December 29
Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Johannes 15:5
Het grootste geheim in de godsdienst — dat geheim hetwelk slechts zij kennen die de Heere vrezen en aan wie Hij Zijn verbond toont — is allereerst gemeenschap te gevoelen met de Heere en die gemeenschap vol te houden. Maar die gemeenschap kan alleen verkregen worden door de openbaring van Zijn Persoon en Zijn werk aan onze harten, waardoor wij met Hem door één Geest zijn verenigd. Dit is de vereniging der ziel, waardoor zij verenigd wordt met een man gelijk een reine maagd met Christus. Uit deze vereniging komt gemeenschap of vereniging met Christus, en uit deze gemeenschap ontstaat vruchtbaarheid; want dit is geen onvruchtbaar huwelijk.
Maar deze vereniging en gemeenschap kan alleen onderhouden worden door in Christus te blijven; en dit kan alleen doordat Hij in ons blijft. „Blijft in Mij, en Ik in u.” Maar hoe blijven wij in Hem? Hoofdzakelijk door het geloof, de hoop en de liefde; want deze drie zijn de drie genadegiften des Geestes die op de Persoon en het werk van de Zoon van God geoefend worden. Maar als een zaak van geloof en bevinding moeten wij ook leren dat in Christus te blijven veel gebed en waakzaamheid vereist, alsmede geduld en zelfverloochening, afscheiding van de wereld en de wereldse zaken, de beoefening der Schrift en geheime overdenkingen, acht geven op de middelen der genade en, ofschoon het laatst, maar niet het minst, veel inwendige oefening der ziel.
De Heere is, om zo te zeggen, zeer zuinig met Zijn tegenwoordigheid. Elke gevierde zonde, elke verboden lust, elke afgod van ons hart, elke lichtzinnigheid of vleselijkheid, alle misbruik van de gemakken des levens, van vrouw en kinderen, van voedsel en kleding; elke oneerlijkheid in zaken of bezigheden, elke verwaarlozing van het gebed, van wacht houden over hart en mond; elke gelijkvormigheid met de wereld of de dienaren der wereld; in één woord, alles wat in strijd is met Zijn zin en wil, beledigend in de oren Zijner heiligheid en reinheid, onbestaanbaar met de vreze Gods in een teder gemoed, of in strijd met onze heilige roeping, of het veel zij of weinig, door het menselijk oog gezien of niet gezien — dat alles weerhoudt de Heere om aan de ziel het genot Zijner tegenwoordigheid te schenken.
En toch is Hij, met al Zijn reinheid en heiligheid en gestrengheid over de zonde, vol mededogen en ontferming voor hen die Zijn grote en heerlijke Naam vrezen en liefhebben. Wanneer deze zonden gevoeld en die afdwalingen beleden worden, zal Hij wederkeren en niet eeuwig Zijn toorn behouden.
Wanneer het berouwhebbend Israël wederkeert tot de Heere zijn God, met de woorden in zijn hart en in zijn mond: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede”, dan antwoordt de Heere: „Ik zal hunne overtredingen genezen; Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hen afgekeerd. Ik zal Israël zijn als de dauw; het zal bloeien als de lelie en zijn wortelen uitschieten als de Libanon.” Dan roept Israël uit, onder de invloed Zijner liefde: „Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust in goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen. Ja, Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.”
Maar ik zal als d’ olijfboom groeien
in ’t huis des groten Gods;
ik zal in eer en godsvrucht bloeien.
God is mijn steun en rots;
op zijne gunst, mij toegezeid,
vertrouw ’k in eeuwigheid.
Ps. 52:6
Aan de lezer…
Mist u de zoete gemeenschap met de Heere, die u eens gekend hebt? Is het u alsof Hij Zich teruggetrokken heeft, en ligt uw ziel dor als een rank die geen vrucht draagt? Onderzoek dan eerlijk uw weg. De Heere is zuinig met Zijn tegenwoordigheid; een gevierde zonde, een verwaarloosd gebed of een heimelijke afgod kan het genot ervan weerhouden. Zonder Hem kunt u niets doen.
Maar wanhoop niet. Hij Die zo heilig is en zo gestreng over de zonde, is ook vol mededogen en ontferming voor hen die Zijn Naam vrezen. Kom dan met de woorden van het berouwhebbend Israël: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede.” Hij heeft lust in goedertierenheid, en Hij zal wederkeren. Dan zal Hij weer zijn als de dauw, en u zult in Hem blijven en vrucht dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Johannes 15:5
Het grootste geheim in de godsdienst — het geheim dat alleen zij kennen die de Heere vrezen en aan wie Hij Zijn verbond bekendmaakt — is allereerst gemeenschap met de Heere te ervaren en die gemeenschap vast te houden. Maar die gemeenschap kan alleen verkregen worden door de openbaring van Zijn Persoon en Zijn werk aan onze harten, waardoor wij door één Geest met Hem verenigd zijn. Dit is de vereniging van de ziel, waardoor zij als een reine maagd met één Man verenigd wordt, met Christus. Uit deze vereniging komt gemeenschap met Christus voort, en uit deze gemeenschap ontstaat vruchtbaarheid; want dit is geen onvruchtbaar huwelijk.
Maar deze vereniging en gemeenschap kan alleen onderhouden worden door in Christus te blijven, en dat kan alleen doordat Hij in ons blijft. „Blijft in Mij, en Ik in u.” Maar hoe blijven wij in Hem? Vooral door het geloof, de hoop en de liefde, want dat zijn de drie genadegaven van de Geest die op de Persoon en het werk van de Zoon van God geoefend worden. Maar als een zaak van geloof en bevinding moeten wij ook leren dat in Christus blijven veel gebed en waakzaamheid vraagt, en ook geduld en zelfverloochening, afzondering van de wereld en de wereldse dingen, het onderzoeken van de Schrift en verborgen overdenking, acht geven op de middelen van de genade en, als laatste maar niet als minste, veel innerlijke oefening van de ziel.
De Heere is als het ware heel zuinig met Zijn tegenwoordigheid. Elke gekoesterde zonde, elke verboden lust, elke afgod van ons hart, elke lichtzinnigheid of vleselijkheid; elk misbruik van de gemakken van het leven, van vrouw en kinderen, van voedsel en kleding; elke oneerlijkheid in zaken of bezigheden, elke verwaarlozing van het gebed en van de wacht over hart en mond; elke gelijkvormigheid aan de wereld of aan de dienaren van de wereld; in één woord: alles wat ingaat tegen Zijn zin en wil, wat beledigend is voor de oren van Zijn heiligheid en reinheid, wat niet samengaat met de vreze Gods in een teder gemoed of in strijd is met onze heilige roeping, of het nu veel is of weinig, door het menselijk oog gezien of niet — dat alles weerhoudt de Heere ervan de ziel het genot van Zijn tegenwoordigheid te schenken.
En toch is Hij, met al Zijn reinheid en heiligheid en strengheid tegenover de zonde, vol medelijden en ontferming voor hen die Zijn grote en heerlijke Naam vrezen en liefhebben. Wanneer deze zonden gevoeld en die afdwalingen beleden worden, zal Hij terugkeren en niet eeuwig Zijn toorn behouden.
Wanneer het berouwvolle Israël terugkeert tot de Heere zijn God, met deze woorden in zijn hart en in zijn mond: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede”, dan antwoordt de Heere: „Ik zal hunne overtredingen genezen; Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hen afgekeerd. Ik zal Israël zijn als de dauw; het zal bloeien als de lelie en zijn wortelen uitschieten als de Libanon.” Dan roept Israël uit, onder de invloed van Zijn liefde: „Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust in goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen. Ja, Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.”
Maar ik zal als d’ olijfboom groeien
in ’t huis des groten Gods;
ik zal in eer en godsvrucht bloeien.
God is mijn steun en rots;
op zijne gunst, mij toegezeid,
vertrouw ’k in eeuwigheid.
Ps. 52:6
Aan de lezer…
Mist u de zoete gemeenschap met de Heere die u eens gekend hebt? Is het alsof Hij Zich teruggetrokken heeft, en ligt uw ziel dor als een rank die geen vrucht draagt? Onderzoek dan eerlijk uw weg. De Heere is zuinig met Zijn tegenwoordigheid; een gekoesterde zonde, een verwaarloosd gebed of een verborgen afgod kan het genot ervan tegenhouden. Zonder Hem kunt u niets doen.
Maar wanhoop niet. Hij Die zo heilig is en zo streng tegenover de zonde, is ook vol medelijden en ontferming voor hen die Zijn Naam vrezen. Kom dan met de woorden van het berouwvolle Israël: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede.” Hij heeft lust in goedertierenheid, en Hij zal terugkeren. Dan zal Hij weer zijn als de dauw, en u zult in Hem blijven en vrucht dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I am the vine, ye are the branches: He that abideth in me, and I in him, the same bringeth forth much fruit: for without me ye can do nothing.
John 15:5
The great secret in religion—that secret which is only with those who fear the Lord and to whom He shows His covenant—is first to get sensible union with the Lord, and then to maintain it. But this union cannot be gotten except by some manifestation of His Person and work to our heart, joining us to Him as by one Spirit. This is the espousal of the soul, whereby it is espoused to one husband as a chaste virgin to Christ. From this espousal comes fellowship, or communion with Christ; and from this communion flows all fruitfulness, for it is not a barren marriage.
But this union and communion cannot be maintained except by abiding in Christ; and this can only be by His abiding in us. “Abide in Me, and I in you.” But how do we abide in Him? Mainly by faith, hope, and love, for these are the three chief graces of the Spirit which are exercised upon the Person and work of the Son of God. But as a matter of faith and experience, we have also to learn that to abide in Christ needs prayer and watchfulness, patience and self-denial, separation from the world and things worldly, study of the Scriptures and secret meditation, attendance on the means of grace, and, though last, not least, much inward exercise of soul.
The Lord is, so to speak, very cautious of His presence. Any indulged sin; any forbidden gratification; any bosom idol; any lightness or carnality; any abuse of the comforts of house and home, wife and children, food and clothing; any snare of business or occupation; any negligence in prayer, reading, watching the heart and mouth; any conformity to the world and worldly professors; in a word, anything contrary to His mind and will, offensive to the eyes of His holiness and purity, inconsistent with godly fear in a tender conscience, or unbecoming our holy profession, it matters not whether little or much, whether seen or unseen by human eye—all provoke the Lord to deny the soul the enjoyment of His presence.
And yet with all His purity and holiness and severity against sin, He is full of pity and compassion to those who fear and love His great and glorious Name. When these sins are felt, and these backslidings confessed, He will turn again and not retain His anger forever. When repenting Israel returns unto the Lord his God, with the words in his heart and mouth—“Take away all iniquity, and receive us graciously;” then the Lord answers—“I will heal their backsliding, I will love them freely; for Mine anger is turned away from him. I will be as the dew unto Israel—he shall grow as the lily, and cast forth his roots as Lebanon.”
Then, under the influence of His love, Israel cries aloud—“Who is a God like unto You, that pardons iniquity, and passes by the transgression of the remnant of His heritage? He retains not His anger forever, because He delights in mercy. He will turn again, He will have compassion upon us; He will subdue our iniquities; and will cast all their sins into the depths of the sea.”
To the reader…
Do you miss the sweet communion with the Lord that you once knew? Is it as if He has withdrawn Himself, and does your soul lie barren like a branch that bears no fruit? Then honestly search your way. The Lord is cautious of His presence; an indulged sin, a neglected prayer or a hidden idol can keep back the enjoyment of it. Without Him you can do nothing.
But do not despair. He Who is so holy and so severe against sin is also full of pity and compassion for those who fear His Name. Come, then, with the words of repenting Israel: “Take away all iniquity, and receive us graciously.” He delights in mercy, and He will turn again. Then He will be as the dew once more, and you will abide in Him and bear fruit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo soy la vid, vosotros los sarmientos: el que está en Mí, y Yo en él, este lleva mucho fruto; porque sin Mí nada podéis hacer.
Juan 15:5
El gran secreto en la religión, ese secreto que solo está con los que temen al Señor y a quienes Él hace conocer Su pacto, es primero obtener una unión sentida con el Señor, y después mantenerla. Pero esta unión no puede obtenerse sino por alguna manifestación de Su Persona y obra a nuestro corazón, que nos une a Él como por un solo Espíritu. Este es el desposorio del alma, por el cual es desposada con un solo marido, como virgen pura, con Cristo. De este desposorio viene la comunión con Cristo; y de esta comunión fluye toda fecundidad, porque no es un matrimonio estéril.
Pero esta unión y comunión no pueden mantenerse sino permaneciendo en Cristo; y esto solo puede ser por Su permanecer en nosotros. “Estad en Mí, y Yo en vosotros”. Pero ¿cómo permanecemos en Él? Principalmente por la fe, la esperanza y el amor, porque estas son las tres gracias principales del Espíritu que se ejercitan en la Persona y la obra del Hijo de Dios. Pero como asunto de fe y de experiencia, tenemos que aprender también que permanecer en Cristo requiere oración y vigilancia, paciencia y abnegación, separación del mundo y de las cosas mundanas, estudio de las Escrituras y meditación secreta, asistencia a los medios de gracia, y, aunque lo último, no lo menos, mucho ejercicio interior del alma.
El Señor es, por así decirlo, muy celoso de Su presencia. Cualquier pecado consentido; cualquier gratificación prohibida; cualquier ídolo del corazón; cualquier ligereza o carnalidad; cualquier abuso de las comodidades de casa y hogar, de esposa e hijos, de comida y vestido; cualquier lazo de los negocios o de la ocupación; cualquier negligencia en la oración, en la lectura, en la vigilancia del corazón y de la boca; cualquier conformidad con el mundo y con los profesantes mundanos; en una palabra, cualquier cosa contraria a Su mente y voluntad, ofensiva a los ojos de Su santidad y pureza, incompatible con el temor piadoso en una conciencia tierna, o impropia de nuestra santa profesión, no importa si poca o mucha, si vista o no vista por ojo humano: todo ello provoca al Señor a negar al alma el disfrute de Su presencia.
Y sin embargo, con toda Su pureza y santidad y severidad contra el pecado, está lleno de compasión y misericordia para con los que temen y aman Su grande y glorioso Nombre. Cuando estos pecados son sentidos, y estas rebeliones confesadas, Él volverá y no guardará para siempre el enojo. Cuando Israel arrepentido se vuelve a Jehová su Dios, con estas palabras en su corazón y en su boca: “Quita toda iniquidad, y acepta el bien”, entonces el Señor responde: “Yo medicinaré su rebelión, los amaré de voluntad: porque Mi furor se apartó de ellos. Yo seré a Israel como rocío; él florecerá como lirio, y extenderá sus raíces como el Líbano”.
Entonces, bajo la influencia de Su amor, Israel clama en alta voz: “¿Qué Dios como Tú, que perdona la maldad, y olvida el pecado del resto de Su heredad? No retuvo para siempre Su enojo, porque es amador de misericordia. Él tornará, Él tendrá misericordia de nosotros; Él sujetará nuestras iniquidades, y echará en los profundos de la mar todos sus pecados”.
Al lector…
¿Echa usted de menos la dulce comunión con el Señor que conoció una vez? ¿Es como si Él se hubiera retirado, y yace su alma estéril como un sarmiento que no lleva fruto? Entonces examine con sinceridad su camino. El Señor es celoso de Su presencia; un pecado consentido, una oración descuidada o un ídolo escondido pueden retener su disfrute. Sin Él nada puede usted hacer.
Pero no desespere. Aquel que es tan santo y tan severo contra el pecado está también lleno de compasión y misericordia para con los que temen Su Nombre. Venga, pues, con las palabras de Israel arrepentido: “Quita toda iniquidad, y acepta el bien”. Él es amador de misericordia, y volverá. Entonces será otra vez como rocío, y usted permanecerá en Él y llevará fruto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl