all his doubts, fears, sinkings, misgivings, and trying perplexities is never really and truly in despair.
He may tread so near the borders of that black country that it may almost be debatable land whether he is walking in despair or upon the borders of it; for I believe many children of God have at times come to the solemn conclusion that there is no hope for them, for they cannot see how they can be saved or have their aggravated sins pardoned.
And though this be not black despair, nor such utter, irremediable desperation as seized Saul and Judas, for there still is a “Who can tell?” yet it certainly is walking very near the borders of that dark and terrible land. I cannot tell, nor do I believe any can, how low a child of God may sink, or how long he may continue under the terrors of the Almighty; but we have the warrant of God’s Word to believe that he is never given up to utter despair, for the Lord holds up his feet from falling into that terrible pit, and being cast into that sea to which there is neither bottom nor shore.
To the reader…
Sometimes you sink so low that you think there is no hope left for you, because you cannot see how your sins could ever be pardoned. Are you walking so near the borders of that dark land that you no longer know whether you are on its edge or inside it? You are not the only one; many children of God have been there, and no one can say how low they may sink.
But is there still a faint “Who can tell?” alive at the bottom of your heart? Hold on to it, for in it lies the difference from black despair. Perplexed, but not in despair: that is how God’s Word speaks of His people. The Lord keeps the feet of His own, so that they do not fall into that terrible pit. Though you see neither shore nor bottom, He will not let you go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En apuros, mas no desesperamos.
2 Corintios 4:8
¡Oh, qué misericordia es, en medio de todo grado de apuro interior o exterior, estar fuera del alcance del Gigante Desesperación; no estar encerrado en la jaula de hierro; no ser abandonado, como Judas o Ahitofel, a la desesperación total y al suicidio, y, después de una larga vida de profesión, naufragar terriblemente en la fe! Ahora bien, el hijo de Dios, con todas sus dudas, temores, hundimientos, recelos y apuros penosos, nunca está real y verdaderamente desesperado.
Puede caminar tan cerca de las fronteras de aquella tierra negra que casi sea terreno discutible si anda en la desesperación o en sus fronteras; porque creo que muchos hijos de Dios han llegado a veces a la solemne conclusión de que no hay esperanza para ellos, pues no pueden ver cómo podrán ser salvos o cómo podrán ser perdonados sus pecados agravados.
Y aunque esto no sea la negra desesperación, ni una desesperación tan total e irremediable como la que se apoderó de Saúl y de Judas, porque todavía queda un “¿Quién sabe?”, ciertamente es andar muy cerca de las fronteras de aquella tierra oscura y terrible. No puedo decir, ni creo que nadie pueda, cuán bajo puede hundirse un hijo de Dios, ni cuánto tiempo puede permanecer bajo los terrores del Todopoderoso; pero tenemos la garantía de la Palabra de Dios para creer que nunca es entregado a la desesperación total, porque el Señor sostiene sus pies para que no caiga en aquel pozo terrible y no sea arrojado a aquel mar que no tiene fondo ni orilla.
Al lector…
A veces usted se hunde tan bajo que piensa que ya no queda esperanza para usted, porque no ve cómo sus pecados podrían jamás ser perdonados. ¿Camina tan cerca de las fronteras de aquella tierra oscura que ya no sabe si está en su borde o dentro de ella? No es el único; muchos hijos de Dios han estado allí, y nadie puede decir cuán bajo pueden hundirse.
Pero ¿sigue vivo todavía un débil “¿Quién sabe?” en el fondo de su corazón? Aférrese a él, porque en él está la diferencia con la negra desesperación. En apuros, mas no desesperados: así habla la Palabra de Dios de Su pueblo. El Señor guarda los pies de los Suyos, para que no caigan en aquel pozo terrible. Aunque usted no vea ni orilla ni fondo, Él no le soltará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl