6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in alle waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
Johannes 16:13
Er moeten twee grote lessen geleerd worden in de school van Christus, en alle Goddelijk onderricht is in haar begrepen en samengevat. De ene is, door de onderwijzing des Geestes te leren wat wij van nature zijn; zodat wij zien en gevoelen dat wij in onszelf geheel verloren zijn, en het volslagen onvermogen, de zwakheid en de hulpeloosheid van het schepsel in de dingen Gods. Dit is de eerste grote tak van het Goddelijk onderwijs. En die les moeten wij dag aan dag, regeltje voor regeltje, hier een weinig en daar een weinig leren. Door deze tak van Goddelijk onderwijs moeten wij bijna dagelijks zeer smartelijke diepten doorwaden en somtijds erin verzinken onder het gevoel onzer verbasterde natuur.
En de andere grote tak van Goddelijk onderricht is: „De enige waarachtige God te kennen, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.” Te weten wie Jezus is, en te weten wat Hij is; de kracht te kennen van Zijn zoenbloed om het schuldige geweten te zuiveren; de kracht van Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid om alle zonden te betalen en kwijt te schelden; de verborgenheid Zijner stervende liefde om het verharde hart te breken en een mate van liefde voor Hem op te wekken; en door het oog des geloofs Zijn heilige wandel en lijdend beeld te aanschouwen, zodanig dat wij Hem enigermate gelijkvormig worden en Zijn beeld min of meer in onze zielen ingedrukt hebben.
Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden.
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden
en spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Ps. 51:5
Aan de lezer…
Misschien zit u in de school van Christus en leert u dag aan dag de eerste les: wat u van nature bent. Moet u telkens weer smartelijke diepten doorwaden onder het gevoel van uw verbasterde natuur, totdat u meent er geheel in te verzinken? Wees niet ontmoedigd. Het is de Geest der waarheid Die u dat onderwijst, regeltje voor regeltje, hier een weinig en daar een weinig, opdat u in uzelf geheel verloren zou zijn.
Maar Hij laat het daar niet bij. Dezelfde Geest leidt in de andere grote les: Jezus Christus te kennen, Die de Vader gezonden heeft. De kracht van Zijn zoenbloed om het schuldige geweten te zuiveren, Zijn gerechtigheid om alle zonden kwijt te schelden, Zijn stervende liefde om het verharde hart te breken. Bid dan om meer van dat onderwijs, totdat Zijn beeld min of meer in uw ziel gedrukt is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in alle waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
Johannes 16:13
Er moeten twee grote lessen geleerd worden in de school van Christus, en al het goddelijke onderwijs is daarin begrepen en samengevat. De eerste is dat we door het onderwijs van de Geest leren wat we van nature zijn. Zo gaan we zien en voelen dat we in onszelf volkomen verloren zijn, en zien we het volslagen onvermogen, de zwakheid en de hulpeloosheid van het schepsel in de dingen van God. Dat is de eerste grote tak van het goddelijke onderwijs. Die les moeten we dag aan dag leren, regeltje voor regeltje, hier een weinig en daar een weinig. Door deze tak van goddelijk onderwijs moeten we bijna dagelijks door heel pijnlijke diepten waden, en soms zinken we erin weg onder het besef van onze verdorven natuur.
De andere grote tak van goddelijk onderwijs is: „De enige waarachtige God te kennen, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.” Dat wil zeggen: weten wie Jezus is en weten wat Hij is. De kracht kennen van Zijn verzoenend bloed om het schuldige geweten te reinigen. De kracht van Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid om alle zonden te betalen en kwijt te schelden. De verborgenheid van Zijn stervende liefde om het verharde hart te breken en enige liefde voor Hem op te wekken. En met het oog van het geloof Zijn heilige wandel en Zijn lijdende beeld aanschouwen, zo dat we in enige mate aan Hem gelijkvormig worden en Zijn beeld min of meer in onze ziel gedrukt krijgen.
Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden.
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden
en spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Ps. 51:5
Aan de lezer…
Misschien zit u in de school van Christus en leert u dag aan dag de eerste les: wat u van nature bent. Moet u telkens weer door pijnlijke diepten waden onder het besef van uw verdorven natuur, totdat u meent er helemaal in weg te zinken? Wees niet ontmoedigd. Het is de Geest der waarheid Die u dat leert, regeltje voor regeltje, hier een weinig en daar een weinig, zodat u gaat zien dat u in uzelf volkomen verloren bent.
Maar Hij laat het daar niet bij. Dezelfde Geest leidt u in de andere grote les: Jezus Christus kennen, Die de Vader gezonden heeft. De kracht van Zijn verzoenend bloed om het schuldige geweten te reinigen, Zijn gerechtigheid om alle zonden kwijt te schelden, Zijn stervende liefde om het verharde hart te breken. Bid dan om meer van dat onderwijs, totdat Zijn beeld min of meer in uw ziel gedrukt is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Howbeit when He, the Spirit of truth, is come, He will guide you into all truth: for He shall not speak of Himself; but whatsoever He shall hear, that shall He speak: and He will shew you things to come.
John 16:13
There are two grand lessons to be learned in the school of Christ, and all divine teaching is comprehended and summed up in them. One is, to learn, by the Spirit’s teaching, what we are by nature; so as to see and feel the utter ruin and thorough wreck of self, and the complete beggary, weakness, and helplessness of the creature in the things of God. This is the first grand branch of divine teaching. And we have to learn this lesson day by day, “line upon line, line upon line; here a little, and there a little.” Through this branch of divine teaching we have almost daily to wade, and sometimes to sink into very painful depths under a sense of our depraved nature.
And the other grand branch of divine teaching is, “To know the only true God, and Jesus Christ Whom He has sent.” To know Who Jesus is, and to know what He is; to know the efficacy of His atoning blood to purge the guilty conscience, the power of His justifying righteousness to acquit and absolve from all sin; the mystery of His dying love to break down the hardness of heart, and raise up a measure of love towards Him; and to see, by the eye of faith, His holy walk and suffering image, so as to be in some measure conformed to Him, and have His likeness in some measure stamped upon our souls.
To the reader…
Perhaps you are sitting in the school of Christ and learning, day after day, the first lesson: what you are by nature. Must you wade again and again through painful depths under a sense of your depraved nature, until you think you will sink in it altogether? Do not be discouraged. It is the Spirit of truth Who is teaching you this, line upon line, here a little and there a little, so that you come to see that in yourself you are utterly lost.
But He does not leave it there. The same Spirit leads you into the other great lesson: to know Jesus Christ, Whom the Father has sent. The power of His atoning blood to purge the guilty conscience, His righteousness to absolve from all sin, His dying love to break the hardened heart. Pray, then, for more of that teaching, until His likeness is in some measure stamped upon your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero cuando viniere aquel Espíritu de verdad, Él os guiará a toda verdad; porque no hablará de Sí mismo, sino que hablará todo lo que oyere, y os hará saber las cosas que han de venir.
Juan 16:13
Hay dos grandes lecciones que aprender en la escuela de Cristo, y toda enseñanza divina está comprendida y resumida en ellas. Una es aprender, por la enseñanza del Espíritu, lo que nosotros somos por naturaleza; de modo que veamos y sintamos la ruina total y el completo naufragio del yo, y la completa mendicidad, debilidad e impotencia de la criatura en las cosas de Dios. Esta es la primera gran rama de la enseñanza divina. Y esta lección tenemos que aprenderla día tras día, “renglón tras renglón, renglón tras renglón; un poquito allí, otro poquito allá”. Por esta rama de la enseñanza divina tenemos que vadear casi a diario, y a veces hundirnos en profundidades muy dolorosas bajo el sentimiento de nuestra naturaleza depravada.
Y la otra gran rama de la enseñanza divina es “conocer al solo Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual Él ha enviado”. Conocer Quién es Jesús, y conocer lo que Él es; conocer la eficacia de Su sangre expiatoria para purificar la conciencia culpable, el poder de Su justicia justificadora para absolver y librar de todo pecado; el misterio de Su amor moribundo para quebrantar la dureza del corazón y despertar en él una medida de amor hacia Él; y ver, con el ojo de la fe, Su andar santo y Su imagen sufriente, de modo que seamos en alguna medida conformados a Él y tengamos en alguna medida Su semejanza impresa en nuestras almas.
Al lector…
Quizá usted esté sentado en la escuela de Cristo aprendiendo, día tras día, la primera lección: lo que es por naturaleza. ¿Tiene que vadear una y otra vez profundidades dolorosas bajo el sentimiento de su naturaleza depravada, hasta pensar que se hundirá en ellas por completo? No se desanime. Es el Espíritu de verdad Quien le enseña esto, renglón tras renglón, un poquito allí y otro poquito allá, para que llegue a ver que en usted mismo está completamente perdido.
Pero Él no lo deja ahí. El mismo Espíritu le conduce a la otra gran lección: conocer a Jesucristo, a Quien el Padre ha enviado. El poder de Su sangre expiatoria para purificar la conciencia culpable, Su justicia para absolver de todo pecado, Su amor moribundo para quebrantar el corazón endurecido. Pida, pues, más de esa enseñanza, hasta que Su semejanza quede en alguna medida impresa en su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een ellendig en arm volk
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
Wat een heerlijke blik gunt de Heere de ziel soms op de roemrijke Persoon van Immanuël! Wat een medeleven, mededogen en tederheid ziet de ziel in Hem, „Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid” (Rom. 9:5), de grote Hogepriester over het huis van God! Als de schoonheid van Immanuël door het oog van het geloof wordt gezien, dan wordt iets van Zijn genade in het hart ervaren; dan wordt Hij het middelpunt van al onze hoop en al ons verlangen; dan stromen de aandoeningen, gevoelens en smachtende verlangens van de ziel naar Hem toe en richten zij zich op Hem!
Ze worden er dan ook toe gebracht op de Naam van de Heere te vertrouwen. Zijn bloed te vertrouwen, het bloed dat „reinigt van alle zonde” — het bloed van Immanuël, „God met ons” — dat heilige, genezende bloed dat, op het geweten gesprenkeld, witter maakt dan sneeuw. O, de deugd, de geldigheid en werkzaamheid van Christus’ verzoenende bloed op het geweten van een arme zondaar!
Dit verzoenende bloed maakt deel uit van „de Naam des Heeren”, en de armen en hulpbehoevenden — de verleide, beproefde, bezochte, geoefende en verontruste kinderen van God — zijn door hun smart, bezoeking en beproevingen in de handen van de Geest gebracht om erop te vertrouwen dat dit verzoenende bloed hen van alle zonde zal reinigen. En wat een schoonheid en heerlijkheid zien ze ook in Zijn rechtvaardigende rechtvaardigheid! Wat een heerlijk gewaad, wat een toevlucht, wat een schuilplaats voor de ziel die is blootgesteld aan de donderslagen van goddelijke wraak! Ze zijn ertoe gekomen deze rechtvaardigheid te vertrouwen, en door haar te vertrouwen „de Naam van de Heere” te vertrouwen. Wat kunnen onze zielen weten van het medelijden, het mededogen en de tederheid die stromen uit het diepbedroefde hart van Immanuël, zonder dat we in omstandigheden verkeren dat we Zijn medelijden, Zijn deernis, Zijn liefde nodig hebben?
Lezen: Klaagliederen 3:1-26
Aan de lezer…
Vraagt u zich af waarom de Heere u zo verleid, beproefd en verontrust laat zijn? U vraagt het misschien met een zwaar hart. Maar wat zou u weten van het medelijden en de tederheid die stromen uit het hart van Immanuël, als u ze nooit nodig had? Uw smart en bezoeking zijn de middelen in de hand van de Geest om u te leren op de Naam des Heeren te vertrouwen.
En wat ligt er in die Naam besloten! Het bloed van Immanuël, „God met ons”, dat reinigt van alle zonde en het geweten witter maakt dan sneeuw. Zijn rechtvaardigheid, een heerlijk gewaad en een schuilplaats voor de ziel die voor de donderslagen van Gods wraak beeft. Hebt u zelf niets om op te steunen? Dat is juist de plaats waar het arme volk leert op Hem alleen te betrouwen. Zie dan op Hem, de grote Hogepriester, Die God is boven allen, te prijzen in der eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
Wat een heerlijke blik gunt de Heere de ziel soms op de heerlijke Persoon van Immanuël! Wat een medeleven, ontferming en tederheid ziet de ziel in Hem, „Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid” (Rom. 9:5), de grote Hogepriester over het huis van God! Wanneer de schoonheid van Immanuël met het oog van het geloof gezien wordt, wordt iets van Zijn genade in het hart ervaren. Dan wordt Hij het middelpunt van al onze hoop en al ons verlangen. Dan stromen de genegenheden, gevoelens en smachtende verlangens van de ziel naar Hem toe en richten zich op Hem!
Zo worden zij er dan ook toe gebracht op de Naam van de Heere te vertrouwen. Zij leren Zijn bloed te vertrouwen, het bloed dat „reinigt van alle zonde” — het bloed van Immanuël, „God met ons” — dat heilige, genezende bloed dat, op het geweten gesprenkeld, witter maakt dan sneeuw. O, de kracht, de waarde en de werking van Christus’ verzoenend bloed in het geweten van een arme zondaar!
Dit verzoenend bloed maakt deel uit van „de Naam des Heeren”. En de armen en hulpbehoevenden — de verzochte, beproefde, bezochte, geoefende en verontruste kinderen van God — zijn door hun smart, bezoekingen en beproevingen, in de hand van de Geest, ertoe gebracht te vertrouwen dat dit verzoenend bloed hen van alle zonde zal reinigen. En wat een schoonheid en heerlijkheid zien ze ook in Zijn rechtvaardigende gerechtigheid! Wat een heerlijk kleed, wat een toevlucht, wat een schuilplaats voor de ziel die blootstaat aan de donderslagen van Gods wraak! Ze zijn ertoe gekomen deze gerechtigheid te vertrouwen, en door haar te vertrouwen „de Naam van de Heere” te vertrouwen. Wat kunnen onze zielen weten van het medelijden, de ontferming en de tederheid die uit het diepbedroefde hart van Immanuël stromen, als we nooit in omstandigheden verkeren waarin we Zijn medelijden, Zijn ontferming en Zijn liefde nodig hebben?
Lezen: Klaagliederen 3:1-26
Aan de lezer…
Vraagt u zich af waarom de Heere u zo verzocht, beproefd en verontrust laat zijn? U vraagt het misschien met een zwaar hart. Maar wat zou u weten van het medelijden en de tederheid die uit het hart van Immanuël stromen, als u ze nooit nodig had? Uw smart en bezoeking zijn middelen in de hand van de Geest om u te leren op de Naam des Heeren te vertrouwen.
En wat ligt er in die Naam besloten! Het bloed van Immanuël, „God met ons”, dat reinigt van alle zonde en het geweten witter maakt dan sneeuw. Zijn gerechtigheid, een heerlijk kleed en een schuilplaats voor de ziel die voor de donderslagen van Gods wraak beeft. Hebt u zelf niets om op te steunen? Dat is juist de plaats waar het arme volk leert op Hem alleen te vertrouwen. Zie dan op Hem, de grote Hogepriester, Die God is boven allen, te prijzen in der eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will also leave in the midst of thee an afflicted and poor people, and they shall trust in the Name of the LORD.
Zephaniah 3:12
What glorious views the Lord sometimes gives the soul of the glorious Person of Immanuel! What sympathy, compassion and tenderness the soul sees in Him, “Who is over all, God blessed for ever” (Romans 9:5), the great High Priest over the house of God! When the beauty of Immanuel is seen by the eye of faith, something of His grace is felt in the heart. Then He becomes the centre of all our hopes and all our desires. Then the affections, feelings and longing desires of the soul flow out towards Him and are fixed upon Him!
So, then, they are brought to trust in the Name of the Lord. They learn to trust His blood, the blood that “cleanseth from all sin” — the blood of Immanuel, “God with us” — that holy, healing blood which, sprinkled on the conscience, makes whiter than snow. O the power, the value and the efficacy of Christ’s atoning blood in the conscience of a poor sinner!
This atoning blood is part of “the Name of the LORD.” And the poor and needy — the tempted, tried, afflicted, exercised and distressed children of God — have, through their sorrows, afflictions and trials, in the hand of the Spirit, been brought to trust that this atoning blood will cleanse them from all sin. And what beauty and glory they also see in His justifying righteousness! What a glorious robe, what a refuge, what a hiding place for the soul exposed to the thunders of God’s wrath! They have come to trust this righteousness, and by trusting it to trust “the Name of the LORD.” What can our souls know of the sympathy, compassion and tenderness that flow out of the deeply sorrowful heart of Immanuel, if we are never in circumstances in which we need His sympathy, His compassion and His love?
Reading: Lamentations 3:1-26
To the reader…
Do you wonder why the Lord lets you be so tempted, tried and distressed? Perhaps you ask it with a heavy heart. But what would you know of the sympathy and tenderness that flow from the heart of Immanuel, if you never needed them? Your sorrow and affliction are means in the hand of the Spirit to teach you to trust in the Name of the Lord.
And what is contained in that Name! The blood of Immanuel, “God with us,” which cleanses from all sin and makes the conscience whiter than snow. His righteousness, a glorious robe and a hiding place for the soul that trembles before the thunders of God’s wrath. Have you nothing of your own to lean on? That is just the place where the poor people learn to trust in Him alone. Look, then, to Him, the great High Priest, Who is over all, God blessed for ever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y dejaré en medio de ti un pueblo humilde y pobre, los cuales esperarán en el Nombre de Jehová.
Sofonías 3:12
¡Qué gloriosas vistas da a veces el Señor al alma de la gloriosa Persona de Emmanuel! ¡Qué simpatía, compasión y ternura ve el alma en Aquel “que es Dios sobre todas las cosas, bendito por los siglos” (Romanos 9:5), el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios! Cuando la hermosura de Emmanuel es vista por el ojo de la fe, algo de Su gracia se siente en el corazón. Entonces Él llega a ser el centro de todas nuestras esperanzas y de todos nuestros deseos. ¡Entonces los afectos, sentimientos y anhelos del alma fluyen hacia Él y se fijan en Él!
Así, pues, son llevados a esperar en el Nombre del Señor. Aprenden a confiar en Su sangre, la sangre que “limpia de todo pecado”, la sangre de Emmanuel, “Dios con nosotros”, esa sangre santa y sanadora que, rociada sobre la conciencia, emblanquece más que la nieve. ¡Oh el poder, el valor y la eficacia de la sangre expiatoria de Cristo en la conciencia de un pobre pecador!
Esta sangre expiatoria forma parte del “Nombre de Jehová”. Y los pobres y necesitados —los hijos de Dios tentados, probados, afligidos, ejercitados y angustiados— han sido llevados, por sus tristezas, aflicciones y pruebas, en la mano del Espíritu, a confiar en que esta sangre expiatoria los limpiará de todo pecado. ¡Y qué hermosura y gloria ven también en Su justicia justificadora! ¡Qué glorioso manto, qué refugio, qué escondedero para el alma expuesta a los truenos de la ira de Dios! Han llegado a confiar en esta justicia, y confiando en ella, a confiar en “el Nombre de Jehová”. ¿Qué puede saber nuestra alma de la simpatía, compasión y ternura que fluyen del corazón profundamente dolorido de Emmanuel, si nunca estamos en circunstancias en las que necesitemos Su simpatía, Su compasión y Su amor?
Lectura: Lamentaciones 3:1-26
Al lector…
¿Se pregunta usted por qué el Señor permite que sea tan tentado, probado y angustiado? Quizá lo pregunta con el corazón apesadumbrado. Pero ¿qué sabría usted de la simpatía y ternura que fluyen del corazón de Emmanuel, si nunca las necesitara? Su tristeza y aflicción son medios en la mano del Espíritu para enseñarle a esperar en el Nombre del Señor.
¡Y cuánto encierra ese Nombre! La sangre de Emmanuel, “Dios con nosotros”, que limpia de todo pecado y hace la conciencia más blanca que la nieve. Su justicia, un glorioso manto y un escondedero para el alma que tiembla ante los truenos de la ira de Dios. ¿No tiene nada propio en qué apoyarse? Ese es precisamente el lugar donde el pueblo pobre aprende a confiar solo en Él. Mire, pues, a Él, el gran Sumo Sacerdote, que es Dios sobre todas las cosas, bendito por los siglos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch op U zijn mijn ogen, Heere Heere; op U betrouw ik; en ontbloot mijn ziel niet.
Psalm 141:8
Dit gebed is een bewijs dat de Heere de hulpbehoevende ziel niet zal verlaten. Hoe vreemd het ons toeschijnen moge, het is het licht dat de duisternis openbaart; het is het leven dat ons de doodsheid doet gewaarworden; wat meer is, het is de vruchtbaarheid die ons onze onvruchtbaarheid doet beseffen; het is de rijkdom die ons onze armoede doet kennen; het is de onderwijzing en de tegenwoordigheid Gods die ons onze verlatenheid aan het licht brengt. Dit treuren over onze onvruchtbaarheid, dit gevoel van onze onbekwaamheid om goed te doen, is een bewijs van het leven Gods in de ziel, een bewijs van het werk der genade in het hart.
„Ontbloot mijn ziel niet.” Dit is iets oprechts; dit is hartenwerk; dit zijn de voetstappen der schapen, dit zijn de leidingen en onderwijzingen van des Heeren Geest in de harten der uitverkorenen. Dit zijn dingen met de zaligheid gevoegd, en die zullen de ziel leiden tot de eeuwige heerlijkheid. En hij die iets door persoonlijke bevinding van deze dingen kent, zal eenmaal de heerlijkheid des Heeren aanschouwen van aangezicht tot aangezicht.
Wat kennen wij van deze dingen? Kunnen wij onze bevinding leggen naast die van de psalmist en zeggen: „Mijn ogen zijn op U, Heere Heere; op U betrouw ik; en ontbloot mijn ziel niet”? Waar dit gebed gevonden wordt, zal een antwoord niet achterwege blijven; waar dit antwoord ontvangen wordt, daar zal stof zijn tot een eeuwigdurende lof. Zalig zulke zielen, die deze dingen door een oprechte, hartgrondige bevinding hebben leren kennen. Zij zullen blinken als de sterren des hemels, eeuwiglijk en altoos; en als de Heere des levens en der heerlijkheid ten tweeden male zonder zonde zal gezien worden tot zaligheid, dan zullen ook zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Aan de lezer…
Treurt u, waarde lezer, over uw onvruchtbaarheid, uw doodsheid en uw onbekwaamheid om goed te doen? Voelt u zich als in het donker, verlaten en arm? Hoe vreemd het u ook toeschijnt: het is het licht dat de duisternis openbaart, en het leven dat u de doodsheid doet gewaarworden. Een dode ziel treurt niet; zulk treuren is een bewijs van het werk der genade in het hart.
Leg dan uw bevinding naast die van de psalmist en zeg met hem: „Op U zijn mijn ogen, Heere Heere; op U betrouw ik; ontbloot mijn ziel niet.” Dit zijn de voetstappen der schapen. Waar zulk een gebed in het hart gewerkt wordt, zal het antwoord niet achterwege blijven, en waar het antwoord komt, daar zal stof zijn tot eeuwigdurende lof. De Heere zal de hulpbehoevende ziel niet verlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch op U zijn mijn ogen, Heere Heere; op U betrouw ik; en ontbloot mijn ziel niet.
Psalm 141:8
Dit gebed is een bewijs dat de Heere de hulpbehoevende ziel niet zal verlaten. Hoe vreemd het ons ook mag lijken: het is het licht dat de duisternis openbaart; het is het leven dat ons de doodsheid doet voelen. Meer nog: het is de vruchtbaarheid die ons onze onvruchtbaarheid doet beseffen; het is de rijkdom die ons onze armoede doet kennen; het is het onderwijs en de tegenwoordigheid van God die onze verlatenheid aan het licht brengen. Dit treuren over onze onvruchtbaarheid, dit besef dat wij niet in staat zijn het goede te doen, is een bewijs van het leven van God in de ziel, een bewijs van het werk van de genade in het hart.
„Ontbloot mijn ziel niet.” Dit is iets oprechts; dit is hartenwerk. Dit zijn de voetstappen van de schapen; dit zijn de leidingen en onderwijzingen van de Geest van de Heere in de harten van de uitverkorenen. Dit zijn dingen die met de zaligheid gepaard gaan, en zij zullen de ziel naar de eeuwige heerlijkheid leiden. En wie door persoonlijke bevinding iets van deze dingen kent, zal eens de heerlijkheid van de Heere aanschouwen van aangezicht tot aangezicht.
Wat kennen wij van deze dingen? Kunnen wij onze bevinding naast die van de psalmist leggen en zeggen: „Mijn ogen zijn op U, Heere Heere; op U betrouw ik; en ontbloot mijn ziel niet”? Waar dit gebed gevonden wordt, zal een antwoord niet uitblijven; en waar dit antwoord ontvangen wordt, daar zal stof zijn tot eeuwigdurende lof. Zalig zijn zulke zielen, die deze dingen door een oprechte, hartgrondige bevinding hebben leren kennen. Zij zullen blinken als de sterren van de hemel, eeuwig en altijd; en wanneer de Heere van het leven en van de heerlijkheid ten tweeden male zonder zonde gezien zal worden tot zaligheid, dan zullen ook zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Aan de lezer…
Treurt u, lezer, over uw onvruchtbaarheid, uw doodsheid en uw onmacht om het goede te doen? Voelt u zich als in het donker, verlaten en arm? Hoe vreemd het u ook lijkt: het is het licht dat de duisternis openbaart, en het leven dat u de doodsheid doet voelen. Een dode ziel treurt niet; zulk treuren is een bewijs van het werk van de genade in het hart.
Leg dan uw bevinding naast die van de psalmist en zeg met hem: „Op U zijn mijn ogen, Heere Heere; op U betrouw ik; ontbloot mijn ziel niet.” Dit zijn de voetstappen van de schapen. Waar zo’n gebed in het hart gewerkt wordt, zal het antwoord niet uitblijven, en waar het antwoord komt, daar zal stof zijn tot eeuwigdurende lof. De Heere zal de hulpbehoevende ziel niet verlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But mine eyes are unto thee, O GOD the Lord: in thee is my trust; leave not my soul destitute.”
Psalm 141:8
The very cry is a pledge that the Lord will not leave the soul destitute. Strange though it be to us; it is the light that shows darkness; it is life that makes us feel deadness; no, more, it is fertility and fruitfulness that make us feel barrenness; it is riches that make us feel poverty; it is God’s teaching and presence that make us feel destitution. This very mourning over our barrenness; this very feeling of our inability to do good, is a proof of the life of God in the soul, an evidence of the work of grace in the heart.
“Leave not my soul destitute.” This is something genuine; this is heart-work; these are the footsteps of the flock; these are the leadings and teachings of God the Spirit in the hearts of the redeemed. These things are saving; these things will lead the soul to eternal glory. And he that knows any of these things by personal experience will one day see the glory of the Lord face to face.
What do we, then, know of these things? Can we lay our experience side by side with this experience of the Psalmist, and say, “My eyes are unto You, O God the Lord; in You is my trust; leave not my soul destitute?” Wherever that prayer is, it will bring an answer; and wherever that answer is, there will be matter for everlasting praise. Blessed are the souls that know these things from genuine heartfelt experience. They will shine forth as stars forever and ever; and when the Lord of life and glory comes a second time without sin unto salvation, then shall they also appear with Him in glory.
To the reader…
Are you mourning, reader, over your barrenness, your deadness, and your inability to do good? Do you feel as though in the dark, forsaken and poor? However strange it may seem to you: it is the light that shows the darkness, and the life that makes you feel the deadness. A dead soul does not mourn; such mourning is a proof of the work of grace in the heart.
Lay your experience, then, beside that of the psalmist and say with him, “Mine eyes are unto Thee, O God the Lord: in Thee is my trust; leave not my soul destitute.” These are the footsteps of the flock. Where such a prayer is wrought in the heart, the answer will not fail to come, and where the answer comes, there will be matter for everlasting praise. The Lord will not forsake the needy soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por tanto á ti, oh Jehová Señor, miran mis ojos: en ti he confiado, no desampares mi alma.”
Salmo 141:8
El mismo clamor es una prenda de que el Señor no dejará desamparada al alma. Por extraño que nos parezca, es la luz la que muestra las tinieblas; es la vida la que nos hace sentir la muerte espiritual; más aún, es la fertilidad y la fecundidad lo que nos hace sentir la esterilidad; son las riquezas las que nos hacen sentir la pobreza; son la enseñanza y la presencia de Dios las que nos hacen sentir el desamparo. Este mismo lamento por nuestra esterilidad, este mismo sentimiento de nuestra incapacidad para hacer el bien, es una prueba de la vida de Dios en el alma, una evidencia de la obra de la gracia en el corazón.
“No desampares mi alma.” Esto es algo genuino; esto es obra del corazón; estas son las huellas del rebaño; estas son la guía y la enseñanza de Dios el Espíritu en los corazones de los redimidos. Estas cosas son salvadoras; estas cosas llevarán al alma a la gloria eterna. Y el que conoce alguna de estas cosas por experiencia personal verá un día cara a cara la gloria del Señor.
¿Qué sabemos, pues, de estas cosas? ¿Podemos poner nuestra experiencia al lado de esta experiencia del salmista, y decir: “A Ti, oh Jehová Señor, miran mis ojos; en Ti he confiado; no desampares mi alma”? Dondequiera que esté esa oración, traerá una respuesta; y dondequiera que esté esa respuesta, habrá motivo de alabanza eterna. Bienaventuradas las almas que conocen estas cosas por una experiencia genuina y sentida en el corazón. Resplandecerán como las estrellas por los siglos de los siglos; y cuando el Señor de la vida y de la gloria venga por segunda vez, sin pecado, para salvación, entonces también ellas aparecerán con Él en gloria.
Al lector…
¿Se lamenta usted, lector, por su esterilidad, su muerte espiritual y su incapacidad para hacer el bien? ¿Se siente como en tinieblas, desamparado y pobre? Por extraño que le parezca: es la luz la que muestra las tinieblas, y la vida la que le hace sentir la muerte espiritual. Un alma muerta no se lamenta; tal lamento es una prueba de la obra de la gracia en el corazón.
Ponga, pues, su experiencia al lado de la del salmista y diga con él: “A Ti, oh Jehová Señor, miran mis ojos: en Ti he confiado, no desampares mi alma.” Estas son las huellas del rebaño. Donde tal oración es obrada en el corazón, la respuesta no dejará de venir, y donde viene la respuesta, habrá motivo de alabanza eterna. El Señor no abandonará al alma menesterosa.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl