6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want waarbij zoude nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uwe ogen, ik en Uw volk?
Exodus 33:16
Genade wordt altijd „gevonden”. Zij wordt niet gewonnen, niet verdiend, noch ingewerkt, maar gevonden; en zo een mens haar niet „gevonden” heeft, had hij haar nooit. Zij is, om zo te zeggen, verborgen, gelijk de Heere dat uitdrukt in de gelijkenis van de man die een schat vond in de akker verborgen (Matth. 13:44). De man dacht niet aan de schat. Wij kunnen ons voorstellen hoe hij de akker omploegde. Hij vermoedde het niet dat er goud onder de kluiten was; maar hij vindt hem plotseling, op de onverwachtste en meest onvoorziene wijze, en van blijdschap daarover „gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker”.
Op deze wijze wordt ook de genade gevonden. Zij komt zó onverwacht en zó zachtkens in de ziel van een mens, dat wanneer zij komt, het is gelijk een man die iets vond, waarvan hij geen begrip had voordat hij het had gevonden. Hij wist niet wat het was, noch hoe of vanwaar het te bekomen was; maar toen het in zijn hart was, bevond hij dat hij daar een schat had.
De schat die de man in de akker vond, was hem veel aangenamer, omdat hij zo onverwacht gevonden was, dan zo hij hem stuiver voor stuiver had bijeengegaard. Doordat hij langs zulk een bijzondere weg kwam, door de verrassing en de vreugde, werd de waarde van de schat verdubbeld, verdrievoudigd. Zo ook, wanneer de genade op een onverwacht ogenblik op de aarde nederdaalt en gelijk de dauw des hemels in de ziel neerdroppelt, wordt zij hoger geschat dan zo zij met vlijt penning voor penning was verzameld. De lieflijkheid der gift is verdubbeld door haar onverwachtheid en de wonderbare en wonderlijke wijze waarop zij komt.
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God,
mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen!
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot,
dat Gij zo mild voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren!
O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
Ps. 16:3
Aan de lezer…
U die tracht genade te winnen, te verdienen of in te werken, en zwoegt om haar stuiver voor stuiver bijeen te garen, terwijl uw hart toch arm blijft, weet dan: zo komt zij niet. Genade wordt gevonden, zoals de man de schat in de akker vond: hij dacht er niet aan en vermoedde het niet, en toch lag het goud onder de kluiten waar hij ploegde.
Misschien ploegt u nu ook voort in een harde akker, zonder iets te verwachten. Geef het daarom niet op. De Heere laat Zijn genade dikwijls op het onverwachtste ogenblik als de dauw des hemels in de ziel neerdroppelen, en dan wordt zij des te hoger geschat. Bid dan met Mozes dat Hij het mag bekend maken dat u genade gevonden hebt in Zijn ogen, en vindt u haar, verkoop dan met blijdschap al wat u hebt om die schat te bezitten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want waarbij zoude nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uwe ogen, ik en Uw volk?
Exodus 33:16
Genade wordt altijd „gevonden”. Zij wordt niet gewonnen, niet verdiend en niet door eigen inspanning verkregen, maar gevonden. Wie haar niet „gevonden” heeft, heeft haar nooit bezeten. Zij is als het ware verborgen, zoals de Heere dat uitdrukt in de gelijkenis van de man die een schat vond die in een akker verborgen lag (Matth. 13:44). Die man dacht niet aan een schat. We kunnen ons voorstellen hoe hij de akker omploegde, zonder te vermoeden dat er goud onder de kluiten lag. Maar plotseling vindt hij het, op de meest onverwachte en onvoorziene manier, en van blijdschap daarover „gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker”.
Zo wordt ook de genade gevonden. Zij komt zo onverwacht en zo zacht in de ziel van een mens, dat het is als bij een man die iets vond waarvan hij geen besef had voordat hij het gevonden had. Hij wist niet wat het was, en ook niet hoe of waar het te krijgen was; maar toen het in zijn hart was, merkte hij dat hij daar een schat had.
De schat die de man in de akker vond, was hem veel dierbaarder omdat hij hem zo onverwacht gevonden had, dan wanneer hij hem stuiver voor stuiver bij elkaar had gespaard. Doordat hij langs zo’n bijzondere weg kwam, door de verrassing en de vreugde, werd de waarde van de schat verdubbeld, verdrievoudigd. Zo is het ook met de genade. Wanneer zij op een onverwacht ogenblik op aarde neerdaalt en als de dauw van de hemel in de ziel druppelt, wordt zij hoger geschat dan wanneer zij met vlijt penning voor penning was verzameld. De lieflijkheid van de gave wordt verdubbeld doordat zij zo onverwacht komt, op zo’n wonderbare en wonderlijke wijze.
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God,
mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen!
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot,
dat Gij zo mild voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren!
O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
Ps. 16:3
Aan de lezer…
U die probeert genade te winnen, te verdienen of door eigen inspanning te verkrijgen, en die zwoegt om haar stuiver voor stuiver bij elkaar te brengen terwijl uw hart toch arm blijft: weet dat zij zo niet komt. Genade wordt gevonden, zoals de man de schat in de akker vond: hij dacht er niet aan en vermoedde het niet, en toch lag het goud onder de kluiten waar hij ploegde.
Misschien ploegt u nu ook voort in een harde akker, zonder iets te verwachten. Geef het daarom niet op. De Heere laat Zijn genade vaak op het meest onverwachte ogenblik als de dauw van de hemel in de ziel druppelen, en dan wordt zij des te hoger geschat. Bid dan met Mozes dat Hij bekend mag maken dat u genade gevonden hebt in Zijn ogen. En vindt u haar, verkoop dan met blijdschap alles wat u hebt om die schat te bezitten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For wherein shall it be known here that I and Thy people have found grace in Thy sight?
Exodus 33:16
Grace is always “found.” It is not earned, nor merited, nor worked into; but it is found; and if a man never “found” it, he never had it. It is stumbled upon, so to speak, as the Lord sets forth in the parable of the man who found the treasure hid in a field (Matt. 13:44). The man was not thinking about the treasure. He was, we may suppose, ploughing in the field. He had no idea that there was gold beneath the clods. But he finds it all on a sudden, in the most unexpected and unlooked-for manner, and for joy thereof “goes and sells all that he has, and buys that field.”
So it is with the way in which grace is found. It comes so suddenly, so unexpectedly, and so sweetly into a man’s soul, that when it comes he is like a man who has found something which he had no conception of until he found it. He had no idea what it was, nor how it was to be got, nor whence it was to be had; but when it came into his heart he found that he had a treasure there.
The treasure which the man found in the field was much sweeter to him, because unexpectedly found, than if he had earned it penny by penny. Its coming in so peculiar a way, from the surprise and joy produced, doubled and tripled the value of the money. Thus, when grace visits the earth in an unexpected moment, and drops down like the dew of heaven into the soul, it is valued much more than if laboriously earned penny by penny. The sweetness of the gift is doubled by its unexpectedness, and by its coming in such a marvelous and miraculous manner.
To the reader…
You who try to win grace, to merit it, or to obtain it by your own efforts, and who toil to gather it penny by penny while your heart still stays poor: know that it does not come that way. Grace is found, as the man found the treasure in the field: he was not thinking of it and did not suspect it, and yet the gold lay beneath the clods where he was ploughing.
Perhaps you too are ploughing on now in a hard field, expecting nothing. Do not give up because of it. The Lord often lets His grace drop into the soul like the dew of heaven at the most unexpected moment, and then it is valued all the more. Pray, then, with Moses that He may make it known that you have found grace in His sight. And when you find it, sell with joy all that you have to possess that treasure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Y en qué se conocerá aquí que he hallado gracia en Tus ojos, yo y Tu pueblo?
Éxodo 33:16
La gracia siempre es “hallada”. No se gana, ni se merece, ni se alcanza a fuerza de obras; sino que se halla; y si un hombre nunca la “halló”, nunca la tuvo. Se tropieza con ella, por así decirlo, como el Señor lo presenta en la parábola del hombre que halló el tesoro escondido en el campo (Mateo 13:44). El hombre no pensaba en el tesoro. Estaba, podemos suponer, arando en el campo. No tenía idea de que hubiera oro bajo los terrones. Pero lo halla de repente, de la manera más inesperada e imprevista, y “de gozo de ello va, y vende todo lo que tiene, y compra aquel campo”.
Así sucede con la manera en que se halla la gracia. Viene tan de repente, tan inesperadamente y tan dulcemente al alma de un hombre, que cuando llega, él es como quien ha hallado algo de lo que no tenía idea alguna hasta que lo halló. No sabía qué era, ni cómo se podía conseguir, ni de dónde se había de obtener; pero cuando entró en su corazón, halló que tenía allí un tesoro.
El tesoro que el hombre halló en el campo le era mucho más dulce, por haberlo hallado inesperadamente, que si lo hubiera ganado moneda a moneda. El haberle llegado de una manera tan singular, por la sorpresa y el gozo que produjo, duplicó y triplicó el valor del dinero. Así, cuando la gracia visita la tierra en un momento inesperado, y cae como el rocío del cielo en el alma, es mucho más estimada que si se hubiera ganado laboriosamente moneda a moneda. La dulzura del don se duplica por lo inesperado de su venida, y por llegar de una manera tan maravillosa y milagrosa.
Al lector…
Usted que procura ganar la gracia, merecerla u obtenerla por sus propios esfuerzos, y que se afana por reunirla moneda a moneda mientras su corazón sigue pobre: sepa que no viene de esa manera. La gracia se halla, como el hombre halló el tesoro en el campo: no pensaba en él ni lo sospechaba, y sin embargo el oro yacía bajo los terrones donde él araba.
Quizá también usted sigue ahora arando en un campo duro, sin esperar nada. No se rinda por ello. El Señor a menudo deja caer Su gracia en el alma como el rocío del cielo en el momento más inesperado, y entonces se estima tanto más. Ore, pues, con Moisés que Él haga conocer que usted ha hallado gracia en Sus ojos. Y cuando la halle, venda con gozo todo lo que tiene para poseer ese tesoro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
God de Heilige Geest zal vroeg of laat al onze bevindingen naar de Zoon van God leiden. Hij zal al onze verstrooide gevoelens verzamelen en alle geestelijke verlangens, aandoeningen, gedachten en gevoelens van onze ziel richten op Immanuël, „God met ons” (Matth. 1:23). Als de ziel aldus geleid wordt en al haar hoop, verwachtingen, al haar verlangens, alle verborgen ontroeringen van het geestelijke leven ertoe heeft gebracht zich op Jezus te richten; als alle uiteenlopende gevoelens van het hart ertoe zijn gebracht te stromen naar en zich te richten op de grote Hogepriester over het huis Gods (Hebr. 10:21) – dan kan de ziel tegenover God zeggen: „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” (Ps. 39:8). Ik verwacht de verschijning van de Zoon des mensen, de openbaring van Zijn stervende liefde, het sprenkelen van Zijn verzoenende bloed, het uitstorten van Zijn onuitsprekelijke begeerlijkheid en schoonheid.
Welnu, we kunnen zover niet komen zonder dat we iets van de schoonheid van de Zoon van God hebben gezien. Er moet in ons eigen geweten, door middel van het onderwijs van de Geest, een openbaring van de heerlijke Persoon en volmaakte schoonheid van Immanuël hebben plaatsgevonden. We moeten Hem met het oog van het geloof gezien hebben als de enige Middelaar tussen God en mensen, we moeten ons hart in ons snel hebben voelen kloppen door de diepgaande gewaarwording voortgebracht door die aanblik, we moeten ons geweten hebben voelen smelten aan Zijn geheiligde voetenbank, en elk teder gevoelen van onze ziel moeten we naar Hem hebben voelen toestromen.
Tot we zover zijn gebracht, zien we overal om ons heen behalve naar de juiste plek – naar onze eigen godsdienst, onze eigen vroomheid, onze eigen kenmerken; naar wat we hebben gedaan, of wat we hopen te doen voor de Heere: we staren en turen in duizend verschillende richtingen.
Lezen: Hebreeën 8
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u, als u troost zoekt, vooral naar uzelf kijkt: naar uw eigen godsdienst, uw vroomheid, uw kenmerken, naar wat u gedaan hebt of nog hoopt te doen. Wij staren en turen allemaal in duizend richtingen, en de ene plek waar het zien leven geeft, slaan wij voorbij. Is dat uw klacht, wees dan niet moedeloos; de Heilige Geest zal vroeg of laat al uw verstrooide gevoelens verzamelen en ze op Immanuël richten.
Want daar alleen is iets te verwachten: de openbaring van Zijn stervende liefde, het sprenkelen van Zijn verzoenende bloed, de aanblik van Zijn onuitsprekelijke schoonheid. Hij is de enige Middelaar tussen God en mensen, de grote Hogepriester over het huis Gods. Breng dan uw koude, dwalende hart aan Zijn voetenbank en bid dat het daar mag smelten. Daar, en nergens anders, mag u met de psalmist zeggen: „Mijn hoop, die is op U.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
God de Heilige Geest zal vroeg of laat al onze bevindingen naar de Zoon van God leiden. Hij zal al onze verstrooide gevoelens verzamelen en alle geestelijke verlangens, aandoeningen, gedachten en gevoelens van onze ziel richten op Immanuël, „God met ons” (Matth. 1:23). Zo wordt de ziel geleid. Al haar hoop en verwachtingen, al haar verlangens en alle verborgen bewegingen van het geestelijk leven worden ertoe gebracht zich op Jezus te richten; alle uiteenlopende gevoelens van het hart worden ertoe gebracht naar de grote Hogepriester over het huis Gods (Hebr. 10:21) toe te stromen en zich op Hem te richten. Dan kan de ziel tegenover God zeggen: „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” (Ps. 39:8). Ik verwacht de verschijning van de Zoon des mensen, de openbaring van Zijn stervende liefde, de besprenkeling met Zijn verzoenend bloed, de uitstorting van Zijn onuitsprekelijke begeerlijkheid en schoonheid.
Welnu, zover kunnen we niet komen zonder iets van de schoonheid van de Zoon van God gezien te hebben. Door het onderwijs van de Geest moet in ons eigen geweten een openbaring hebben plaatsgevonden van de heerlijke Persoon en de volmaakte schoonheid van Immanuël. We moeten Hem met het oog van het geloof gezien hebben als de enige Middelaar tussen God en mensen. We moeten ons hart snel in ons hebben voelen kloppen door de diepe indruk die die aanblik maakte. We moeten ons geweten hebben voelen smelten aan Zijn geheiligde voetbank, en elk teder gevoel van onze ziel naar Hem hebben voelen toestromen.
Totdat we zover gebracht zijn, kijken we overal om ons heen behalve naar de juiste plaats – naar onze eigen godsdienst, onze eigen vroomheid, onze eigen kenmerken; naar wat we voor de Heere gedaan hebben of hopen te doen: we staren en turen in duizend verschillende richtingen.
Lezen: Hebreeën 8
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u, wanneer u troost zoekt, vooral naar uzelf kijkt: naar uw eigen godsdienst, uw vroomheid, uw kenmerken, naar wat u gedaan hebt of nog hoopt te doen. Wij staren en turen allemaal in duizend richtingen, en de ene plaats waar het zien leven geeft, slaan wij over. Is dat uw klacht, wees dan niet moedeloos; de Heilige Geest zal vroeg of laat al uw verstrooide gevoelens verzamelen en ze op Immanuël richten.
Want daar alleen is iets te verwachten: de openbaring van Zijn stervende liefde, de besprenkeling met Zijn verzoenend bloed, de aanblik van Zijn onuitsprekelijke schoonheid. Hij is de enige Middelaar tussen God en mensen, de grote Hogepriester over het huis Gods. Breng dan uw koude, dwalende hart aan Zijn voetbank en bid dat het daar mag smelten. Daar, en nergens anders, mag u met de psalmist zeggen: „Mijn hoop, die is op U.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
God the Holy Ghost will sooner or later lead all our experience to the Son of God. He will gather up all our scattered feelings and direct all the spiritual desires, affections, thoughts and feelings of our soul to Immanuel, “God with us” (Matt. 1:23). So the soul is led. All its hopes and expectations, all its desires and all the secret movements of the spiritual life are brought to centre in Jesus; all the various feelings of the heart are brought to flow towards and centre upon the great High Priest over the house of God (Heb. 10:21). Then the soul can say before God, “And now, Lord, what wait I for?” (Ps. 39:7). I wait for the appearing of the Son of man, the manifestation of His dying love, the sprinkling of His atoning blood, the shedding forth of His unspeakable loveliness and beauty.
Now, we cannot come so far without having seen something of the beauty of the Son of God. By the teaching of the Spirit there must have been a revelation in our own conscience of the glorious Person and perfect beauty of Immanuel. We must have seen Him with the eye of faith as the only Mediator between God and men. We must have felt our heart beat quickly within us through the deep impression that sight made. We must have felt our conscience melt at His sacred footstool, and every tender feeling of our soul flow out towards Him.
Until we are brought so far, we look everywhere around us except to the right place: to our own religion, our own piety, our own evidences; to what we have done for the Lord or hope to do. We gaze and pore in a thousand different directions.
Reading: Hebrews 8
To the reader…
It may be that, when you seek comfort, you look chiefly at yourself: at your own religion, your piety, your evidences, at what you have done or still hope to do. We all gaze and pore in a thousand directions, and pass by the one place where looking gives life. If that is your complaint, do not lose heart; the Holy Ghost will sooner or later gather up all your scattered feelings and direct them to Immanuel.
For there alone is something to wait for: the manifestation of His dying love, the sprinkling of His atoning blood, the sight of His unspeakable beauty. He is the only Mediator between God and men, the great High Priest over the house of God. Bring your cold, wandering heart, then, to His footstool and pray that it may melt there. There, and nowhere else, may you say with the psalmist, “My hope is in Thee.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
Dios el Espíritu Santo conducirá tarde o temprano toda nuestra experiencia al Hijo de Dios. Él reunirá todos nuestros sentimientos dispersos y dirigirá todos los deseos espirituales, afectos, pensamientos y sentimientos de nuestra alma a Emmanuel, “Dios con nosotros” (Mat. 1:23). Así es guiada el alma. Todas sus esperanzas y expectativas, todos sus deseos y todos los movimientos secretos de la vida espiritual son llevados a centrarse en Jesús; todos los diversos sentimientos del corazón son llevados a fluir hacia el gran Sacerdote sobre la casa de Dios y a centrarse en Él (Heb. 10:21). Entonces el alma puede decir delante de Dios: “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré?” (Sal. 39:7). Espero la aparición del Hijo del hombre, la manifestación de Su amor agonizante, la aspersión de Su sangre expiatoria, el derramamiento de Su indecible hermosura y belleza.
Ahora bien, no podemos llegar tan lejos sin haber visto algo de la belleza del Hijo de Dios. Por la enseñanza del Espíritu tiene que haber habido una revelación en nuestra propia conciencia de la gloriosa Persona y la perfecta belleza de Emmanuel. Tenemos que haberle visto con el ojo de la fe como el único Mediador entre Dios y los hombres. Tenemos que haber sentido latir aprisa nuestro corazón dentro de nosotros por la profunda impresión que esa visión produjo. Tenemos que haber sentido derretirse nuestra conciencia a Su sagrado estrado, y fluir hacia Él todo sentimiento tierno de nuestra alma.
Hasta que somos llevados tan lejos, miramos a todas partes a nuestro alrededor excepto al lugar correcto: a nuestra propia religión, nuestra propia piedad, nuestras propias evidencias; a lo que hemos hecho por el Señor o esperamos hacer. Miramos y escudriñamos en mil direcciones diferentes.
Lectura: Hebreos 8
Al lector…
Puede ser que, cuando busca consuelo, mire principalmente a sí mismo: a su propia religión, su piedad, sus evidencias, a lo que ha hecho o espera hacer todavía. Todos miramos y escudriñamos en mil direcciones, y pasamos de largo el único lugar donde mirar da vida. Si esa es su queja, no se desanime; el Espíritu Santo reunirá tarde o temprano todos sus sentimientos dispersos y los dirigirá a Emmanuel.
Porque solo allí hay algo que esperar: la manifestación de Su amor agonizante, la aspersión de Su sangre expiatoria, la visión de Su indecible belleza. Él es el único Mediador entre Dios y los hombres, el gran Sacerdote sobre la casa de Dios. Traiga, pues, su corazón frío y errante a Su estrado y ore para que se derrita allí. Allí, y en ningún otro lugar, puede decir con el salmista: “Mi esperanza en Ti está.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1 Corinthe 3:23
„Christus is Gods.” Dit zijn opmerkelijke woorden en deze dienen zorgvuldig en met eerbied nagespeurd te worden. De volheid van deze verborgenheid gaat ons verstand te boven. Nochtans mogen wij trachten door het geloof en de vreze Gods daarop te zien. Hoe is dan Christus van God?
Ten eerste: Hij is de Zoon van God; niet een Zoon door het verbond of door Zijn bediening, met andere woorden, niet een Zoon in naam, maar een ware en eigen Zoon; een Zoon door de natuur, door Zijn eeuwige wijze van bestaan als een Persoon in de Godheid. „Deze is Mijn geliefde Zoon”, werd tweemaal door God de Vader met een hoorbare stem uit de hemel geroepen.
Ten tweede: maar Hij is ook Gods Knecht: „Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun” (Jesaja 42:1). „Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen Jacobs” (Jesaja 49:6), en dit was Hij als de Messias. Maar vermits Hij door bediening Gods Knecht is, is Hij niet minder van nature Gods Zoon. Evenwel wordt er hier van Hem gesproken als de Godmens en Middelaar, de Zoon des Vaders in waarheid en liefde, de grote Hogepriester over het huis Gods; en in het bijzonder als aangemerkt in vereniging met de kerk: de Bruidegom met de bruid; de Wijnstok met de ranken; de Schaapherder met de schapen; het levend Fundament met de levende stenen, die erin en erop gebouwd worden.
Derhalve wordt hier Christus in onze tekst niet alleen gezegd te zijn de eniggeboren Zoon van God, maar Hij wordt hier aangemerkt als het Hoofd des lichaams van de kerk (Col. 1:18). „Want – zegt de apostel – wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen” (Efeze 5:30). Christus dan is van God met allen die Hem toebehoren. Hij zowel als zij, en zij zowel als Hij.
Ziet dan op deze heerlijke waarheden. „Gij zijt van Christus”, omdat gij door schenking, koop en bezitting leden van Zijn lichaam zijt. Christus is van God als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. Dan zijt gij ook van God, omdat gij van Christus zijt, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Aan de lezer…
Soms durft u niet te zeggen dat u van God bent. Ziet u in uzelf zoveel dat er tegen pleit, dat u het niet waagt? Zie dan eens niet op uzelf, maar op Hem. Christus is Gods: als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. En wie van Christus is, door schenking, koop en bezitting, die is ook van God, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Het is een verborgenheid die ons verstand te boven gaat, maar het geloof mag er met eerbied op zien. De rank hangt niet aan de wijnstok door haar eigen kracht, en de levende steen ligt niet op het Fundament omdat hij zichzelf daar legde. Hangt u, met al uw zwakheid, toch aan Hem, dan bent u een lid van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Zoek uw zekerheid dan niet in uzelf, maar in Hem Die u gekocht heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1 Corinthe 3:23
„Christus is Gods.” Dit zijn opmerkelijke woorden, die zorgvuldig en met eerbied onderzocht moeten worden. De volheid van deze verborgenheid gaat ons verstand te boven. Toch mogen wij proberen er door het geloof en in de vreze Gods naar te kijken. Hoe is Christus dan van God?
Ten eerste: Hij is de Zoon van God. Niet een Zoon door het verbond of door Zijn ambt, met andere woorden niet een Zoon in naam, maar een ware en eigen Zoon; een Zoon van nature, door Zijn eeuwige wijze van bestaan als een Persoon in de Godheid. „Deze is Mijn geliefde Zoon”, werd tweemaal door God de Vader met hoorbare stem uit de hemel uitgeroepen.
Ten tweede: Hij is ook Gods Knecht: „Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun” (Jesaja 42:1). „Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen Jacobs” (Jesaja 49:6); en dat was Hij als de Messias. Maar al is Hij door Zijn ambt Gods Knecht, Hij is niet minder van nature Gods Zoon. Toch wordt hier over Hem gesproken als de Godmens en Middelaar, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde, de grote Hogepriester over het huis van God. En in het bijzonder wordt Hij hier gezien in Zijn vereniging met de kerk: de Bruidegom met de bruid, de Wijnstok met de ranken, de Herder met de schapen, het levend Fundament met de levende stenen die erin en erop gebouwd worden.
Daarom wordt in onze tekst niet alleen gezegd dat Christus de eniggeboren Zoon van God is, maar wordt Hij hier gezien als het Hoofd van het lichaam van de kerk (Col. 1:18). „Want – zegt de apostel – wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen” (Efeze 5:30). Christus is dus van God met allen die Hem toebehoren: Hij evenzeer als zij, en zij evenzeer als Hij.
Zie dan op deze heerlijke waarheden. „Gij zijt van Christus”, omdat u door schenking, koop en bezit leden van Zijn lichaam bent. Christus is van God als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. Dan bent u ook van God, omdat u van Christus bent, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Aan de lezer…
Soms durft u niet te zeggen dat u van God bent. Ziet u in uzelf zoveel dat ertegen pleit, dat u het niet waagt? Kijk dan eens niet naar uzelf, maar naar Hem. Christus is Gods: als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. En wie van Christus is, door schenking, koop en bezit, die is ook van God, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Het is een verborgenheid die ons verstand te boven gaat, maar het geloof mag er met eerbied naar kijken. De rank hangt niet aan de wijnstok door haar eigen kracht, en de levende steen ligt niet op het Fundament omdat hij zichzelf daar heeft neergelegd. Hangt u, met al uw zwakheid, toch aan Hem, dan bent u een lid van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Zoek uw zekerheid dan niet in uzelf, maar in Hem Die u gekocht heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And ye are Christ’s; and Christ is God’s.
1 Corinthians 3:23
“Christ is God’s.” These are remarkable words, and need to be carefully and reverently opened up. The fullness of the mystery is beyond our grasp. Still, we may attempt to look at it in faith and godly fear. How, then, is Christ God’s? First, He is God’s SON—not a Son by covenant or by office; in other words, not a nominal, but a true and proper Son—a Son by nature, by His eternal mode of subsistence as a Person in the Godhead. “This is My beloved Son” was twice proclaimed by God the Father with an audible voice from heaven.
Second, but He is also God’s SERVANT. “Behold My servant whom I uphold” (Isaiah 42:1). “It is a light thing that you should be My servant to raise up the tribes of Jacob” (Isaiah 49:6), and this He was as Messiah. But because He is by office God’s servant, He is not less by nature God’s Son.
Here, however, He is spoken of as the God-man MEDIATOR, the Son of the Father in truth and love, the great High Priest over the house of God; and especially what He is as viewed in union with the Church, the Bridegroom with the bride, the Vine with the branches, the Shepherd with the sheep, the living foundation with the living stones built into and upon it. Christ, therefore, in our text is said to be God’s not only as the only-begotten Son of God, but as “the HEAD of the body, the Church” (Col. 1:18); for, says the Apostle, “We are members of His body, of His flesh, and of His bones” (Ephes. 5:30).
Christ, then, is God’s, with all those that belong to Him—He as much as they, they as much as He. Look, then, at these glorious truths. “You are Christ’s” because by donation, purchase, and possession you are members of His body. “Christ is God’s” as Son, as Servant, as Mediator, as Head of the Church. Then you too are God’s, because you are Christ’s; for the members are one with their covenant Head.
To the reader…
Sometimes you do not dare to say that you belong to God. Do you see so much in yourself that argues against it that you do not venture it? Then for once do not look at yourself, but at Him. Christ is God’s: as Son, as Servant, as Mediator, as Head of the Church. And whoever is Christ’s, by gift, purchase and possession, is also God’s, for the members are one with their covenant Head.
It is a mystery beyond our understanding, but faith may look upon it with reverence. The branch does not hang on the vine by its own strength, and the living stone does not rest on the Foundation because it laid itself there. If, with all your weakness, you still cling to Him, then you are a member of His body, of His flesh and of His bones. So do not seek your certainty in yourself, but in Him Who has bought you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.
1 Corintios 3:23
“Y Cristo de Dios.” Son palabras notables, y es necesario explicarlas con cuidado y reverencia. La plenitud del misterio está más allá de nuestro alcance. Aun así, podemos intentar contemplarlo con fe y temor piadoso. ¿Cómo, pues, es Cristo de Dios? Primero, es el HIJO de Dios: no un Hijo por pacto ni por oficio; en otras palabras, no un Hijo nominal, sino un Hijo verdadero y propio, un Hijo por naturaleza, por Su modo eterno de subsistencia como Persona en la Divinidad. “Este es Mi Hijo amado” fue proclamado dos veces por Dios el Padre con voz audible desde el cielo.
Segundo, Él es también el SIERVO de Dios. “He aquí Mi Siervo, Yo le sostendré” (Isaías 42:1). “Poco es que Tú Me seas Siervo para levantar las tribus de Jacob” (Isaías 49:6); y esto lo era como Mesías. Pero porque es por oficio el Siervo de Dios, no es menos por naturaleza el Hijo de Dios.
Aquí, sin embargo, se habla de Él como el MEDIADOR Dios-hombre, el Hijo del Padre en verdad y amor, el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios; y especialmente de lo que Él es considerado en unión con la Iglesia: el Esposo con la esposa, la Vid con los pámpanos, el Pastor con las ovejas, el fundamento vivo con las piedras vivas edificadas en él y sobre él. Por tanto, en nuestro texto se dice que Cristo es de Dios no solo como el Hijo unigénito de Dios, sino como “la CABEZA del cuerpo que es la Iglesia” (Col. 1:18); porque, dice el Apóstol, “somos miembros de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos” (Efes. 5:30).
Cristo, pues, es de Dios, con todos los que le pertenecen: Él tanto como ellos, ellos tanto como Él. Mire, pues, estas gloriosas verdades. “Vosotros sois de Cristo” porque por donación, compra y posesión son miembros de Su cuerpo. “Cristo es de Dios” como Hijo, como Siervo, como Mediador, como Cabeza de la Iglesia. Entonces también ustedes son de Dios, porque son de Cristo; porque los miembros son uno con su Cabeza del pacto.
Al lector…
A veces usted no se atreve a decir que pertenece a Dios. ¿Ve en sí mismo tantas cosas que hablan en contra, que no se aventura a decirlo? Entonces, por una vez, no se mire a sí mismo, sino a Él. Cristo es de Dios: como Hijo, como Siervo, como Mediador, como Cabeza de la Iglesia. Y quien es de Cristo, por donación, compra y posesión, es también de Dios, porque los miembros son uno con su Cabeza del pacto.
Es un misterio que supera nuestro entendimiento, pero la fe puede contemplarlo con reverencia. El pámpano no cuelga de la vid por su propia fuerza, y la piedra viva no descansa sobre el Fundamento porque ella misma se haya puesto allí. Si, con toda su debilidad, usted todavía se aferra a Él, entonces es miembro de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos. No busque, pues, su certeza en usted mismo, sino en Aquel que le ha comprado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl