3 de octubre
Maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henen trekken.
Jeremia 45:5
Er wordt aan de uitverkorenen leven medegedeeld op de tijd dat de gezegende Geest hun zielen levend maakt; een eeuwig leven, hun medegedeeld uit de volheid van de Zoon van God. Dit leven is een persoonlijk leven, en derhalve ligt er een aangenaamheid in de uitdrukking „uw leven”. Uw leven zal Ik u als een buit geven. Dit leven, verborgen in de volheid van Christus, wordt op de bestemde tijd door de Heilige Geest in de ziel gewrocht en wordt door Zijn almachtige kracht onderhouden, en zal al helderder en helderder lichten in het Koninkrijk der eeuwigheid.
Maar wij mogen opmerken uit de uitdrukking waarvan in de tekst gesproken wordt, dat dit leven aan het kind van God op een bijzondere wijze gegeven is. „Ik zal u uw ziel tot een buit geven.” Het woord „buit” geeft te kennen dat dit leven een voorwerp is van aanranding. Wij horen van roofdieren en roofvogels, en de uitdrukking duidt aan dat dit vleesetende dieren zijn. Dus duiden de woorden „uw ziel – of uw leven – tot een buit geven” aan dat er roofzuchtige dieren zijn, die op de loer liggen en begerig zijn om dit leven te roven, hetwelk God de Heilige Geest in de ziel gefundeerd heeft.
Hoe juist en bevindelijk beschrijven deze woorden het inwendige Koninkrijk Gods! Het eeuwige leven wordt door God geschonken, en, gegeven zijnde, door Hem onderhouden, door Zijn kracht bewaard, zodat het in eeuwigheid niet zal worden uitgeblust. En nochtans wordt het door een voortdurend wonder bewaard, gelijk een brandende lamp die op de baren der zee drijft, of, om een ander beeld te gebruiken, en dat ik zelf ergens gezien heb, gelijk een kaars die, terwijl het sterk woei, over een heide gedragen werd. Zo is ons leven ons als een buit gegeven, en de kracht, getrouwheid en wijsheid van God worden ongeschonden onderhouden in dit leven en te midden van alle vijanden wonderlijk geopenbaard.
Gelijk Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil, en de drie jongelingen in de vurige oven, zo ook wordt het leven Gods in de ziel te midden van de leeuwen bewaard; gelijk David zegt: „Mijn ziel is in het midden der leeuwen; ik lig onder stokebranden” (Psalm 57:5). Daarom, eert de Heere. „Eert de Heere in hetgeen geleden wordt” (Jesaja 24:15, Eng. vertaling). Het leven van een kind van God is dus een gedurige strijd tussen geloof en ongeloof, tussen vijandschap en liefde, tussen de genade Gods en de opstand van het vleselijk gemoed, tussen de inzinkingen van een kwijnende geest en de verheffingen van het licht van Gods vriendelijk aangezicht.
Aan de lezer…
Merkt u soms dat het leven in uw ziel zo zwak is als een kaars die in harde wind over een heide gedragen wordt? Liggen er vijanden op de loer, begerig om te roven wat God in u gewerkt heeft? Wees dan niet verbaasd: het woord „buit” zegt juist dat dit leven een voorwerp van aanranding is. Maar het zegt ook dat de Heere het u geeft, en wat Hij schenkt, onderhoudt en bewaart Hij door Zijn kracht.
Uw leven is verborgen in de volheid van Christus. Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil en de jongelingen in de vurige oven; zo wordt ook het leven Gods in uw ziel te midden van de leeuwen bewaard. De strijd tussen geloof en ongeloof, tussen genade en het vleselijk gemoed, is geen teken dat het leven ontbreekt, maar dat het er is. Eert dan de Heere, ook in hetgeen geleden wordt; Hij zal dit licht niet laten uitblussen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henen trekken.
Jeremia 45:5
Aan de uitverkorenen wordt leven meegedeeld op de tijd dat de gezegende Geest hun zielen levend maakt: een eeuwig leven, dat hun wordt meegedeeld uit de volheid van de Zoon van God. Dit leven is een persoonlijk leven, en daarom ligt er iets aangenaams in de uitdrukking „uw leven”. Uw leven zal Ik u als een buit geven. Dit leven, verborgen in de volheid van Christus, wordt op de bestemde tijd door de Heilige Geest in de ziel gewerkt. Het wordt door Zijn almachtige kracht onderhouden en zal steeds helderder stralen in het Koninkrijk van de eeuwigheid.
Maar uit de uitdrukking in de tekst mogen wij opmerken dat dit leven op een bijzondere manier aan het kind van God gegeven is. „Ik zal u uw ziel tot een buit geven.” Het woord „buit” laat zien dat dit leven een voorwerp van aanranding is. Wij horen van roofdieren en roofvogels, en die uitdrukking duidt aan dat het vleesetende dieren zijn. Zo geven de woorden „uw ziel – of uw leven – tot een buit geven” aan dat er roofzuchtige dieren zijn die op de loer liggen en begerig zijn om dit leven te roven, dat God de Heilige Geest in de ziel gegrondvest heeft.
Hoe juist en bevindelijk beschrijven deze woorden het inwendige Koninkrijk van God! Het eeuwige leven wordt door God geschonken. Als het gegeven is, wordt het door Hem onderhouden en door Zijn kracht bewaard, zodat het in eeuwigheid niet zal worden uitgeblust. Toch wordt het door een voortdurend wonder bewaard, zoals een brandende lamp die op de golven van de zee drijft. Of, om een ander beeld te gebruiken dat ik zelf ergens gezien heb: zoals een kaars die bij harde wind over een heide gedragen werd. Zo is ons leven ons als een buit gegeven, en de kracht, trouw en wijsheid van God worden in dit leven ongeschonden onderhouden en te midden van alle vijanden wonderlijk geopenbaard.
Zoals Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil, en de drie jongelingen in de vurige oven, zo wordt ook het leven van God in de ziel te midden van de leeuwen bewaard. David zegt het zo: „Mijn ziel is in het midden der leeuwen; ik lig onder stokebranden” (Psalm 57:5). Eert daarom de Heere. „Eert de Heere in hetgeen geleden wordt” (Jesaja 24:15, Eng. vertaling). Het leven van een kind van God is dus een voortdurende strijd tussen geloof en ongeloof, tussen vijandschap en liefde, tussen de genade van God en de opstand van het vleselijk gemoed, tussen de inzinkingen van een kwijnende geest en de verheffingen door het licht van Gods vriendelijk aangezicht.
Aan de lezer…
Merkt u soms dat het leven in uw ziel zo zwak is als een kaars die in harde wind over een heide gedragen wordt? Liggen er vijanden op de loer, begerig om te roven wat God in u gewerkt heeft? Wees dan niet verbaasd: het woord „buit” zegt juist dat dit leven een voorwerp van aanranding is. Maar het zegt ook dat de Heere het u geeft, en wat Hij schenkt, onderhoudt en bewaart Hij door Zijn kracht.
Uw leven is verborgen in de volheid van Christus. Daniël werd bewaard in de leeuwenkuil en de jongelingen in de vurige oven; zo wordt ook het leven van God in uw ziel te midden van de leeuwen bewaard. De strijd tussen geloof en ongeloof, tussen genade en het vleselijk gemoed, is geen teken dat het leven ontbreekt, maar juist dat het er is. Eer dan de Heere, ook in wat geleden wordt; Hij zal dit licht niet laten uitdoven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thy life will I give unto thee for a prey in all places whither thou goest.
Jeremiah 45:5
There is a life given to the elect when the blessed Spirit quickens their souls—a life eternal, communicated to them out of the fullness of the Son of God. This life is a personal, individual life; and thus there seems to be a sweetness contained in the expression, “your life.” “Your life will I give unto you for a prey.” This life which is treasured up in the fullness of Christ is breathed into the soul in the appointed time by the Holy Spirit, is kept alive there by His almighty power, and will burn brighter and brighter in the realms of endless day.
But we may observe, from the expression made use of in the text, that this life which is given to the child of God, is given to him in a peculiar way. “Your life will I give unto you for a prey.” The word “prey” points out that this life is an object of attack. We hear of “beasts of prey,” and of “birds of prey,” and the expression implies a carnivorous animal. Thus the words, “Your life will I give unto you for a prey,” imply that there are ravenous beasts that are continually seeking to devour this life, voracious enemies upon the watch, who are eager to prey upon this life, which God the Holy Spirit has kindled in the soul.
How accurately and how experimentally do these words describe the inward kingdom of God! Eternal life is given by God; and kept by Him when given; preserved by His power from ever being extinguished. And yet preserved by a perpetual miracle, like a burning lamp set afloat upon the waves of the sea; or, to use a figure that I have somewhere seen, like a lighted candle carried over a hill in the midst of a gale of wind.
Thus, “our life is given us for a prey;” and the power, faithfulness, and wisdom of God are manifested in keeping this life unhurt amid all its enemies. As Daniel was preserved in the den of lions; and as the three men were preserved in the burning fiery furnace; so the life of God is preserved in the soul, in the midst of lions, as David says, “My soul is among lions” (Ps. 57:4), and amid the fires, “Glorify you the Lord in the fires” (Isaiah 24:15). So that the life of the child of God is one continual conflict between faith and unbelief, between enmity and love, between the grace of God and the rebellion of the carnal mind, between the sinkings of the drooping spirit and the liftings-up of the light of God’s countenance.
To the reader…
Do you sometimes find that the life in your soul is as feeble as a candle carried over a heath in a strong wind? Are there enemies lying in wait, eager to plunder what God has wrought in you? Then do not be surprised: the word “prey” tells us that this life is an object of attack. But it also says that the Lord gives it to you, and what He gives, He upholds and keeps by His power.
Your life is hidden in the fullness of Christ. Daniel was kept in the lions’ den and the young men in the fiery furnace; so the life of God in your soul is also kept in the midst of the lions. The conflict between faith and unbelief, between grace and the carnal mind, is no sign that life is lacking, but rather that it is there. Glorify the Lord, then, even in what you suffer; He will not let this light go out.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Te daré tu vida por despojo en todos los lugares adonde fueres.
Jeremías 45:5
Hay una vida que se da a los elegidos cuando el bendito Espíritu vivifica sus almas: una vida eterna, comunicada a ellos de la plenitud del Hijo de Dios. Esta vida es una vida personal, individual; y por eso parece haber una dulzura contenida en la expresión “tu vida.” “Te daré tu vida por despojo.” Esta vida, que está atesorada en la plenitud de Cristo, es infundida en el alma en el tiempo señalado por el Espíritu Santo, es mantenida viva allí por Su poder omnipotente, y arderá cada vez con más brillo en las regiones del día sin fin.
Pero podemos observar, por la expresión que se usa en el texto, que esta vida que se da al hijo de Dios le es dada de una manera peculiar. “Te daré tu vida por despojo,” es decir, como presa. La palabra “presa” indica que esta vida es objeto de ataque. Oímos hablar de “fieras de presa” y de “aves de presa,” y la expresión supone un animal carnívoro. Así las palabras “Te daré tu vida por despojo” implican que hay bestias rapaces que buscan continuamente devorar esta vida, enemigos voraces al acecho, ansiosos de hacer presa de esta vida que Dios el Espíritu Santo ha encendido en el alma.
¡Con cuánta exactitud y cuán experimentalmente describen estas palabras el reino interior de Dios! La vida eterna es dada por Dios; y, una vez dada, es guardada por Él; preservada por Su poder para que nunca se extinga. Y sin embargo es preservada por un milagro perpetuo, como una lámpara encendida que flota sobre las olas del mar; o, para usar una figura que he visto en alguna parte, como una vela encendida llevada por encima de un cerro en medio de un vendaval.
Así, “nuestra vida nos es dada por despojo”; y el poder, la fidelidad y la sabiduría de Dios se manifiestan en guardar esta vida ilesa en medio de todos sus enemigos. Como Daniel fue preservado en el foso de los leones, y como los tres varones fueron preservados en el horno de fuego ardiendo, así la vida de Dios es preservada en el alma en medio de leones, como dice David: “Mi vida está entre leones” (Sal. 57:4), y en medio de los fuegos: “Glorificad a Jehová en los fuegos” (Isaías 24:15). De modo que la vida del hijo de Dios es un conflicto continuo entre la fe y la incredulidad, entre la enemistad y el amor, entre la gracia de Dios y la rebelión de la mente carnal, entre los desfallecimientos del espíritu abatido y el alzamiento de la luz del rostro de Dios.
Al lector…
¿Encuentra a veces que la vida de su alma es tan débil como una vela llevada por un páramo en medio de un fuerte viento? ¿Hay enemigos al acecho, ansiosos de saquear lo que Dios ha obrado en usted? Entonces no se sorprenda: la palabra “presa” nos dice que esta vida es objeto de ataque. Pero también dice que el Señor se la da, y lo que Él da, lo sostiene y lo guarda con Su poder.
Su vida está escondida en la plenitud de Cristo. Daniel fue guardado en el foso de los leones y los jóvenes en el horno de fuego; así también la vida de Dios en su alma es guardada en medio de los leones. El conflicto entre la fe y la incredulidad, entre la gracia y la mente carnal, no es señal de que falte la vida, sino más bien de que está allí. Glorifique, pues, al Señor aun en lo que sufre; Él no dejará que esta luz se apague.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl