gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelve beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.
2 Korinthe 3:18
Wanneer onze begeerten en neigingen opstijgen tot waar de Heere Jezus Christus nu is; wanneer zij zich weten te verheffen boven de nevelen, de mist en de strijd; boven het gewoel en geraas; boven de zorgen en angsten, najagingen en vermaken, zonden en zorgen dezer aarde, kunnen wij in geloof, hoop en liefde leven boven en zonder al wat de aarde geeft, en, de heerlijkheid des Heeren met ongedekt aangezicht aanschouwende, „veranderd worden naar hetzelve beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest”, dat wil zeggen: tezamen zitten in hemelse plaatsen in Christus Jezus.
Toen de Heere Jezus ten hemel verrees, ging Hij in Zijn heerlijkheid. Als wij Hem dan zien in Zijn heerlijkheid door het geloof en de liefde, dan is daar het afschijnsel Zijner heerlijkheid, en de heiligen, aldus begunstigd, hebben reeds de hemel, al zijn zij nog op aarde, en hebben de voorsmaak der heerlijkheid die geopenbaard zal worden bij de komst des Heeren, voordat zij voor eeuwig met die heerlijkheid zullen bekleed worden.
Er zijn er betrekkelijk weinigen die zo hoog begunstigd zijn, en dat zelfs zeer zelden en voor slechts korte ogenblikken; maar dat neemt niets weg van de waarheid en zekerheid der zaak zelve. Het is een zeer gezegende waarheid dat, zo wij leden zijn van het verborgen lichaam van Christus, het gebrek aan onze ervaring, ofschoon het ons veel van het genot berooft, ons niet berooft van ons deel aan en onze vereniging met ons groot Verbondshoofd en van de vruchten die eruit voortspruiten.
Komt, laat ons samen Isrels Heer,
de rotssteen van ons heil, met eer,
met godgewijde zang ontmoeten!
Laat ons zijn gunstrijk aangezicht
met een verheven lofgedicht
en blijde psalmen juichend groeten!
Ps. 95:1
Aan de lezer…
Misschien zucht u soms dat u zo weinig van de heerlijkheid des Heeren ziet. Blijven uw gedachten hangen in de nevelen en de mist, in de zorgen en angsten en zonden dezer aarde, terwijl u hoort van heiligen die reeds een voorsmaak van de hemel hebben? Weet dan dat er betrekkelijk weinigen zo hoog begunstigd zijn, en dan nog zelden en slechts voor korte ogenblikken.
Maar laat dit u troosten: het gebrek aan ervaring berooft u wel van veel genot, maar niet van uw deel in Christus. Bent u een lid van Zijn verborgen lichaam, dan is uw vereniging met het grote Verbondshoofd even vast, en de vruchten daarvan zijn even zeker. Hij is ten hemel gevaren in Zijn heerlijkheid, en waar Hij is, daar is ook het deel van Zijn volk. Zie dan door het geloof naar boven, al is het slechts als in een spiegel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelve beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.
2 Korinthe 3:18
Wanneer onze begeerten en neigingen opstijgen naar de plaats waar de Heere Jezus Christus nu is, wanneer zij zich weten te verheffen boven de nevels, de mist en de strijd, boven het gewoel en het lawaai, boven de zorgen en angsten, het najagen en de vermaken, de zonden en de zorgen van deze aarde, dan kunnen wij in geloof, hoop en liefde leven boven alles wat de aarde geeft en zonder dat alles. Dan kunnen wij, terwijl wij de heerlijkheid van de Heere met ongedekt aangezicht aanschouwen, „veranderd worden naar hetzelve beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest”. Dat wil zeggen: wij zitten dan samen in de hemelse plaatsen in Christus Jezus.
Toen de Heere Jezus naar de hemel opsteeg, ging Hij in Zijn heerlijkheid in. Wanneer wij Hem dan door het geloof en de liefde in Zijn heerlijkheid zien, is daar de weerglans van Zijn heerlijkheid. De heiligen die zo begunstigd worden, hebben de hemel al, ook al zijn zij nog op aarde. Zij hebben een voorsmaak van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden bij de komst van de Heere, nog voordat zij voor eeuwig met die heerlijkheid bekleed zullen worden.
Er zijn betrekkelijk weinigen die zo hoog begunstigd worden, en dan nog zeer zelden en slechts voor korte ogenblikken. Maar dat doet niets af aan de waarheid en de zekerheid van de zaak zelf. Het is een zeer gezegende waarheid dat, als wij leden zijn van het verborgen lichaam van Christus, het gebrek aan ervaring ons wel veel van het genot ontneemt, maar ons niet berooft van ons deel aan en onze vereniging met ons grote Verbondshoofd, en ook niet van de vruchten die daaruit voortkomen.
Komt, laat ons samen Isrels Heer,
de rotssteen van ons heil, met eer,
met godgewijde zang ontmoeten!
Laat ons zijn gunstrijk aangezicht
met een verheven lofgedicht
en blijde psalmen juichend groeten!
Ps. 95:1
Aan de lezer…
Misschien zucht u soms dat u zo weinig van de heerlijkheid van de Heere ziet. Blijven uw gedachten hangen in de nevels en de mist, in de zorgen, de angsten en de zonden van deze aarde, terwijl u hoort van heiligen die al een voorsmaak van de hemel hebben? Weet dan dat er betrekkelijk weinigen zo hoog begunstigd worden, en dan nog zelden en slechts voor korte ogenblikken.
Maar laat dit u troosten: het gebrek aan ervaring ontneemt u wel veel genot, maar niet uw deel in Christus. Bent u een lid van Zijn verborgen lichaam, dan is uw vereniging met het grote Verbondshoofd even vast, en de vruchten daarvan zijn even zeker. Hij is in Zijn heerlijkheid naar de hemel gevaren, en waar Hij is, daar ligt ook het deel van Zijn volk. Zie dan in geloof omhoog, al is het maar als in een spiegel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we all, with open face beholding as in a glass the glory of the Lord, are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord.
2 Corinthians 3:18
When our desires and affections ascend to where the Lord Jesus Christ now is, when raised out of all the smoke and fog, din and strife, noise and bustle, cares and anxieties, pursuits and pleasures, sins and sorrows of this earthly scene, we can in faith and hope, in love and affection, live above and beyond all things here below, and beholding with unveiled face the glory of the Lord, “are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord”—this is being made to sit together in heavenly places in Christ Jesus.
When the Lord Jesus went up on high He entered into His glory. As then we behold Him in His glory in faith and love, there is the reflection of His glory, and saints thus favored enter into heaven when still upon earth, and have the foretaste of the glory which is to be revealed at the Lord’s coming before they are forever clothed with it. There are indeed comparatively few who are so highly favored, and even they only at rare intervals, and for short moments; but that does not affect the truth and certainty of the fact. It is a most blessed truth that if we are members of the mystical body of Christ, the deficiency of our experience, though it deprives us of much of the enjoyment, does not deprive us of our interest in, or union with, our great covenant Head, and of the fruits which spring out of it.
To the reader…
Perhaps you sometimes sigh that you see so little of the glory of the Lord. Do your thoughts stay caught in the smoke and the fog, in the cares, the anxieties, and the sins of this earth, while you hear of saints who already have a foretaste of heaven? Then know that comparatively few are so highly favoured, and even they only rarely and for short moments.
But let this comfort you: a lack of experience may deprive you of much enjoyment, but not of your interest in Christ. If you are a member of His mystical body, your union with the great covenant Head is just as firm, and its fruits are just as sure. He has gone up into heaven in His glory, and where He is, there the portion of His people lies as well. Look up, then, in faith, even if it is only as in a glass.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto, nosotros todos, mirando a cara descubierta como en un espejo la gloria del Señor, somos transformados de gloria en gloria en la misma semejanza, como por el Espíritu del Señor.
2 Corintios 3:18
Cuando nuestros deseos y afectos suben adonde ahora está el Señor Jesucristo, cuando, levantados por encima de todo el humo y la niebla, el estruendo y la contienda, el ruido y el bullicio, los cuidados y las inquietudes, las ocupaciones y los placeres, los pecados y las tristezas de este escenario terrenal, podemos en fe y esperanza, en amor y afecto, vivir por encima y más allá de todas las cosas de aquí abajo, y, mirando a cara descubierta la gloria del Señor, “somos transformados de gloria en gloria en la misma semejanza, como por el Espíritu del Señor”: esto es ser hechos sentar juntamente en los lugares celestiales con Cristo Jesús.
Cuando el Señor Jesús subió a lo alto, entró en Su gloria. Cuando, pues, Le contemplamos en Su gloria con fe y amor, hay un reflejo de Su gloria, y los santos así favorecidos entran en el cielo estando todavía en la tierra, y tienen un anticipo de la gloria que ha de manifestarse en la venida del Señor antes de ser revestidos de ella para siempre. En verdad son relativamente pocos los tan altamente favorecidos, y aun ellos solo a raros intervalos y por breves momentos; pero eso no afecta a la verdad y certeza del hecho. Es una verdad muy bendita que, si somos miembros del cuerpo místico de Cristo, la deficiencia de nuestra experiencia, aunque nos priva de mucho del gozo, no nos priva de nuestra parte en nuestra gran Cabeza del pacto, ni de nuestra unión con Él, ni de los frutos que de ello brotan.
Al lector…
Quizá suspira usted a veces porque ve tan poco de la gloria del Señor. ¿Se quedan sus pensamientos atrapados en el humo y la niebla, en los cuidados, las inquietudes y los pecados de esta tierra, mientras oye de santos que ya tienen un anticipo del cielo? Entonces sepa que relativamente pocos son tan altamente favorecidos, y aun ellos solo rara vez y por breves momentos.
Pero que esto le consuele: la falta de experiencia puede privarle de mucho gozo, pero no de su parte en Cristo. Si usted es miembro de Su cuerpo místico, su unión con la gran Cabeza del pacto es igual de firme, y sus frutos igual de seguros. Él ha subido al cielo en Su gloria, y donde Él está, allí está también la porción de Su pueblo. Mire, pues, hacia arriba con fe, aunque sea solo como en un espejo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Neem weg alle ongerechtigheid
Neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.
Hosea 14:3
„Geef het goede.” Niet alleen: „Neem weg alle ongerechtigheid”; neem weg de schuld van de zonde door mijn geweten met verzoenend bloed te besprenkelen; neem weg het vuil van de zonde door me te wassen in de fontein die eens werd geopend voor de zonde en onreinheid; neem weg de kracht van de zonde door Uw liefde in mijn hart uit te storten en me door elke zoete dwang naar Uw heerlijkheid toe te laten leven. Ik zeg u, niet alleen gebruiken we de woorden zo wanneer we zeggen: „Neem weg alle ongerechtigheid”, maar de Heere zegt ons toe te vervolgen: „Geef het goede.” Wat lijkt dit laatste het andere prachtig te verklaren!
„Wat!” zegt iemand wellicht, „als ik naar de Heere ga en Hij neemt alle ongerechtigheid weg, is mijn positie dan zekerder dan eerst? Heb ik dan niet iets om me in te verheugen?” Nee! „Geef het goede.” „Ontvang ons aan Uw borst, in Uw hart, in Uw armen, in de blijken van Uw barmhartigheid en goedgunstigheid, in de zoete getuigenissen van Uw vergevende liefde en herstellende genade.” „Geef het goede.” Laat „de genade heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven” in de overvloed van Uw allerhoogste genade. Dit dient voor altijd ons gebed te zijn.
Het is de genade die ons onze ongerechtigheid doet inzien en ons laat voelen dat we zijn gevallen door onze ongerechtigheid; het is de genade die ons bij de voetenbank van barmhartigheid brengt, om tot de Heere te zeggen: „Neem weg alle ongerechtigheid”, en het is nog steeds genade waar we om smeken als we zeggen: „Geef het goede.” „Ontvang ons omwille van Uw genade in het eeuwige leven, de blijken van Uw barmhartigheid en de overvloed van Uw goedgunstigheid, wat we ook zijn geweest, wat we ook hebben gedaan, wat we ook hebben gezegd, wat we ook hebben gedacht; hoe ver we ook zijn afgedwaald, hoe lang we ook zijn verdwaald, hoe zeer ons hart ook is verstokt, hoe zeer we ook in de strikken van de duivel zijn gelopen.”
Als we die twee dingen kunnen vinden (en ze gaan altijd samen), „neem weg alle ongerechtigheid” en „geef het goede”, gaan ze vergezeld van een bewijs dat de Heere in ons hart werkzaam is en Zijn eigen uitnodiging met goddelijke kracht in onze ziel uitspreekt.
Lezen: Psalm 85
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie in zijn gebed is blijven steken bij „Neem weg alle ongerechtigheid.” Hebt u om vergeving gesmeekt, maar durft u niet om meer te vragen, alsof u dankbaar moet zijn dat de toorn slechts is afgewend? Hoor dan het tweede deel: „Geef het goede.” Het is dezelfde genade die u uw zonde doet zien en die u aan de voetenbank van barmhartigheid brengt; en het is nog steeds genade waar u om mag smeken, wanneer u vraagt om aan Zijn borst ontvangen te worden.
Laat het u niet afschrikken wat u geweest bent, hoe ver u bent afgedwaald of hoe zeer uw hart verstokt was. Niet uw verleden is de maat van Zijn gaven, maar de overvloed van Zijn allerhoogste genade. Waar deze twee beden samen in uw hart leven, daar is de Heere Zelf werkzaam; Hij spreekt Zijn eigen uitnodiging in uw ziel uit. Bid dan beide, en houd aan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.
Hosea 14:3
„Geef het goede.” Niet alleen: „Neem weg alle ongerechtigheid”, dat wil zeggen: neem de schuld van de zonde weg door mijn geweten met verzoenend bloed te besprenkelen; neem het vuil van de zonde weg door mij te wassen in de fontein die eens geopend werd tegen de zonde en de onreinheid; neem de kracht van de zonde weg door Uw liefde in mijn hart uit te storten en mij door elke zoete drang tot Uw eer te laten leven. Ik zeg u: we gebruiken de woorden niet alleen zo wanneer we zeggen: „Neem weg alle ongerechtigheid”, maar de Heere leert ons verder te gaan: „Geef het goede.” Hoe prachtig lijkt dit laatste het eerste te verklaren!
„Wat!” zegt iemand misschien, „als ik naar de Heere ga en Hij neemt alle ongerechtigheid weg, is mijn positie dan zekerder dan eerst? Heb ik dan niet iets om me in te verheugen?” Nee! „Geef het goede.” „Ontvang ons aan Uw borst, in Uw hart, in Uw armen, in de blijken van Uw barmhartigheid en goedgunstigheid, in de zoete getuigenissen van Uw vergevende liefde en herstellende genade.” „Geef het goede.” Laat „de genade heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven” in de overvloed van Uw allerhoogste genade. Dit moet altijd ons gebed zijn.
Het is de genade die ons onze ongerechtigheid doet zien en ons laat voelen dat we door onze ongerechtigheid gevallen zijn. Het is de genade die ons aan de voetbank van de barmhartigheid brengt om tot de Heere te zeggen: „Neem weg alle ongerechtigheid.” En het is nog steeds genade waar we om smeken wanneer we zeggen: „Geef het goede.” „Ontvang ons omwille van Uw genade in het eeuwige leven, de blijken van Uw barmhartigheid en de overvloed van Uw goedgunstigheid, wat we ook zijn geweest, wat we ook hebben gedaan, wat we ook hebben gezegd, wat we ook hebben gedacht; hoe ver we ook zijn afgedwaald, hoe lang we ook zijn verdwaald, hoe zeer ons hart ook is verstokt, hoe zeer we ook in de strikken van de duivel zijn gelopen.”
Als we die twee dingen in ons vinden (en ze gaan altijd samen), „neem weg alle ongerechtigheid” en „geef het goede”, dan gaan ze samen met een bewijs dat de Heere in ons hart werkt en Zijn eigen uitnodiging met goddelijke kracht in onze ziel uitspreekt.
Lezen: Psalm 85
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie in zijn gebed is blijven steken bij „Neem weg alle ongerechtigheid.” Hebt u om vergeving gesmeekt, maar durft u niet om meer te vragen, alsof u al dankbaar moet zijn dat de toorn is afgewend? Hoor dan het tweede deel: „Geef het goede.” Het is dezelfde genade die u uw zonde laat zien en die u aan de voetbank van de barmhartigheid brengt; en het is nog steeds genade waar u om mag smeken wanneer u vraagt aan Zijn borst ontvangen te worden.
Laat u niet afschrikken door wat u geweest bent, door hoe ver u bent afgedwaald of hoe verstokt uw hart was. Niet uw verleden is de maat van Zijn gaven, maar de overvloed van Zijn allerhoogste genade. Waar deze twee beden samen in uw hart leven, daar werkt de Heere Zelf; Hij spreekt Zijn eigen uitnodiging in uw ziel uit. Bid dan om beide, en houd aan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Take away all iniquity, and receive us graciously: so will we render the calves of our lips.
Hosea 14:2
“Receive us graciously.” Not only, “Take away all iniquity”, that is: take away the guilt of sin by sprinkling my conscience with atoning blood; take away the filth of sin by washing me in the fountain once opened for sin and for uncleanness; take away the power of sin by shedding abroad Thy love in my heart and making me live to Thy glory by every sweet constraint. I say, we do not use the words only in this way when we say, “Take away all iniquity”, but the Lord teaches us to go further: “Receive us graciously.” How beautifully the latter seems to explain the former!
“What!” someone may say, “if I go to the Lord and He takes away all iniquity, is my position then more secure than before? Have I not then something to rejoice in?” No! “Receive us graciously.” “Receive us into Thy bosom, into Thy heart, into Thine arms, into the manifestations of Thy mercy and favour, into the sweet testimonies of Thy pardoning love and restoring grace.” “Receive us graciously.” Let “grace reign through righteousness unto eternal life” in the abundance of Thy superabounding grace. This must always be our prayer.
It is grace that makes us see our iniquity and feel that we have fallen by our iniquity. It is grace that brings us to the footstool of mercy to say to the Lord, “Take away all iniquity.” And it is still grace that we plead for when we say, “Receive us graciously.” “Receive us, for Thy grace’s sake, into eternal life, the manifestations of Thy mercy and the abundance of Thy favour, whatever we have been, whatever we have done, whatever we have said, whatever we have thought; however far we have wandered, however long we have strayed, however much our heart has been hardened, however deeply we have run into the snares of the devil.”
If we find these two things in us (and they always go together), “take away all iniquity” and “receive us graciously”, they come with an evidence that the Lord is working in our heart and speaking His own invitation with divine power into our soul.
Reading: Psalm 85
To the reader…
Here is a word for the one whose prayer has stopped short at “Take away all iniquity.” Have you pleaded for pardon, but dare not ask for more, as if you should already be thankful that wrath has been turned away? Then hear the second part: “Receive us graciously.” It is the same grace that shows you your sin and brings you to the footstool of mercy; and it is still grace that you may plead for when you ask to be received into His bosom.
Do not be frightened away by what you have been, by how far you have wandered or how hardened your heart was. Your past is not the measure of His gifts, but the abundance of His superabounding grace. Where these two petitions live together in your heart, there the Lord Himself is at work; He is speaking His own invitation into your soul. Pray, then, for both, and keep on asking.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Quita toda iniquidad, y recíbenos con gracia, y daremos becerros de nuestros labios.
Oseas 14:2
“Recíbenos con gracia.” No solo “Quita toda iniquidad”, es decir: quita la culpa del pecado rociando mi conciencia con sangre expiatoria; quita la inmundicia del pecado lavándome en el manantial abierto una vez para el pecado y la inmundicia; quita el poder del pecado derramando Tu amor en mi corazón y haciéndome vivir para Tu gloria por todo dulce constreñimiento. Digo que no usamos las palabras solo de este modo cuando decimos “Quita toda iniquidad”, sino que el Señor nos enseña a ir más allá: “Recíbenos con gracia.” ¡Cuán hermosamente parece explicar lo segundo a lo primero!
“¡Cómo!”, puede decir alguno, “si voy al Señor y Él quita toda iniquidad, ¿está entonces mi posición más segura que antes? ¿No tengo entonces algo de qué gloriarme?” ¡No! “Recíbenos con gracia.” “Recíbenos en Tu seno, en Tu corazón, en Tus brazos, en las manifestaciones de Tu misericordia y Tu favor, en los dulces testimonios de Tu amor perdonador y de Tu gracia restauradora.” “Recíbenos con gracia.” Que “la gracia reine por la justicia para vida eterna” en la abundancia de Tu gracia sobreabundante. Esta debe ser siempre nuestra oración.
Es la gracia la que nos hace ver nuestra iniquidad y sentir que hemos caído por nuestra iniquidad. Es la gracia la que nos trae al estrado de la misericordia para decir al Señor: “Quita toda iniquidad.” Y es todavía la gracia lo que suplicamos cuando decimos: “Recíbenos con gracia.” “Recíbenos, por amor de Tu gracia, en la vida eterna, en las manifestaciones de Tu misericordia y en la abundancia de Tu favor, sea lo que sea que hayamos sido, hecho, dicho o pensado; por lejos que nos hayamos ido, por mucho tiempo que hayamos andado errantes, por mucho que se haya endurecido nuestro corazón, por hondo que hayamos caído en los lazos del diablo.”
Si hallamos en nosotros estas dos cosas (y siempre van juntas), “quita toda iniquidad” y “recíbenos con gracia”, vienen con una evidencia de que el Señor obra en nuestro corazón y habla con poder divino Su propia invitación a nuestra alma.
Lectura: Salmo 85
Al lector…
He aquí una palabra para aquel cuya oración se ha detenido en “Quita toda iniquidad”. ¿Ha suplicado perdón, pero no se atreve a pedir más, como si ya debiera estar agradecido de que la ira haya sido apartada? Entonces oiga la segunda parte: “Recíbenos con gracia.” Es la misma gracia la que le muestra su pecado y le trae al estrado de la misericordia; y es todavía gracia lo que puede suplicar cuando pide ser recibido en Su seno.
No se deje ahuyentar por lo que ha sido, por lo lejos que se ha ido o por lo endurecido que estaba su corazón. Su pasado no es la medida de Sus dones, sino la abundancia de Su gracia sobreabundante. Donde estas dos peticiones viven juntas en su corazón, allí obra el Señor mismo; Él habla Su propia invitación a su alma. Ore, pues, por ambas cosas, y siga pidiendo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henen trekken.
Jeremia 45:5
Er wordt aan de uitverkorenen leven medegedeeld op de tijd dat de gezegende Geest hun zielen levend maakt; een eeuwig leven, hun medegedeeld uit de volheid van de Zoon van God. Dit leven is een persoonlijk leven, en derhalve ligt er een aangenaamheid in de uitdrukking „uw leven”. Uw leven zal Ik u als een buit geven. Dit leven, verborgen in de volheid van Christus, wordt op de bestemde tijd door de Heilige Geest in de ziel gewrocht en wordt door Zijn almachtige kracht onderhouden, en zal al helderder en helderder lichten in het Koninkrijk der eeuwigheid.
Maar wij mogen opmerken uit de uitdrukking waarvan in de tekst gesproken wordt, dat dit leven aan het kind van God op een bijzondere wijze gegeven is. „Ik zal u uw ziel tot een buit geven.” Het woord „buit” geeft te kennen dat dit leven een voorwerp is van aanranding. Wij horen van roofdieren en roofvogels, en de uitdrukking duidt aan dat dit vleesetende dieren zijn. Dus duiden de woorden „uw ziel – of uw leven – tot een buit geven” aan dat er roofzuchtige dieren zijn, die op de loer liggen en begerig zijn om dit leven te roven, hetwelk God de Heilige Geest in de ziel gefundeerd heeft.
Hoe juist en bevindelijk beschrijven deze woorden het inwendige Koninkrijk Gods! Het eeuwige leven wordt door God geschonken, en, gegeven zijnde, door Hem onderhouden, door Zijn kracht bewaard, zodat het in eeuwigheid niet zal worden uitgeblust. En nochtans wordt het door een voortdurend wonder bewaard, gelijk een brandende lamp die op de baren der zee drijft, of, om een ander beeld te gebruiken, en dat ik zelf ergens gezien heb, gelijk een kaars die, terwijl het sterk woei, over een heide gedragen werd. Zo is ons leven ons als een buit gegeven, en de kracht, getrouwheid en wijsheid van God worden ongeschonden onderhouden in dit leven en te midden van alle vijanden wonderlijk geopenbaard.
Gelijk Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil, en de drie jongelingen in de vurige oven, zo ook wordt het leven Gods in de ziel te midden van de leeuwen bewaard; gelijk David zegt: „Mijn ziel is in het midden der leeuwen; ik lig onder stokebranden” (Psalm 57:5). Daarom, eert de Heere. „Eert de Heere in hetgeen geleden wordt” (Jesaja 24:15, Eng. vertaling). Het leven van een kind van God is dus een gedurige strijd tussen geloof en ongeloof, tussen vijandschap en liefde, tussen de genade Gods en de opstand van het vleselijk gemoed, tussen de inzinkingen van een kwijnende geest en de verheffingen van het licht van Gods vriendelijk aangezicht.
Aan de lezer…
Merkt u soms dat het leven in uw ziel zo zwak is als een kaars die in harde wind over een heide gedragen wordt? Liggen er vijanden op de loer, begerig om te roven wat God in u gewerkt heeft? Wees dan niet verbaasd: het woord „buit” zegt juist dat dit leven een voorwerp van aanranding is. Maar het zegt ook dat de Heere het u geeft, en wat Hij schenkt, onderhoudt en bewaart Hij door Zijn kracht.
Uw leven is verborgen in de volheid van Christus. Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil en de jongelingen in de vurige oven; zo wordt ook het leven Gods in uw ziel te midden van de leeuwen bewaard. De strijd tussen geloof en ongeloof, tussen genade en het vleselijk gemoed, is geen teken dat het leven ontbreekt, maar dat het er is. Eert dan de Heere, ook in hetgeen geleden wordt; Hij zal dit licht niet laten uitblussen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henen trekken.
Jeremia 45:5
Aan de uitverkorenen wordt leven meegedeeld op de tijd dat de gezegende Geest hun zielen levend maakt: een eeuwig leven, dat hun wordt meegedeeld uit de volheid van de Zoon van God. Dit leven is een persoonlijk leven, en daarom ligt er iets aangenaams in de uitdrukking „uw leven”. Uw leven zal Ik u als een buit geven. Dit leven, verborgen in de volheid van Christus, wordt op de bestemde tijd door de Heilige Geest in de ziel gewerkt. Het wordt door Zijn almachtige kracht onderhouden en zal steeds helderder stralen in het Koninkrijk van de eeuwigheid.
Maar uit de uitdrukking in de tekst mogen wij opmerken dat dit leven op een bijzondere manier aan het kind van God gegeven is. „Ik zal u uw ziel tot een buit geven.” Het woord „buit” laat zien dat dit leven een voorwerp van aanranding is. Wij horen van roofdieren en roofvogels, en die uitdrukking duidt aan dat het vleesetende dieren zijn. Zo geven de woorden „uw ziel – of uw leven – tot een buit geven” aan dat er roofzuchtige dieren zijn die op de loer liggen en begerig zijn om dit leven te roven, dat God de Heilige Geest in de ziel gegrondvest heeft.
Hoe juist en bevindelijk beschrijven deze woorden het inwendige Koninkrijk van God! Het eeuwige leven wordt door God geschonken. Als het gegeven is, wordt het door Hem onderhouden en door Zijn kracht bewaard, zodat het in eeuwigheid niet zal worden uitgeblust. Toch wordt het door een voortdurend wonder bewaard, zoals een brandende lamp die op de golven van de zee drijft. Of, om een ander beeld te gebruiken dat ik zelf ergens gezien heb: zoals een kaars die bij harde wind over een heide gedragen werd. Zo is ons leven ons als een buit gegeven, en de kracht, trouw en wijsheid van God worden in dit leven ongeschonden onderhouden en te midden van alle vijanden wonderlijk geopenbaard.
Zoals Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil, en de drie jongelingen in de vurige oven, zo wordt ook het leven van God in de ziel te midden van de leeuwen bewaard. David zegt het zo: „Mijn ziel is in het midden der leeuwen; ik lig onder stokebranden” (Psalm 57:5). Eert daarom de Heere. „Eert de Heere in hetgeen geleden wordt” (Jesaja 24:15, Eng. vertaling). Het leven van een kind van God is dus een voortdurende strijd tussen geloof en ongeloof, tussen vijandschap en liefde, tussen de genade van God en de opstand van het vleselijk gemoed, tussen de inzinkingen van een kwijnende geest en de verheffingen door het licht van Gods vriendelijk aangezicht.
Aan de lezer…
Merkt u soms dat het leven in uw ziel zo zwak is als een kaars die in harde wind over een heide gedragen wordt? Liggen er vijanden op de loer, begerig om te roven wat God in u gewerkt heeft? Wees dan niet verbaasd: het woord „buit” zegt juist dat dit leven een voorwerp van aanranding is. Maar het zegt ook dat de Heere het u geeft, en wat Hij schenkt, onderhoudt en bewaart Hij door Zijn kracht.
Uw leven is verborgen in de volheid van Christus. Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil en de jongelingen in de vurige oven; zo wordt ook het leven van God in uw ziel te midden van de leeuwen bewaard. De strijd tussen geloof en ongeloof, tussen genade en het vleselijk gemoed, is geen teken dat het leven ontbreekt, maar juist dat het er is. Eer dan de Heere, ook in wat geleden wordt; Hij zal dit licht niet laten uitdoven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thy life will I give unto thee for a prey in all places whither thou goest.
Jeremiah 45:5
There is a life given to the elect when the blessed Spirit quickens their souls—a life eternal, communicated to them out of the fullness of the Son of God. This life is a personal, individual life; and thus there seems to be a sweetness contained in the expression, “your life.” “Your life will I give unto you for a prey.” This life which is treasured up in the fullness of Christ is breathed into the soul in the appointed time by the Holy Spirit, is kept alive there by His almighty power, and will burn brighter and brighter in the realms of endless day.
But we may observe, from the expression made use of in the text, that this life which is given to the child of God, is given to him in a peculiar way. “Your life will I give unto you for a prey.” The word “prey” points out that this life is an object of attack. We hear of “beasts of prey,” and of “birds of prey,” and the expression implies a carnivorous animal. Thus the words, “Your life will I give unto you for a prey,” imply that there are ravenous beasts that are continually seeking to devour this life, voracious enemies upon the watch, who are eager to prey upon this life, which God the Holy Spirit has kindled in the soul.
How accurately and how experimentally do these words describe the inward kingdom of God! Eternal life is given by God; and kept by Him when given; preserved by His power from ever being extinguished. And yet preserved by a perpetual miracle, like a burning lamp set afloat upon the waves of the sea; or, to use a figure that I have somewhere seen, like a lighted candle carried over a hill in the midst of a gale of wind.
Thus, “our life is given us for a prey;” and the power, faithfulness, and wisdom of God are manifested in keeping this life unhurt amid all its enemies. As Daniel was preserved in the den of lions; and as the three men were preserved in the burning fiery furnace; so the life of God is preserved in the soul, in the midst of lions, as David says, “My soul is among lions” (Ps. 57:4), and amid the fires, “Glorify you the Lord in the fires” (Isaiah 24:15). So that the life of the child of God is one continual conflict between faith and unbelief, between enmity and love, between the grace of God and the rebellion of the carnal mind, between the sinkings of the drooping spirit and the liftings-up of the light of God’s countenance.
To the reader…
Do you sometimes find that the life in your soul is as feeble as a candle carried over a heath in a strong wind? Are there enemies lying in wait, eager to plunder what God has wrought in you? Then do not be surprised: the word “prey” tells us that this life is an object of attack. But it also says that the Lord gives it to you, and what He gives, He upholds and keeps by His power.
Your life is hidden in the fullness of Christ. Daniel was kept in the lions’ den and the young men in the fiery furnace; so the life of God in your soul is also kept in the midst of the lions. The conflict between faith and unbelief, between grace and the carnal mind, is no sign that life is lacking, but rather that it is there. Glorify the Lord, then, even in what you suffer; He will not let this light go out.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Te daré tu vida por despojo en todos los lugares adonde fueres.
Jeremías 45:5
Hay una vida que se da a los elegidos cuando el bendito Espíritu vivifica sus almas: una vida eterna, comunicada a ellos de la plenitud del Hijo de Dios. Esta vida es una vida personal, individual; y por eso parece haber una dulzura contenida en la expresión “tu vida.” “Te daré tu vida por despojo.” Esta vida, que está atesorada en la plenitud de Cristo, es infundida en el alma en el tiempo señalado por el Espíritu Santo, es mantenida viva allí por Su poder omnipotente, y arderá cada vez con más brillo en las regiones del día sin fin.
Pero podemos observar, por la expresión que se usa en el texto, que esta vida que se da al hijo de Dios le es dada de una manera peculiar. “Te daré tu vida por despojo,” es decir, como presa. La palabra “presa” indica que esta vida es objeto de ataque. Oímos hablar de “fieras de presa” y de “aves de presa,” y la expresión supone un animal carnívoro. Así las palabras “Te daré tu vida por despojo” implican que hay bestias rapaces que buscan continuamente devorar esta vida, enemigos voraces al acecho, ansiosos de hacer presa de esta vida que Dios el Espíritu Santo ha encendido en el alma.
¡Con cuánta exactitud y cuán experimentalmente describen estas palabras el reino interior de Dios! La vida eterna es dada por Dios; y, una vez dada, es guardada por Él; preservada por Su poder para que nunca se extinga. Y sin embargo es preservada por un milagro perpetuo, como una lámpara encendida que flota sobre las olas del mar; o, para usar una figura que he visto en alguna parte, como una vela encendida llevada por encima de un cerro en medio de un vendaval.
Así, “nuestra vida nos es dada por despojo”; y el poder, la fidelidad y la sabiduría de Dios se manifiestan en guardar esta vida ilesa en medio de todos sus enemigos. Como Daniel fue preservado en el foso de los leones, y como los tres varones fueron preservados en el horno de fuego ardiendo, así la vida de Dios es preservada en el alma en medio de leones, como dice David: “Mi vida está entre leones” (Sal. 57:4), y en medio de los fuegos: “Glorificad a Jehová en los fuegos” (Isaías 24:15). De modo que la vida del hijo de Dios es un conflicto continuo entre la fe y la incredulidad, entre la enemistad y el amor, entre la gracia de Dios y la rebelión de la mente carnal, entre los desfallecimientos del espíritu abatido y el alzamiento de la luz del rostro de Dios.
Al lector…
¿Encuentra a veces que la vida de su alma es tan débil como una vela llevada por un páramo en medio de un fuerte viento? ¿Hay enemigos al acecho, ansiosos de saquear lo que Dios ha obrado en usted? Entonces no se sorprenda: la palabra “presa” nos dice que esta vida es objeto de ataque. Pero también dice que el Señor se la da, y lo que Él da, lo sostiene y lo guarda con Su poder.
Su vida está escondida en la plenitud de Cristo. Daniel fue guardado en el foso de los leones y los jóvenes en el horno de fuego; así también la vida de Dios en su alma es guardada en medio de los leones. El conflicto entre la fe y la incredulidad, entre la gracia y la mente carnal, no es señal de que falte la vida, sino más bien de que está allí. Glorifique, pues, al Señor aun en lo que sufre; Él no dejará que esta luz se apague.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl