October 28
Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1 Corinthe 3:23
„Christus is Gods.” Dit zijn opmerkelijke woorden en deze dienen zorgvuldig en met eerbied nagespeurd te worden. De volheid van deze verborgenheid gaat ons verstand te boven. Nochtans mogen wij trachten door het geloof en de vreze Gods daarop te zien. Hoe is dan Christus van God?
Ten eerste: Hij is de Zoon van God; niet een Zoon door het verbond of door Zijn bediening, met andere woorden, niet een Zoon in naam, maar een ware en eigen Zoon; een Zoon door de natuur, door Zijn eeuwige wijze van bestaan als een Persoon in de Godheid. „Deze is Mijn geliefde Zoon”, werd tweemaal door God de Vader met een hoorbare stem uit de hemel geroepen.
Ten tweede: maar Hij is ook Gods Knecht: „Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun” (Jesaja 42:1). „Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen Jacobs” (Jesaja 49:6), en dit was Hij als de Messias. Maar vermits Hij door bediening Gods Knecht is, is Hij niet minder van nature Gods Zoon. Evenwel wordt er hier van Hem gesproken als de Godmens en Middelaar, de Zoon des Vaders in waarheid en liefde, de grote Hogepriester over het huis Gods; en in het bijzonder als aangemerkt in vereniging met de kerk: de Bruidegom met de bruid; de Wijnstok met de ranken; de Schaapherder met de schapen; het levend Fundament met de levende stenen, die erin en erop gebouwd worden.
Derhalve wordt hier Christus in onze tekst niet alleen gezegd te zijn de eniggeboren Zoon van God, maar Hij wordt hier aangemerkt als het Hoofd des lichaams van de kerk (Col. 1:18). „Want – zegt de apostel – wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen” (Efeze 5:30). Christus dan is van God met allen die Hem toebehoren. Hij zowel als zij, en zij zowel als Hij.
Ziet dan op deze heerlijke waarheden. „Gij zijt van Christus”, omdat gij door schenking, koop en bezitting leden van Zijn lichaam zijt. Christus is van God als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. Dan zijt gij ook van God, omdat gij van Christus zijt, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Aan de lezer…
Soms durft u niet te zeggen dat u van God bent. Ziet u in uzelf zoveel dat er tegen pleit, dat u het niet waagt? Zie dan eens niet op uzelf, maar op Hem. Christus is Gods: als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. En wie van Christus is, door schenking, koop en bezitting, die is ook van God, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Het is een verborgenheid die ons verstand te boven gaat, maar het geloof mag er met eerbied op zien. De rank hangt niet aan de wijnstok door haar eigen kracht, en de levende steen ligt niet op het Fundament omdat hij zichzelf daar legde. Hangt u, met al uw zwakheid, toch aan Hem, dan bent u een lid van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Zoek uw zekerheid dan niet in uzelf, maar in Hem Die u gekocht heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1 Corinthe 3:23
„Christus is Gods.” Dit zijn opmerkelijke woorden, die zorgvuldig en met eerbied onderzocht moeten worden. De volheid van deze verborgenheid gaat ons verstand te boven. Toch mogen wij proberen er door het geloof en in de vreze Gods naar te kijken. Hoe is Christus dan van God?
Ten eerste: Hij is de Zoon van God. Niet een Zoon door het verbond of door Zijn ambt, met andere woorden niet een Zoon in naam, maar een ware en eigen Zoon; een Zoon van nature, door Zijn eeuwige wijze van bestaan als een Persoon in de Godheid. „Deze is Mijn geliefde Zoon”, werd tweemaal door God de Vader met hoorbare stem uit de hemel uitgeroepen.
Ten tweede: Hij is ook Gods Knecht: „Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun” (Jesaja 42:1). „Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen Jacobs” (Jesaja 49:6); en dat was Hij als de Messias. Maar al is Hij door Zijn ambt Gods Knecht, Hij is niet minder van nature Gods Zoon. Toch wordt hier over Hem gesproken als de Godmens en Middelaar, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde, de grote Hogepriester over het huis van God. En in het bijzonder wordt Hij hier gezien in Zijn vereniging met de kerk: de Bruidegom met de bruid, de Wijnstok met de ranken, de Herder met de schapen, het levend Fundament met de levende stenen die erin en erop gebouwd worden.
Daarom wordt in onze tekst niet alleen gezegd dat Christus de eniggeboren Zoon van God is, maar wordt Hij hier gezien als het Hoofd van het lichaam van de kerk (Col. 1:18). „Want – zegt de apostel – wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen” (Efeze 5:30). Christus is dus van God met allen die Hem toebehoren: Hij evenzeer als zij, en zij evenzeer als Hij.
Zie dan op deze heerlijke waarheden. „Gij zijt van Christus”, omdat u door schenking, koop en bezit leden van Zijn lichaam bent. Christus is van God als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. Dan bent u ook van God, omdat u van Christus bent, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Aan de lezer…
Soms durft u niet te zeggen dat u van God bent. Ziet u in uzelf zoveel dat ertegen pleit, dat u het niet waagt? Kijk dan eens niet naar uzelf, maar naar Hem. Christus is Gods: als Zoon, als Knecht, als Middelaar, als Hoofd van de kerk. En wie van Christus is, door schenking, koop en bezit, die is ook van God, want de leden zijn één met hun Verbondshoofd.
Het is een verborgenheid die ons verstand te boven gaat, maar het geloof mag er met eerbied naar kijken. De rank hangt niet aan de wijnstok door haar eigen kracht, en de levende steen ligt niet op het Fundament omdat hij zichzelf daar heeft neergelegd. Hangt u, met al uw zwakheid, toch aan Hem, dan bent u een lid van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Zoek uw zekerheid dan niet in uzelf, maar in Hem Die u gekocht heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And ye are Christ’s; and Christ is God’s.
1 Corinthians 3:23
“Christ is God’s.” These are remarkable words, and need to be carefully and reverently opened up. The fullness of the mystery is beyond our grasp. Still, we may attempt to look at it in faith and godly fear. How, then, is Christ God’s? First, He is God’s SON—not a Son by covenant or by office; in other words, not a nominal, but a true and proper Son—a Son by nature, by His eternal mode of subsistence as a Person in the Godhead. “This is My beloved Son” was twice proclaimed by God the Father with an audible voice from heaven.
Second, but He is also God’s SERVANT. “Behold My servant whom I uphold” (Isaiah 42:1). “It is a light thing that you should be My servant to raise up the tribes of Jacob” (Isaiah 49:6), and this He was as Messiah. But because He is by office God’s servant, He is not less by nature God’s Son.
Here, however, He is spoken of as the God-man MEDIATOR, the Son of the Father in truth and love, the great High Priest over the house of God; and especially what He is as viewed in union with the Church, the Bridegroom with the bride, the Vine with the branches, the Shepherd with the sheep, the living foundation with the living stones built into and upon it. Christ, therefore, in our text is said to be God’s not only as the only-begotten Son of God, but as “the HEAD of the body, the Church” (Col. 1:18); for, says the Apostle, “We are members of His body, of His flesh, and of His bones” (Ephes. 5:30).
Christ, then, is God’s, with all those that belong to Him—He as much as they, they as much as He. Look, then, at these glorious truths. “You are Christ’s” because by donation, purchase, and possession you are members of His body. “Christ is God’s” as Son, as Servant, as Mediator, as Head of the Church. Then you too are God’s, because you are Christ’s; for the members are one with their covenant Head.
To the reader…
Sometimes you do not dare to say that you belong to God. Do you see so much in yourself that argues against it that you do not venture it? Then for once do not look at yourself, but at Him. Christ is God’s: as Son, as Servant, as Mediator, as Head of the Church. And whoever is Christ’s, by gift, purchase and possession, is also God’s, for the members are one with their covenant Head.
It is a mystery beyond our understanding, but faith may look upon it with reverence. The branch does not hang on the vine by its own strength, and the living stone does not rest on the Foundation because it laid itself there. If, with all your weakness, you still cling to Him, then you are a member of His body, of His flesh and of His bones. So do not seek your certainty in yourself, but in Him Who has bought you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.
1 Corintios 3:23
“Y Cristo de Dios.” Son palabras notables, y es necesario explicarlas con cuidado y reverencia. La plenitud del misterio está más allá de nuestro alcance. Aun así, podemos intentar contemplarlo con fe y temor piadoso. ¿Cómo, pues, es Cristo de Dios? Primero, es el HIJO de Dios: no un Hijo por pacto ni por oficio; en otras palabras, no un Hijo nominal, sino un Hijo verdadero y propio, un Hijo por naturaleza, por Su modo eterno de subsistencia como Persona en la Divinidad. “Este es Mi Hijo amado” fue proclamado dos veces por Dios el Padre con voz audible desde el cielo.
Segundo, Él es también el SIERVO de Dios. “He aquí Mi Siervo, Yo le sostendré” (Isaías 42:1). “Poco es que Tú Me seas Siervo para levantar las tribus de Jacob” (Isaías 49:6); y esto lo era como Mesías. Pero porque es por oficio el Siervo de Dios, no es menos por naturaleza el Hijo de Dios.
Aquí, sin embargo, se habla de Él como el MEDIADOR Dios-hombre, el Hijo del Padre en verdad y amor, el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios; y especialmente de lo que Él es considerado en unión con la Iglesia: el Esposo con la esposa, la Vid con los pámpanos, el Pastor con las ovejas, el fundamento vivo con las piedras vivas edificadas en él y sobre él. Por tanto, en nuestro texto se dice que Cristo es de Dios no solo como el Hijo unigénito de Dios, sino como “la CABEZA del cuerpo que es la Iglesia” (Col. 1:18); porque, dice el Apóstol, “somos miembros de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos” (Efes. 5:30).
Cristo, pues, es de Dios, con todos los que le pertenecen: Él tanto como ellos, ellos tanto como Él. Mire, pues, estas gloriosas verdades. “Vosotros sois de Cristo” porque por donación, compra y posesión son miembros de Su cuerpo. “Cristo es de Dios” como Hijo, como Siervo, como Mediador, como Cabeza de la Iglesia. Entonces también ustedes son de Dios, porque son de Cristo; porque los miembros son uno con su Cabeza del pacto.
Al lector…
A veces usted no se atreve a decir que pertenece a Dios. ¿Ve en sí mismo tantas cosas que hablan en contra, que no se aventura a decirlo? Entonces, por una vez, no se mire a sí mismo, sino a Él. Cristo es de Dios: como Hijo, como Siervo, como Mediador, como Cabeza de la Iglesia. Y quien es de Cristo, por donación, compra y posesión, es también de Dios, porque los miembros son uno con su Cabeza del pacto.
Es un misterio que supera nuestro entendimiento, pero la fe puede contemplarlo con reverencia. El pámpano no cuelga de la vid por su propia fuerza, y la piedra viva no descansa sobre el Fundamento porque ella misma se haya puesto allí. Si, con toda su debilidad, usted todavía se aferra a Él, entonces es miembro de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos. No busque, pues, su certeza en usted mismo, sino en Aquel que le ha comprado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl