4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En versterke u in allen goeden woorde en werke.
2 Thessalonicenzen 2:17
Het levende huisgezin Gods moet versterkt worden in de Waarheid, zodat ze niet altijd zijn als „kinderen, die door allerlei wind van lering worden heen en weder bewogen”. Het is niet genoeg voor een gebouw opgetrokken te zijn; het moet versterkt en gestut zijn. Eerst dan kan men weten of het staande zal blijven. Het bangste ogenblik voor de bouwer is te zien hoe het zich zetten zal; hoe de muren het dak zullen dragen, en of elk deel vast en goed zal staan, zonder uit te buiken of te verschuiven. Wanneer de stut die het midden van een pas gebouwde boog draagt, is weggenomen, hoe nauwlettend ziet de bouwmeester dan niet toe of hij zich goed houdt en hoeveel hij zakt, zo hij al zakt! Zo ook in de genade. Het is niet genoeg een belijdenis af te leggen.
Menig gebouw, menige boog blijft goed staan zolang de steigers blijven opgericht. Zo schijnen velen in de eerste dagen standvastig te blijven, wanneer zij door hun ijver en ernst gesteund of door bijstand van anderen gesterkt worden. Maar hoe zal de ziel standvastig blijven als alle hulp is weggenomen? Zal zij in het geloof versterkt worden, of in dwaling of enig groot kwaad vervallen en, evenals een slecht gebouwde boog, instorten wanneer het steunpunt is weggenomen? Hoe gedurig zien wij hen die vast in de Waarheid schenen, nu gretig een dodelijke dwaling indrinken die hun onder de bekommering van een aannemelijke nieuwigheid aan de lippen wordt gebracht, en anderen weder in een openbare zonde vervallen of door misleiding verstrikt worden!
O, mocht de Heere u en mij en allen in Zijn heerlijke Waarheid versterken; ons, die begeren Zijn Naam standvastig en oprecht te vrezen, opdat wij nooit het kwaad en de dwaling ten prooi worden, maar door Hemzelf versterkt worden! Mocht het werk aan onze harten van het begin tot het einde een waarachtig werk van God zijn; een gebouw dat Hij Zelf heeft opgetrokken en versterkt, opdat het vast moge staan te midden van de stormen des tijds en blijvende tot in alle eeuwigheid!
Mijn ziel kleeft U standvastig aan,
Gij ondersteunt mijn zwakke schreden.
Uw rechterhand, vol mogendheden,
doet mij getroost en veilig gaan.
Maar dezen, die mijn ziel begeren,
opdat ik tot verwoesting raak’,
staan bloot voor Uw geduchte wraak:
zij zullen haast ten afgrond keren.
Psalm 63:5
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in de eerste dagen vaststond, gedragen door ijver, door de warmte van anderen en door een frisse belijdenis. En merkt u nu, nu die steigers één voor één worden weggenomen, hoe wankel u in uzelf bent? Schrik daar niet te zeer van. Het is juist de tijd waarin blijkt of het gebouw door de Heere Zelf is opgetrokken, of alleen door mensenhanden.
U ziet hoe anderen die vast schenen, door elke wind van lering worden meegevoerd of in zonde vallen. Laat dat u niet hoogmoedig maken, maar tot gebed drijven: „Heere, versterk mij in Uw Waarheid; laat mij niet door eigen kracht staan, maar door U.” Wat Hij Zelf gebouwd heeft, zal staan te midden van de stormen des tijds. Kleef Hem aan, en Zijn rechterhand zal uw zwakke schreden ondersteunen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En versterke u in allen goeden woorde en werke.
2 Thessalonicenzen 2:17
Het levende huisgezin van God moet versterkt worden in de Waarheid, zodat zij niet altijd zijn als „kinderen, die door allerlei wind van lering worden heen en weder bewogen”. Het is voor een gebouw niet genoeg dat het opgetrokken is; het moet versterkt en gestut worden. Pas dan kunnen wij weten of het zal blijven staan. Het spannendste ogenblik voor de bouwer is wanneer hij ziet hoe het gebouw zich zet: hoe de muren het dak zullen dragen, en of elk deel vast en goed blijft staan, zonder uit te buiken of te verschuiven. Wanneer de stut die het midden van een pas gebouwde boog draagt, is weggenomen, hoe nauwlettend kijkt de bouwmeester dan of de boog het houdt, en hoeveel hij zakt, als hij al zakt! Zo is het ook in de genade. Het is niet genoeg een belijdenis af te leggen.
Menig gebouw, menige boog blijft goed staan zolang de steigers er nog staan. Zo lijken velen in de eerste tijd standvastig te blijven, wanneer zij gedragen worden door hun ijver en ernst of gesterkt worden door de hulp van anderen. Maar hoe zal de ziel standvastig blijven wanneer alle hulp is weggenomen? Zal zij in het geloof versterkt worden, of zal zij in dwaling of in een groot kwaad vervallen en, net als een slecht gebouwde boog, instorten wanneer de steun is weggenomen? Hoe vaak zien wij dat mensen die vast in de Waarheid leken te staan, nu gretig een dodelijke dwaling indrinken die hun onder de dekmantel van een aantrekkelijke nieuwigheid aan de lippen wordt gebracht, en dat anderen weer in een openbare zonde vallen of door misleiding verstrikt raken!
O, mocht de Heere u en mij en allen die begeren Zijn Naam standvastig en oprecht te vrezen, in Zijn heerlijke Waarheid versterken, zodat wij nooit ten prooi vallen aan het kwaad en de dwaling, maar door Hem Zelf versterkt worden! Mocht het werk aan ons hart van het begin tot het einde een waarachtig werk van God zijn: een gebouw dat Hij Zelf heeft opgetrokken en versterkt, zodat het vast mag staan te midden van de stormen van de tijd en mag blijven tot in alle eeuwigheid!
Mijn ziel kleeft U standvastig aan,
Gij ondersteunt mijn zwakke schreden.
Uw rechterhand, vol mogendheden,
doet mij getroost en veilig gaan.
Maar dezen, die mijn ziel begeren,
opdat ik tot verwoesting raak’,
staan bloot voor Uw geduchte wraak:
zij zullen haast ten afgrond keren.
Psalm 63:5
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in de eerste tijd vaststond, gedragen door ijver, door de warmte van anderen en door een frisse belijdenis. En merkt u nu, nu die steigers één voor één worden weggenomen, hoe wankel u in uzelf bent? Schrik daar niet te veel van. Het is juist de tijd waarin blijkt of het gebouw door de Heere Zelf is opgetrokken, of alleen door mensenhanden.
U ziet hoe anderen die vast leken te staan, door elke wind van lering worden meegevoerd of in zonde vallen. Laat dat u niet hoogmoedig maken, maar tot gebed drijven: „Heere, versterk mij in Uw Waarheid; laat mij niet door eigen kracht staan, maar door U.” Wat Hij Zelf gebouwd heeft, zal staan te midden van de stormen van de tijd. Kleef Hem aan, en Zijn rechterhand zal uw zwakke schreden ondersteunen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And stablish you in every good word and work.
2 Thessalonians 2:17
The living family of God need to be established in the truth, so as not ever to be “children tossed to and fro with every wind of doctrine.” It is not sufficient for a building to be raised—it must be established before we can know whether it will stand. The most anxious moment of the builder is to see how it will settle; how the walls will bear the roof, and every part stand firm and good without bulging or slipping. When the scaffolding is taken away from a newly-built arch, how the architect looks to see whether it will settle well and the extent of the drop, if there be any.
So in grace. It is not merely making a profession that will serve. Many a building stands well as long as the scaffolding remains; many an arch looks firm while the scaffolding supports it. So many seem to stand well in early days, when upheld by zeal and earnestness, or strengthened by the support of others. But how will the soul stand when helps are removed? Will it be established in the faith, or fall into some error or some gross evil, and thus, like an arch badly built, drop into ruin when the scaffolding is taken away?
How we continually see those who once seemed firm in the truth now greedily drinking down some deadly error presented to their lips under the charm of a plausible novelty; and others fall headlong into some open sin, or get entangled in some delusion. O that the Lord would establish you, me, and all who desire to fear His name firmly and deeply in His precious truth, that we may never fall a prey to evil or error, but may have a religion of His own maintaining; that the work upon our heart may be the genuine work of God first and last; a building of His own raising and His own establishing, that it may stand firm amid the storms of time, and endure for all eternity!
To the reader…
It may be that in the early days you stood firm, carried along by zeal, by the warmth of others and by a fresh profession. And do you now notice, as those scaffolds are taken away one by one, how unsteady you are in yourself? Do not be too alarmed at that. It is precisely the time when it becomes clear whether the building was raised by the Lord Himself, or only by human hands.
You see how others who seemed to stand firm are carried away by every wind of doctrine or fall into sin. Do not let that make you proud, but drive you to prayer: “Lord, establish me in Thy Truth; let me not stand by my own strength, but by Thee.” What He Himself has built will stand amid the storms of time. Cleave to Him, and His right hand will uphold your feeble steps.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y os confirme en toda buena palabra y obra.
2 Tesalonicenses 2:17
La familia viva de Dios necesita ser afirmada en la verdad, para no ser jamás “niños fluctuantes, y llevados por doquiera de todo viento de doctrina.” No basta con levantar un edificio; tiene que asentarse antes de que podamos saber si se mantendrá en pie. El momento de mayor inquietud para el constructor es ver cómo se asentará; cómo los muros soportarán el tejado, y si cada parte se mantendrá firme y buena sin abombarse ni deslizarse. Cuando se retira el andamiaje de un arco recién construido, ¡cómo mira el arquitecto para ver si se asentará bien, y cuánto cede, si es que cede algo!
Así es en la gracia. No basta meramente con hacer una profesión. Más de un edificio se mantiene bien mientras sigue el andamiaje; más de un arco parece firme mientras el andamiaje lo sostiene. Así, muchos parecen mantenerse bien en los primeros días, cuando los sostiene el celo y el fervor, o los fortalece el apoyo de otros. Pero ¿cómo se mantendrá el alma cuando se le quiten las ayudas? ¿Será afirmada en la fe, o caerá en algún error o en algún mal grosero, y así, como un arco mal construido, se vendrá abajo en ruinas cuando se retire el andamiaje?
¡Cuán continuamente vemos a quienes una vez parecían firmes en la verdad beber ahora ávidamente algún error mortal que se les presenta a los labios bajo el encanto de una novedad plausible; y a otros caer de cabeza en algún pecado manifiesto, o enredarse en algún engaño! ¡Oh, que el Señor nos afirme a usted, a mí y a todos los que desean temer Su nombre, firme y profundamente en Su preciosa verdad, para que nunca caigamos presa del mal ni del error, sino que tengamos una religión que Él mismo sostenga; que la obra en nuestro corazón sea la genuina obra de Dios del principio al fin; un edificio que Él mismo haya levantado y Él mismo haya afirmado, para que se mantenga firme en medio de las tormentas del tiempo y perdure por toda la eternidad!
Al lector…
Puede que en los primeros días usted se mantuviera firme, llevado por el celo, por el calor de otros y por una profesión reciente. ¿Y nota ahora, a medida que esos andamios se retiran uno por uno, cuán inestable es en sí mismo? No se alarme demasiado por ello. Es precisamente el tiempo en que se hace evidente si el edificio fue levantado por el Señor mismo o solo por manos humanas.
Ve cómo otros que parecían estar firmes son llevados por todo viento de doctrina o caen en pecado. No deje que eso le enorgullezca, sino que le impulse a la oración: “Señor, afírmame en Tu Verdad; no me dejes estar en pie por mi propia fuerza, sino por Ti.” Lo que Él mismo ha edificado permanecerá en medio de las tormentas del tiempo. Adhiérase a Él, y Su diestra sostendrá sus débiles pasos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Roepende tot de Heere
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13
Als de ziel tot God roept in haar benauwdheid, zal Hij haar zeker uit haar nood verlossen. Maar we moeten niet altijd een heel duidelijke en opvallende verlossing verwachten. Ik weet dat alleen zo’n verlossing een verwarde ziel volledig tevreden kan stellen; maar we moeten niet denken dat er geen verlossing plaatsvindt als deze geen krachtige openbaring is. De Heere beperkt Zich niet tot één enkele manier, en wellicht is juist de manier waarnaar we uitzien om verlost te worden, juist de manier waarop deze niet zal komen.
Er is sprake van redding als de Heere de ziel steunt in moeilijkheden. Zij gaat wellicht niet vergezeld van grote vrede en vreugde, maar als er een degelijke steun is waarop de ziel kan rusten, en zij voelt dat ze kan vertrouwen en steunen op de eeuwige armen, is dat redding. Wat is verlossing? Het is uit gevangenschap gehaald worden. Als we dus in nood verkeren en er wordt enige verlichting gegeven in die nood, is dit verlossing. Als we ervaren dat we in een zwakke toestand verkeren en zonder steun zullen wegzakken, en er wordt dan enige steun gegeven, is dat verlossing.
Als we in een opstandige stemming verkeren en er wordt enige volgzaamheid en onderworpenheid gegeven, is dat verlossing, omdat we worden bevrijd uit onze zinnelijke, wereldse stemming. Als we in moeilijkheden zijn, verzekert de Heere de ziel in het verborgen dat deze beproevingen haar medewerken ten goede; Hij geeft haar vertrouwen om het Woord van de belofte te kunnen geloven, ofschoon zintuigen, aard en verstand ertegen vechten; en Hij stelt haar in staat op Goddelijke trouw te rusten, dwars tegen de aard, de zintuigen en het verstand in — dat is verlossing, omdat we worden bevrijd van het steunen op onze eigen kracht en het vertrouwen op onze eigen wijsheid.
Lezen: Psalm 107:17-32
Aan de lezer…
Wie op een grote en opvallende verlossing wacht, meent soms, omdat die nog niet gekomen is, dat de Heere zijn roepen niet gehoord heeft. Zie dan nog eens om u heen. Is er niet een stille steun onder u geweest, toen u dacht weg te zakken? Is uw opstandig hart niet wat stiller en onderworpener geworden? Hebt u niet, dwars tegen uw gevoel en verstand in, een woord van de belofte mogen vasthouden?
Dat is ook verlossing, al komt zij niet met grote vrede en vreugde. De Heere bindt Zich niet aan de weg die wij Hem voorschrijven; dikwijls komt Hij juist langs een andere weg dan waarnaar wij uitzien. Rust dan op Zijn trouw, ook als u weinig ziet. Hij, Die u nu draagt met Zijn eeuwige armen, zal Zijn werk niet half laten liggen, maar de ziel die tot Hem roept zeker uit haar nood verlossen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13
Als de ziel in haar benauwdheid tot God roept, zal Hij haar zeker uit haar nood verlossen. Maar we moeten niet altijd een heel duidelijke en opvallende verlossing verwachten. Ik weet dat alleen zo’n verlossing een verwarde ziel volledig tevreden kan stellen. Toch moeten we niet denken dat er geen verlossing is als die geen krachtige openbaring is. De Heere beperkt Zich niet tot één manier, en misschien is de manier waarop we verwachten verlost te worden, juist de manier waarop die verlossing niet zal komen.
Er is sprake van redding als de Heere de ziel in moeiten ondersteunt. Misschien gaat dat niet samen met grote vrede en vreugde, maar als er een stevige steun is waarop de ziel kan rusten, en zij voelt dat ze op de eeuwige armen kan vertrouwen en steunen, dan is dat redding. Wat is verlossing? Het is uit gevangenschap gehaald worden. Als we dus in nood zijn en er wordt in die nood enige verlichting gegeven, dan is dat verlossing. Als we merken dat we in een zwakke toestand verkeren en zonder steun zullen wegzakken, en er wordt dan enige steun gegeven, dan is dat verlossing.
Als we in een opstandige stemming zijn en er wordt enige volgzaamheid en onderworpenheid gegeven, dan is dat verlossing, omdat we bevrijd worden uit onze vleselijke, wereldse stemming. Als we in moeiten zijn, verzekert de Heere de ziel in het verborgen dat deze beproevingen haar ten goede medewerken. Hij geeft haar vertrouwen om het Woord van de belofte te geloven, hoewel zintuigen, natuur en verstand ertegen vechten. En Hij stelt haar in staat te rusten op Gods trouw, dwars tegen natuur, zintuigen en verstand in. Dat is verlossing, omdat we bevrijd worden van het steunen op onze eigen kracht en het vertrouwen op onze eigen wijsheid.
Lezen: Psalm 107:17-32
Aan de lezer…
Wie op een grote en opvallende verlossing wacht, meent soms, omdat die nog niet gekomen is, dat de Heere zijn roepen niet gehoord heeft. Kijk dan nog eens om u heen. Is er niet een stille steun onder u geweest toen u dacht weg te zakken? Is uw opstandige hart niet wat stiller en onderworpener geworden? Hebt u niet, dwars tegen uw gevoel en verstand in, een woord van de belofte mogen vasthouden?
Dat is ook verlossing, al komt zij niet met grote vrede en vreugde. De Heere bindt Zich niet aan de weg die wij Hem voorschrijven; vaak komt Hij juist langs een andere weg dan waarnaar wij uitzien. Rust dan op Zijn trouw, ook als u weinig ziet. Hij Die u nu met Zijn eeuwige armen draagt, zal Zijn werk niet half laten liggen, maar de ziel die tot Hem roept zeker uit haar nood verlossen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then they cried unto the LORD in their trouble, and He saved them out of their distresses.
Psalm 107:13
When the soul cries to God in her trouble, He will surely deliver her out of her distress. But we must not always expect a very clear and striking deliverance. I know that only such a deliverance can fully satisfy a perplexed soul. Yet we must not think that there is no deliverance if it is not a powerful manifestation. The Lord does not confine Himself to one way, and perhaps the very way in which we expect to be delivered is the way in which that deliverance will not come.
There is salvation when the Lord supports the soul in trouble. Perhaps it does not come with great peace and joy, but if there is a firm support on which the soul can rest, and she feels that she can trust and lean upon the everlasting arms, that is salvation. What is deliverance? It is being brought out of captivity. If, then, we are in distress and some relief is given in that distress, that is deliverance. If we feel that we are in a weak state and shall sink without support, and some support is then given, that is deliverance.
If we are in a rebellious frame and some meekness and submission is given, that is deliverance, because we are set free from our carnal, worldly frame. When we are in trouble, the Lord secretly assures the soul that these trials are working together for her good. He gives her confidence to believe the Word of promise, though sense, nature and reason fight against it. And He enables her to rest upon the faithfulness of God, in the very teeth of nature, sense and reason. That is deliverance, because we are set free from leaning upon our own strength and trusting in our own wisdom.
Reading: Psalm 107:17-32
To the reader…
Whoever waits for a great and striking deliverance sometimes thinks, because it has not yet come, that the Lord has not heard his cry. Then look around you once more. Has there not been a quiet support beneath you when you thought you were sinking? Has not your rebellious heart become somewhat stiller and more submissive? Have you not been enabled, against all your feeling and reasoning, to hold fast a word of promise?
That too is deliverance, even though it does not come with great peace and joy. The Lord does not bind Himself to the way we prescribe for Him; often He comes by just another way than the one we are looking for. Rest, then, upon His faithfulness, even when you see little. He Who now bears you up with His everlasting arms will not leave His work half done, but will surely deliver the soul that cries to Him out of her distress.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Luego que clamaron a Jehová en su angustia, librolos de sus aflicciones.
Salmo 107:13
Cuando el alma clama a Dios en su aflicción, Él ciertamente la librará de su angustia. Pero no siempre debemos esperar una liberación muy clara y llamativa. Sé que solo una liberación así puede satisfacer plenamente a un alma perpleja. Sin embargo, no debemos pensar que no hay liberación si no es una manifestación poderosa. El Señor no se limita a un solo camino, y quizá el mismo camino por el que esperamos ser librados es el camino por el que esa liberación no vendrá.
Hay salvación cuando el Señor sostiene el alma en la aflicción. Quizá no venga con gran paz y gozo, pero si hay un firme sostén en que el alma puede descansar, y ella siente que puede confiar y apoyarse en los brazos eternos, eso es salvación. ¿Qué es la liberación? Es ser sacado de la cautividad. Si, pues, estamos en angustia y se nos da algún alivio en esa angustia, eso es liberación. Si sentimos que estamos en un estado débil y nos hundiremos sin apoyo, y se nos da entonces algún apoyo, eso es liberación.
Si estamos en un estado de rebeldía y se nos da alguna mansedumbre y sumisión, eso es liberación, porque somos librados de nuestro estado carnal y mundano. Cuando estamos en aflicción, el Señor asegura secretamente al alma que estas pruebas obran juntamente para su bien. Le da confianza para creer la Palabra de promesa, aunque los sentidos, la naturaleza y la razón luchen contra ella. Y la capacita para descansar en la fidelidad de Dios, frente a la naturaleza, los sentidos y la razón. Eso es liberación, porque somos librados de apoyarnos en nuestra propia fuerza y de confiar en nuestra propia sabiduría.
Lectura: Salmo 107:17-32
Al lector…
Quien espera una liberación grande y llamativa a veces piensa, porque todavía no ha venido, que el Señor no ha oído su clamor. Mire entonces una vez más a su alrededor. ¿No ha habido un callado sostén debajo de usted cuando pensaba que se hundía? ¿No se ha vuelto su corazón rebelde algo más quieto y más sumiso? ¿No ha sido capacitado, contra todo su sentir y razonar, para retener una palabra de promesa?
También eso es liberación, aunque no venga con gran paz y gozo. El Señor no se ata al camino que nosotros le prescribimos; a menudo viene precisamente por otro camino que el que estamos buscando. Descanse, pues, en Su fidelidad, aun cuando vea poco. Aquel que ahora le sostiene con Sus brazos eternos no dejará Su obra a medias, sino que ciertamente librará de su angustia al alma que clama a Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; maar een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Spreuken 27:7
Verdrukkingen, beproevingen en smarten zijn zeer bittere dingen. En zij moeten noodzakelijk bitter zijn, want de Heere heeft er niets anders mee op het oog. Wanneer Hij de roede ter hand neemt, is het om die te doen gevoelen, en wanneer Hij moeite over Zijn kinderen brengt, dan is het opdat zij daaronder smarten zullen. Onze tekst betekent derhalve niet, geloof ik, dat de bittere dingen zoet zijn wanneer zij ons overkomen, want dan zouden zij ophouden bitter te zijn; maar zij zijn zoet uit kracht van het gezegende voedsel dat wij daaruit trekken.
Ik herinner mij jaren geleden de reizen van Franklin naar de Noordpool gelezen te hebben; een zeer treffend boek. Maar één zaak die daarin vermeld werd, trok mijn aandacht. In hun zwerftochten over de sneeuw van de poolstreken was er dagen, ja, ik geloof weken achtereen, geen voedsel te bekomen, uitgenomen een leverkruid of soort mos dat op de rotsen groeide. Dit was zo buitengewoon bitter (het is zoiets als IJslands mos), dat het niet dan met de grootste weerzin gegeten kon worden; en toch leefden Franklin en zijn makkers erop. Zij hadden in het geheel geen verandering van spijs; zij moesten het eten of sterven. Maar dit bittere mos werd zoet zodra het hun gehemelte gepasseerd was, want het was een voedsel dat hen in het leven hield.
En zo is het met menig kind van God dat de vreselijkste beproevingen heeft moeten doormaken, want daarna heeft het er voedsel uit getrokken. Welke bittere dingen zijn des Heeren berispingen en kastijdingen in de consciëntie! En toch, wie zou ze willen missen? Ik beroep mij op u die de Heere vreest: zoudt gij opzettelijk verkiezen nooit de blijken van Zijn afkeuring of te eniger tijd het fronsen van Zijn toorn te ondervinden, als gij de verkeerde weg opgaat?
Ik geloof van harte dat gij, wier consciëntie teder is in de vreze Gods, zoudt zeggen: „Heere, laat mij Uw fronsen maar ontmoeten, want indien ik deze in mijn consciëntie niet gewaarwerd, in welke zonden zou ik in mijn zorgeloosheid terechtkomen? Waar zou mijn goddeloze natuur mij heenvoeren, indien ik Uw berispingen zou moeten missen?” Deze kastijdingen worden dus zoet, niet uit hun eigen aard, noch op die tijd, maar vanwege het nut dat eruit voortvloeit.
Aan de lezer…
Bedroefde ziel, is uw beker in deze dagen bitter? Liggen de roede des Heeren en Zijn berisping zwaar op uw consciëntie, en smaakt u niets dan alsem? U behoeft niet te doen alsof het zoet is; de Heere bedoelt het juist om gevoeld te worden. Maar weet dat de hongerige ziel zelfs het bittere tot voedsel wordt. Wat nu uw gehemelte tegenstaat, kan u toch in het leven houden.
Want waar zou uw arme, zorgeloze natuur u heenvoeren, als de Heere u nooit Zijn fronsen liet ondervinden? Zijn kastijdingen houden u van de verkeerde weg en drijven u terug naar Hem. Daarom bidt een tedere consciëntie liever: „Heere, laat mij Uw berispingen niet missen.” Zo wordt het bittere achteraf zoet, niet uit zijn eigen aard, maar om het nut dat de Heere eruit doet voortvloeien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; maar een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Spreuken 27:7
Verdrukkingen, beproevingen en smarten zijn zeer bittere dingen. En zij moeten ook wel bitter zijn, want de Heere heeft er niets anders mee op het oog. Wanneer Hij de roede ter hand neemt, is het om die te laten voelen; en wanneer Hij moeite over Zijn kinderen brengt, is het zodat zij daaronder smart zullen lijden. Onze tekst betekent daarom, geloof ik, niet dat de bittere dingen zoet zijn wanneer zij ons overkomen, want dan zouden zij ophouden bitter te zijn. Maar zij zijn zoet door het gezegende voedsel dat wij eruit halen.
Ik herinner mij dat ik jaren geleden de reizen van Franklin naar de Noordpool gelezen heb; een zeer treffend boek. Maar één zaak die erin vermeld werd, trok mijn aandacht. Tijdens hun zwerftochten over de sneeuw van de poolstreken was er dagen, ja, ik geloof weken achter elkaar, geen voedsel te krijgen, behalve een leverkruid of een soort mos dat op de rotsen groeide. Dit was zo buitengewoon bitter (het lijkt op IJslands mos), dat het alleen met de grootste weerzin gegeten kon worden; en toch leefden Franklin en zijn makkers ervan. Zij hadden helemaal geen afwisseling in voedsel; zij moesten het eten of sterven. Maar dit bittere mos werd zoet zodra het hun gehemelte gepasseerd was, want het was voedsel dat hen in leven hield.
En zo is het met menig kind van God dat de vreselijkste beproevingen heeft moeten doormaken, want daarna heeft het er voedsel uit gehaald. Wat zijn de berispingen en kastijdingen van de Heere in het geweten bitter! En toch, wie zou ze willen missen? Ik doe een beroep op u die de Heere vreest: zou u er bewust voor kiezen om nooit de blijken van Zijn afkeuring te ondervinden, of op enig moment het fronsen van Zijn toorn, wanneer u de verkeerde weg opgaat?
Ik geloof van harte dat u, van wie het geweten teder is in de vreze Gods, zou zeggen: „Heere, laat mij Uw fronsen maar ontmoeten, want indien ik deze in mijn consciëntie niet gewaarwerd, in welke zonden zou ik in mijn zorgeloosheid terechtkomen? Waar zou mijn goddeloze natuur mij heenvoeren, indien ik Uw berispingen zou moeten missen?” Deze kastijdingen worden dus zoet, niet uit hun eigen aard en niet op dat moment, maar vanwege het nut dat eruit voortvloeit.
Aan de lezer…
Bedroefde ziel, is uw beker in deze dagen bitter? Liggen de roede van de Heere en Zijn berisping zwaar op uw geweten, en proeft u niets dan alsem? U hoeft niet te doen alsof het zoet is; de Heere bedoelt het juist om gevoeld te worden. Maar weet dat voor de hongerige ziel zelfs het bittere tot voedsel wordt. Wat nu uw gehemelte tegenstaat, kan u toch in leven houden.
Want waar zou uw arme, zorgeloze natuur u heenvoeren, als de Heere u nooit Zijn fronsen liet ondervinden? Zijn kastijdingen houden u van de verkeerde weg en drijven u terug naar Hem. Daarom bidt een teder geweten liever: „Heere, laat mij Uw berispingen niet missen.” Zo wordt het bittere achteraf zoet, niet uit zijn eigen aard, maar om het nut dat de Heere eruit laat voortvloeien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The full soul loatheth an honeycomb; but to the hungry soul every bitter thing is sweet.”
Proverbs 27:7
Afflictions, trials, and sorrows are very bitter things. And they must needs be bitter, for God never meant that they should be otherwise. When He takes the rod, it is to make it felt; and when He brings trouble on His children, it is that they may smart under it. Our text therefore does not, I believe, mean that the “bitter thing” is sweet when it is taken, for then it would cease to be bitter; but it is sweet on account of the blessed nourishment that is brought to the soul out of it.
I remember reading, many years ago, the travels of Franklin to the North Pole; and a very interesting book it is naturally. But there is one incident mentioned in it which just strikes my mind. In wandering over the snows of the polar regions there was no food to be gotten for weeks, except a lichen or kind of moss that grew upon the rocks, and that was so exceedingly bitter, (something like “Iceland moss,”) that it could only be taken with the greatest disgust; and yet upon that Franklin and his companions lived. They had no alternative; they must either eat that or die. But that bitter moss became sweet after it had passed their palates; for it had a nutriment in it which kept their bodies alive.
And thus many of God’s people, who have endured the most dreadful trials, have afterwards found nutriment to spring out of them. What bitter things are God’s reproofs and rebukes in the conscience! And yet who would be without them? I appeal to you who fear God, whether you would deliberately choose never to experience marks of divine disapprobation, and never feel the frowns of God’s anger at any time when you go wrong?
I believe in my conscience that you whose hearts are tender in God’s fear would say, “Lord, let me have Your frowns; for if I have not Your frowns and a conscience to feel them, what sins would I not recklessly plunge into? Where would not my wicked nature carry me, if I had not Your solemn reproofs!” These very rebukes then become sweet, not in themselves, nor at the time, but because of the solid profit that comes out of them.
To the reader…
Sorrowing soul, is your cup bitter in these days? Do the rod of the Lord and His rebuke lie heavy on your conscience, and do you taste nothing but wormwood? You need not pretend that it is sweet; the Lord means it precisely to be felt. But know that to the hungry soul even the bitter becomes food. What is now distasteful to your palate may yet keep you alive.
For where would your poor, careless nature carry you, if the Lord never let you feel His frowns? His chastenings keep you from the wrong way and drive you back to Him. That is why a tender conscience would rather pray, “Lord, let me not be without Thy rebukes.” So the bitter becomes sweet afterward, not by its own nature, but because of the profit the Lord makes to flow out of it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El alma harta huella el panal de miel; mas al alma hambrienta todo lo amargo es dulce.
Proverbios 27:7
Las aflicciones, las pruebas y las penas son cosas muy amargas. Y por fuerza han de ser amargas, porque Dios nunca quiso que fueran de otra manera. Cuando Él toma la vara, es para que se sienta; y cuando trae tribulación sobre Sus hijos, es para que les escueza. Nuestro texto, por tanto, no quiere decir, creo yo, que “lo amargo” sea dulce cuando se toma, porque entonces dejaría de ser amargo; sino que es dulce a causa del bendito alimento que de ello se trae al alma.
Recuerdo haber leído, hace muchos años, los viajes de Franklin hacia el Polo Norte; y es, naturalmente, un libro muy interesante. Pero hay un incidente mencionado en él que me viene ahora a la mente. Vagando por las nieves de las regiones polares, durante semanas no había alimento que conseguir, salvo un liquen o especie de musgo que crecía sobre las rocas, y que era tan sumamente amargo (algo parecido al “musgo de Islandia”) que solo podía tomarse con el mayor asco; y sin embargo de él vivieron Franklin y sus compañeros. No tenían alternativa: o comían eso, o morían. Pero aquel musgo amargo se volvía dulce después de pasar por su paladar, porque tenía en sí un alimento que mantenía vivos sus cuerpos.
Y así muchos del pueblo de Dios que han soportado las pruebas más terribles han hallado después que de ellas brotaba alimento. ¡Qué cosas tan amargas son las reprensiones y los reproches de Dios en la conciencia! Y sin embargo, ¿quién querría estar sin ellos? Apelo a ustedes que temen a Dios: ¿elegirían deliberadamente no experimentar nunca señales de la desaprobación divina, y no sentir jamás el ceño de la ira de Dios cada vez que se desvían?
Creo en mi conciencia que ustedes, cuyos corazones son tiernos en el temor de Dios, dirían: “Señor, dame Tu ceño; porque si no tengo Tu ceño y una conciencia para sentirlo, ¿en qué pecados no me precipitaría temerariamente? ¡Adónde no me llevaría mi naturaleza perversa, si no tuviera Tus solemnes reprensiones!” Estas mismas reprensiones se vuelven entonces dulces, no en sí mismas, ni en aquel momento, sino a causa del sólido provecho que de ellas resulta.
Al lector…
Alma afligida, ¿es amarga su copa en estos días? ¿Pesan sobre su conciencia la vara del Señor y Su reprensión, y no gusta usted más que ajenjo? No tiene que fingir que es dulce; el Señor quiere precisamente que se sienta. Pero sepa que para el alma hambrienta aun lo amargo se convierte en alimento. Lo que ahora repugna a su paladar puede todavía mantenerle con vida.
Porque ¿adónde le llevaría su pobre y descuidada naturaleza, si el Señor nunca le hiciera sentir Su ceño? Sus castigos le guardan del mal camino y le hacen volver a Él. Por eso una conciencia tierna prefiere orar: “Señor, no me dejes sin Tus reprensiones.” Así lo amargo se vuelve dulce después, no por su propia naturaleza, sino por el provecho que el Señor hace brotar de ello.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl