6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Gedenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot uw volk; bezoek mij met uw heil.
Psalm 106:4
Hoe heeft de mens het geleerd, dat hij behoefte heeft aan behoudenis? Hij moet eerst iets weten van veroordeling. Behoudenis betreft alleen de veroordeelde. „De Zoon des mensen kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was”, en daarom past behoudenis alleen de verlorene. Een mens moet verloren, geheel verloren zijn, vóórdat hij Gods behoudenis kan waarderen. En hoe is hij verloren? Door al zijn godsdienst, al zijn kracht, al zijn vertrouwen, al zijn hoop, alles wat vleselijk is te verliezen; het te verliezen doordat het hem door Gods hand geheel is ontnomen.
Een man die tot volslagen armoede, tot onvermogen om te betalen gebracht is — niets te zijn — niets te hebben — niets te weten — hij is de man die in de nachtwaken, in zijn stille uren, bij zijn haard, en somtijds bijna nacht en dag roept, kermt, smeekt, zweet, zoekt en bidt om de openbaring van Gods heil aan zijn ziel. „O! bezoek mij met uw heil.” Hij wenst dat God kome en bij hem wone, in zijn hart Zich vestige, Zich aan hem ontdekke, Zich betone en openbare, met hem nederzit, eet, wandelt en in hem woont als zijn God. En een levende ziel kan met niets anders dan dit tevreden zijn.
Hij moet een bezoek hebben. Het baat hem niet in het Woord van God te lezen wat God aan Zijn heiligen gedaan heeft in de dagen van ouds; hij heeft iets nodig voor zichzelf, iets dat zijn ziel goed zal doen; hij behoeft iets dat hem zal opbeuren, verfrissen, vertroosten, zegenen en winst aanbrengen, zijn last verminderen en vrede geven aan zijn ziel. En daartoe heeft hij een bezoek nodig, opdat de tegenwoordigheid en de macht, de barmhartigheid en de liefde Gods zijn ziel mochten bezoeken.
’t Is de Heer, wiens alvermogen
’t groot heelal heeft voortgebracht;
die genadig uit den hogen
ziet, wie op zijn bijstand wacht,
en aan elk, die Hem verbeidt
trouwe houdt in eeuwigheid.
Ps. 146:4
Aan de lezer…
Bent u, lezer, arm geworden in uzelf? Is u ontnomen waarop u steunde, uw godsdienst, uw kracht, uw vertrouwen, zodat u niets meer bent en niets meer hebt? Dat is een donkere weg, maar geen verloren weg. Bedenk dan: alleen wie verloren is, leert Gods behoudenis waarderen, want de Zoon des mensen kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.
Roept u dan in de nachtwaken en in uw stille uren: „Bezoek mij met Uw heil”? Kunt u niet tevreden zijn met te lezen wat God vroeger aan Zijn heiligen deed, maar hebt u iets nodig voor uzelf? Dat is de taal van een levende ziel. Houd aan bij Hem. Hij Die u zo leerde zoeken, zal met Zijn tegenwoordigheid, Zijn barmhartigheid en Zijn liefde uw ziel komen bezoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gedenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot uw volk; bezoek mij met uw heil.
Psalm 106:4
Hoe heeft de mens geleerd dat hij behoudenis nodig heeft? Hij moet eerst iets weten van veroordeling. Behoudenis gaat alleen de veroordeelde aan. „De Zoon des mensen kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was”, en daarom past behoudenis alleen bij wie verloren is. Een mens moet verloren zijn, helemaal verloren, voordat hij Gods behoudenis kan waarderen. En hoe raakt hij verloren? Doordat hij al zijn godsdienst, al zijn kracht, al zijn vertrouwen, al zijn hoop, alles wat vleselijk is, verliest; doordat het hem door Gods hand volledig ontnomen wordt.
Een man die tot volslagen armoede gebracht is, tot onvermogen om te betalen, die niets is, niets heeft en niets weet: hij is de man die in de nachtwaken, in zijn stille uren, bij zijn haard, en soms bijna dag en nacht roept, kermt, smeekt, zweet, zoekt en bidt om de openbaring van Gods heil aan zijn ziel. „O! bezoek mij met uw heil.” Hij wenst dat God komt en bij hem woont, Zich in zijn hart vestigt, Zich aan hem bekendmaakt, Zich betoont en openbaart, met hem neerzit, eet en wandelt, en in hem woont als zijn God. En een levende ziel kan met niets anders tevreden zijn dan hiermee.
Hij moet een bezoek ontvangen. Het helpt hem niet om in het Woord van God te lezen wat God in vroeger dagen aan Zijn heiligen gedaan heeft. Hij heeft iets nodig voor zichzelf, iets dat zijn ziel goed zal doen. Hij heeft iets nodig dat hem zal opbeuren, verfrissen, vertroosten, zegenen en winst brengen, dat zijn last zal verlichten en vrede aan zijn ziel zal geven. En daarvoor heeft hij een bezoek nodig: dat de tegenwoordigheid en de macht, de barmhartigheid en de liefde van God zijn ziel mogen bezoeken.
’t Is de Heer, wiens alvermogen
’t groot heelal heeft voortgebracht;
die genadig uit den hogen
ziet, wie op zijn bijstand wacht,
en aan elk, die Hem verbeidt
trouwe houdt in eeuwigheid.
Ps. 146:4
Aan de lezer…
Bent u, lezer, arm geworden in uzelf? Is u ontnomen waarop u steunde, uw godsdienst, uw kracht, uw vertrouwen, zodat u niets meer bent en niets meer hebt? Dat is een donkere weg, maar geen verloren weg. Bedenk dan: alleen wie verloren is, leert Gods behoudenis waarderen, want de Zoon des mensen kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.
Roept u dan in de nachtwaken en in uw stille uren: „Bezoek mij met Uw heil”? Kunt u niet tevreden zijn met lezen wat God vroeger aan Zijn heiligen deed, maar hebt u iets nodig voor uzelf? Dat is de taal van een levende ziel. Houd aan bij Hem. Hij Die u zo leerde zoeken, zal met Zijn tegenwoordigheid, Zijn barmhartigheid en Zijn liefde uw ziel komen bezoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Remember me, O LORD, with the favour that thou bearest unto thy people: O visit me with thy salvation.
Psalm 106:4
How is a man brought and taught to want to be “visited with” God’s salvation? He must know something first of condemnation. Salvation only suits the condemned. “The Son of man came to seek and to save that which was lost;” and therefore salvation only suits the lost. A man must be lost–utterly lost–before he can prize God’s salvation.
And how is he lost? By losing all his religion, losing all his righteousness, losing all his strength, losing all his confidence, losing all his hopes, losing all that is of the flesh; losing it by its being taken from him, and stripped away by the hand of God. A man who is brought into this state of utter beggary and complete bankruptcy–to be nothing, to have nothing, to know nothing–he is the man, who in the midnight watches, in his lonely hours, by his fireside, and at times, well-near night and day, is crying, groaning, begging, suing, seeking, and praying after the manifestation of God’s salvation to his soul. “O visit me with Your salvation.”
He needs a visit from God; he needs God to come and dwell with him, take up His abode in his heart, discover Himself to him, manifest and reveal Himself, sit down with him, eat with him, walk with him, and dwell in him as his God. And a living soul can be satisfied with nothing short of this. He must have a visit from God. It profits him little to read in the Word of God what God did to His saints of old; he needs something for himself, something that shall do his soul good; he needs something that shall cheer, refresh, comfort, bless, and profit him, remove his burdens, and settle his soul into peace. And therefore he needs a visitation–that the presence and power, the mercy and the love of God should visit his soul.
To the reader…
Have you become poor in yourself? Has what you leaned upon been taken from you, your religion, your strength, your confidence, so that you are nothing and have nothing any more? That is a dark way, but not a lost way. Remember, then: only one who is lost learns to prize God’s salvation, for the Son of man came to seek and to save that which was lost.
Do you cry, then, in the night watches and in your quiet hours, “O visit me with Thy salvation”? Can you not be satisfied with reading what God once did for His saints, but do you need something for yourself? That is the language of a living soul. Keep on pleading with Him. He Who taught you to seek like this will come to visit your soul with His presence, His mercy and His love.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Acuérdate de mí, oh Jehová, según Tu benevolencia para con Tu pueblo: visítame con Tu salud.
Salmo 106:4
¿Cómo es llevado y enseñado un hombre a desear ser “visitado con” la salvación de Dios? Primero tiene que conocer algo de la condenación. La salvación solo conviene a los condenados. “El Hijo del hombre vino a buscar y a salvar lo que se había perdido”; y por tanto la salvación solo conviene a los perdidos. Un hombre tiene que estar perdido, completamente perdido, antes de poder apreciar la salvación de Dios.
¿Y cómo se pierde? Perdiendo toda su religión, perdiendo toda su justicia, perdiendo toda su fuerza, perdiendo toda su confianza, perdiendo todas sus esperanzas, perdiendo todo lo que es de la carne; perdiéndolo porque le es quitado y arrancado por la mano de Dios. Un hombre que es llevado a este estado de total mendicidad y completa bancarrota, a ser nada, a no tener nada, a no saber nada, es el hombre que en las vigilias de medianoche, en sus horas solitarias, junto a su hogar, y a veces casi noche y día, clama, gime, mendiga, suplica, busca y ora por la manifestación de la salvación de Dios a su alma. “Visítame con Tu salud”.
Necesita una visita de Dios; necesita que Dios venga y habite con él, establezca Su morada en su corazón, se le descubra, se le manifieste y revele, se siente con él, coma con él, ande con él y habite en él como su Dios. Y un alma viva no puede quedar satisfecha con nada menos que esto. Ha de tener una visita de Dios. Poco le aprovecha leer en la Palabra de Dios lo que Dios hizo con Sus santos de antaño; necesita algo para sí mismo, algo que haga bien a su alma; necesita algo que le anime, refresque, consuele, bendiga y aproveche, que quite sus cargas y asiente su alma en paz. Y por eso necesita una visitación: que la presencia y el poder, la misericordia y el amor de Dios visiten su alma.
Al lector…
¿Se ha vuelto usted pobre en sí mismo? ¿Le han quitado aquello en lo que se apoyaba, su religión, su fuerza, su confianza, de modo que ya no es nada ni tiene nada? Es un camino oscuro, pero no un camino perdido. Recuerde, pues: solo quien está perdido aprende a apreciar la salvación de Dios, porque el Hijo del hombre vino a buscar y a salvar lo que se había perdido.
¿Clama usted, entonces, en las vigilias de la noche y en sus horas de quietud: “Visítame con Tu salud”? ¿No puede quedar satisfecho con leer lo que Dios hizo una vez por Sus santos, sino que necesita algo para sí mismo? Ese es el lenguaje de un alma viva. Siga suplicándole. El que le enseñó a buscar así vendrá a visitar su alma con Su presencia, Su misericordia y Su amor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Verzoend door Christus’ dood en leven
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
Romeinen 5:10
We kunnen alleen met God worden „verzoend” als de vijandschap is verwijderd. Het is in de genade zoals in de natuur. Neem twee vrienden die als broers samen door het leven zijn gegaan. Er vindt een scheiding plaats; vijandschap begint zich in het hart van de ene of van de andere voort te planten; ze raken verdeeld en worden misschien wel vijanden. Ze kunnen met elkaar worden verzoend, maar alleen echt als de vijandschap uit het hart wordt verwijderd. Met alle andere verzoening wordt de breuk alleen maar opgelapt; zij is hol en onoprecht; zij is niet werkelijk en heeft geen diepgang. De vijandschap moet eerst worden verwijderd voor er enige werkelijke verzoening kan plaatsvinden.
Net zo is het met de mens en God. Alleen als de vijandschap wordt weggenomen, kan er verzoening plaatsvinden. Dus wordt meteen duidelijk hoe onbeduidend en onwaar het denkbeeld is dat een paar rechtvaardige werken onze van nature gevallen aard kunnen opheffen. Ze kunnen de vijandschap niet wegnemen; ze zijn als het bloed van stieren en bokken, ze kunnen nooit de zonde weer goedmaken; als de as van de rode vaars (Num. 19:2) kunnen ze misschien het vlees zuiveren, maar hierin slagen zij niet.
Er was iets meer nodig, iets wat God Zelf schonk, en dat was de dood van Zijn eigen Zoon: „Toen wij vijanden waren, werden we met God verzoend door de dood Zijns Zoons” (Rom. 5:10). Zijn geliefde Zoon die voor ons in de plaats komt; onze natuur aanneemt; onze zonden draagt in Zijn eigen lichaam aan het kruis; de wet gehoorzaamt waaraan wij ongehoorzaam waren geweest; een gerechtigheid vervult waarin wij volkomen waren tekortgeschoten; de vloek verdraagt en de straf ondergaat; op deze wijze, door de dood, heeft Hij de vijanden met God verzoend; heeft Hij de wet gehoorzaamd die in de weg stond; heeft Hij Gods rechtvaardigheid vervuld; heeft Hij onze overtredingen weggedaan en zo alle vijandschap weggenomen.
Lezen: Handelingen 4:1-20
Aan de lezer…
Kent u die pijn van een vriendschap die gebroken is, waarbij een opgelapte vrede u niet kan geruststellen, omdat u weet dat de vijandschap in het hart nog leeft? Zo is het ook tussen de ziel en God. Geen werk van onze handen kan die vijandschap wegnemen. Wie dat eerlijk heeft leren zien, staat met lege handen en weet niet meer waar hij heen moet.
Lieve lezer, juist daar begint de blijde boodschap. Toen wij vijanden waren, werden wij met God verzoend door de dood Zijns Zoons. Hij kwam in onze plaats, gehoorzaamde de wet waaraan wij ongehoorzaam waren, en vervulde de gerechtigheid waarin wij tekortschoten. Zo heeft Hij Gods rechtvaardigheid vervuld en onze overtredingen weggedaan. Rust dan niet in uw eigen pogingen, maar in Zijn volbrachte werk; daar alleen is werkelijke en blijvende vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
Romeinen 5:10
We kunnen alleen met God „verzoend” worden als de vijandschap is weggenomen. Het is in de genade net als in de natuur. Neem twee vrienden die als broers samen door het leven zijn gegaan. Er komt een verwijdering; in het hart van de een of de ander begint vijandschap te groeien; ze raken verdeeld en worden misschien zelfs vijanden. Ze kunnen met elkaar verzoend worden, maar alleen werkelijk als de vijandschap uit het hart wordt weggenomen. Bij elke andere verzoening wordt de breuk alleen maar opgelapt; die is hol en onoprecht, niet echt en zonder diepgang. Eerst moet de vijandschap worden weggenomen voordat er enige werkelijke verzoening kan plaatsvinden.
Zo is het ook tussen de mens en God. Alleen als de vijandschap wordt weggenomen, kan er verzoening plaatsvinden. Zo wordt meteen duidelijk hoe nietig en onwaar de gedachte is dat een paar rechtvaardige werken onze van nature gevallen staat kunnen opheffen. Ze kunnen de vijandschap niet wegnemen. Ze zijn als het bloed van stieren en bokken: ze kunnen de zonde nooit goedmaken. Als de as van de rode vaars (Num. 19:2) kunnen ze misschien het vlees reinigen, maar hierin slagen ze niet.
Er was iets meer nodig, iets wat God Zelf schonk, en dat was de dood van Zijn eigen Zoon: „Toen wij vijanden waren, werden we met God verzoend door de dood Zijns Zoons” (Rom. 5:10). Zijn geliefde Zoon kwam in onze plaats; Hij nam onze natuur aan; Hij droeg onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het kruis; Hij gehoorzaamde de wet waaraan wij ongehoorzaam waren geweest; Hij vervulde een gerechtigheid waarin wij volkomen tekort waren geschoten; Hij droeg de vloek en onderging de straf. Op deze manier, door de dood, heeft Hij de vijanden met God verzoend. Hij heeft de wet gehoorzaamd die in de weg stond, Gods rechtvaardigheid vervuld, onze overtredingen weggedaan en zo alle vijandschap weggenomen.
Lezen: Handelingen 4:1-20
Aan de lezer…
Kent u die pijn van een vriendschap die gebroken is, waarbij een opgelapte vrede u niet kan geruststellen, omdat u weet dat de vijandschap in het hart nog leeft? Zo is het ook tussen de ziel en God. Geen werk van onze handen kan die vijandschap wegnemen. Wie dat eerlijk heeft leren zien, staat met lege handen en weet niet meer waar hij heen moet.
Maar juist daar, lezer, begint de blijde boodschap. Toen wij vijanden waren, werden wij met God verzoend door de dood Zijns Zoons. Hij kwam in onze plaats, gehoorzaamde de wet waaraan wij ongehoorzaam waren, en vervulde de gerechtigheid waarin wij tekortschoten. Zo heeft Hij Gods rechtvaardigheid vervuld en onze overtredingen weggedaan. Rust dan niet in uw eigen pogingen, maar in Zijn volbrachte werk; daar alleen is werkelijke en blijvende vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For if, when we were enemies, we were reconciled to God by the death of His Son, much more, being reconciled, we shall be saved by His life.
Romans 5:10
We can only be “reconciled” to God when the enmity is taken away. It is in grace as it is in nature. Take two friends who have gone through life together like brothers. An estrangement comes; enmity begins to grow in the heart of one or the other; they are divided and perhaps even become enemies. They may be reconciled to each other, but only truly so when the enmity is taken out of the heart. Every other reconciliation merely patches up the breach; it is hollow and insincere, not real and without depth. First the enmity must be taken away before any real reconciliation can take place.
So it is between man and God. Only when the enmity is taken away can reconciliation take place. Thus it is at once evident how vain and false is the notion that a few righteous works can lift up our naturally fallen state. They cannot take away the enmity. They are like the blood of bulls and goats: they can never take away sin. Like the ashes of the red heifer (Num. 19:2) they may perhaps sanctify to the purifying of the flesh, but in this they do not succeed.
Something more was needed, something which God Himself gave, and that was the death of His own Son: “When we were enemies, we were reconciled to God by the death of His Son” (Rom. 5:10). His beloved Son came in our place; He took our nature; He bore our sins in His own body on the tree; He obeyed the law which we had disobeyed; He fulfilled a righteousness in which we had utterly failed; He bore the curse and endured the penalty. In this way, by death, He reconciled the enemies to God. He obeyed the law that stood in the way, satisfied God’s justice, put away our transgressions and so took away all enmity.
Reading: Acts 4:1-20
To the reader…
Do you know the pain of a broken friendship, where a patched-up peace cannot set you at rest, because you know that the enmity still lives in the heart? So it is between the soul and God. No work of our hands can take that enmity away. Whoever has honestly learned to see this stands with empty hands and no longer knows where to turn.
But it is just there, reader, that the good news begins. When we were enemies, we were reconciled to God by the death of His Son. He came in our place, obeyed the law which we had disobeyed, and fulfilled the righteousness in which we fell short. So He satisfied God’s justice and put away our transgressions. Do not rest, then, in your own efforts, but in His finished work; there alone is real and lasting peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque si siendo enemigos, fuimos reconciliados con Dios por la muerte de Su Hijo, mucho más, estando reconciliados, seremos salvos por Su vida.
Romanos 5:10
Solo podemos ser “reconciliados” con Dios cuando la enemistad es quitada. En la gracia sucede como en la naturaleza. Piense en dos amigos que han recorrido juntos la vida como hermanos. Llega un distanciamiento; la enemistad empieza a crecer en el corazón de uno u otro; se separan y quizá incluso llegan a ser enemigos. Pueden reconciliarse entre sí, pero solo de verdad cuando la enemistad es quitada del corazón. Cualquier otra reconciliación no hace más que remendar la brecha; es hueca e insincera, no real y sin profundidad. Primero debe quitarse la enemistad antes de que pueda haber una reconciliación verdadera.
Así sucede entre el hombre y Dios. Solo cuando la enemistad es quitada puede haber reconciliación. Así se ve enseguida cuán vana y falsa es la idea de que unas pocas obras justas puedan levantar nuestro estado naturalmente caído. No pueden quitar la enemistad. Son como la sangre de los toros y de los machos cabríos: nunca pueden quitar el pecado. Como la ceniza de la vaca bermeja (Núm. 19:2), quizá puedan santificar para la purificación de la carne, pero en esto no tienen éxito.
Se necesitaba algo más, algo que Dios mismo dio, y eso fue la muerte de Su propio Hijo: “Siendo enemigos, fuimos reconciliados con Dios por la muerte de Su Hijo” (Rom. 5:10). Su Hijo amado vino en nuestro lugar; tomó nuestra naturaleza; llevó nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero; obedeció la ley que nosotros habíamos desobedecido; cumplió una justicia en la que nosotros habíamos fracasado por completo; llevó la maldición y sufrió el castigo. De este modo, por la muerte, reconcilió a los enemigos con Dios. Obedeció la ley que estorbaba el camino, satisfizo la justicia de Dios, quitó nuestras transgresiones y así quitó toda enemistad.
Lectura: Hechos 4:1-20
Al lector…
¿Conoce usted el dolor de una amistad rota, en la que una paz remendada no puede darle descanso, porque sabe que la enemistad todavía vive en el corazón? Así sucede entre el alma y Dios. Ninguna obra de nuestras manos puede quitar esa enemistad. Quien ha aprendido sinceramente a ver esto se queda con las manos vacías y ya no sabe adónde volverse.
Pero es precisamente ahí, lector, donde comienza la buena noticia. Siendo enemigos, fuimos reconciliados con Dios por la muerte de Su Hijo. Él vino en nuestro lugar, obedeció la ley que nosotros habíamos desobedecido y cumplió la justicia en la que nosotros fallamos. Así satisfizo la justicia de Dios y quitó nuestras transgresiones. No descanse, pues, en sus propios esfuerzos, sino en Su obra consumada; solo allí hay paz verdadera y duradera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
Efeze 5:27
Noch anderen, noch ook wij zien wat de kerk eenmaal zijn zal en wat zij ooit was in het oog van Jezus. Hij kon door alle omstandigheden van de tijd heenzien, door alle zonden en smarten van dit tussenliggend tijdperk, en Zijn oog vestigen op de dag Zijner bruiloft, de dag wanneer Hij voor de ogen aller engelen in het hof des hemels, in het Koninkrijk van eeuwige heerlijkheid, Zichzelf zal voorstellen een verheerlijkte gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks. O, wat een dag zal dit zijn, wanneer de Zoon van God in het openbaar Zijn ondertrouwde bruid zal huwen, wanneer er in de hemel zal gehoord worden „als een stem van vele wateren en als de stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja! want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst! Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft haarzelf bereid” (Openb. 19:7).
Hoe gereinigd, hoe geheiligd, gewassen en gekleed moet de kerk te dien dage wel zijn, als de ogen der Alwetendheid, die de minste afwijking van de oneindige zuiverheid gadeslaan, in haar noch vlek noch rimpel kunnen bespeuren, zodat God Zelf in de fonkelende vlam Zijner heerlijkheid van de kerk mag zeggen: Ik heb haar bespied met een alwetend oog; Ik heb gelet op elk lid van het verborgen lichaam van Mijn beminde Zoon; Ik heb ieder van hen onderzocht met de ogen Mijner Godheid; maar er is geen vlek of rimpel in één van hen; zij allen zijn volmaakt in Hem en aangenaam in de Geliefde.
Maar, kunt gij vragen, en dit is een vraag die gij wel consciëntieus overwegen moogt: Hoe zal ik het weten, dat ik op die dag zonder vlek of rimpel staan zal? Om deze vraag te beantwoorden, vraag ik: Wat kent gij van de reinigende, heiligende invloeden der wederbarende genade; dat het Woord der waarheid vat kreeg op uw consciëntie en met kracht in uw hart kwam? Wat kent gij van de toepassing van Christus’ bloed en van de liefde Gods, in uw hart uitgestort door de Heilige Geest? Is dit een levensvraag die gij doet, en kunt gij hetgeen wij voorgesteld hebben niet vasthouden, gij zult, vóór gij van dit lage toneel zult worden afgeroepen, gezegend worden met een levend geloof in de Zoon van God, en met de toepassing van Zijn liefde en bloed op uw consciëntie. En wanneer uw tijd zal ten einde zijn, zult gij in een heerlijke eeuwigheid ingaan, waar gij zult verlost zijn van al uw drukkende zonden en smarten, vrezen en benauwdheden, èn gij zult op die grote dag onder de verheerlijkte kerk worden voorgesteld, die noch vlek, noch rimpel of iets dergelijks meer hebben zal.
Doch indien gij leeft en sterft zonder enig aandeel in deze hemelse zegeningen, zou ik dan wel getrouw mijn ambt uitvoeren, indien ik zeide dat het u wel gaan zal? Zou het goed zijn, als ik u predikte dat gij op uw doodbed slechts om een leraar te zenden hebt om aan uw bedzijde voor u te bidden en u het sacrament te geven en enige troostelijke woorden tot u te spreken? Zou uw ziel daarbij welvaren? Zou ik getrouw in mijn bediening zijn, wanneer ik u bemoedigde met een leugen als deze, een leugen waardoor voortdurend duizenden misleid worden? Ik durf dat niet te doen. Ja, ik zou mijn stem verheffen en luide uitroepen: Er is geen zaligheid in het verleden, in het heden en in het toekomende, dan die voortkomt uit het dierbare bloed van het Lam, en die bevindelijk wordt bekendgemaakt aan het hart door de bediening van de Heilige Geest.
Aan de lezer…
Misschien ziet u, als u in uw eigen hart kijkt, niets dan vlekken en rimpels, en vraagt u met beven: hoe zal ik ooit op die grote dag zonder vlek staan? Het is een vraag die u wel consciëntieus mag overwegen, en ik ontloop haar niet. Ik wil u geen valse troost geven op een sterfbed, geen leugen waardoor duizenden misleid worden. Er is geen zaligheid dan die voortkomt uit het dierbare bloed van het Lam.
Maar hoor ook wat hij zegt tegen wie deze vraag als een levensvraag kent: zulk een zal gezegend worden met een levend geloof in de Zoon van God. Christus heeft door alle zonden en smarten heen gezien naar de dag Zijner bruiloft. Wat u in uzelf niet ziet, ziet Hij in de Zijnen: volmaakt in Hem en aangenaam in de Geliefde. Blijf dan zoeken naar de toepassing van Zijn liefde en bloed. Hij zal Zijn bruid Zichzelf heerlijk voorstellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
Efeze 5:27
Noch anderen, noch wijzelf zien wat de kerk eenmaal zal zijn en wat zij altijd was in de ogen van Jezus. Hij kon door alle omstandigheden van de tijd heen zien, door alle zonden en smarten van deze tussenliggende periode, en Zijn oog richten op de dag van Zijn bruiloft. Dat is de dag waarop Hij voor de ogen van alle engelen, in het hof van de hemel, in het Koninkrijk van eeuwige heerlijkheid, Zichzelf een verheerlijkte gemeente zal voorstellen, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks. O, wat een dag zal dat zijn, wanneer de Zoon van God in het openbaar Zijn ondertrouwde bruid zal huwen, wanneer in de hemel gehoord zal worden „als een stem van vele wateren en als de stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja! want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst! Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft haarzelf bereid” (Openb. 19:7).
Hoe gereinigd, hoe geheiligd, gewassen en gekleed moet de kerk op die dag wel zijn, wanneer de ogen van de Alwetendheid, die de geringste afwijking van de oneindige zuiverheid opmerken, in haar noch vlek noch rimpel kunnen ontdekken! Dan mag God Zelf in de fonkelende vlam van Zijn heerlijkheid van de kerk zeggen: Ik heb haar nagespeurd met een alwetend oog; Ik heb gelet op elk lid van het verborgen lichaam van Mijn geliefde Zoon; Ik heb ieder van hen onderzocht met de ogen van Mijn Godheid; maar er is geen vlek of rimpel in één van hen; zij zijn allen volmaakt in Hem en aangenaam in de Geliefde.
Maar u kunt vragen, en dat is een vraag die u wel nauwgezet mag overwegen: Hoe zal ik weten dat ik op die dag zonder vlek of rimpel zal staan? Om deze vraag te beantwoorden, vraag ik: Wat kent u van de reinigende, heiligende invloeden van de wederbarende genade, waardoor het Woord van de waarheid vat kreeg op uw geweten en met kracht in uw hart kwam? Wat kent u van de toepassing van Christus’ bloed en van de liefde van God, in uw hart uitgestort door de Heilige Geest? Is dit voor u een levensvraag, en kunt u wat wij voorgesteld hebben niet vasthouden, dan zult u, voordat u van dit lage toneel wordt weggeroepen, gezegend worden met een levend geloof in de Zoon van God en met de toepassing van Zijn liefde en bloed op uw geweten. En wanneer uw tijd ten einde is, zult u een heerlijke eeuwigheid binnengaan, waar u verlost zult zijn van al uw drukkende zonden en smarten, vrezen en benauwdheden. Dan zult u op die grote dag voorgesteld worden onder de verheerlijkte kerk, die noch vlek, noch rimpel of iets dergelijks meer zal hebben.
Maar als u leeft en sterft zonder enig deel aan deze hemelse zegeningen, zou ik mijn ambt dan wel getrouw uitoefenen als ik zei dat het u goed zal gaan? Zou het goed zijn als ik u preekte dat u op uw sterfbed alleen maar een predikant hoeft te laten halen om aan uw bed voor u te bidden, u het sacrament te geven en enkele troostende woorden tot u te spreken? Zou uw ziel daarbij wel varen? Zou ik getrouw zijn in mijn bediening als ik u bemoedigde met zo’n leugen, een leugen waardoor voortdurend duizenden misleid worden? Dat durf ik niet te doen. Ja, ik zou mijn stem verheffen en luid uitroepen: Er is geen zaligheid, in het verleden, in het heden of in de toekomst, dan die voortkomt uit het dierbare bloed van het Lam, en die bevindelijk aan het hart bekendgemaakt wordt door de bediening van de Heilige Geest.
Aan de lezer…
Misschien ziet u, als u in uw eigen hart kijkt, niets dan vlekken en rimpels, en vraagt u met beven: hoe zal ik ooit op die grote dag zonder vlek staan? Het is een vraag die u wel nauwgezet mag overwegen, en ik ontloop haar niet. Ik wil u geen valse troost geven op een sterfbed, geen leugen waardoor duizenden misleid worden. Er is geen zaligheid dan die voortkomt uit het dierbare bloed van het Lam.
Maar hoor ook wat er gezegd wordt tegen wie deze vraag als een levensvraag kent: zo iemand zal gezegend worden met een levend geloof in de Zoon van God. Christus heeft door alle zonden en smarten heen gezien naar de dag van Zijn bruiloft. Wat u in uzelf niet ziet, ziet Hij in de Zijnen: volmaakt in Hem en aangenaam in de Geliefde. Blijf dan zoeken naar de toepassing van Zijn liefde en bloed. Hij zal Zijn bruid Zichzelf heerlijk voorstellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That He might present it to Himself a glorious church, not having spot, or wrinkle, or any such thing; but that it should be holy and without blemish.
Ephesians 5:27
We do not now see what the Church one day will be, and what she ever was in the eyes of Jesus. He could look through all this time-state, through all the sins and sorrows of this intermediate period, and fix His eye upon the bridal day, the day when before assembled angels, in the courts of heaven, in the realms of eternal bliss, He should present her to Himself a glorious Church, not having spot or wrinkle or any such thing, but holy, and without blemish.
O what a day will that be, when the Son of God shall openly wed His espoused bride; when there shall be heard in heaven, “as the voice of many waters, and as the voice of mighty thunderings, saying, Alleluia—for the Lord God omnipotent reigns! Let us be glad and rejoice, and give honor to Him—for the marriage of the Lamb has come, and His wife has made herself ready” (Rev. 19:7).
How cleansed, how sanctified, how washed, how clothed must the Church be in that day when the very eyes of omniscience, which can read the slightest departure, even a wrinkle, from infinite purity, will find in her neither spot nor blemish, so that God Himself in all the blaze of His holiness may say of the Church, “I have viewed her with an omniscient eye; I have looked at every member of the mystical body of My dear Son; I have examined each with all the eyes of Godhead; but there is no spot, there is no wrinkle, no blemish in any one of them; all are complete in Him; all stand accepted in the Beloved.”
But you may ask, and this is an inquiry well worth pressing upon your conscience, “How am I to know that I shall stand at that day without spot or wrinkle?” To answer that inquiry, what do you know, I ask, of the cleansing, sanctifying influences of regenerating grace, of the word of truth laying hold of your conscience, of the word of power coming into your heart, of the blood of Christ being applied, and the love of God shed abroad in your heart by the Holy Spirit? If not now, yet before you are called away from these lower scenes, you are blessed with a living faith in the Son of God, with the application of His love and blood to your conscience, when time ends with you, it will open to you a glorious eternity, and forever delivered from all your present sins and sorrows, fears and anxieties, you will be presented at the great day among that glorious Church, which has neither spot nor wrinkle nor any such thing.
But if you live and die without any saving interest in these heavenly blessings, would I be faithful to my commission and to my conscience, if I were to say it will be all well with you?—that you have only on your deathbed to send for a minister to pray by your bedside, give you the sacrament, and speak a few comfortable words, and it will be all right with your soul? Would I be faithful to my commission to encourage such a delusion as this, a delusion by which thousands are continually deceived? I dare not do it. Yes, I would lift up my voice and cry aloud, “There is no salvation past, present, or future, but what flows through the precious blood of the Lamb, and is made experimentally known to the soul by the power of the Holy Spirit.”
To the reader…
Perhaps, when you look into your own heart, you see nothing but spots and wrinkles, and you ask with trembling: how shall I ever stand without spot on that great day? It is a question you may well weigh carefully, and I do not evade it. I will not give you false comfort on a deathbed, no lie by which thousands are deceived. There is no salvation but what flows from the precious blood of the Lamb.
But hear also what is said to the one who knows this question as a matter of life and death: such a one will be blessed with a living faith in the Son of God. Christ looked through all the sins and sorrows to the day of His wedding. What you do not see in yourself, He sees in His own: complete in Him and accepted in the Beloved. Keep seeking, then, the application of His love and blood. He will present His bride to Himself in glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para presentársela gloriosa para Sí, una iglesia que no tuviese mancha ni arruga, ni cosa semejante; sino que fuese santa y sin mancha.
Efesios 5:27
No vemos ahora lo que la Iglesia será un día, ni lo que siempre fue a los ojos de Jesús. Él podía mirar a través de todo este estado temporal, a través de todos los pecados y tristezas de este período intermedio, y fijar Su mirada en el día de las bodas, el día en que, delante de los ángeles reunidos, en los atrios del cielo, en las regiones de la dicha eterna, Se la presentaría a Sí mismo como una Iglesia gloriosa, que no tuviese mancha ni arruga ni cosa semejante, sino santa y sin mancha.
¡Oh, qué día será aquel, cuando el Hijo de Dios se case públicamente con Su esposa desposada; cuando se oiga en el cielo “como la voz de muchas aguas, y como la voz de grandes truenos, que decía: Aleluya: porque reinó el Señor nuestro Dios Todopoderoso. Gocémonos y alegrémonos y démosle gloria; porque son venidas las bodas del Cordero, y Su esposa se ha aparejado” (Apocalipsis 19:7)!
¡Cuán limpia, cuán santificada, cuán lavada, cuán vestida ha de estar la Iglesia en aquel día, cuando los mismos ojos de la omnisciencia, que pueden leer el más leve apartamiento, aun una arruga, de la pureza infinita, no hallen en ella ni mancha ni defecto; de modo que Dios mismo, en todo el resplandor de Su santidad, pueda decir de la Iglesia: “La he mirado con ojo omnisciente; he mirado a cada miembro del cuerpo místico de Mi amado Hijo; he examinado a cada uno con todos los ojos de la Divinidad; pero no hay mancha, no hay arruga, no hay defecto en ninguno de ellos; todos están completos en Él; todos son aceptos en el Amado”!
Pero quizá pregunte usted, y es una pregunta que bien vale la pena aplicar con insistencia a su conciencia: “¿Cómo he de saber que estaré en aquel día sin mancha ni arruga?” Para responder a esa pregunta, le pregunto: ¿qué sabe usted de las influencias limpiadoras y santificadoras de la gracia regeneradora, de la palabra de verdad que se apodera de su conciencia, de la palabra de poder que entra en su corazón, de la sangre de Cristo aplicada y del amor de Dios derramado en su corazón por el Espíritu Santo? Si, aunque no sea ahora, antes de ser llamado de estos escenarios de aquí abajo, es usted bendecido con una fe viva en el Hijo de Dios, con la aplicación de Su amor y Su sangre a su conciencia, cuando el tiempo termine para usted se le abrirá una eternidad gloriosa, y, librado para siempre de todos sus pecados y tristezas, temores e inquietudes presentes, será presentado en el gran día entre aquella Iglesia gloriosa que no tiene mancha ni arruga ni cosa semejante.
Pero si usted vive y muere sin ninguna parte salvadora en estas bendiciones celestiales, ¿sería yo fiel a mi comisión y a mi conciencia si le dijera que todo le irá bien? ¿Que no tiene más que mandar llamar en su lecho de muerte a un ministro para que ore junto a su cama, le dé el sacramento y le diga unas cuantas palabras consoladoras, y todo irá bien con su alma? ¿Sería yo fiel a mi comisión si alentara un engaño como este, un engaño por el que miles son continuamente engañados? No me atrevo a hacerlo. Sí, alzaría mi voz y clamaría en alta voz: “No hay salvación, ni pasada, ni presente, ni futura, sino la que fluye por la preciosa sangre del Cordero y es dada a conocer experimentalmente al alma por el poder del Espíritu Santo.”
Al lector…
Quizá, cuando mira en su propio corazón, no ve más que manchas y arrugas, y pregunta temblando: ¿cómo podré estar jamás sin mancha en aquel gran día? Es una pregunta que bien puede sopesar con cuidado, y no la eludo. No le daré un falso consuelo en un lecho de muerte, ninguna mentira con la que miles son engañados. No hay salvación sino la que fluye de la preciosa sangre del Cordero.
Pero oiga también lo que se dice a quien conoce esta pregunta como cuestión de vida o muerte: tal persona será bendecida con una fe viva en el Hijo de Dios. Cristo miró a través de todos los pecados y tristezas hasta el día de Sus bodas. Lo que usted no ve en sí mismo, Él lo ve en los Suyos: completos en Él y aceptos en el Amado. Siga, pues, buscando la aplicación de Su amor y de Su sangre. Él Se presentará a Sí mismo a Su esposa en gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl