5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.
Maleachi 4:2
Zoals de zon opkomt in het oosten en geleidelijk opgaat naar de zuidelijke hemel, en met elke straal licht, warmte en vreugde verspreidt, zo verspreidt ook de Heere Jezus, als de Zon der Gerechtigheid, altijd de stralen van Zijn genade en gunst. En wanneer deze stralen op ons neerdalen, dan is er licht en leven in de ziel. Daar is alles wat de ziel kan heiligen en verblijden. Nu zou iemand die licht in zijn kamer wil hebben wanneer de middagzon schijnt, heel dwaas handelen door zijn luiken te sluiten en een lucifer aan te steken om hem voor enkele ogenblikken een beetje licht te geven.
Laten we dan niet zo dwaas zijn om geluk of troost te zoeken in ons eigen werk, terwijl de Zon der Gerechtigheid aan de rechterhand van God staat en van daaruit op gelovige harten schijnt. Maar als er een sluier over het hart ligt, is het als de luiken in een kamer: dan is er geen licht om te laten zien waar of wie Jezus is. Zou het ons dan niet moeten verbazen dat de mens een licht aansteekt en een vuur ontsteekt, zodat hij „in de spranken van zijn eigen licht zal kunnen wandelen”? Maar wat is Gods Woord tegen dit alles? „Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden nederliggen” (Jesaja 50:11).
Van waar de zon in ’t oosten straalt
tot waar z’ in ’t westen nederdaalt
zij ’s Heeren naam de lof gegeven.
De Heer is boven ’t heidendom;
zijn heerlijkheid bekend alom,
is boven zon en maan verheven.
Wie is gelijk aan onze Heer,
aan God, die tot zijn eeuwig’ eer
zijn troon gevest heeft in de hemel?
Die, daar Hij ’t wereldrond gebiedt
van zijne hoge zetel ziet
op ’t laag en nietig aards gewemel?
Ps. 113:2 en 3
Aan de lezer…
Wie licht en troost zoekt in zijn eigen werk, in zijn voornemens en zijn vroomheid, is even dwaas als iemand die op het middaguur de luiken sluit en een lucifer aansteekt om wat licht te hebben. De Zon der Gerechtigheid staat aan de rechterhand van God en schijnt van daaruit op gelovige harten. Wie in de spranken van zijn eigen licht wil wandelen, zal in smart nederliggen.
Maar ligt er een sluier over uw hart, zodat u niet ziet waar of wie Jezus is? Wanhoop dan niet, maar breng het eerlijk voor de Heere. De belofte geldt hun die Zijn Naam vrezen: „U zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.” Zoals de zon langzaam opklimt en met elke straal licht en warmte verspreidt, zo kan Hij met één straal van Zijn genade licht en leven in uw ziel brengen. Open voor Hem de luiken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.
Maleachi 4:2
Zoals de zon opkomt in het oosten en geleidelijk opklimt naar de zuidelijke hemel, en met elke straal licht, warmte en vreugde verspreidt, zo verspreidt ook de Heere Jezus, als de Zon der Gerechtigheid, altijd de stralen van Zijn genade en gunst. En wanneer deze stralen op ons neerdalen, is er licht en leven in de ziel. Daar is alles wat de ziel kan heiligen en verblijden. Iemand die licht in zijn kamer wil hebben wanneer de middagzon schijnt, zou nu heel dwaas handelen als hij zijn luiken sloot en een lucifer aanstak om voor enkele ogenblikken een beetje licht te hebben.
Laten wij dan niet zo dwaas zijn om geluk of troost te zoeken in ons eigen werk, terwijl de Zon der Gerechtigheid aan de rechterhand van God staat en van daaruit op gelovige harten schijnt. Maar als er een sluier over het hart ligt, is dat als de luiken voor een kamer: dan is er geen licht om te laten zien waar of wie Jezus is. Zou het ons dan niet moeten verbazen dat de mens een licht aansteekt en een vuur ontsteekt, zodat hij „in de spranken van zijn eigen licht zal kunnen wandelen”? Maar wat zegt Gods Woord tegen dit alles? „Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden nederliggen” (Jesaja 50:11).
Van waar de zon in ’t oosten straalt
tot waar z’ in ’t westen nederdaalt
zij ’s Heeren naam de lof gegeven.
De Heer is boven ’t heidendom;
zijn heerlijkheid bekend alom,
is boven zon en maan verheven.
Wie is gelijk aan onze Heer,
aan God, die tot zijn eeuwig’ eer
zijn troon gevest heeft in de hemel?
Die, daar Hij ’t wereldrond gebiedt
van zijne hoge zetel ziet
op ’t laag en nietig aards gewemel?
Ps. 113:2 en 3
Aan de lezer…
Wie licht en troost zoekt in zijn eigen werk, in zijn voornemens en zijn vroomheid, is even dwaas als iemand die op het middaguur de luiken sluit en een lucifer aansteekt om wat licht te hebben. De Zon der Gerechtigheid staat aan de rechterhand van God en schijnt van daaruit op gelovige harten. Wie in de spranken van zijn eigen licht wil wandelen, zal in smart neerliggen.
Maar ligt er een sluier over uw hart, zodat u niet ziet waar of wie Jezus is? Wanhoop dan niet, maar breng het eerlijk bij de Heere. De belofte geldt hun die Zijn Naam vrezen: „U zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.” Zoals de zon langzaam opklimt en met elke straal licht en warmte verspreidt, zo kan Hij met één straal van Zijn genade licht en leven in uw ziel brengen. Open voor Hem de luiken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Unto you that fear My Name shall the Sun of righteousness arise with healing in His wings.
Malachi 4:2
Just as the sun rises in the east and gradually mounts up into the meridian sky, dispersing with every ray light, warmth, and gladness; so this blessed Lord Jesus, as the Sun of righteousness, is ever dispersing the beams of His grace and the rays of His favor; and whenever those beams come, and those rays fall, there is light and life, and everything to make the soul holy and happy. Now a man would act very foolishly if, wishing to have light in his room when the sun was shining at noonday, he should shut all the shutters, and strike a match to give him a little light for a few moments. Let us not then be so foolish as to look for happiness or comfort in our own performances when the glorious Sun of righteousness is at the right hand of God, and shining thence upon believing hearts.
But when the veil is over the heart, it is like shutters in a room—there is no light to show who, what, or where Jesus is. And then need we wonder that men strike a light and make a fire, that they may “walk in the sparks of their own kindling?” But what is God’s Word against all such? “This shall you have of My hand, you shall lie down in sorrow” (Isaiah 50:11).
To the reader…
Whoever seeks light and comfort in his own works, his resolutions and his piety, is as foolish as someone who closes the shutters at noon and strikes a match to have a little light. The Sun of righteousness stands at the right hand of God and shines from there upon believing hearts. Whoever wants to walk in the sparks of his own light will lie down in sorrow.
But is there a veil over your heart, so that you do not see where or who Jesus is? Do not despair, but bring it honestly to the Lord. The promise holds for those who fear His Name: “Unto you shall the Sun of righteousness arise with healing in His wings.” Just as the sun slowly climbs and spreads light and warmth with every ray, so He can bring light and life into your soul with one beam of His grace. Open the shutters to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas a vosotros los que teméis Mi nombre, nacerá el Sol de justicia, y en Sus alas traerá salud.
Malaquías 4:2
Así como el sol sale por el oriente y sube gradualmente hasta el cielo del mediodía, esparciendo con cada rayo luz, calor y alegría, así este bendito Señor Jesús, como el Sol de justicia, está siempre esparciendo los destellos de Su gracia y los rayos de Su favor; y dondequiera que llegan esos destellos y caen esos rayos, hay luz y vida, y todo lo que hace al alma santa y feliz. Ahora bien, un hombre obraría muy neciamente si, queriendo tener luz en su habitación cuando el sol brilla a mediodía, cerrara todos los postigos y encendiera una cerilla para tener un poco de luz durante unos momentos. No seamos, pues, tan necios como para buscar felicidad o consuelo en nuestras propias obras, cuando el glorioso Sol de justicia está a la diestra de Dios y brilla desde allí sobre los corazones creyentes.
Pero cuando el velo está sobre el corazón, es como los postigos en una habitación: no hay luz que muestre quién, qué o dónde está Jesús. ¿Y debemos entonces extrañarnos de que los hombres enciendan una luz y hagan un fuego, para “andar a la luz de su fuego, y a las teas que encendieron”? Pero ¿cuál es la palabra de Dios contra todos ellos? “De Mi mano os vendrá esto; en dolor seréis sepultados” (Isaías 50:11).
Al lector…
Quien busca luz y consuelo en sus propias obras, en sus propósitos y en su piedad, es tan necio como quien cierra los postigos a mediodía y enciende una cerilla para tener un poco de luz. El Sol de justicia está a la diestra de Dios y brilla desde allí sobre los corazones creyentes. Quien quiere andar a la luz de las teas que él mismo encendió, en dolor será sepultado.
¿Pero hay un velo sobre su corazón, de modo que no ve dónde ni quién es Jesús? No desespere, sino llévelo sinceramente al Señor. La promesa vale para los que temen Su nombre: “Mas a vosotros los que teméis Mi nombre, nacerá el Sol de justicia, y en Sus alas traerá salud”. Así como el sol sube lentamente y esparce luz y calor con cada rayo, así puede Él traer luz y vida a su alma con un solo destello de Su gracia. Ábrale los postigos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zaligmaken dat verloren was
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
„De Zoon des mensen is gekomen.” Wat een zalige komst! De Heere Jezus heeft, met de tederste tegemoetkoming aan onze behoeften, die genadige titel „de Zoon des mensen” aangenomen. Hij was de Zoon van God, en wel van alle eeuwigheid; maar Hij heeft Zich niet geschaamd Zich de Zoon des mensen te noemen. We hebben iemand nodig zoals wijzelf, Die dezelfde natuur heeft; Die in Zijn borst hetzelfde menselijke hart draagt; iemand Die „in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”, en daarom medelijden kan hebben met en kan bijstaan degenen die worden verleid.
„De Zoon des mensen is gekomen!” We hebben er nooit om gevraagd. Hadden we het durven vragen? Wie zou dit hebben durven voorleggen in de hemel? Hier is een mens weggezonken in de verwoesting van de zondeval, een vijand, een vreemdeling. Wie zou zijn verzoening en herstel durven voorstellen? De uitverkoren engelen zagen dat hun mede-engelen uit de hemel werden geworpen zonder medelijden en zonder barmhartigheid; waarom zou de mens niet hetzelfde lot ondergaan? De mens heeft met hen in de zonde gedeeld; waarom zou de mens niet met hen in smart delen?
Maar o, de tedere barmhartigheid, de hemelse genade, het medelevend mededogen van de Drie-enige Heere! Toen de mens in de onderste diepten van de zondeval was weggezonken — verwoest, en vervreemd van het leven Gods — werd de verborgen raad van de eeuwigheid aan het licht gebracht, dat de Zoon van God de Zoon des mensen zou worden, om te lijden, bloeden en sterven voor zulke stakkers; en zo een Middelaar te worden, Die volkomenlijk zalig kan maken degenen die door Hem tot God gaan! „De Zoon des mensen” is gekomen! De Middelaar is in het vlees verschenen, opdat „een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Joh. 3:15).
Lezen: Johannes 3:1-21
Aan de lezer…
Hoe dikwijls hebt u stilgestaan bij deze vier woorden: „De Zoon des mensen is gekomen”? Wij hebben er nooit om gevraagd. Wie zou het hebben durven vragen voor een mens die weggezonken was in de verwoesting van de val, een vijand en een vreemdeling? En toch is Hij gekomen.
Hij, Die de Zoon van God was van eeuwigheid, heeft Zich niet geschaamd de Zoon des mensen te heten. Hij draagt hetzelfde menselijke hart, is in alle dingen verzocht zoals wij, doch zonder zonde, en kan daarom medelijden hebben met wie verzocht worden. Voelt u zich ver weg en verloren? Juist voor zulken is de Middelaar in het vlees verschenen, Die volkomenlijk zalig kan maken wie door Hem tot God gaan, „opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
„De Zoon des mensen is gekomen.” Wat een zalige komst! De Heere Jezus heeft, in de tederste zorg voor wat wij nodig hebben, die genadige titel „de Zoon des mensen” aangenomen. Hij was de Zoon van God, en dat van alle eeuwigheid; maar Hij heeft Zich niet geschaamd Zich de Zoon des mensen te noemen. Wij hebben iemand nodig zoals wijzelf, Die dezelfde natuur heeft, Die in Zijn borst hetzelfde menselijke hart draagt; iemand Die „in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”, en daarom medelijden kan hebben met hen die verzocht worden en hen kan bijstaan.
„De Zoon des mensen is gekomen!” Wij hebben er nooit om gevraagd. Hadden we het durven vragen? Wie zou dit in de hemel hebben durven voorleggen? Hier is een mens, weggezonken in de verwoesting van de zondeval, een vijand, een vreemdeling. Wie zou zijn verzoening en herstel durven voorstellen? De uitverkoren engelen zagen hoe hun mede-engelen uit de hemel geworpen werden, zonder medelijden en zonder barmhartigheid; waarom zou de mens niet hetzelfde lot ondergaan? De mens heeft met hen gedeeld in de zonde; waarom zou hij niet met hen delen in de smart?
Maar o, de tedere barmhartigheid, de hemelse genade, het meelevend mededogen van de Drie-enige Heere! Toen de mens in de diepste diepten van de zondeval was weggezonken, verwoest en vervreemd van het leven van God, werd de verborgen raad van de eeuwigheid aan het licht gebracht: dat de Zoon van God de Zoon des mensen zou worden, om te lijden, te bloeden en te sterven voor zulke stakkers, en zo een Middelaar te worden, Die volkomenlijk zalig kan maken degenen die door Hem tot God gaan! „De Zoon des mensen” is gekomen! De Middelaar is in het vlees verschenen, opdat „een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Joh. 3:15).
Lezen: Johannes 3:1-21
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u stilgestaan bij deze vier woorden: „De Zoon des mensen is gekomen”? Wij hebben er nooit om gevraagd. Wie zou het hebben durven vragen voor een mens die weggezonken was in de verwoesting van de val, een vijand en een vreemdeling? En toch is Hij gekomen.
Hij, Die van eeuwigheid de Zoon van God was, heeft Zich niet geschaamd de Zoon des mensen te heten. Hij draagt hetzelfde menselijke hart, is in alle dingen verzocht zoals wij, maar zonder zonde, en kan daarom medelijden hebben met wie verzocht worden. Voelt u zich ver weg en verloren? Juist voor zulke mensen is de Middelaar in het vlees verschenen, Die volkomen zalig kan maken wie door Hem tot God gaan, „opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
“The Son of man is come.” What a blessed coming! The Lord Jesus, in the tenderest care for what we need, has taken upon Himself that gracious title, “the Son of man.” He was the Son of God, and that from all eternity; but He was not ashamed to call Himself the Son of man. We need One like ourselves, Who has the same nature, Who carries in His breast the same human heart; One Who “was in all points tempted like as we are, yet without sin,” and is therefore able to sympathise with and to succour them that are tempted.
“The Son of man is come!” We never asked for it. Would we have dared to ask it? Who would have dared to propose this in heaven? Here is man, sunk in the ruins of the fall, an enemy, an alien. Who would have dared to propose his reconciliation and restoration? The elect angels saw their fellow angels cast out of heaven, without pity and without mercy; why should man not suffer the same doom? Man shared with them in the sin; why should he not share with them in the sorrow?
But oh, the tender mercy, the heavenly grace, the compassionate pity of the Triune Jehovah! When man had sunk into the lowest depths of the fall, ruined and alienated from the life of God, the secret counsel of eternity was brought to light: that the Son of God should become the Son of man, to suffer, bleed and die for such wretches, and so become a Mediator, Who is able to save to the uttermost them that come unto God by Him! “The Son of man” is come! The Mediator has appeared in the flesh, “that whosoever believeth in Him should not perish, but have eternal life” (John 3:15).
Reading: John 3:1-21
To the reader…
How often have you paused over these words: “The Son of man is come”? We never asked for it. Who would have dared to ask it for a man sunk in the ruins of the fall, an enemy and an alien? And yet He came.
He Who was the Son of God from eternity was not ashamed to be called the Son of man. He carries the same human heart, was tempted in all points like as we are, yet without sin, and can therefore have compassion on those who are tempted. Do you feel far away and lost? It is for just such people that the Mediator appeared in the flesh, Who is able to save to the uttermost those who come unto God by Him, “that whosoever believeth in Him should not perish, but have eternal life.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
“El Hijo del hombre vino.” ¡Qué venida bendita! El Señor Jesús, con el más tierno cuidado por lo que necesitamos, ha tomado sobre Sí ese título lleno de gracia, “el Hijo del hombre”. Él era el Hijo de Dios, y eso desde toda la eternidad; pero no se avergonzó de llamarse el Hijo del hombre. Necesitamos a Uno como nosotros, que tenga la misma naturaleza, que lleve en Su pecho el mismo corazón humano; a Uno que fue “tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado”, y que por eso puede compadecerse de los que son tentados y socorrerlos.
“¡El Hijo del hombre vino!” Nunca lo pedimos. ¿Nos habríamos atrevido a pedirlo? ¿Quién se habría atrevido a proponer esto en el cielo? He aquí al hombre, hundido en las ruinas de la caída, un enemigo, un extraño. ¿Quién se habría atrevido a proponer su reconciliación y restauración? Los ángeles escogidos vieron a sus compañeros ángeles echados del cielo, sin compasión y sin misericordia; ¿por qué no habría de sufrir el hombre la misma condena? El hombre tuvo parte con ellos en el pecado; ¿por qué no habría de tener parte con ellos en el dolor?
¡Pero oh, la tierna misericordia, la gracia celestial, la compasión entrañable del Trino Jehová! Cuando el hombre se había hundido en las más bajas profundidades de la caída, arruinado y ajeno a la vida de Dios, salió a la luz el consejo secreto de la eternidad: que el Hijo de Dios se hiciera el Hijo del hombre, para sufrir, sangrar y morir por tales miserables, y así llegar a ser un Mediador que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios. ¡“El Hijo del hombre” vino! El Mediador se ha manifestado en la carne, “para que todo aquel que en Él creyere, no se pierda, sino que tenga vida eterna” (Juan 3:15).
Lectura: Juan 3:1-21
Al lector…
¿Cuántas veces se ha detenido usted en estas palabras: “El Hijo del hombre vino”? Nunca lo pedimos. ¿Quién se habría atrevido a pedirlo para un hombre hundido en las ruinas de la caída, un enemigo y un extraño? Y sin embargo Él vino.
Aquel que era el Hijo de Dios desde la eternidad no se avergonzó de ser llamado el Hijo del hombre. Lleva el mismo corazón humano, fue tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado, y por eso puede compadecerse de los que son tentados. ¿Se siente lejos y perdido? Es precisamente para gente así que se manifestó en la carne el Mediador, que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, “para que todo aquel que en Él creyere, no se pierda, sino que tenga vida eterna”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
2 Korinthe 4:11
Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking „ons sterfelijk vlees”? Het betekent niet ons vleselijk gemoed, maar onze aardse tabernakel. De uitdrukking is gelijksoortig aan een andere in dit kapittel: „Wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons.” Het is dan in dit zwakke lichaam, vol met zwakheden, dat het leven van Jezus geopenbaard wordt. Dit goddelijk leven zal zich menigmaal bewegen in levendige uitgangen naar God, in dierbare geloofsoefeningen, in zoete samensprekingen met het volk van God onderling, in het lezen van het Woord Gods, in de toepassing van dierbare beloften en onder het gepredikte Woord.
Van tijd tot tijd borrelt het op als een fontein uit haar oorsprong. Somtijds loopt het leven ondergronds, als het ware begraven onder de last van „ons sterfelijk vlees”, maar bij vernieuwing en telkens weer verschijnt het, opgetrokken door de Zon der gerechtigheid. „Spring op, o put.” Maar zijn opwekkingen houden gelijke tred met zijn inzinkingen. Dus naar gelang wij aan het eind van ons natuurlijk bidden komen, beoefenen wij dit geestelijk; wanneer wij onze vleselijke hoop verliezen, hopen wij op de Heere; wanneer wij ophouden te geloven met ons verstand alleen, dan geloven wij met het hart; wanneer wij een tekort zien in alle volmaaktheden betreffende onszelf, dan beginnen wij een volmaaktheid te zien in Christus; en wanneer wij in onze harten niets zien dan zonde, ellende en ongerechtigheid, dan beginnen wij geestelijke vertroosting te smaken. Dus naar de verhouding dat onze natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op en wordt het in ons sterfelijk vlees geopenbaard.
Verlangt dan de ziel zoete openbaringen te hebben van het leven van Jezus? Waarhenen moet zij zich dan wenden? Wat zegt het Woord van God ervan? „Die wijsheid, vanwaar komt zij en waar is de plaats des verstands? Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord” (Job 28:20-22). Totdat wij tot het „verderf en de dood” gaan — het verderf van onze vleselijke hoop en de dood van de natuurlijke godsdienst — horen wij nooit het gerucht van de ware wijsheid met onze oren.
Wanneer wij dus in donkerheid verkeren, verschijnt het licht; wanneer wij in moedeloosheid nederzitten, dan ontspringt de hoop; wanneer wij worden verzocht tot ongeloof en wantrouwen, dan ontwaakt het geloof. Zo zijn zij de wijsten in wie de vleselijke wijsheid is ten onder gegaan, en zijn zij de sterksten die bij bevinding hun eigen wijsheden hebben leren kennen. Zij zijn de heiligsten die het meest hun eigen onreinheid beseffen; zij zijn de meest godsdienstigen in de ware zin die hun eigen godsdienst het minst achten. Zodat juist naar verhouding dat wij tot de dood worden overgegeven, en het vonnis gewezen wordt over hetgeen het schepsel bemint, de liefde van Jezus begint te gloren en zich dierbaar gaat openbaren.
Aan de lezer…
Gaat u, lezer, door een tijd waarin alles in u schijnt te sterven? Uw eigen kracht, uw vleselijke hoop, uw wijsheid en zelfs uw godsdienst lijken onder u weg te zinken, en u ziet in uw hart niets dan zonde en ellende. Wanhoop daar niet over. Het leven van Jezus wordt juist geopenbaard in dit zwakke, sterfelijke vlees, in aarden vaten, opdat de kracht van God zij en niet uit ons.
Het goddelijke leven loopt soms ondergronds, maar het borrelt weer op als een fontein. Naarmate uw natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op. Wanneer u in donkerheid zit, verschijnt het licht; wanneer u moedeloos neerzit, ontspringt de hoop. Laat dan het vonnis gaan over wat het schepsel bemint, en zie uit naar Hem. Zijn liefde zal gaan gloren en zich dierbaar aan u openbaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
2 Korinthe 4:11
Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking „ons sterfelijk vlees”? Het betekent niet ons vleselijk gemoed, maar onze aardse tabernakel. De uitdrukking lijkt op een andere in dit hoofdstuk: „Wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons.” Het is dus in dit zwakke lichaam, vol zwakheden, dat het leven van Jezus geopenbaard wordt. Dit goddelijke leven zal zich vaak bewegen in levendige uitgangen naar God, in dierbare geloofsoefeningen, in zoete gesprekken met het volk van God onderling, in het lezen van Gods Woord, in de toepassing van dierbare beloften en onder het gepredikte Woord.
Van tijd tot tijd borrelt het op als een fontein uit haar bron. Soms loopt het leven ondergronds, als het ware begraven onder de last van „ons sterfelijk vlees”. Maar telkens opnieuw verschijnt het weer, omhooggetrokken door de Zon der gerechtigheid. „Spring op, o put.” Maar het opwellen houdt gelijke tred met het wegzinken. Naarmate wij aan het eind van ons natuurlijk bidden komen, gaan wij geestelijk bidden; wanneer wij onze vleselijke hoop verliezen, hopen wij op de Heere; wanneer wij ophouden alleen met ons verstand te geloven, dan geloven wij met het hart; wanneer wij een tekort zien in al onze eigen volmaaktheden, dan beginnen wij een volmaaktheid te zien in Christus; en wanneer wij in ons hart niets zien dan zonde, ellende en ongerechtigheid, dan beginnen wij geestelijke vertroosting te smaken. Naar de mate dus waarin onze natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op en wordt het in ons sterfelijk vlees geopenbaard.
Verlangt de ziel dan naar zoete openbaringen van het leven van Jezus? Waar moet zij zich dan heen wenden? Wat zegt het Woord van God daarover? „Die wijsheid, vanwaar komt zij en waar is de plaats des verstands? Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord” (Job 28:20-22). Zolang wij niet tot het „verderf en de dood” gaan — het verderf van onze vleselijke hoop en de dood van de natuurlijke godsdienst — horen wij nooit het gerucht van de ware wijsheid met onze oren.
Wanneer wij dus in duisternis verkeren, verschijnt het licht; wanneer wij moedeloos neerzitten, dan ontspringt de hoop; wanneer wij verzocht worden tot ongeloof en wantrouwen, dan ontwaakt het geloof. Zo zijn zij het wijst bij wie de vleselijke wijsheid ten onder is gegaan, en zijn zij het sterkst die door bevinding hun eigen zwakheden hebben leren kennen. Zij zijn het heiligst die het meest hun eigen onreinheid beseffen; zij zijn in de ware zin het meest godsdienstig die hun eigen godsdienst het minst achten. Juist naar de mate dus waarin wij aan de dood worden overgegeven en het vonnis geveld wordt over wat het schepsel liefheeft, begint de liefde van Jezus te gloren en zich dierbaar te openbaren.
Aan de lezer…
Gaat u, lezer, door een tijd waarin alles in u lijkt te sterven? Uw eigen kracht, uw vleselijke hoop, uw wijsheid en zelfs uw godsdienst lijken onder u weg te zinken, en u ziet in uw hart niets dan zonde en ellende. Wanhoop daar niet over. Het leven van Jezus wordt juist geopenbaard in dit zwakke, sterfelijke vlees, in aarden vaten, zodat de kracht van God is en niet uit ons.
Het goddelijke leven loopt soms ondergronds, maar het borrelt weer op als een fontein. Naarmate uw natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op. Wanneer u in duisternis zit, verschijnt het licht; wanneer u moedeloos neerzit, ontspringt de hoop. Laat dan het vonnis gaan over wat het schepsel liefheeft, en zie uit naar Hem. Zijn liefde zal gaan gloren en zich dierbaar aan u openbaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For we which live are alway delivered unto death for Jesus’ sake, that the life also of Jesus might be made manifest in our mortal flesh.”
2 Corinthians 4:11
What is meant by the expression, “our mortal flesh?” It does not mean the carnal mind, but our earthly tabernacle; and the expression is similar to another in this chapter, “We have this treasure in earthen vessels, that the excellency of the power may be of God, and not of us.” It is, then, in this poor body, compassed with infirmities, that the life of Jesus is made manifest. This divine life will often spring up in fervent breathings after God, in the actings of living faith, in the sweet communion the people of God have with one another, in reading the Scriptures, in the application of precious promises, and under the preached word. From time to time it bubbles up like a spring from its source.
Sometimes indeed it runs underground, buried as it were under the load of “our mortal flesh;” but again and again it reappears, drawn up by the Sun of righteousness. “Spring up, O well.” But its risings are ever proportionate to its sinkings. Thus in proportion as we cease to pray naturally, do we pray spiritually; as we cease to hope in the flesh, do we hope in the Lord; as we cease to believe with the head, do we believe with the heart; when we see an end of all perfection in self, then we begin to find perfection in Christ; and when we see nothing in our hearts but sin, misery, and wretchedness, then we begin to taste spiritual consolation. Thus in proportion as nature sinks, the life of Jesus rises, and is made manifest in our mortal flesh.
Is the soul, then, longing to have sweet manifestations of the life of Jesus? Where must it go to get them? What does the Word of God say? “Whence comes wisdom? and where is the place of understanding? Seeing it is hid from the eyes of all living, and kept closed from the fowls of the air. Destruction and death say, We have heard the fame thereof with our ears” (Job 28:20-22).
Until, then, we get to “destruction and death,” the destruction of fleshly hopes and the death of creature religion, we do not so much as ever hear the fame of true wisdom with our ears. Thus, when we get into darkness, then light springs up; when we get into despondency, hope arises; when we are tempted with unbelief and infidelity, faith appears. Thus those are the wisest in whom creature wisdom has most ceased; those are the strongest who have learned most experimentally their own weakness; those are the holiest who have known most of their own filthiness; those are the most religious in a true sense who have least religion of their own. So that just in proportion as we are delivered unto death, and execution takes place on what the creature loves, so does the life of Jesus begin to rise and make itself blessedly manifest.
To the reader…
Are you, dear reader, passing through a time in which everything within you seems to be dying? Your own strength, your fleshly hope, your wisdom and even your religion seem to be sinking away beneath you, and you see nothing in your heart but sin and misery. Do not despair over it. The life of Jesus is made manifest precisely in this weak, mortal flesh, in earthen vessels, so that the power may be of God and not of us.
The divine life sometimes runs underground, but it bubbles up again like a spring. As your nature sinks, the life of Jesus rises. When you sit in darkness, the light appears; when you sit down in despondency, hope springs up. Let the sentence fall, then, on what the creature loves, and look to Him. His love will begin to dawn and reveal itself to you as precious.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque nosotros que vivimos, siempre estamos entregados a muerte por Jesús, para que también la vida de Jesús sea manifestada en nuestra carne mortal.”
2 Corintios 4:11
¿Qué se quiere decir con la expresión “nuestra carne mortal”? No significa la mente carnal, sino nuestro tabernáculo terrenal; y la expresión es semejante a otra de este capítulo: “Tenemos empero este tesoro en vasos de barro, para que la alteza del poder sea de Dios, y no de nosotros.” Es, pues, en este pobre cuerpo, rodeado de flaquezas, donde la vida de Jesús se manifiesta. Esta vida divina brotará a menudo en fervientes anhelos tras Dios, en los actos de la fe viva, en la dulce comunión que el pueblo de Dios tiene entre sí, en la lectura de las Escrituras, en la aplicación de preciosas promesas y bajo la palabra predicada. De vez en cuando borbota como un manantial desde su fuente.
A veces, en verdad, corre bajo tierra, sepultada, por así decirlo, bajo la carga de “nuestra carne mortal”; pero una y otra vez reaparece, atraída hacia arriba por el Sol de justicia. “Sube, oh pozo.” Pero sus subidas son siempre proporcionadas a sus hundimientos. Así, en la medida en que dejamos de orar de modo natural, oramos espiritualmente; en la medida en que dejamos de esperar en la carne, esperamos en el Señor; en la medida en que dejamos de creer con la cabeza, creemos con el corazón; cuando vemos el fin de toda perfección en nosotros mismos, entonces empezamos a hallar la perfección en Cristo; y cuando no vemos en nuestro corazón más que pecado, miseria y desdicha, entonces empezamos a gustar la consolación espiritual. Así, en la medida en que la naturaleza se hunde, la vida de Jesús se levanta y se manifiesta en nuestra carne mortal.
¿Anhela, pues, el alma tener dulces manifestaciones de la vida de Jesús? ¿Adónde ha de ir para obtenerlas? ¿Qué dice la Palabra de Dios? “¿De dónde, pues, vendrá la sabiduría? ¿Y dónde está el lugar de la inteligencia? Porque encubierta está a los ojos de todo viviente, y a toda ave del cielo es oculta. La perdición y la muerte dijeron: Su fama hemos oído con nuestros oídos” (Job 28:20-22).
Hasta que llegamos, pues, a “la perdición y la muerte”, la perdición de las esperanzas carnales y la muerte de la religión de la criatura, ni siquiera oímos con nuestros oídos la fama de la verdadera sabiduría. Así, cuando entramos en tinieblas, entonces brota la luz; cuando caemos en el desaliento, surge la esperanza; cuando somos tentados con incredulidad e infidelidad, aparece la fe. Así, los más sabios son aquellos en quienes más ha cesado la sabiduría de la criatura; los más fuertes son los que más han aprendido por experiencia su propia debilidad; los más santos son los que más han conocido su propia inmundicia; los más religiosos en sentido verdadero son los que menos religión propia tienen. De modo que, en la misma medida en que somos entregados a muerte y se ejecuta la sentencia sobre lo que la criatura ama, en esa medida la vida de Jesús empieza a levantarse y a manifestarse benditamente.
Al lector…
¿Está usted, querido lector, pasando por un tiempo en que todo dentro de usted parece estar muriendo? Su propia fuerza, su esperanza carnal, su sabiduría y aun su religión parecen hundirse bajo sus pies, y no ve en su corazón más que pecado y miseria. No desespere por ello. La vida de Jesús se manifiesta precisamente en esta carne débil y mortal, en vasos de barro, para que el poder sea de Dios y no de nosotros.
La vida divina corre a veces bajo tierra, pero vuelve a borbotar como un manantial. A medida que su naturaleza se hunde, la vida de Jesús se levanta. Cuando está sentado en tinieblas, aparece la luz; cuando se hunde en el desaliento, brota la esperanza. Deje, pues, que la sentencia caiga sobre lo que la criatura ama, y mire a Él. Su amor comenzará a amanecer y a revelársele como precioso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl