gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Johannes 15:5
Het grootste geheim in de godsdienst — dat geheim hetwelk slechts zij kennen die de Heere vrezen en aan wie Hij Zijn verbond toont — is allereerst gemeenschap te gevoelen met de Heere en die gemeenschap vol te houden. Maar die gemeenschap kan alleen verkregen worden door de openbaring van Zijn Persoon en Zijn werk aan onze harten, waardoor wij met Hem door één Geest zijn verenigd. Dit is de vereniging der ziel, waardoor zij verenigd wordt met een man gelijk een reine maagd met Christus. Uit deze vereniging komt gemeenschap of vereniging met Christus, en uit deze gemeenschap ontstaat vruchtbaarheid; want dit is geen onvruchtbaar huwelijk.
Maar deze vereniging en gemeenschap kan alleen onderhouden worden door in Christus te blijven; en dit kan alleen doordat Hij in ons blijft. „Blijft in Mij, en Ik in u.” Maar hoe blijven wij in Hem? Hoofdzakelijk door het geloof, de hoop en de liefde; want deze drie zijn de drie genadegiften des Geestes die op de Persoon en het werk van de Zoon van God geoefend worden. Maar als een zaak van geloof en bevinding moeten wij ook leren dat in Christus te blijven veel gebed en waakzaamheid vereist, alsmede geduld en zelfverloochening, afscheiding van de wereld en de wereldse zaken, de beoefening der Schrift en geheime overdenkingen, acht geven op de middelen der genade en, ofschoon het laatst, maar niet het minst, veel inwendige oefening der ziel.
De Heere is, om zo te zeggen, zeer zuinig met Zijn tegenwoordigheid. Elke gevierde zonde, elke verboden lust, elke afgod van ons hart, elke lichtzinnigheid of vleselijkheid, alle misbruik van de gemakken des levens, van vrouw en kinderen, van voedsel en kleding; elke oneerlijkheid in zaken of bezigheden, elke verwaarlozing van het gebed, van wacht houden over hart en mond; elke gelijkvormigheid met de wereld of de dienaren der wereld; in één woord, alles wat in strijd is met Zijn zin en wil, beledigend in de oren Zijner heiligheid en reinheid, onbestaanbaar met de vreze Gods in een teder gemoed, of in strijd met onze heilige roeping, of het veel zij of weinig, door het menselijk oog gezien of niet gezien — dat alles weerhoudt de Heere om aan de ziel het genot Zijner tegenwoordigheid te schenken.
En toch is Hij, met al Zijn reinheid en heiligheid en gestrengheid over de zonde, vol mededogen en ontferming voor hen die Zijn grote en heerlijke Naam vrezen en liefhebben. Wanneer deze zonden gevoeld en die afdwalingen beleden worden, zal Hij wederkeren en niet eeuwig Zijn toorn behouden.
Wanneer het berouwhebbend Israël wederkeert tot de Heere zijn God, met de woorden in zijn hart en in zijn mond: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede”, dan antwoordt de Heere: „Ik zal hunne overtredingen genezen; Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hen afgekeerd. Ik zal Israël zijn als de dauw; het zal bloeien als de lelie en zijn wortelen uitschieten als de Libanon.” Dan roept Israël uit, onder de invloed Zijner liefde: „Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust in goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen. Ja, Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.”
Maar ik zal als d’ olijfboom groeien
in ’t huis des groten Gods;
ik zal in eer en godsvrucht bloeien.
God is mijn steun en rots;
op zijne gunst, mij toegezeid,
vertrouw ’k in eeuwigheid.
Ps. 52:6
Aan de lezer…
Mist u de zoete gemeenschap met de Heere, die u eens gekend hebt? Is het u alsof Hij Zich teruggetrokken heeft, en ligt uw ziel dor als een rank die geen vrucht draagt? Onderzoek dan eerlijk uw weg. De Heere is zuinig met Zijn tegenwoordigheid; een gevierde zonde, een verwaarloosd gebed of een heimelijke afgod kan het genot ervan weerhouden. Zonder Hem kunt u niets doen.
Maar wanhoop niet. Hij Die zo heilig is en zo gestreng over de zonde, is ook vol mededogen en ontferming voor hen die Zijn Naam vrezen. Kom dan met de woorden van het berouwhebbend Israël: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede.” Hij heeft lust in goedertierenheid, en Hij zal wederkeren. Dan zal Hij weer zijn als de dauw, en u zult in Hem blijven en vrucht dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Johannes 15:5
Het grootste geheim in de godsdienst — het geheim dat alleen zij kennen die de Heere vrezen en aan wie Hij Zijn verbond bekendmaakt — is allereerst gemeenschap met de Heere te ervaren en die gemeenschap vast te houden. Maar die gemeenschap kan alleen verkregen worden door de openbaring van Zijn Persoon en Zijn werk aan onze harten, waardoor wij door één Geest met Hem verenigd zijn. Dit is de vereniging van de ziel, waardoor zij als een reine maagd met één Man verenigd wordt, met Christus. Uit deze vereniging komt gemeenschap met Christus voort, en uit deze gemeenschap ontstaat vruchtbaarheid; want dit is geen onvruchtbaar huwelijk.
Maar deze vereniging en gemeenschap kan alleen onderhouden worden door in Christus te blijven, en dat kan alleen doordat Hij in ons blijft. „Blijft in Mij, en Ik in u.” Maar hoe blijven wij in Hem? Vooral door het geloof, de hoop en de liefde, want dat zijn de drie genadegaven van de Geest die op de Persoon en het werk van de Zoon van God geoefend worden. Maar als een zaak van geloof en bevinding moeten wij ook leren dat in Christus blijven veel gebed en waakzaamheid vraagt, en ook geduld en zelfverloochening, afzondering van de wereld en de wereldse dingen, het onderzoeken van de Schrift en verborgen overdenking, acht geven op de middelen van de genade en, als laatste maar niet als minste, veel innerlijke oefening van de ziel.
De Heere is als het ware heel zuinig met Zijn tegenwoordigheid. Elke gekoesterde zonde, elke verboden lust, elke afgod van ons hart, elke lichtzinnigheid of vleselijkheid; elk misbruik van de gemakken van het leven, van vrouw en kinderen, van voedsel en kleding; elke oneerlijkheid in zaken of bezigheden, elke verwaarlozing van het gebed en van de wacht over hart en mond; elke gelijkvormigheid aan de wereld of aan de dienaren van de wereld; in één woord: alles wat ingaat tegen Zijn zin en wil, wat beledigend is voor de oren van Zijn heiligheid en reinheid, wat niet samengaat met de vreze Gods in een teder gemoed of in strijd is met onze heilige roeping, of het nu veel is of weinig, door het menselijk oog gezien of niet — dat alles weerhoudt de Heere ervan de ziel het genot van Zijn tegenwoordigheid te schenken.
En toch is Hij, met al Zijn reinheid en heiligheid en strengheid tegenover de zonde, vol medelijden en ontferming voor hen die Zijn grote en heerlijke Naam vrezen en liefhebben. Wanneer deze zonden gevoeld en die afdwalingen beleden worden, zal Hij terugkeren en niet eeuwig Zijn toorn behouden.
Wanneer het berouwvolle Israël terugkeert tot de Heere zijn God, met deze woorden in zijn hart en in zijn mond: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede”, dan antwoordt de Heere: „Ik zal hunne overtredingen genezen; Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hen afgekeerd. Ik zal Israël zijn als de dauw; het zal bloeien als de lelie en zijn wortelen uitschieten als de Libanon.” Dan roept Israël uit, onder de invloed van Zijn liefde: „Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust in goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen. Ja, Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.”
Maar ik zal als d’ olijfboom groeien
in ’t huis des groten Gods;
ik zal in eer en godsvrucht bloeien.
God is mijn steun en rots;
op zijne gunst, mij toegezeid,
vertrouw ’k in eeuwigheid.
Ps. 52:6
Aan de lezer…
Mist u de zoete gemeenschap met de Heere die u eens gekend hebt? Is het alsof Hij Zich teruggetrokken heeft, en ligt uw ziel dor als een rank die geen vrucht draagt? Onderzoek dan eerlijk uw weg. De Heere is zuinig met Zijn tegenwoordigheid; een gekoesterde zonde, een verwaarloosd gebed of een verborgen afgod kan het genot ervan tegenhouden. Zonder Hem kunt u niets doen.
Maar wanhoop niet. Hij Die zo heilig is en zo streng tegenover de zonde, is ook vol medelijden en ontferming voor hen die Zijn Naam vrezen. Kom dan met de woorden van het berouwvolle Israël: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede.” Hij heeft lust in goedertierenheid, en Hij zal terugkeren. Dan zal Hij weer zijn als de dauw, en u zult in Hem blijven en vrucht dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I am the vine, ye are the branches: He that abideth in me, and I in him, the same bringeth forth much fruit: for without me ye can do nothing.
John 15:5
The great secret in religion—that secret which is only with those who fear the Lord and to whom He shows His covenant—is first to get sensible union with the Lord, and then to maintain it. But this union cannot be gotten except by some manifestation of His Person and work to our heart, joining us to Him as by one Spirit. This is the espousal of the soul, whereby it is espoused to one husband as a chaste virgin to Christ. From this espousal comes fellowship, or communion with Christ; and from this communion flows all fruitfulness, for it is not a barren marriage.
But this union and communion cannot be maintained except by abiding in Christ; and this can only be by His abiding in us. “Abide in Me, and I in you.” But how do we abide in Him? Mainly by faith, hope, and love, for these are the three chief graces of the Spirit which are exercised upon the Person and work of the Son of God. But as a matter of faith and experience, we have also to learn that to abide in Christ needs prayer and watchfulness, patience and self-denial, separation from the world and things worldly, study of the Scriptures and secret meditation, attendance on the means of grace, and, though last, not least, much inward exercise of soul.
The Lord is, so to speak, very cautious of His presence. Any indulged sin; any forbidden gratification; any bosom idol; any lightness or carnality; any abuse of the comforts of house and home, wife and children, food and clothing; any snare of business or occupation; any negligence in prayer, reading, watching the heart and mouth; any conformity to the world and worldly professors; in a word, anything contrary to His mind and will, offensive to the eyes of His holiness and purity, inconsistent with godly fear in a tender conscience, or unbecoming our holy profession, it matters not whether little or much, whether seen or unseen by human eye—all provoke the Lord to deny the soul the enjoyment of His presence.
And yet with all His purity and holiness and severity against sin, He is full of pity and compassion to those who fear and love His great and glorious Name. When these sins are felt, and these backslidings confessed, He will turn again and not retain His anger forever. When repenting Israel returns unto the Lord his God, with the words in his heart and mouth—“Take away all iniquity, and receive us graciously;” then the Lord answers—“I will heal their backsliding, I will love them freely; for Mine anger is turned away from him. I will be as the dew unto Israel—he shall grow as the lily, and cast forth his roots as Lebanon.”
Then, under the influence of His love, Israel cries aloud—“Who is a God like unto You, that pardons iniquity, and passes by the transgression of the remnant of His heritage? He retains not His anger forever, because He delights in mercy. He will turn again, He will have compassion upon us; He will subdue our iniquities; and will cast all their sins into the depths of the sea.”
To the reader…
Do you miss the sweet communion with the Lord that you once knew? Is it as if He has withdrawn Himself, and does your soul lie barren like a branch that bears no fruit? Then honestly search your way. The Lord is cautious of His presence; an indulged sin, a neglected prayer or a hidden idol can keep back the enjoyment of it. Without Him you can do nothing.
But do not despair. He Who is so holy and so severe against sin is also full of pity and compassion for those who fear His Name. Come, then, with the words of repenting Israel: “Take away all iniquity, and receive us graciously.” He delights in mercy, and He will turn again. Then He will be as the dew once more, and you will abide in Him and bear fruit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo soy la vid, vosotros los sarmientos: el que está en Mí, y Yo en él, este lleva mucho fruto; porque sin Mí nada podéis hacer.
Juan 15:5
El gran secreto en la religión, ese secreto que solo está con los que temen al Señor y a quienes Él hace conocer Su pacto, es primero obtener una unión sentida con el Señor, y después mantenerla. Pero esta unión no puede obtenerse sino por alguna manifestación de Su Persona y obra a nuestro corazón, que nos une a Él como por un solo Espíritu. Este es el desposorio del alma, por el cual es desposada con un solo marido, como virgen pura, con Cristo. De este desposorio viene la comunión con Cristo; y de esta comunión fluye toda fecundidad, porque no es un matrimonio estéril.
Pero esta unión y comunión no pueden mantenerse sino permaneciendo en Cristo; y esto solo puede ser por Su permanecer en nosotros. “Estad en Mí, y Yo en vosotros”. Pero ¿cómo permanecemos en Él? Principalmente por la fe, la esperanza y el amor, porque estas son las tres gracias principales del Espíritu que se ejercitan en la Persona y la obra del Hijo de Dios. Pero como asunto de fe y de experiencia, tenemos que aprender también que permanecer en Cristo requiere oración y vigilancia, paciencia y abnegación, separación del mundo y de las cosas mundanas, estudio de las Escrituras y meditación secreta, asistencia a los medios de gracia, y, aunque lo último, no lo menos, mucho ejercicio interior del alma.
El Señor es, por así decirlo, muy celoso de Su presencia. Cualquier pecado consentido; cualquier gratificación prohibida; cualquier ídolo del corazón; cualquier ligereza o carnalidad; cualquier abuso de las comodidades de casa y hogar, de esposa e hijos, de comida y vestido; cualquier lazo de los negocios o de la ocupación; cualquier negligencia en la oración, en la lectura, en la vigilancia del corazón y de la boca; cualquier conformidad con el mundo y con los profesantes mundanos; en una palabra, cualquier cosa contraria a Su mente y voluntad, ofensiva a los ojos de Su santidad y pureza, incompatible con el temor piadoso en una conciencia tierna, o impropia de nuestra santa profesión, no importa si poca o mucha, si vista o no vista por ojo humano: todo ello provoca al Señor a negar al alma el disfrute de Su presencia.
Y sin embargo, con toda Su pureza y santidad y severidad contra el pecado, está lleno de compasión y misericordia para con los que temen y aman Su grande y glorioso Nombre. Cuando estos pecados son sentidos, y estas rebeliones confesadas, Él volverá y no guardará para siempre el enojo. Cuando Israel arrepentido se vuelve a Jehová su Dios, con estas palabras en su corazón y en su boca: “Quita toda iniquidad, y acepta el bien”, entonces el Señor responde: “Yo medicinaré su rebelión, los amaré de voluntad: porque Mi furor se apartó de ellos. Yo seré a Israel como rocío; él florecerá como lirio, y extenderá sus raíces como el Líbano”.
Entonces, bajo la influencia de Su amor, Israel clama en alta voz: “¿Qué Dios como Tú, que perdona la maldad, y olvida el pecado del resto de Su heredad? No retuvo para siempre Su enojo, porque es amador de misericordia. Él tornará, Él tendrá misericordia de nosotros; Él sujetará nuestras iniquidades, y echará en los profundos de la mar todos sus pecados”.
Al lector…
¿Echa usted de menos la dulce comunión con el Señor que conoció una vez? ¿Es como si Él se hubiera retirado, y yace su alma estéril como un sarmiento que no lleva fruto? Entonces examine con sinceridad su camino. El Señor es celoso de Su presencia; un pecado consentido, una oración descuidada o un ídolo escondido pueden retener su disfrute. Sin Él nada puede usted hacer.
Pero no desespere. Aquel que es tan santo y tan severo contra el pecado está también lleno de compasión y misericordia para con los que temen Su Nombre. Venga, pues, con las palabras de Israel arrepentido: “Quita toda iniquidad, y acepta el bien”. Él es amador de misericordia, y volverá. Entonces será otra vez como rocío, y usted permanecerá en Él y llevará fruto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ wederkomst
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.
Handelingen 3:20-21
Wat dient de houding van de Kerk te zijn, verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods? (2 Petr. 3:12). En welke invloed dient deze gezegende waarheid op ons hart en leven te hebben?
Ten eerste moet zij ons verzoenen met bezoekingen, zodat zij voelen zoals de apostel dat „onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid werkt” (2 Kor. 4:17). En opnieuw: „Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden” (Rom. 8:18). Wat zijn, gewogen op zo’n weegschaal, al onze bezoekingen, ook al lijken ze nog zo zwaar? Zijn ze niet inderdaad licht, als ze ons in overeenstemming brengen met het lijdende beeld van Christus, en ons voorbereiden op het eeuwige gewicht van de heerlijkheid?
Zij moet hemelse verlangens en geestelijke gevoelens opwekken, zoals de apostel zegt: „Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus” (Fil. 3:20). Gelovigen wordt verzocht: „En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds” (Rom. 12:2); en: „Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn” (Kol. 3:2); hun wordt gezegd het vlees te kruisigen met de bewegingen en begeerlijkheden (Gal. 5:24) en door de Geest de werkingen van het lichaam te doden (Rom. 8:13).
Weliswaar worden we ernstig gehinderd bij het lopen van de loopbaan die ons is voorgesteld, „want ook wij, die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde”; omdat wij een lichaam moeten meedragen belast met zonde en dood, hetgeen onze voortdurende smart en kwelling is, „want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet” (Rom. 7:24; 2 Kor. 5:4; Gal. 5:17). We worden tevens door ontelbare verzoekingen belegerd, en moeten vaak treuren om onze donkerte, doodsheid, koude en ons ongeloof, zowel vanwege het verbergen van het gezicht van de Heere, als vanwege de afwezigheid van de gezegende Trooster, Die alleen de bedroefde geest kan troosten. Toch, hoewel ze op zichzelf ernstige belemmeringen, speren in onze zij en doornen in onze ogen zijn, doven ze niet de overheersende gevoelens van het vernieuwde hart om uit te zien naar en zich te verheugen op een zonniger dag, als de tranen van alle gezichten afgewist zullen worden.
Lezen: 2 Petrus 3
Aan de lezer…
Kent u dat? U zucht onder de last van een lichaam dat met zonde en dood beladen is. Treurt u om uw donkerte, uw doodsheid en uw ongeloof, en mist u het aangezicht van de Heere en de vertroosting van de gezegende Trooster? U bent niet de eerste die zo bezwaard in deze tabernakel zucht. Het vlees begeert nog tegen de Geest, en de strijd is wezenlijk en pijnlijk.
En toch, leg uw verdrukking eens op de weegschaal tegenover de heerlijkheid die aan Gods volk zal geopenbaard worden. Is zij dan niet licht en zeer haast voorbijgaand? Laat de verwachting van Zijn toekomst uw hart dan omhoog trekken, naar de hemelen, waaruit wij de Zaligmaker verwachten. De doornen en de speren mogen u nu nog kwellen, maar zij kunnen het uitzien niet doven naar die zonniger dag, wanneer de tranen van alle gezichten afgewist zullen worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.
Handelingen 3:20-21
Wat moet de houding van de Kerk zijn, terwijl zij verwacht en zich haast naar de toekomst van de dag van God? (2 Petr. 3:12). En welke invloed moet deze gezegende waarheid hebben op ons hart en ons leven?
Ten eerste moet zij ons met bezoekingen verzoenen, zodat we met de apostel voelen dat „onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid werkt” (2 Kor. 4:17). En ook: „Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden” (Rom. 8:18). Wat zijn al onze bezoekingen, hoe zwaar ze ook lijken, als ze op zo’n weegschaal gewogen worden? Zijn ze niet werkelijk licht, als ze ons gelijkvormig maken aan het lijdende beeld van Christus en ons voorbereiden op het eeuwige gewicht van de heerlijkheid?
Zij moet hemelse verlangens en geestelijke gevoelens opwekken, zoals de apostel zegt: „Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus” (Fil. 3:20). Aan gelovigen wordt gevraagd: „En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds” (Rom. 12:2); en: „Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn” (Kol. 3:2). Hun wordt gezegd het vlees te kruisigen met de bewegingen en begeerlijkheden (Gal. 5:24), en door de Geest de werkingen van het lichaam te doden (Rom. 8:13).
Het is waar dat we ernstig gehinderd worden in het lopen van de loopbaan die ons voorgesteld is, „want ook wij, die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde”. We moeten immers een lichaam meedragen dat belast is met zonde en dood, en dat is onze voortdurende smart en kwelling, „want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet” (Rom. 7:24; 2 Kor. 5:4; Gal. 5:17). Ook worden we belegerd door ontelbare verzoekingen, en moeten we vaak treuren over onze duisternis, doodsheid, koudheid en ons ongeloof. Dat komt zowel doordat de Heere Zijn aangezicht verbergt, als doordat de gezegende Trooster afwezig is, Die alleen de bedroefde geest kan troosten. Toch, al zijn deze dingen op zichzelf ernstige belemmeringen, speren in onze zijden en doornen in onze ogen, ze doven niet de overheersende gevoelens van het vernieuwde hart: het uitzien naar en zich verblijden over een zonniger dag, wanneer de tranen van alle gezichten afgewist zullen worden.
Lezen: 2 Petrus 3
Aan de lezer…
Kent u dat? U zucht onder de last van een lichaam dat met zonde en dood beladen is. Treurt u over uw duisternis, uw doodsheid en uw ongeloof, en mist u het aangezicht van de Heere en de vertroosting van de gezegende Trooster? U bent niet de eerste die zo bezwaard in deze tabernakel zucht. Het vlees begeert nog tegen de Geest, en de strijd is echt en pijnlijk.
En toch: leg uw verdrukking eens op de weegschaal tegenover de heerlijkheid die aan Gods volk geopenbaard zal worden. Is zij dan niet licht en zeer haast voorbijgaand? Laat de verwachting van Zijn toekomst uw hart dan omhoog trekken, naar de hemelen, waaruit wij de Zaligmaker verwachten. De doornen en de speren mogen u nu nog kwellen, maar zij kunnen het uitzien niet doven naar die zonniger dag, wanneer de tranen van alle gezichten afgewist zullen worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He shall send Jesus Christ, which before was preached unto you: Whom the heaven must receive until the times of restitution of all things.
Acts 3:20-21
What should be the attitude of the Church while she is looking for and hasting unto the coming of the day of God (2 Pet. 3:12)? And what influence should this blessed truth have on our hearts and lives?
First, it should reconcile us to afflictions, so that we feel with the apostle that “our light affliction, which is but for a moment, worketh for us a far more exceeding and eternal weight of glory” (2 Cor. 4:17). And also, “For I reckon that the sufferings of this present time are not worthy to be compared with the glory which shall be revealed in us” (Rom. 8:18). What are all our afflictions, however heavy they may seem, when weighed in such a balance? Are they not light indeed, if they conform us to the suffering image of Christ and prepare us for the eternal weight of glory?
It should stir up heavenly desires and spiritual affections, as the apostle says, “For our conversation is in heaven; from whence also we look for the Saviour, the Lord Jesus Christ” (Phil. 3:20). Believers are asked, “And be not conformed to this world: but be ye transformed by the renewing of your mind” (Rom. 12:2); and, “Set your affection on things above, not on things on the earth” (Col. 3:2). They are told to crucify the flesh with the affections and lusts (Gal. 5:24), and through the Spirit to mortify the deeds of the body (Rom. 8:13).
It is true that we are sorely hindered in running the race that is set before us, “for we that are in this tabernacle do groan, being burdened.” For we have to carry about with us a body burdened with sin and death, and that is our continual grief and torment, “for the flesh lusteth against the Spirit, and the Spirit against the flesh: and these are contrary the one to the other: so that ye cannot do the things that ye would” (Rom. 7:24; 2 Cor. 5:4; Gal. 5:17). We are also beset by countless temptations, and must often mourn over our darkness, deadness, coldness and unbelief. This comes both from the Lord hiding His face and from the absence of the blessed Comforter, Who alone can comfort the sorrowful spirit.
Yet, though these things are in themselves grievous hindrances, spears in our sides and thorns in our eyes, they do not quench the ruling affections of the renewed heart: the looking for and rejoicing in a brighter day, when the tears shall be wiped away from off all faces.
Reading: 2 Peter 3
To the reader…
Do you know this? You groan under the burden of a body laden with sin and death. Do you mourn over your darkness, your deadness and your unbelief, and do you miss the face of the Lord and the consolation of the blessed Comforter? You are not the first to groan, being burdened, in this tabernacle. The flesh still lusts against the Spirit, and the conflict is real and painful.
And yet: lay your affliction for once in the balance against the glory that shall be revealed to God’s people. Is it not then light, and but for a moment? Let the expectation of His coming draw your heart upward, then, to heaven, from whence we look for the Saviour. The thorns and spears may still torment you now, but they cannot quench the looking for that brighter day, when the tears shall be wiped away from off all faces.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y enviará a Jesucristo, que os fue antes anunciado: al cual de cierto es menester que el cielo tenga hasta los tiempos de la restauración de todas las cosas.
Hechos 3:20-21
¿Cuál debe ser la actitud de la Iglesia mientras espera y se apresura para la venida del día de Dios (2 P. 3:12)? ¿Y qué influencia debe tener esta bendita verdad en nuestro corazón y en nuestra vida?
En primer lugar, debe reconciliarnos con las aflicciones, de modo que sintamos con el apóstol que “lo que al presente es momentáneo y leve de nuestra tribulación, nos obra un sobremanera alto y eterno peso de gloria” (2 Co. 4:17). Y también: “Porque tengo por cierto que lo que en este tiempo se padece, no es de comparar con la gloria venidera que en nosotros ha de ser manifestada” (Ro. 8:18). ¿Qué son todas nuestras aflicciones, por pesadas que parezcan, cuando se pesan en tal balanza? ¿No son leves en verdad, si nos conforman a la imagen sufriente de Cristo y nos preparan para el eterno peso de gloria?
Debe despertar deseos celestiales y afectos espirituales, como dice el apóstol: “Mas nuestra vivienda es en los cielos; de donde también esperamos al Salvador, al Señor Jesucristo” (Fil. 3:20). A los creyentes se les pide: “Y no os conforméis a este siglo; mas reformaos por la renovación de vuestro entendimiento” (Ro. 12:2); y: “Poned la mira en las cosas de arriba, no en las de la tierra” (Col. 3:2). Se les dice que crucifiquen la carne con los afectos y concupiscencias (Gá. 5:24), y que por el Espíritu mortifiquen las obras de la carne (Ro. 8:13).
Es verdad que somos gravemente estorbados en correr la carrera que nos es propuesta, “porque asimismo los que estamos en este tabernáculo, gemimos agravados”. Porque tenemos que llevar con nosotros un cuerpo cargado de pecado y de muerte, y eso es nuestra continua pena y tormento, “porque la carne codicia contra el Espíritu, y el Espíritu contra la carne: y estas cosas se oponen la una a la otra, para que no hagáis lo que quisiereis” (Ro. 7:24; 2 Co. 5:4; Gá. 5:17). También estamos rodeados de innumerables tentaciones, y a menudo tenemos que lamentar nuestras tinieblas, nuestra muerte espiritual, nuestra frialdad y nuestra incredulidad. Esto proviene tanto de que el Señor esconde Su rostro como de la ausencia del bendito Consolador, el único que puede consolar el espíritu afligido.
Sin embargo, aunque estas cosas son en sí mismas penosos estorbos, lanzas en nuestros costados y espinas en nuestros ojos, no apagan los afectos dominantes del corazón renovado: el esperar un día más resplandeciente y gozarse en él, cuando serán enjugadas las lágrimas de todos los rostros.
Lectura: 2 Pedro 3
Al lector…
¿Conoce usted esto? Gime bajo la carga de un cuerpo cargado de pecado y de muerte. ¿Lamenta sus tinieblas, su muerte espiritual y su incredulidad, y echa de menos el rostro del Señor y la consolación del bendito Consolador? No es usted el primero que gime agravado en este tabernáculo. La carne sigue codiciando contra el Espíritu, y la lucha es real y dolorosa.
Y sin embargo: ponga por una vez su aflicción en la balanza frente a la gloria que ha de ser manifestada al pueblo de Dios. ¿No es entonces leve y momentánea? Deje, pues, que la espera de Su venida atraiga su corazón hacia arriba, al cielo, de donde esperamos al Salvador. Las espinas y las lanzas pueden atormentarle aún ahora, pero no pueden apagar la espera de aquel día más resplandeciente, cuando serán enjugadas las lágrimas de todos los rostros.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want het Woord des kruises is wel degenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods.
1 Corinthe 1:18
Is het Evangelie ooit in kracht tot u gekomen? Indien dit zo is, dan heeft het iets voor u gedaan. Heeft het dan ooit uw twijfel en vrees verjaagd? Heeft het ooit de Heere Jezus dierbaar voor uw ziel doen zijn? Ooit licht, vrijheid en liefde met zich gebracht? U ooit toenadering tot het hart van God gegeven? Ooit medegedeeld die geest van heilige vrijmoedigheid en kinderlijk vertrouwen, waardoor gij als een overwinnend worstelaar in staat gesteld zijt geworden God te overwinnen en een zegen uit Zijn hand en hart te ontvangen?
Doch het is nutteloos over kracht te spreken wanneer er niets gedaan is. Een fabrikant zegt tot een werktuigkundige: „Ik wens dat u een machine voor mij maakt van honderd paardenkracht.” Doch als de werktuigkundige de machine maakt en zij bij het proefdraaien slechts negentig blijkt te zijn, terwijl het werk honderd paardenkracht vereist, dan is de machine, strikt genomen, nutteloos. Nu, wat zou zijn opdrachtgever anders tot hem zeggen dan: „Welk een fout hebt gij gemaakt! Ik bestelde u een machine van honderd paardenkracht en zij is er slechts negentig. Ik wil ze niet accepteren. Neem ze maar weg.”
Zo is het ook in de genade. Wij behoeven een kracht die een zeker gewicht kan wegnemen of opheffen. Bijvoorbeeld het gewicht van de zonde, het afnemen daarvan van een schuldige consciëntie, de ontzettende vrees voor dood en hel, de last van het ongeloof, het loden gewicht van vleselijkheid, de vele smartelijke verzoekingen die de ziel doen uitroepen: „Heere, ik word onderdrukt; wees Gij mijn Borg.” Wat een zware stukken moeten hier worden weggenomen; welke zware stenen moeten van de mond des grafs worden afgewenteld! De wereld moet overwonnen worden, de begeerlijkheden moeten gekruisigd, de oude mens der zonde gedood, de satan moet verslagen en op de vlucht gedreven worden!
Maar behalve dat al deze zwarigheden moeten worden weggenomen en de vijanden moeten overwonnen, moet de ziel verlost worden, de hemel nabij gebracht, de hel uit het gezicht, de wet voor altijd het zwijgen worden opgelegd, de dood van zijn prikkel en het graf van zijn overwinning beroofd, en een eeuwige wedloop gewonnen worden. O, wat een machtig werk moet er in en voor ons gedaan worden; een werk dat nooit iemand voor zichzelf heeft kunnen doen of ooit doen kan.
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd: wat heeft het Evangelie ooit voor u gedaan? Het is nutteloos van kracht te spreken wanneer er niets gedaan is. Hebt u de woorden wel gekend, maar nooit gevoeld dat zij uw twijfel en vrees verjoegen, of de Heere Jezus dierbaar maakten voor uw ziel? Zie dan eerlijk onder ogen hoe zwaar het gewicht is dat weggenomen moet worden: de schuld van de zonde, de vrees voor dood en hel, het loden gewicht van vleselijkheid en ongeloof.
Geen mens heeft dit werk ooit voor zichzelf kunnen doen. Maar daarom juist is het Woord des kruises voor hen die behouden worden een kracht Gods, en niet van negentig paardenkracht, maar volkomen genoeg. Roep dan, als u onderdrukt wordt: „Heere, wees Gij mijn Borg.” Hij Die de zware stenen van de mond des grafs kan afwentelen, kan ook uw ziel verlossen en de last van uw schouders nemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want het Woord des kruises is wel degenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods.
1 Corinthe 1:18
Is het Evangelie ooit met kracht tot u gekomen? Als dat zo is, dan heeft het iets voor u gedaan. Heeft het dan ooit uw twijfel en vrees verjaagd? Heeft het de Heere Jezus ooit dierbaar gemaakt voor uw ziel? Heeft het ooit licht, vrijheid en liefde meegebracht? Heeft het u ooit toegang gegeven tot het hart van God? Heeft het u ooit die geest van heilige vrijmoedigheid en kinderlijk vertrouwen meegedeeld, waardoor u als een overwinnende worstelaar in staat werd gesteld God te overwinnen en een zegen uit Zijn hand en hart te ontvangen?
Maar het heeft geen zin over kracht te spreken wanneer er niets gedaan is. Een fabrikant zegt tegen een werktuigkundige: „Ik wens dat u een machine voor mij maakt van honderd paardenkracht.” Maar als de werktuigkundige de machine maakt en zij bij het proefdraaien maar negentig paardenkracht blijkt te hebben, terwijl het werk honderd paardenkracht vereist, dan is de machine strikt genomen nutteloos. Wat zou zijn opdrachtgever dan anders tegen hem zeggen dan: „Wat een fout hebt u gemaakt! Ik bestelde bij u een machine van honderd paardenkracht en zij heeft er maar negentig. Ik wil haar niet accepteren. Neem haar maar mee.”
Zo is het ook in de genade. Wij hebben een kracht nodig die een bepaald gewicht kan wegnemen of optillen. Bijvoorbeeld het gewicht van de zonde, het wegnemen daarvan van een schuldig geweten, de ontzettende vrees voor dood en hel, de last van het ongeloof, het loden gewicht van vleselijkheid, de vele smartelijke verzoekingen die de ziel doen uitroepen: „Heere, ik word onderdrukt; wees Gij mijn Borg.” Wat een zware stukken moeten hier worden weggenomen; wat een zware stenen moeten van de opening van het graf worden weggerold! De wereld moet overwonnen worden, de begeerten moeten gekruisigd worden, de oude mens van de zonde moet gedood worden, satan moet verslagen en op de vlucht gedreven worden!
Maar behalve dat al deze moeiten moeten worden weggenomen en de vijanden overwonnen, moet de ziel verlost worden, moet de hemel nabij gebracht worden en de hel uit het gezicht, moet de wet voor altijd het zwijgen worden opgelegd, moeten de dood van zijn prikkel en het graf van zijn overwinning beroofd worden, en moet een eeuwige wedloop gewonnen worden. O, wat een machtig werk moet er in ons en voor ons gedaan worden; een werk dat nooit iemand voor zichzelf heeft kunnen doen of ooit zal kunnen doen.
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd: wat heeft het Evangelie ooit voor u gedaan? Het heeft geen zin over kracht te spreken wanneer er niets gedaan is. Hebt u de woorden wel gekend, maar nooit gevoeld dat zij uw twijfel en vrees verjoegen, of de Heere Jezus dierbaar maakten voor uw ziel? Zie dan eerlijk onder ogen hoe zwaar het gewicht is dat weggenomen moet worden: de schuld van de zonde, de vrees voor dood en hel, het loden gewicht van vleselijkheid en ongeloof.
Geen mens heeft dit werk ooit voor zichzelf kunnen doen. Maar juist daarom is het Woord van het kruis voor hen die behouden worden een kracht van God, en niet van negentig paardenkracht, maar volkomen toereikend. Roep dan, als u onderdrukt wordt: „Heere, wees Gij mijn Borg.” Hij Die de zware stenen van de opening van het graf kan wegrollen, kan ook uw ziel verlossen en de last van uw schouders nemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For the preaching of the cross is to them that perish foolishness; but unto us which are saved it is the power of God.”
1 Corinthians 1:18
Has the gospel ever come to you in power? If it has, it has done something for you. Has it ever, then, dispelled your many doubts and fears? Has it ever made Jesus precious to your soul; ever brought with it light, life, liberty, and love; ever given you access to the bosom of God; ever communicated that spirit of holy boldness and filial confidence, whereby, as a successful wrestler, you were enabled to prevail with God, and get a blessing out of His hands and heart?
But it is useless to talk of power when nothing is done. A manufacturer says to an engineer, “I want you to construct an engine of a hundred horse power.” But if the engineer makes the engine, and upon trial it be found only of ninety, and the work require a hundred horse power, the engine is so far useless. Now, what would his employer say to him but, “What a mistake you have made! I ordered an engine of a hundred horse power, and this is only ninety. It will not do the work I want. Take it away.”
So in grace. We need a power that can move certain weights; the weight of sin, for instance, from off a guilty conscience; killing fears of death and hell; the burden of unbelief; the heavy load of carnality; many grievous temptations that make the soul cry, “Lord, I am oppressed, undertake for me.”
What heavy weights are there to be lifted off; what huge stones to be rolled away from the sepulcher; the world to be overcome; lusts and passions to be crucified; the old man of sin mortified; Satan to be defeated and put to flight! But besides all these weights to be removed, and enemies to be overcome, there is the soul to be saved, heaven to be brought near, hell put out of sight, the law to be forever silenced, death to be robbed of its sting, and the grave of its victory, and an eternal course of glory to be won. Oh, what a mighty work has to be done in us and for us—a work which no man ever has done or can do for himself!
To the reader…
Here you are asked: what has the gospel ever done for you? There is no point in speaking of power when nothing has been done. Have you known the words, yet never felt them drive away your doubt and fear, or make the Lord Jesus precious to your soul? Then face honestly how heavy the weight is that must be removed: the guilt of sin, the fear of death and hell, the leaden weight of carnality and unbelief.
No man has ever been able to do this work for himself. But that is exactly why the preaching of the cross is to those who are saved the power of God, and not of ninety horse power, but fully sufficient. Cry out, then, when you are oppressed: “Lord, undertake for me.” He Who can roll away the heavy stones from the mouth of the tomb can also deliver your soul and take the burden from your shoulders.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque la palabra de la cruz es locura a los que se pierden; mas a los que se salvan, es a saber, a nosotros, es potencia de Dios.”
1 Corintios 1:18
¿Le ha llegado alguna vez el evangelio con poder? Si es así, ha hecho algo por usted. ¿Ha disipado alguna vez, pues, sus muchas dudas y temores? ¿Ha hecho alguna vez precioso a Jesús para su alma; ha traído alguna vez consigo luz, vida, libertad y amor; le ha dado alguna vez acceso al seno de Dios; le ha comunicado alguna vez aquel espíritu de santa osadía y confianza filial por el cual, como un luchador victorioso, fue capacitado para prevalecer con Dios y obtener una bendición de Sus manos y de Su corazón?
Pero es inútil hablar de poder cuando nada se hace. Un fabricante dice a un ingeniero: “Quiero que me construya una máquina de cien caballos de fuerza.” Pero si el ingeniero hace la máquina y al probarla se halla que solo tiene noventa, y el trabajo requiere cien caballos de fuerza, la máquina es, en esa medida, inútil. Ahora bien, ¿qué le diría su patrón sino: “¡Qué error ha cometido! Le encargué una máquina de cien caballos de fuerza, y esta solo tiene noventa. No hará el trabajo que necesito. Llévesela”?
Así es en la gracia. Necesitamos un poder que pueda mover ciertos pesos; el peso del pecado, por ejemplo, de una conciencia culpable; los temores mortales de la muerte y del infierno; la carga de la incredulidad; la pesada carga de la carnalidad; muchas tentaciones dolorosas que hacen clamar al alma: “Jehová, violencia padezco; confórtame.”
¡Qué pesos tan grandes hay que quitar; qué enormes piedras hay que remover del sepulcro; el mundo que vencer; las concupiscencias y pasiones que crucificar; el viejo hombre de pecado que mortificar; Satanás que derrotar y poner en fuga! Pero además de todos estos pesos que quitar y enemigos que vencer, está el alma que salvar, el cielo que acercar, el infierno que apartar de la vista, la ley que acallar para siempre, la muerte que despojar de su aguijón y el sepulcro de su victoria, y una carrera eterna de gloria que ganar. ¡Oh, qué obra tan poderosa ha de hacerse en nosotros y por nosotros, una obra que ningún hombre ha hecho jamás ni puede hacer por sí mismo!
Al lector…
Aquí se le pregunta: ¿qué ha hecho alguna vez el evangelio por usted? No tiene sentido hablar de poder cuando nada se ha hecho. ¿Ha conocido las palabras, pero nunca las ha sentido disipar su duda y su temor, o hacer precioso al Señor Jesús para su alma? Entonces mire honradamente cuán pesado es el peso que ha de ser quitado: la culpa del pecado, el temor de la muerte y del infierno, el peso de plomo de la carnalidad y la incredulidad.
Ningún hombre ha sido jamás capaz de hacer esta obra por sí mismo. Pero precisamente por eso la palabra de la cruz es, a los que se salvan, potencia de Dios, y no de noventa caballos de fuerza, sino plenamente suficiente. Clame, pues, cuando esté oprimido: “Jehová, confórtame.” Aquel que puede remover las pesadas piedras de la boca del sepulcro puede también librar su alma y quitar la carga de sus hombros.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl