6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken, en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de Heere.
Klaagliederen 3:39, 40
Ik houd mij vast overtuigd, dat er duizenden professoren zijn, die gedurende de gehele loop van hun godsdienstige arbeid niet geweten hebben, wat het is „hun wegen te hebben onderzocht”; in de weegschalen der Goddelijke rechtvaardigheid gewogen te zijn, of terneer geslagen en in hun eigen gevoel veroordeeld te hebben gestaan voor God als de hartdoorzoekende Jehovah. Voor zulk een beproevende smeltkroes, voor zulk een onfeilbare toetssteen zijn zij altijd teruggedeinsd. En waarom? Omdat zij inwendig bewust zijn, dat hun godsdienst geen gestreng en nauwkeurig onderzoek kan doorstaan.
Gelijk een bedriegelijk winkelier zijn klanten in een donkere hoek van zijn winkel lokt, om niet ontdekt te worden, als hij zijn voddige, opgemaakte goederen voor hen uitspreidt, zo ook schuwen zij het licht, die zich inwendig bewust zijn, dat hun godsdienst geen hemelse oorsprong heeft. Het is zoals de Heere zegt: „Een iegelijk, die het boze doet, haat het licht, noch komt tot het licht, opdat zijn daden niet zouden afgekeurd worden; maar hij, die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn daden openbaar mogen worden, dat zij door God zijn gewrocht.”
Zo gij er nu geen kennis aan hebt, dat uw wegen van tijd tot tijd worden onderzocht en doorzocht, of er komt bitterheid in u op onder een bevindelijke, hartonderzoekende prediking, die voor u dat doorzoeken wilde instellen, dan is er voorzeker een vuile plaats in u, iets dat gij niet aan het licht durft brengen. De kaars des Heeren heeft de schuilhoeken van uw hart niet doorzocht; ook hebt gij niet met David gebeden: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of er bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.”
Wil toch Uw knecht, door schuld verslagen,
o Heer, niet voor Uw vierschaar dagen,
want niemand zal in dat gericht,
daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
rechtvaardig zijn voor Uw gezicht!
Ps. 143:2
Aan de lezer…
Wanneer uw wegen onderzocht worden, durft u dat dan aan? Het is een ernstige vraag, en zij is niet bedoeld om u te kwellen, maar om u eerlijk te maken. Er is een godsdienst die het licht schuwt, zoals de bedriegelijke winkelier zijn waren in een donkere hoek uitstalt. En wordt er iets bitters in u wakker wanneer het Woord uw hart doorzoekt, sta dan stil en vraag u af waarom.
Wie de waarheid doet, komt tot het licht. Dat betekent niet dat hij er zonder schuld voor staat; integendeel, hij leert zich te veroordelen voor de hartdoorzoekende God. Maar juist daar opent zich de weg terug: laat ons onze wegen onderzoeken en wederkeren tot de Heere. Vrees dan de kaars des Heeren niet, al ontdekt zij vuile plaatsen. Bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.” Wie zo bidt, mag ook de rest van die bede uitspreken: leid mij op de eeuwige weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken, en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de Heere.
Klaagliederen 3:39, 40
Ik ben er vast van overtuigd dat er duizenden belijders zijn die gedurende de hele loop van hun godsdienstige leven niet geweten hebben wat het is om „hun wegen te onderzoeken”: gewogen te worden in de weegschaal van de Goddelijke rechtvaardigheid, of terneergeslagen en in hun eigen gevoel veroordeeld te staan voor God als de hartdoorzoekende Jehovah. Voor zo’n beproevende smeltkroes, voor zo’n onfeilbare toetssteen zijn zij altijd teruggedeinsd. En waarom? Omdat zij zich vanbinnen bewust zijn dat hun godsdienst geen streng en nauwkeurig onderzoek kan doorstaan.
Zoals een bedrieglijke winkelier zijn klanten naar een donkere hoek van zijn winkel lokt, om niet ontdekt te worden wanneer hij zijn waardeloze, opgepoetste waren voor hen uitstalt, zo schuwen ook zij het licht die zich vanbinnen bewust zijn dat hun godsdienst geen hemelse oorsprong heeft. Het is zoals de Heere zegt: „Een iegelijk, die het boze doet, haat het licht, noch komt tot het licht, opdat zijn daden niet zouden afgekeurd worden; maar hij, die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn daden openbaar mogen worden, dat zij door God zijn gewrocht.”
Als u er nu geen kennis aan hebt dat uw wegen van tijd tot tijd onderzocht en doorzocht worden, of als er bitterheid in u opkomt onder een bevindelijke, hartonderzoekende prediking die dat doorzoeken bij u zou willen teweegbrengen, dan is er zeker een vuile plek in u, iets wat u niet aan het licht durft te brengen. De kaars van de Heere heeft de schuilhoeken van uw hart niet doorzocht, en u hebt ook niet met David gebeden: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of er bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.”
Wil toch Uw knecht, door schuld verslagen,
o Heer, niet voor Uw vierschaar dagen,
want niemand zal in dat gericht,
daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
rechtvaardig zijn voor Uw gezicht!
Ps. 143:2
Aan de lezer…
Wanneer uw wegen onderzocht worden, durft u dat dan aan? Het is een ernstige vraag, en zij is niet bedoeld om u te kwellen, maar om u eerlijk te maken. Er is een godsdienst die het licht schuwt, zoals de bedrieglijke winkelier zijn waren in een donkere hoek uitstalt. En wordt er iets bitters in u wakker wanneer het Woord uw hart doorzoekt, sta dan stil en vraag u af waarom.
Wie de waarheid doet, komt tot het licht. Dat betekent niet dat hij er zonder schuld staat; integendeel, hij leert zichzelf te veroordelen voor de hartdoorzoekende God. Maar juist daar opent zich de weg terug: laat ons onze wegen onderzoeken en wederkeren tot de Heere. Vrees dan de kaars van de Heere niet, ook al ontdekt zij vuile plekken. Bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.” Wie zo bidt, mag ook de rest van die bede uitspreken: leid mij op de eeuwige weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore doth a living man complain, a man for the punishment of his sins? Let us search and try our ways, and turn again to the LORD.
Lamentations 3:39-40
I believe in my conscience there are thousands of professors who have never known in the whole course of their religious profession what it is to have “examined and tested their ways;” to have been put into the balances and weighed in the scales of divine justice; or to have stood cast down and condemned in their own feelings before God as the heart-searching Jehovah. From such a trying test, from such an unerring touchstone they have ever shrunk. And why? Because they have an inward consciousness that their religion will not bear a strict and scrutinizing examination.
Like the deceitful tradesman, who allures his customers into a dark corner of his shop, in order to elude detection when he spreads his flimsy, made-up goods before them, so those who have an inward consciousness that their religion is not of heavenly origin, shun the light. As the Lord says, “Every one that does evil hates the light, neither comes to the light, lest his deeds should be reproved; but he that does truth comes to the light, that his deeds may be made manifest that they are wrought in God.”
Now if you know nothing of having from time to time your ways searched and tested by God’s Word, or if you rise up with bitterness against an experimental, heart-searching ministry that would test them for you, it shows that there is some rotten spot in you—something that you dare not bring to the light. The candle of the Lord has not searched the hidden secrets of your heart; nor have you cried with David, “Search me, O God, and know my heart; try me, and know my thoughts. And see if there be any wicked way in me, and lead me in the way everlasting.”
To the reader…
When your ways are searched, do you dare to face it? It is a serious question, and it is not meant to torment you, but to make you honest. There is a religion that shuns the light, as the deceitful tradesman spreads out his wares in a dark corner. And if something bitter wakes up in you when the Word searches your heart, then stop and ask yourself why.
He that doeth truth cometh to the light. That does not mean that he stands there without guilt; on the contrary, he learns to condemn himself before the heart-searching God. But it is precisely there that the way back opens: let us search and try our ways, and turn again to the LORD. So do not fear the candle of the Lord, even if it uncovers unclean spots. Pray with David, “Search me, O God, and know my heart.” Whoever prays like that may also speak the rest of that prayer: lead me in the way everlasting.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Por qué murmura el hombre viviente, el hombre en su pecado? Escudriñemos nuestros caminos, y busquemos, y volvámonos a Jehová.
Lamentaciones 3:39-40
Creo en mi conciencia que hay miles de profesantes que nunca han sabido, en todo el curso de su profesión religiosa, lo que es haber “escudriñado y buscado sus caminos”; haber sido puestos en la balanza y pesados en los platillos de la justicia divina; o haber estado abatidos y condenados en su propio sentir delante de Dios como el Jehová que escudriña los corazones. De una prueba tan severa, de una piedra de toque tan infalible, siempre han retrocedido. ¿Y por qué? Porque tienen una conciencia interior de que su religión no soportará un examen estricto y minucioso.
Como el comerciante engañoso que atrae a sus clientes a un rincón oscuro de su tienda para no ser descubierto cuando extiende ante ellos sus géneros endebles y de apariencia, así los que tienen una conciencia interior de que su religión no es de origen celestial huyen de la luz. Como dice el Señor: “Todo aquel que hace lo malo, aborrece la luz y no viene a la luz, porque sus obras no sean redargüidas. Mas el que obra verdad, viene a la luz, para que sus obras sean manifestadas que son hechas en Dios”.
Ahora bien, si usted no sabe nada de que sus caminos sean de tiempo en tiempo escudriñados y probados por la Palabra de Dios, o si se levanta con amargura contra un ministerio experimental que escudriña el corazón y que quisiera probarlos por usted, eso muestra que hay en usted algún punto podrido, algo que no se atreve a sacar a la luz. La candela del Señor no ha escudriñado los secretos escondidos de su corazón; ni ha clamado usted con David: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón: pruébame y reconoce mis pensamientos: y ve si hay en mí camino de perversidad, y guíame en el camino eterno”.
Al lector…
Cuando sus caminos son escudriñados, ¿se atreve usted a afrontarlo? Es una pregunta seria, y no tiene el propósito de atormentarle, sino de hacerle sincero. Hay una religión que huye de la luz, como el comerciante engañoso extiende sus géneros en un rincón oscuro. Y si algo amargo despierta en usted cuando la Palabra escudriña su corazón, deténgase y pregúntese por qué.
El que obra verdad viene a la luz. Eso no significa que esté allí sin culpa; al contrario, aprende a condenarse a sí mismo delante del Dios que escudriña los corazones. Pero es precisamente allí donde se abre el camino de regreso: escudriñemos nuestros caminos, y busquemos, y volvámonos a Jehová. No tema, pues, la candela del Señor, aunque descubra manchas impuras. Ore con David: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón”. Quien ora así puede también decir el resto de esa oración: guíame en el camino eterno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Na de vroege regen moest er een winter worden doorstaan. De vorst zou de jonge tarwe doorsnijden. Er waren lange, koude, dodelijke nachten, die de plant schenen te doden. Het zaad werd in zijn groei gehinderd; het werd ziek en scheen eerder achteruit dan vooruit te gaan. Zo ging dat totdat de tweede of spade regen met de lente van de hemel kwam.
Stelt dit niet heel goed de bevinding van de ziel voor? Nadat de eerste regen van Christus’ tegenwoordigheid en Christus’ genade en kracht het zaad van de waarheid in het hart heeft bevochtigd, volgt nu de lange winter, waarin het blad van het geloof, van de hoop en van de liefde geel en ziek wordt; waarin soms alle bladeren afvallen; waarin de tarwe dood schijnt en de gehele oogst vernietigd. En toch is er leven in de wortel, leven onder worsteling, hoewel onbekwaam om uit te spruiten totdat regen en zonneschijn komen en het bij vernieuwing laten uitspruiten.
En na deze lange winter valt op de juiste tijd de spade regen precies voor de oogst, de vruchtbare druppels vallen neer juist voordat de Heere de sikkel zendt, omdat de oogst daar is (Mark. 4:29). Hier lacht de Heere de ziel toe, net voordat Hij ze tot Zich neemt. Hier is de adem van Zijn aanwezigheid en liefde voordat Hij ze samenbrengt om eeuwig en altijd bij Hem te zijn.
Lezen: Markus 4:20-34
Aan de lezer…
Is het winter in uw ziel? Het blad van geloof, hoop en liefde is geel geworden, misschien zijn alle bladeren afgevallen, en het schijnt u dat er van de goede oogst niets meer over is. Lange, koude nachten hebben het jonge groen doorsneden, en u vraagt u af of er ooit leven in u is geweest. Lieve lezer, de Heere kent die winter; Hij heeft hem zelfs voorzien.
Want onder de bevroren grond is er nog leven in de wortel. Het worstelt, het kan nog niet uitspruiten, maar het is niet dood. Wacht dan op de spade regen. Op de juiste tijd valt hij, juist voordat de sikkel komt, en dan lacht de Heere de ziel toe met de adem van Zijn tegenwoordigheid en liefde. Het lange wachten is niet vergeefs: Die het zaad bewaard heeft door de winter, zal het ook tot de oogst brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Na de vroege regen moest er een winter worden doorstaan. De vorst zou de jonge tarwe doorsnijden. Er waren lange, koude, dodelijke nachten, die de plant leken te doden. Het zaad werd in zijn groei belemmerd; het werd ziek en leek eerder achteruit dan vooruit te gaan. Zo ging het totdat de tweede of spade regen met de lente uit de hemel kwam.
Geeft dit niet heel goed de bevinding van de ziel weer? Nadat de eerste regen van Christus’ tegenwoordigheid, en van Christus’ genade en kracht, het zaad van de waarheid in het hart heeft bevochtigd, volgt de lange winter. Dan wordt het blad van het geloof, van de hoop en van de liefde geel en ziek; soms vallen alle bladeren af, en lijkt de tarwe dood en de hele oogst vernietigd. En toch is er leven in de wortel, leven dat worstelt, hoewel het niet in staat is uit te spruiten totdat regen en zonneschijn komen en het opnieuw doen uitspruiten.
En na deze lange winter valt op de juiste tijd de spade regen, vlak voor de oogst. De vruchtbare druppels vallen neer juist voordat de Heere de sikkel zendt, omdat de oogst daar is (Mark. 4:29). Hier lacht de Heere de ziel toe, vlak voordat Hij haar tot Zich neemt. Hier is de adem van Zijn tegenwoordigheid en liefde, voordat Hij hen samenbrengt om eeuwig en altijd bij Hem te zijn.
Lezen: Markus 4:20-34
Aan de lezer…
Is het winter in uw ziel? Het blad van geloof, hoop en liefde is geel geworden, misschien zijn alle bladeren afgevallen, en het lijkt u dat er van de goede oogst niets meer over is. Lange, koude nachten hebben het jonge groen doorsneden, en u vraagt zich af of er ooit leven in u is geweest. De Heere kent die winter; Hij heeft hem zelfs voorzien.
Want onder de bevroren grond is er nog leven in de wortel. Het worstelt, het kan nog niet uitspruiten, maar het is niet dood. Wacht dan op de spade regen. Op de juiste tijd valt hij, juist voordat de sikkel komt, en dan lacht de Heere de ziel toe met de adem van Zijn tegenwoordigheid en liefde. Het lange wachten is niet vergeefs: Hij Die het zaad door de winter heen bewaard heeft, zal het ook tot de oogst brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
After the former rain a winter had to be endured. The frost would cut the young wheat. There were long, cold, deadly nights, which seemed to kill the plant. The seed was checked in its growth; it became sickly and seemed to go backward rather than forward. So it went on until the second or latter rain came down from heaven with the spring.
Does not this represent very well the experience of the soul? After the first rain of Christ’s presence, and of Christ’s grace and power, has watered the seed of truth in the heart, the long winter follows. Then the blade of faith, of hope and of love turns yellow and sickly; sometimes all the leaves fall off, and the wheat seems dead and the whole crop destroyed. And yet there is life in the root, life that struggles, though unable to shoot up until rain and sunshine come and make it spring up afresh.
And after this long winter the latter rain falls in due season, just before the harvest. The fertilising drops fall just before the Lord putteth in the sickle, because the harvest is come (Mark 4:29). Here the Lord smiles upon the soul just before He takes it to Himself. Here is the breath of His presence and love, before He gathers them together to be for ever and ever with Him.
Reading: Mark 4:20-34
To the reader…
Is it winter in your soul? The blade of faith, hope and love has turned yellow, perhaps all the leaves have fallen, and it seems to you that nothing is left of the good crop. Long, cold nights have cut the young green, and you ask yourself whether there was ever life in you. The Lord knows that winter; He even foresaw it.
For beneath the frozen ground there is still life in the root. It struggles, it cannot yet spring up, but it is not dead. Wait, then, for the latter rain. In due season it falls, just before the sickle comes, and then the Lord smiles upon the soul with the breath of His presence and love. The long waiting is not in vain: He Who has kept the seed through the winter will also bring it to the harvest.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
Después de la lluvia temprana había que soportar un invierno. La helada cortaba el trigo tierno. Había noches largas, frías y mortales, que parecían matar la planta. La semilla quedaba detenida en su crecimiento; se volvía enfermiza y parecía retroceder en vez de avanzar. Así seguía hasta que la segunda lluvia, la tardía, descendía del cielo con la primavera.
¿No representa esto muy bien la experiencia del alma? Después de que la primera lluvia de la presencia de Cristo, y de la gracia y el poder de Cristo, ha regado la semilla de la verdad en el corazón, sigue el largo invierno. Entonces la hoja de la fe, de la esperanza y del amor se vuelve amarilla y enfermiza; a veces se caen todas las hojas, y el trigo parece muerto y toda la cosecha destruida. Y sin embargo hay vida en la raíz, vida que lucha, aunque es incapaz de brotar hasta que vienen la lluvia y el sol y la hacen surgir de nuevo.
Y después de este largo invierno cae a su debido tiempo la lluvia tardía, justo antes de la siega. Las gotas fertilizantes caen justo antes de que el Señor meta la hoz, porque la siega es llegada (Marcos 4:29). Aquí el Señor sonríe al alma justo antes de llevarla consigo. Aquí está el aliento de Su presencia y de Su amor, antes de que los recoja para estar con Él por siempre jamás.
Lectura: Marcos 4:20-34
Al lector…
¿Es invierno en su alma? La hoja de la fe, la esperanza y el amor se ha vuelto amarilla, quizá se han caído todas las hojas, y le parece que nada queda de la buena cosecha. Noches largas y frías han cortado el verde tierno, y se pregunta si alguna vez hubo vida en usted. El Señor conoce ese invierno; incluso lo previó.
Porque bajo la tierra helada todavía hay vida en la raíz. Lucha, todavía no puede brotar, pero no está muerta. Espere, pues, la lluvia tardía. A su debido tiempo cae, justo antes de que venga la hoz, y entonces el Señor sonríe al alma con el aliento de Su presencia y de Su amor. La larga espera no es en vano: Aquel que ha guardado la semilla a través del invierno la llevará también hasta la siega.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De God aller genade.
1 Petrus 5:10
Al wat wij hebben en zijn, al wat wij kennen en gevoelen, komt van de God aller genade. Wij hebben niets geestelijk goeds in onszelf; alles wat wij derhalve hebben, is de vrije gift uit Zijn hand en komt ons toe van de altijd vloeiende Fontein der genade en waarheid. Het zal dan onze zaligheid zijn wanneer de Heere ons verwaardigt altijd of te allen tijde op Hem te zien, niet ons oog te laten vallen op boeken of Evangeliedienaren, daar zij slechts instrumenten zijn, en in zichzelf maar arme instrumenten. De ziel moet door alles en boven alles zien op de God aller genade. De Heere verwaardige u iedere waarheid te beproeven, zoals zij door het licht van de Geest van God in uw hart gebracht is, om alle dingen te beproeven en het goede te behouden.
Hoe diep gij ook de onreinheid van uw hart moogt gevoelen, houd dan in gedachten, dat er een God aller genade is, tot Wie gij de toevlucht moogt nemen. Indien gij uzelf bevindt de onreinste der zondaren te zijn, dan is Hij voor u te meer noodzakelijk als de God der genade. Bevindt gij u duister, somber, onvruchtbaar, er is te groter reden om u te wenden tot de God aller genade, om uw neergebogen ziel te verlevendigen. Indien iemand zijn even genoten genietingen is kwijtgeraakt en hij nu wandelt in duisternis en hij wordt dit gewaar, het is een oorzaak te meer om de God aller genade te zoeken, opdat Hij uit Christus’ volheid, als het Verbondshoofd, al zijn behoeften vervulle.
Ja, welke beproevingen, wederwaardigheden of verzoekingen uw ziel mogen afmatten, zij openen slechts de weg voor de God aller genade, om tot uw hulp te verschijnen. In welke bekommering gij u ook moogt bevinden, het zal uw wijsheid, zowel als uw genade zijn, op Hem te zien, opdat Hij uw ziel moge vertroosten, en dat gij afziende van de mens, gelijk Hiskia, uw aangezicht zoudt wenden tot de wand en uw zaken Hem aanbevelen en toevertrouwen.
Aan de lezer…
U die zich de onreinste der zondaren voelt, duister, somber en onvruchtbaar, hoor dit woord. Bent u de genietingen kwijtgeraakt die u eens gesmaakt hebt, en wandelt u nu in duisternis? Laat dat u niet van Hem wegdrijven. Het is juist een reden te meer om tot Hem te gaan, want Hij heet de God aller genade. Al wat wij geestelijk goeds hebben, komt als een vrije gift uit Zijn hand.
Zie dan niet blijvend op boeken of mensen, hoe nuttig zij ook zijn; zij zijn slechts arme instrumenten. Zie door alles en boven alles op Hem. Welke beproevingen, wederwaardigheden of verzoekingen uw ziel ook afmatten, zij openen slechts de weg voor de God aller genade om tot uw hulp te verschijnen. Keer dan uw aangezicht tot de wand, van de mens af, en vertrouw uw zaken Hem toe. Hij zal uw neergebogen ziel verlevendigen uit de volheid van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De God aller genade.
1 Petrus 5:10
Alles wat wij hebben en zijn, alles wat wij kennen en voelen, komt van de God aller genade. Wij hebben niets geestelijk goeds in onszelf; alles wat wij hebben, is daarom een vrije gave uit Zijn hand en komt tot ons uit de altijd stromende Fontein van genade en waarheid. Het zal dan onze zaligheid zijn wanneer de Heere ons het voorrecht geeft altijd, te allen tijde, op Hem te zien, en ons oog niet te laten rusten op boeken of dienaren van het Evangelie, omdat zij slechts instrumenten zijn, en op zichzelf maar arme instrumenten. De ziel moet door alles heen en boven alles uit zien op de God aller genade. Moge de Heere u het voorrecht geven iedere waarheid te toetsen zoals zij door het licht van de Geest van God in uw hart is gebracht, om alle dingen te beproeven en het goede te behouden.
Hoe diep u de onreinheid van uw hart ook mag voelen, onthoud dan dat er een God aller genade is, bij Wie u mag schuilen. Als u merkt dat u de onreinste van de zondaren bent, dan hebt u Hem des te meer nodig als de God van de genade. Voelt u zich duister, somber en onvruchtbaar, dan is er des te meer reden om u te wenden tot de God aller genade, zodat Hij uw neergebogen ziel verlevendigt. Als iemand de genietingen kwijtgeraakt is die hij kort tevoren nog had, en hij nu in duisternis wandelt en dat merkt, dan is dat een reden te meer om de God aller genade te zoeken, zodat Hij uit de volheid van Christus als het Verbondshoofd in al zijn behoeften voorziet.
Ja, welke beproevingen, tegenslagen of verzoekingen uw ziel ook mogen uitputten, zij openen slechts de weg voor de God aller genade om u te hulp te komen. In welke zorg u zich ook bevindt, het zal uw wijsheid en ook uw genade zijn om op Hem te zien, zodat Hij uw ziel kan troosten. Dan zult u, wegziend van de mens, net als Hizkia uw gezicht naar de wand keren en uw zaken aan Hem opdragen en toevertrouwen.
Aan de lezer…
U die zich de onreinste van de zondaren voelt, duister, somber en onvruchtbaar: hoor dit woord. Bent u de genietingen kwijtgeraakt die u eens gesmaakt hebt, en wandelt u nu in duisternis? Laat dat u niet van Hem wegdrijven. Het is juist een reden te meer om naar Hem toe te gaan, want Hij heet de God aller genade. Alles wat wij geestelijk goeds hebben, komt als een vrije gave uit Zijn hand.
Kijk dan niet blijvend naar boeken of mensen, hoe nuttig zij ook zijn; zij zijn slechts arme instrumenten. Zie door alles heen en boven alles uit op Hem. Welke beproevingen, tegenslagen of verzoekingen uw ziel ook uitputten, zij openen slechts de weg voor de God aller genade om u te hulp te komen. Keer dan uw gezicht naar de wand, weg van de mens, en vertrouw uw zaken Hem toe. Hij zal uw neergebogen ziel verlevendigen uit de volheid van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The God of all grace.”
1 Peter 5:10
All we have and are, everything we know and feel, comes from “the God of all grace.” We have nothing spiritually good in ourselves; all therefore that we have is the free gift of His hand, and comes from the ever-flowing Fountain of mercy and truth. It will be our mercy, then, as the Lord may enable us, to be ever looking to Him, not looking to books, not looking to ministers; these are only instruments, and in themselves but poor instruments. The soul must look through all and above all to “the God of all grace.” The Lord enable you to examine every truth as it is brought before you by the light of God’s Spirit in your heart, to “prove all things, and hold fast that which is good.”
And however deeply you may feel the vileness of your heart, remember this, there is “the God of all grace” to go to. If you feel yourself the vilest of sinners, He suits you the more as “the God of all grace.” If you feel dark, stupid, and barren, it is the greater reason that you should call on “the God of all grace” to revive your drooping soul. If any have lost past enjoyments, and are now “walking in darkness” that may be felt, it is the more reason they should seek “the God of all grace,” that He may supply their needs out of Christ’s fullness, as the covenant Head.
Yes, whatever trials, perplexities, and temptations may harass your soul, it is only to open the way for “the God of all grace” to appear. In whatever affliction you may be, it will be your wisdom, as it will be your mercy, to be looking up unto Him, that He may comfort your soul; and, turning from man, as Hezekiah turned his face to the wall, commit your case to Him.
To the reader…
You who feel yourself the vilest of sinners, dark, dull and barren: hear this word. Have you lost the enjoyments you once tasted, and are you now walking in darkness? Do not let that drive you away from Him. It is all the more reason to go to Him, for He is called the God of all grace. All the spiritual good we have comes as a free gift from His hand.
Do not keep looking, then, to books or to people, however useful they may be; they are but poor instruments. Look through everything and above everything to Him. Whatever trials, setbacks or temptations may wear out your soul, they only open the way for the God of all grace to come to your help. Turn your face to the wall, then, away from man, and commit your case to Him. He will revive your drooping soul out of the fullness of Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El Dios de toda gracia.
1 Pedro 5:10
Todo lo que tenemos y somos, todo lo que sabemos y sentimos, viene del “Dios de toda gracia”. No tenemos nada espiritualmente bueno en nosotros mismos; todo lo que tenemos, por lo tanto, es don gratuito de Su mano, y viene de la Fuente siempre manante de misericordia y verdad. Será, pues, nuestra misericordia, según el Señor nos capacite, estar siempre mirando a Él; no mirando a libros, no mirando a ministros; estos son solo instrumentos, y en sí mismos instrumentos pobres. El alma tiene que mirar a través de todo y por encima de todo al “Dios de toda gracia”. El Señor le capacite para examinar cada verdad, según se le presenta, a la luz del Espíritu de Dios en su corazón, para “examinarlo todo y retener lo bueno”.
Y por profundamente que sienta la vileza de su corazón, recuerde esto: está el “Dios de toda gracia” a Quien acudir. Si se siente el más vil de los pecadores, tanto más le conviene Él como “el Dios de toda gracia”. Si se siente oscuro, torpe y estéril, tanto mayor razón es para que invoque al “Dios de toda gracia” a fin de que reavive su alma decaída. Si alguno ha perdido goces pasados, y ahora “anda en tinieblas” que se pueden palpar, tanto más razón es para que busque al “Dios de toda gracia”, a fin de que Él supla sus necesidades de la plenitud de Cristo, como Cabeza del pacto.
Sí, cualesquiera que sean las pruebas, perplejidades y tentaciones que acosen su alma, solo sirven para abrir el camino a fin de que aparezca “el Dios de toda gracia”. En cualquier aflicción en que se encuentre, será su sabiduría, como será su misericordia, estar mirando a Él, para que consuele su alma; y, apartándose del hombre, como Ezequías volvió su rostro a la pared, encomendarle a Él su caso.
Al lector…
Usted que se siente el más vil de los pecadores, oscuro, torpe y estéril: oiga esta palabra. ¿Ha perdido los goces que una vez gustó, y ahora anda en tinieblas? No deje que eso le aleje de Él. Es tanto más razón para acudir a Él, porque se llama el Dios de toda gracia. Todo el bien espiritual que tenemos viene como don gratuito de Su mano.
No siga mirando, pues, a libros ni a personas, por útiles que sean; no son más que instrumentos pobres. Mire a través de todo y por encima de todo a Él. Cualesquiera que sean las pruebas, los contratiempos o las tentaciones que desgasten su alma, solo abren el camino para que el Dios de toda gracia venga en su ayuda. Vuelva, pues, su rostro a la pared, apartándose del hombre, y encomiéndele a Él su caso. Él reavivará su alma decaída de la plenitud de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl