28 de agosto
Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; maar een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Spreuken 27:7
Verdrukkingen, beproevingen en smarten zijn zeer bittere dingen. En zij moeten noodzakelijk bitter zijn, want de Heere heeft er niets anders mee op het oog. Wanneer Hij de roede ter hand neemt, is het om die te doen gevoelen, en wanneer Hij moeite over Zijn kinderen brengt, dan is het opdat zij daaronder smarten zullen. Onze tekst betekent derhalve niet, geloof ik, dat de bittere dingen zoet zijn wanneer zij ons overkomen, want dan zouden zij ophouden bitter te zijn; maar zij zijn zoet uit kracht van het gezegende voedsel dat wij daaruit trekken.
Ik herinner mij jaren geleden de reizen van Franklin naar de Noordpool gelezen te hebben; een zeer treffend boek. Maar één zaak die daarin vermeld werd, trok mijn aandacht. In hun zwerftochten over de sneeuw van de poolstreken was er dagen, ja, ik geloof weken achtereen, geen voedsel te bekomen, uitgenomen een leverkruid of soort mos dat op de rotsen groeide. Dit was zo buitengewoon bitter (het is zoiets als IJslands mos), dat het niet dan met de grootste weerzin gegeten kon worden; en toch leefden Franklin en zijn makkers erop. Zij hadden in het geheel geen verandering van spijs; zij moesten het eten of sterven. Maar dit bittere mos werd zoet zodra het hun gehemelte gepasseerd was, want het was een voedsel dat hen in het leven hield.
En zo is het met menig kind van God dat de vreselijkste beproevingen heeft moeten doormaken, want daarna heeft het er voedsel uit getrokken. Welke bittere dingen zijn des Heeren berispingen en kastijdingen in de consciëntie! En toch, wie zou ze willen missen? Ik beroep mij op u die de Heere vreest: zoudt gij opzettelijk verkiezen nooit de blijken van Zijn afkeuring of te eniger tijd het fronsen van Zijn toorn te ondervinden, als gij de verkeerde weg opgaat?
Ik geloof van harte dat gij, wier consciëntie teder is in de vreze Gods, zoudt zeggen: „Heere, laat mij Uw fronsen maar ontmoeten, want indien ik deze in mijn consciëntie niet gewaarwerd, in welke zonden zou ik in mijn zorgeloosheid terechtkomen? Waar zou mijn goddeloze natuur mij heenvoeren, indien ik Uw berispingen zou moeten missen?” Deze kastijdingen worden dus zoet, niet uit hun eigen aard, noch op die tijd, maar vanwege het nut dat eruit voortvloeit.
Aan de lezer…
Bedroefde ziel, is uw beker in deze dagen bitter? Liggen de roede des Heeren en Zijn berisping zwaar op uw consciëntie, en smaakt u niets dan alsem? U behoeft niet te doen alsof het zoet is; de Heere bedoelt het juist om gevoeld te worden. Maar weet dat de hongerige ziel zelfs het bittere tot voedsel wordt. Wat nu uw gehemelte tegenstaat, kan u toch in het leven houden.
Want waar zou uw arme, zorgeloze natuur u heenvoeren, als de Heere u nooit Zijn fronsen liet ondervinden? Zijn kastijdingen houden u van de verkeerde weg en drijven u terug naar Hem. Daarom bidt een tedere consciëntie liever: „Heere, laat mij Uw berispingen niet missen.” Zo wordt het bittere achteraf zoet, niet uit zijn eigen aard, maar om het nut dat de Heere eruit doet voortvloeien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; maar een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Spreuken 27:7
Verdrukkingen, beproevingen en smarten zijn zeer bittere dingen. En zij moeten ook wel bitter zijn, want de Heere heeft er niets anders mee op het oog. Wanneer Hij de roede ter hand neemt, is het om die te laten voelen; en wanneer Hij moeite over Zijn kinderen brengt, is het zodat zij daaronder smart zullen lijden. Onze tekst betekent daarom, geloof ik, niet dat de bittere dingen zoet zijn wanneer zij ons overkomen, want dan zouden zij ophouden bitter te zijn. Maar zij zijn zoet door het gezegende voedsel dat wij eruit halen.
Ik herinner mij dat ik jaren geleden de reizen van Franklin naar de Noordpool gelezen heb; een zeer treffend boek. Maar één zaak die erin vermeld werd, trok mijn aandacht. Tijdens hun zwerftochten over de sneeuw van de poolstreken was er dagen, ja, ik geloof weken achter elkaar, geen voedsel te krijgen, behalve een leverkruid of een soort mos dat op de rotsen groeide. Dit was zo buitengewoon bitter (het lijkt op IJslands mos), dat het alleen met de grootste weerzin gegeten kon worden; en toch leefden Franklin en zijn makkers ervan. Zij hadden helemaal geen afwisseling in voedsel; zij moesten het eten of sterven. Maar dit bittere mos werd zoet zodra het hun gehemelte gepasseerd was, want het was voedsel dat hen in leven hield.
En zo is het met menig kind van God dat de vreselijkste beproevingen heeft moeten doormaken, want daarna heeft het er voedsel uit gehaald. Wat zijn de berispingen en kastijdingen van de Heere in het geweten bitter! En toch, wie zou ze willen missen? Ik doe een beroep op u die de Heere vreest: zou u er bewust voor kiezen om nooit de blijken van Zijn afkeuring te ondervinden, of op enig moment het fronsen van Zijn toorn, wanneer u de verkeerde weg opgaat?
Ik geloof van harte dat u, van wie het geweten teder is in de vreze Gods, zou zeggen: „Heere, laat mij Uw fronsen maar ontmoeten, want indien ik deze in mijn consciëntie niet gewaarwerd, in welke zonden zou ik in mijn zorgeloosheid terechtkomen? Waar zou mijn goddeloze natuur mij heenvoeren, indien ik Uw berispingen zou moeten missen?” Deze kastijdingen worden dus zoet, niet uit hun eigen aard en niet op dat moment, maar vanwege het nut dat eruit voortvloeit.
Aan de lezer…
Bedroefde ziel, is uw beker in deze dagen bitter? Liggen de roede van de Heere en Zijn berisping zwaar op uw geweten, en proeft u niets dan alsem? U hoeft niet te doen alsof het zoet is; de Heere bedoelt het juist om gevoeld te worden. Maar weet dat voor de hongerige ziel zelfs het bittere tot voedsel wordt. Wat nu uw gehemelte tegenstaat, kan u toch in leven houden.
Want waar zou uw arme, zorgeloze natuur u heenvoeren, als de Heere u nooit Zijn fronsen liet ondervinden? Zijn kastijdingen houden u van de verkeerde weg en drijven u terug naar Hem. Daarom bidt een teder geweten liever: „Heere, laat mij Uw berispingen niet missen.” Zo wordt het bittere achteraf zoet, niet uit zijn eigen aard, maar om het nut dat de Heere eruit laat voortvloeien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The full soul loatheth an honeycomb; but to the hungry soul every bitter thing is sweet.”
Proverbs 27:7
Afflictions, trials, and sorrows are very bitter things. And they must needs be bitter, for God never meant that they should be otherwise. When He takes the rod, it is to make it felt; and when He brings trouble on His children, it is that they may smart under it. Our text therefore does not, I believe, mean that the “bitter thing” is sweet when it is taken, for then it would cease to be bitter; but it is sweet on account of the blessed nourishment that is brought to the soul out of it.
I remember reading, many years ago, the travels of Franklin to the North Pole; and a very interesting book it is naturally. But there is one incident mentioned in it which just strikes my mind. In wandering over the snows of the polar regions there was no food to be gotten for weeks, except a lichen or kind of moss that grew upon the rocks, and that was so exceedingly bitter, (something like “Iceland moss,”) that it could only be taken with the greatest disgust; and yet upon that Franklin and his companions lived. They had no alternative; they must either eat that or die. But that bitter moss became sweet after it had passed their palates; for it had a nutriment in it which kept their bodies alive.
And thus many of God’s people, who have endured the most dreadful trials, have afterwards found nutriment to spring out of them. What bitter things are God’s reproofs and rebukes in the conscience! And yet who would be without them? I appeal to you who fear God, whether you would deliberately choose never to experience marks of divine disapprobation, and never feel the frowns of God’s anger at any time when you go wrong?
I believe in my conscience that you whose hearts are tender in God’s fear would say, “Lord, let me have Your frowns; for if I have not Your frowns and a conscience to feel them, what sins would I not recklessly plunge into? Where would not my wicked nature carry me, if I had not Your solemn reproofs!” These very rebukes then become sweet, not in themselves, nor at the time, but because of the solid profit that comes out of them.
To the reader…
Sorrowing soul, is your cup bitter in these days? Do the rod of the Lord and His rebuke lie heavy on your conscience, and do you taste nothing but wormwood? You need not pretend that it is sweet; the Lord means it precisely to be felt. But know that to the hungry soul even the bitter becomes food. What is now distasteful to your palate may yet keep you alive.
For where would your poor, careless nature carry you, if the Lord never let you feel His frowns? His chastenings keep you from the wrong way and drive you back to Him. That is why a tender conscience would rather pray, “Lord, let me not be without Thy rebukes.” So the bitter becomes sweet afterward, not by its own nature, but because of the profit the Lord makes to flow out of it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El alma harta huella el panal de miel; mas al alma hambrienta todo lo amargo es dulce.
Proverbios 27:7
Las aflicciones, las pruebas y las penas son cosas muy amargas. Y por fuerza han de ser amargas, porque Dios nunca quiso que fueran de otra manera. Cuando Él toma la vara, es para que se sienta; y cuando trae tribulación sobre Sus hijos, es para que les escueza. Nuestro texto, por tanto, no quiere decir, creo yo, que “lo amargo” sea dulce cuando se toma, porque entonces dejaría de ser amargo; sino que es dulce a causa del bendito alimento que de ello se trae al alma.
Recuerdo haber leído, hace muchos años, los viajes de Franklin hacia el Polo Norte; y es, naturalmente, un libro muy interesante. Pero hay un incidente mencionado en él que me viene ahora a la mente. Vagando por las nieves de las regiones polares, durante semanas no había alimento que conseguir, salvo un liquen o especie de musgo que crecía sobre las rocas, y que era tan sumamente amargo (algo parecido al “musgo de Islandia”) que solo podía tomarse con el mayor asco; y sin embargo de él vivieron Franklin y sus compañeros. No tenían alternativa: o comían eso, o morían. Pero aquel musgo amargo se volvía dulce después de pasar por su paladar, porque tenía en sí un alimento que mantenía vivos sus cuerpos.
Y así muchos del pueblo de Dios que han soportado las pruebas más terribles han hallado después que de ellas brotaba alimento. ¡Qué cosas tan amargas son las reprensiones y los reproches de Dios en la conciencia! Y sin embargo, ¿quién querría estar sin ellos? Apelo a ustedes que temen a Dios: ¿elegirían deliberadamente no experimentar nunca señales de la desaprobación divina, y no sentir jamás el ceño de la ira de Dios cada vez que se desvían?
Creo en mi conciencia que ustedes, cuyos corazones son tiernos en el temor de Dios, dirían: “Señor, dame Tu ceño; porque si no tengo Tu ceño y una conciencia para sentirlo, ¿en qué pecados no me precipitaría temerariamente? ¡Adónde no me llevaría mi naturaleza perversa, si no tuviera Tus solemnes reprensiones!” Estas mismas reprensiones se vuelven entonces dulces, no en sí mismas, ni en aquel momento, sino a causa del sólido provecho que de ellas resulta.
Al lector…
Alma afligida, ¿es amarga su copa en estos días? ¿Pesan sobre su conciencia la vara del Señor y Su reprensión, y no gusta usted más que ajenjo? No tiene que fingir que es dulce; el Señor quiere precisamente que se sienta. Pero sepa que para el alma hambrienta aun lo amargo se convierte en alimento. Lo que ahora repugna a su paladar puede todavía mantenerle con vida.
Porque ¿adónde le llevaría su pobre y descuidada naturaleza, si el Señor nunca le hiciera sentir Su ceño? Sus castigos le guardan del mal camino y le hacen volver a Él. Por eso una conciencia tierna prefiere orar: “Señor, no me dejes sin Tus reprensiones.” Así lo amargo se vuelve dulce después, no por su propia naturaleza, sino por el provecho que el Señor hace brotar de ello.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl