6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zoude heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 5:21
Dit is de genade voor treurende heiligen, die zuchten en kermen onder een lichaam der zonde en des doods, dat God heeft gezegd, dat de genade niet alleen zoude heersen, maar dat zij moest heersen. Zo het aan ons ware overgelaten, konden wij ons evenmin van de overheersing der zonde bevrijden als de kinderen Israëls zich bevrijden konden van het Egyptische diensthuis. Maar zij zuchtten en kermden met reden over de dienstbaarheid, en hun gekrijt kwam op tot God. Hij gedacht aan Zijn verbond en zag de kinderen Israëls aan en bevrijdde hen (Exodus 2:23-25).
Zo had God besloten, om Zijns volks wil, dat de zonde hen niet eeuwig rampzalig zou maken; dat zij hen niet deed vallen van misdaad tot misdaad, tot zij hen eindelijk zou werpen in de poel van eeuwige ellende, maar dat de „genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.” Maar zij moet zowel hier als hiernamaals heersen; want door haar heersen hier is haar eeuwige zegepraal verzekerd. Zij moet dus onze trotse harten vernederen en nooit ophouden haar schepter erover te zwaaien, totdat zij in hen een onbepaalde en onvoorwaardelijke zegepraal heeft verzekerd.
Dit nu is het wat elk waarachtig kind van God het ernstigst verlangt te gevoelen en te verwezenlijken. Hij verlangt Jezus te omhelzen en door Hem omhelsd te worden in de armen der liefde en der tederheid. Gelijk het lied zegt: „Maar nu, door vrije genade overwonnen, verlangt mijn geest naar Uw omhelzing.” Hij haat de zonde, ofschoon zij dag en uur en telkens in hem werkt en steeds zoekt haar vroegere heerschappij te herwinnen; hij verafschuwt de wrede tiran, die hem zijn laagste vuile werk deed verrichten, hem door duizend leugenachtige beloften misleidde, hem telkens en telkens weder onder gevangenschap bracht, en hem zonder de soevereine genade het eeuwig verderf zou hebben verzekerd. Door de schepter der barmhartigheid onderworpen, verlangt hij naar de heerschappij der genade over elk vermogen zijner ziel en elk lid zijns lichaams.
„O,” zegt hij, „laat de genade heersen en regeren in mijn boezem; laat zij niet gedogen dat enige zonde over mij heerse; laat zij elke onstuimige begeerte temmen en alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus!” Alzo ziet hij, die God waarlijk vreest, op de genade, en op de genade alleen, niet slechts om hem zalig te maken, maar om hem te heiligen; niet slechts om de zonde te vergeven, maar om haar te onderwerpen; niet slechts om hem een erfdeel onder de heiligen in het licht te verzekeren, maar om hem daartoe bekwaam te maken.
Laat nooit mijn vijands wens gelukken!
Roei z’ allen uit, die mij doen bukken,
om Uwe gunst, mij toegezegd.
Verdelg hen, die mijn ziel verdrukken,
want ik, o Heer, ik ben Uw knecht.
Ps. 143:12
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zucht en kermt onder een lichaam der zonde en des doods. Merkt u dag en uur dat de zonde in u werkt en haar vroegere heerschappij zoekt te herwinnen, en vreest u soms dat zij het van u winnen zal? U kunt u er evenmin zelf van bevrijden als Israël zich kon bevrijden uit het diensthuis van Egypte. Maar hun gekrijt kwam op tot God, en Hij gedacht aan Zijn verbond.
Hier is troost voor treurende heiligen: God heeft niet alleen gezegd dat de genade zou heersen, maar dat zij moet heersen, door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus. Haat u de wrede tiran die u zo vaak misleidde en gevangen nam, dan is dat reeds een teken dat de genade haar schepter over uw hart begint te zwaaien. Zij zal niet ophouden voordat zij volkomen heeft overwonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zoude heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 5:21
Dit is genade voor treurende heiligen, die zuchten en kermen onder een lichaam van de zonde en de dood: dat God gezegd heeft dat de genade niet alleen zou heersen, maar dat zij moest heersen. Als het aan ons was overgelaten, zouden we ons evenmin van de overheersing van de zonde kunnen bevrijden als de kinderen Israëls zich konden bevrijden uit het diensthuis van Egypte. Maar zij zuchtten en kermden, en niet zonder reden, over de dienstbaarheid, en hun gekrijt kwam op tot God. Hij gedacht aan Zijn verbond, zag de kinderen Israëls aan en bevrijdde hen (Exodus 2:23-25).
Zo had God omwille van Zijn volk besloten dat de zonde hen niet voor eeuwig rampzalig zou maken. Zij zou hen niet van misdaad tot misdaad laten vallen, totdat zij hen ten slotte in de poel van eeuwige ellende zou werpen. Nee, de „genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.” Maar zij moet zowel hier als in de eeuwigheid heersen, want door haar heerschappij hier is haar eeuwige zegepraal verzekerd. Zij moet daarom ons trotse hart vernederen en nooit ophouden er haar scepter over te zwaaien, totdat zij daarin een volkomen en onvoorwaardelijke overwinning heeft behaald.
Dat is nu wat elk waar kind van God het vurigst verlangt te voelen en werkelijk te beleven. Het verlangt Jezus te omhelzen en door Hem omhelsd te worden in de armen van liefde en tederheid. Zoals het lied zegt: „Maar nu, door vrije genade overwonnen, verlangt mijn geest naar Uw omhelzing.” Het haat de zonde, ook al werkt die dag en uur en telkens weer in hem en zoekt zij steeds haar vroegere heerschappij terug te winnen. Hij verafschuwt de wrede tiran die hem zijn laagste, vuile werk liet doen, die hem met duizend leugenachtige beloften misleidde, die hem telkens en telkens weer in gevangenschap bracht, en die hem, zonder de soevereine genade, het eeuwige verderf zou hebben bezorgd. Nu hij door de scepter van de barmhartigheid is overwonnen, verlangt hij ernaar dat de genade heerst over elk vermogen van zijn ziel en elk lid van zijn lichaam.
„O,” zegt hij, „laat de genade heersen en regeren in mijn hart; laat zij niet toestaan dat enige zonde over mij heerst; laat zij elke ongebreidelde begeerte temmen en alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus!” Zo ziet wie God werkelijk vreest op de genade, en op de genade alleen: niet alleen om hem zalig te maken, maar ook om hem te heiligen; niet alleen om de zonde te vergeven, maar ook om haar te onderwerpen; niet alleen om hem een erfdeel te verzekeren onder de heiligen in het licht, maar ook om hem daartoe bekwaam te maken.
Laat nooit mijn vijands wens gelukken!
Roei z’ allen uit, die mij doen bukken,
om Uwe gunst, mij toegezegd.
Verdelg hen, die mijn ziel verdrukken,
want ik, o Heer, ik ben Uw knecht.
Ps. 143:12
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zucht en kermt onder een lichaam van de zonde en de dood. Merkt u dag en uur dat de zonde in u werkt en haar vroegere heerschappij probeert terug te winnen, en vreest u soms dat zij het van u zal winnen? U kunt uzelf er evenmin van bevrijden als Israël zich kon bevrijden uit het diensthuis van Egypte. Maar hun gekrijt kwam op tot God, en Hij gedacht aan Zijn verbond.
Hier is troost voor treurende heiligen: God heeft niet alleen gezegd dat de genade zou heersen, maar dat zij moet heersen, door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus. Haat u de wrede tiran die u zo vaak misleidde en gevangennam, dan is dat al een teken dat de genade haar scepter over uw hart begint te zwaaien. Zij zal niet ophouden voordat zij volkomen heeft overwonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That as sin hath reigned unto death, even so might grace reign through righteousness unto eternal life by Jesus Christ our Lord.
Romans 5:21
This is the mercy for mourning saints who are sighing and groaning under a body of sin and death, that God has decreed that grace not only may reign, but that it must reign. Were it left to us, we could no more rescue ourselves from the dominion of sin than the children of Israel could deliver themselves from the house of Egyptian bondage. But they sighed and groaned by reason of the bondage, and their cry came up unto God. He had respect unto His covenant, and looked upon them and delivered them (Exodus 2:23-25). So God has determined on behalf of His people that sin shall not be their eternal ruin; that it shall not plunge them into crime after crime, until it casts them at last into the gulf of endless woe, but that grace “shall reign through righteousness unto eternal life.”
But it must reign here as well as hereafter, for by its reign here its eternal triumph is secured. It must then subdue our proud hearts, and never cease to sway its peaceful scepter over them until it has secured in them absolute and unconditional victory. Now this is what every sincere child of God most earnestly longs to feel and realize. He longs to embrace Jesus and be embraced by Him in the arms of love and affection. As the hymn says,
But now subdued by sovereign grace,
My spirit longs for Thy embrace.
He hates sin, though it daily, hourly, momently works in him, and is ever seeking to regain its former mastery; he abhors that cruel tyrant who set him to do his vilest drudgery, deceived and deluded him by a thousand lying promises, dragged him again and again into captivity, and but for sovereign grace would have sealed his eternal destruction. Subdued by the scepter of mercy, he longs for the dominion of grace over every faculty of his soul and every member of his body.
“O,” he says, “let grace reign and rule in my breast; let it not suffer any sin to have dominion over me; let it tame every unruly desire, and bring into captivity every thought to the obedience of Christ!” Thus, he who truly fears God looks to grace, and to grace only, not merely to save, but to sanctify; not only to pardon sin, but to subdue it; not only to secure him an inheritance among the saints in light, but to make him meet for it.
To the reader…
Here is a word for those who sigh and groan under a body of sin and death. Do you find, day by day and hour by hour, that sin is working in you and trying to regain its former mastery, and do you sometimes fear that it will get the better of you? You can no more set yourself free from it than Israel could free itself from the house of bondage in Egypt. But their cry came up unto God, and He remembered His covenant.
Here is comfort for mourning saints: God has not only said that grace might reign, but that it must reign, through righteousness unto eternal life, by Jesus Christ. If you hate the cruel tyrant that so often deceived you and took you captive, that is already a sign that grace is beginning to sway its sceptre over your heart. It will not cease until it has completely conquered.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que, de la manera que el pecado reinó para muerte, así también la gracia reine por la justicia para vida eterna por Jesucristo Señor nuestro.
Romanos 5:21
Esta es la misericordia para los santos que lloran, que suspiran y gimen bajo un cuerpo de pecado y de muerte: que Dios ha decretado que la gracia no solo pueda reinar, sino que tenga que reinar. Si se nos dejara a nosotros, no podríamos librarnos del dominio del pecado más de lo que los hijos de Israel podían librarse de la casa de servidumbre en Egipto. Pero ellos suspiraban y gemían a causa de la servidumbre, y su clamor subió a Dios. Él se acordó de Su pacto, los miró y los libró (Éxodo 2:23-25). Así ha determinado Dios a favor de Su pueblo que el pecado no será su ruina eterna; que no los precipitará de crimen en crimen hasta arrojarlos al fin en el abismo de la desdicha sin fin, sino que la gracia “reine por la justicia para vida eterna”.
Pero ha de reinar aquí tanto como en el más allá, porque por su reinado aquí queda asegurado su triunfo eterno. Ha de someter, pues, nuestros corazones orgullosos, y nunca dejar de extender sobre ellos su cetro pacífico hasta haber asegurado en ellos una victoria absoluta e incondicional. Ahora bien, esto es lo que todo hijo sincero de Dios anhela con más ardor sentir y experimentar. Anhela abrazar a Jesús y ser abrazado por Él en los brazos del amor y del afecto. Como dice el himno:
Mas ahora, sometido por la gracia soberana,
mi espíritu anhela Tu abrazo.
Aborrece el pecado, aunque este obra en él diariamente, a cada hora, a cada momento, y busca siempre recobrar su antiguo dominio; detesta a aquel tirano cruel que le puso a hacer sus trabajos más viles, le engañó y le embaucó con mil promesas mentirosas, le arrastró una y otra vez al cautiverio, y que, de no ser por la gracia soberana, habría sellado su destrucción eterna. Sometido por el cetro de la misericordia, anhela el dominio de la gracia sobre cada facultad de su alma y cada miembro de su cuerpo.
“Oh”, dice, “¡que la gracia reine y gobierne en mi pecho; que no permita que pecado alguno se enseñoree de mí; que dome todo deseo desordenado y lleve cautivo todo pensamiento a la obediencia de Cristo!” Así, el que verdaderamente teme a Dios mira a la gracia, y solo a la gracia, no meramente para salvar, sino para santificar; no solo para perdonar el pecado, sino para someterlo; no solo para asegurarle una herencia entre los santos en luz, sino para hacerle apto para ella.
Al lector…
He aquí una palabra para los que suspiran y gimen bajo un cuerpo de pecado y de muerte. ¿Encuentra usted, día tras día y hora tras hora, que el pecado obra en usted y procura recobrar su antiguo dominio, y teme a veces que acabará venciéndole? No puede librarse de él más de lo que Israel podía librarse de la casa de servidumbre en Egipto. Pero su clamor subió a Dios, y Él se acordó de Su pacto.
He aquí consuelo para los santos que lloran: Dios no solo ha dicho que la gracia pueda reinar, sino que tiene que reinar, por la justicia para vida eterna, por Jesucristo. Si aborrece al tirano cruel que tantas veces le engañó y le llevó cautivo, eso ya es una señal de que la gracia comienza a extender su cetro sobre su corazón. No cesará hasta haber vencido por completo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een ellendig en arm volk
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
Iemand die geestelijk niet arm is, kan Gods Woord lezen en de schoonheid en verhevenheid ervan bewonderen, zoals de rijke edelman de vergezichten in zijn park bewondert. Maar degene die arm van geest is, leest Gods Woord om voedsel in zijn hart vanuit de volheid van Christus te ontvangen; enige leniging van zijn nood te verkrijgen, enige troost in zijn smart, een openbaring van Gods genade aan hem, een arme, schuldige zondaar aan de voet van het kruis. De arme van geest wordt dus door werkelijke noodzaak ertoe gedreven Gods Woord diepgaand te onderzoeken; de gezegende Geest laat de waarheid af en toe aan zijn ziel zien, zodat hij merkt dat het echt voedsel is.
Al naar gelang hij bekend is met geestelijke armoede, zal hij voornamelijk de grond bewerken om voedsel voor zijn ziel te verkrijgen. Als hij in verzoeking wordt gebracht, wil hij verlossing; als hij in een strik is geraakt, wil hij uit zijn verstrengeling worden gehaald; en als hij verward is, wil hij de zoete vertroostingen van de Geest in zijn ziel. Net zoals een arme man dus letterlijk zijn grond moet bebouwen om er voedsel van te verkrijgen, zo merkt een geestelijk arm mens dat zijn voornaamste zorg en doel is voedsel voor zijn ziel te krijgen. Hij heeft geen leerstellingen naar de letter van het Woord nodig, noch lege denkbeelden die in zijn geest als bloemen in een tuin ronddrijven, maar het vaste voedsel dat als enige in staat is zijn zinkende ziel te ondersteunen.
Welnu, hoezeer verschilt dit van wat we veronderstelden dat het geval was. We hadden niet gedacht dat armoede, hulpeloosheid en diepgaande kennis van de zondeval allemaal ter voorbereiding zijn op het ontvangen van de waarheid zoals zij in Jezus is, en dat de armen degenen zijn wier mond de Heere ruimschoots zou vullen met het voedsel van het evangelie. We dachten eerder dat de mens iets zou moeten doen om dit goede voedsel te verkrijgen. Maar dat is niet zo. Armoede, hulpeloosheid, schuld en verderf zijn de enige vereisten, want „het ploegen der armen geeft veelheid der spijze” (Spr. 13:23).
Lezen: Psalm 119:137-152
Aan de lezer…
Hoe leest u Gods Woord, waarde lezer? Bewondert u het slechts van een afstand, zoals een rijk man het uitzicht in zijn park, of zoekt u er brood voor een hongerige ziel? Bent u in verzoeking en wilt u verlossing, zit u in een strik en wilt u eruit gehaald worden, bent u verward en verlangt u naar de zoete vertroostingen van de Geest? Dan is uw armoede geen teken dat u buiten staat, maar juist een voorbereiding op het ontvangen van de waarheid zoals zij in Jezus is.
Wij menen zo licht dat wij iets moeten doen of brengen om dat goede voedsel te verkrijgen. Maar armoede, hulpeloosheid, schuld en verderf zijn de enige vereisten. De Heere vult ruimschoots de mond van de armen. Ploeg dan voort in het Woord, met zuchten en smeken, en wacht op Hem; want „het ploegen der armen geeft veelheid der spijze.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
Iemand die geestelijk niet arm is, kan Gods Woord lezen en de schoonheid en verhevenheid ervan bewonderen, zoals een rijke edelman de vergezichten in zijn park bewondert. Maar wie arm van geest is, leest Gods Woord om uit de volheid van Christus voedsel voor zijn hart te ontvangen. Hij zoekt enige verlichting in zijn nood, enige troost in zijn smart, een openbaring van Gods genade aan hem, een arme, schuldige zondaar aan de voet van het kruis. De arme van geest wordt dus door werkelijke nood gedreven om Gods Woord grondig te onderzoeken. De gezegende Geest laat hem de waarheid af en toe in zijn ziel zien, zodat hij merkt dat het echt voedsel is.
Naarmate hij met geestelijke armoede bekend is, zal hij vooral de grond bewerken om voedsel voor zijn ziel te krijgen. Wanneer hij in verzoeking komt, wil hij verlossing; wanneer hij in een strik geraakt is, wil hij eruit bevrijd worden; en wanneer hij in verwarring is, verlangt hij naar de zoete vertroostingen van de Geest in zijn ziel. Zoals een arme man letterlijk zijn grond moet bebouwen om er voedsel van te krijgen, zo merkt een geestelijk arm mens dat zijn voornaamste zorg en doel is voedsel voor zijn ziel te krijgen. Hij heeft geen leerstellingen naar de letter van het Woord nodig, en ook geen lege denkbeelden die als bloemen in een tuin door zijn geest zweven. Hij heeft het vaste voedsel nodig, het enige dat zijn wegzinkende ziel kan staande houden.
Hoe anders is dit dan we hadden gedacht! We hadden niet gedacht dat armoede, hulpeloosheid en een diepe kennis van de zondeval allemaal dienen als voorbereiding op het ontvangen van de waarheid zoals zij in Jezus is. We hadden niet gedacht dat juist de armen degenen zijn wier mond de Heere ruimschoots zou vullen met het voedsel van het evangelie. We dachten eerder dat de mens iets zou moeten doen om dat goede voedsel te verkrijgen. Maar dat is niet zo. Armoede, hulpeloosheid, schuld en verderf zijn de enige vereisten, want „het ploegen der armen geeft veelheid der spijze” (Spr. 13:23).
Lezen: Psalm 119:137-152
Aan de lezer…
Hoe leest u Gods Woord? Bewondert u het alleen van een afstand, zoals een rijk man het uitzicht in zijn park, of zoekt u er brood in voor een hongerige ziel? Bent u in verzoeking en wilt u verlossing, zit u in een strik en wilt u eruit bevrijd worden, bent u in verwarring en verlangt u naar de zoete vertroostingen van de Geest? Dan is uw armoede geen teken dat u buitengesloten bent, maar juist een voorbereiding op het ontvangen van de waarheid zoals zij in Jezus is.
Wij denken zo snel dat wij iets moeten doen of brengen om dat goede voedsel te verkrijgen. Maar armoede, hulpeloosheid, schuld en verderf zijn de enige vereisten. De Heere vult de mond van de armen ruimschoots. Ploeg dan voort in het Woord, met zuchten en smeken, en wacht op Hem, want „het ploegen der armen geeft veelheid der spijze.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will also leave in the midst of thee an afflicted and poor people, and they shall trust in the Name of the LORD.
Zephaniah 3:12
One who is not spiritually poor may read God’s Word and admire its beauty and sublimity, as a rich nobleman admires the views in his park. But he who is poor in spirit reads God’s Word to receive food for his heart out of the fulness of Christ. He seeks some relief in his distress, some comfort in his sorrow, some manifestation of God’s grace to him, a poor, guilty sinner at the foot of the cross. The poor in spirit, then, is driven by real need to search God’s Word thoroughly. The blessed Spirit lets him see the truth from time to time in his soul, so that he finds it to be real food.
So far as he is acquainted with spiritual poverty, he will chiefly till the ground to get food for his soul. When he is in temptation, he wants deliverance; when he is caught in a snare, he wants to be set free from it; and when he is in perplexity, he longs for the sweet consolations of the Spirit in his soul. As a poor man literally must till his ground to get food from it, so a spiritually poor man finds that his chief care and aim is to get food for his soul. He does not need doctrines in the letter of the Word, nor empty notions floating through his mind like flowers in a garden. He needs the solid food, the only thing that can hold up his sinking soul.
How different this is from what we had thought! We had not thought that poverty, helplessness and a deep knowledge of the fall all serve as a preparation for receiving the truth as it is in Jesus. We had not thought that it is just the poor whose mouths the Lord would fill abundantly with the food of the gospel. We rather thought that man would have to do something to obtain that good food. But it is not so. Poverty, helplessness, guilt and ruin are the only qualifications, for “much food is in the tillage of the poor” (Proverbs 13:23).
Reading: Psalm 119:137-152
To the reader…
How do you read God’s Word? Do you only admire it from a distance, like a rich man the view in his park, or do you seek bread in it for a hungry soul? Are you in temptation and do you want deliverance, are you in a snare and do you want to be set free, are you in perplexity and do you long for the sweet consolations of the Spirit? Then your poverty is no sign that you are shut out, but rather a preparation for receiving the truth as it is in Jesus.
We so quickly think that we must do or bring something to obtain that good food. But poverty, helplessness, guilt and ruin are the only qualifications. The Lord fills the mouth of the poor abundantly. Keep tilling in the Word, then, with sighs and supplications, and wait for Him, for “much food is in the tillage of the poor.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y dejaré en medio de ti un pueblo humilde y pobre, los cuales esperarán en el Nombre de Jehová.
Sofonías 3:12
Uno que no es espiritualmente pobre puede leer la Palabra de Dios y admirar su belleza y sublimidad, como un noble rico admira las vistas de su parque. Pero el que es pobre en espíritu lee la Palabra de Dios para recibir alimento para su corazón de la plenitud de Cristo. Busca algún alivio en su angustia, algún consuelo en su tristeza, alguna manifestación de la gracia de Dios para él, un pobre pecador culpable al pie de la cruz. El pobre en espíritu, pues, es impulsado por una necesidad real a escudriñar a fondo la Palabra de Dios. El bendito Espíritu le deja ver la verdad de vez en cuando en su alma, de modo que la halla verdadero alimento.
En la medida en que conoce la pobreza espiritual, labrará principalmente la tierra para obtener alimento para su alma. Cuando está en tentación, quiere liberación; cuando está atrapado en un lazo, quiere ser librado de él; y cuando está en perplejidad, anhela las dulces consolaciones del Espíritu en su alma. Así como un hombre pobre literalmente debe labrar su tierra para obtener de ella alimento, así un hombre espiritualmente pobre halla que su principal cuidado y propósito es obtener alimento para su alma. No necesita doctrinas en la letra de la Palabra, ni nociones vacías que flotan por su mente como flores en un jardín. Necesita el alimento sólido, lo único que puede sostener su alma que se hunde.
¡Cuán diferente es esto de lo que habíamos pensado! No habíamos pensado que la pobreza, la impotencia y un profundo conocimiento de la caída sirven todos de preparación para recibir la verdad tal como está en Jesús. No habíamos pensado que es precisamente a los pobres a quienes el Señor llenaría abundantemente la boca con el alimento del evangelio. Pensábamos más bien que el hombre tendría que hacer algo para obtener ese buen alimento. Pero no es así. La pobreza, la impotencia, la culpa y la ruina son las únicas condiciones, porque “en el barbecho de los pobres hay mucho pan” (Proverbios 13:23).
Lectura: Salmo 119:137-152
Al lector…
¿Cómo lee usted la Palabra de Dios? ¿Solo la admira de lejos, como un hombre rico la vista de su parque, o busca en ella pan para un alma hambrienta? ¿Está en tentación y quiere liberación, está en un lazo y quiere ser librado, está en perplejidad y anhela las dulces consolaciones del Espíritu? Entonces su pobreza no es señal de que esté excluido, sino más bien una preparación para recibir la verdad tal como está en Jesús.
Tan pronto pensamos que debemos hacer o traer algo para obtener ese buen alimento. Pero la pobreza, la impotencia, la culpa y la ruina son las únicas condiciones. El Señor llena abundantemente la boca del pobre. Siga, pues, labrando en la Palabra, con suspiros y súplicas, y espere en Él, porque “en el barbecho de los pobres hay mucho pan”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in het getal.
Handelingen 16:5
O, wat is het een onschatbare genade voor een mens, de waarheid door Goddelijke onderwijzing en door een Goddelijk getuigenis voor zichzelf te kennen; haar door een genadige invloed en hemelse kracht te hebben toegepast gekregen aan zijn hart en voor zichzelf te kennen wat de zaligheid is, te weten vanwaar zij komt, en boven alles een zoete overreding te hebben dat deze zaligheid zijn hart bereikt heeft! Hij zal dan weten waarheen hij moet gaan in de ure van kommer; tot Wie zich te wenden als smart en verdrukking in zijn huis komt, als ziekte of zwakheid zijn tabernakel schudt. Hij zal geen vreemdeling zijn aan de troon der genade, noch van de weldaden van het verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. Er zal hem van boven, uit de volheid van Christus, zodanige genade en sterkte gegeven worden, die hem in het uur der beproeving zullen ondersteunen.
Het is door deze genadige handelingen met zijn ziel dat een gelovige bevestigd wordt in het geloof. Ja, zelfs de stormen die hij trotseren moet, zullen hem te vaster Christus doen aangrijpen en hem des te meer in Christus bevestigen. Het is in deze stormen dat hij meer van zijn eigen zwakheid en meer van Christus’ kracht leert kennen; meer van zijn eigen ellende en meer van de genade van Christus; meer van zijn eigen zondigheid en meer van de overvloedige genade; meer van zijn eigen armoede en meer van Christus’ rijkdommen; meer van zijn eigen helverdiensten en meer van zijn eigen recht op de hemel.
Zo wordt hij bevestigd in het geloof, want de gezegende Geest, Die het werk begonnen heeft, gaat voort om het bepaalde doel te bereiken en het beeld van Christus met dieper letteren op zijn hart af te drukken, en hem bevindelijk meer en meer te doen verstaan de waarheid, zo zij in Jezus is.
Aan de lezer…
Kent u dat? Er waait een storm over uw leven. Is er smart en verdrukking in uw huis gekomen, of schudt ziekte en zwakheid uw tabernakel? Het kan u toeschijnen alsof alles wankelt, maar hoor wat de Heere juist door zulke stormen werkt. Zij doen een arme ziel Christus te vaster aangrijpen en bevestigen haar des te meer in Hem.
In de storm leert u meer van uw eigen zwakheid, maar ook meer van Christus’ kracht; meer van uw ellende, maar ook meer van Zijn genade; meer van uw armoede, maar ook meer van Zijn rijkdommen. Dat is een bittere, maar zegenrijke school. Weet dan, in de ure van kommer, waarheen u gaan moet: naar de troon der genade, waar uit de volheid van Christus genade en sterkte gegeven wordt. De gezegende Geest, Die het werk begonnen heeft, laat het niet varen, maar drukt het beeld van Christus steeds dieper op het hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in het getal.
Handelingen 16:5
O, wat is het een onschatbare genade voor een mens om de waarheid door Goddelijk onderwijs en door een Goddelijk getuigenis voor zichzelf te kennen! Om haar door een genadige invloed en hemelse kracht aan zijn hart toegepast te krijgen, en voor zichzelf te weten wat de zaligheid is en waar zij vandaan komt; en boven alles een zoete overtuiging te hebben dat deze zaligheid zijn hart bereikt heeft! Hij zal dan weten waar hij heen moet gaan in het uur van kommer, en tot Wie hij zich moet wenden wanneer smart en verdrukking in zijn huis komen, wanneer ziekte of zwakheid zijn tabernakel schudt. Hij zal geen vreemdeling zijn bij de troon van de genade, en ook niet van de weldaden van het verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. Hem zal van boven, uit de volheid van Christus, zulke genade en kracht gegeven worden, dat die hem in het uur van de beproeving zullen ondersteunen.
Door deze genadige handelingen met zijn ziel wordt een gelovige bevestigd in het geloof. Ja, zelfs de stormen die hij moet doorstaan, zullen hem Christus des te vaster doen aangrijpen en hem des te meer in Christus bevestigen. Juist in deze stormen leert hij meer van zijn eigen zwakheid en meer van de kracht van Christus kennen; meer van zijn eigen ellende en meer van de genade van Christus; meer van zijn eigen zondigheid en meer van de overvloedige genade; meer van zijn eigen armoede en meer van de rijkdommen van Christus; meer van zijn eigen helverdiensten en meer van zijn eigen recht op de hemel.
Zo wordt hij bevestigd in het geloof. Want de gezegende Geest, Die het werk begonnen heeft, gaat door om het vastgestelde doel te bereiken. Hij drukt het beeld van Christus met diepere letters op zijn hart, en doet hem bevindelijk meer en meer de waarheid verstaan, zoals die in Jezus is.
Aan de lezer…
Kent u dat? Er waait een storm over uw leven. Is er smart en verdrukking in uw huis gekomen, of schudt ziekte en zwakheid uw tabernakel? Het kan u lijken alsof alles wankelt, maar hoor wat de Heere juist door zulke stormen werkt. Zij doen een arme ziel Christus des te vaster aangrijpen en bevestigen haar des te meer in Hem.
In de storm leert u meer van uw eigen zwakheid, maar ook meer van de kracht van Christus; meer van uw ellende, maar ook meer van Zijn genade; meer van uw armoede, maar ook meer van Zijn rijkdommen. Dat is een bittere, maar zegenrijke school. Weet dan, in het uur van kommer, waar u heen moet: naar de troon van de genade, waar uit de volheid van Christus genade en kracht gegeven wordt. De gezegende Geest, Die het werk begonnen heeft, laat het niet varen, maar drukt het beeld van Christus steeds dieper op het hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And so were the churches established in the faith, and increased in number daily.”
Acts 16:5
Oh what an inestimable mercy it is for a man to know the truth for himself by divine teaching and divine testimony; to have it applied to his heart by a gracious influence and a heavenly power, so as to know for himself what salvation is, whence it comes, and above all to enjoy a sweet persuasion that this salvation has reached his heart! He will then know where to go in the hour of trouble, to whom to resort when sorrow and affliction come into his house, or illness or infirmity shake his tabernacle. He will not be a stranger to the throne of grace, nor to the sweetness of the covenant ordered in all things and sure.
But there will be given him from above, out of the fullness of Christ, such grace and strength as will support him in the trying hour. It is by these gracious dealings upon his soul, that a believer becomes “established in the faith.” No, the very storms through which he passes will only strengthen him to take a firmer hold of Christ, and thus become more established in the faith of Him.
It is in these storms that he learns more of his own weakness and of Christ’s strength; more of his own misery and of Christ’s mercy; more of his own sinfulness and of super-abounding grace; more of his own poverty and of Christ’s riches; more of his own desert of hell, and more of his own title to heaven. Thus he becomes “established in faith,” for the same blessed Spirit Who began the work carries it on, goes on to fill up the original outline, and to engrave the image of Christ in deeper characters upon his heart, and to teach him more and more experimentally the truth as it is in Jesus.
To the reader…
Do you know this? A storm is blowing over your life. Has sorrow and affliction come into your house, or is illness and infirmity shaking your tabernacle? It may seem to you as if everything is giving way, but hear what the Lord works precisely through such storms. They make a poor soul take all the firmer hold of Christ and establish it all the more in Him.
In the storm you learn more of your own weakness, but also more of the strength of Christ; more of your misery, but also more of His mercy; more of your poverty, but also more of His riches. That is a bitter but richly blessed school. Know, then, in the hour of trouble, where you must go: to the throne of grace, where grace and strength are given out of the fullness of Christ. The blessed Spirit, Who began the work, does not let it go, but engraves the image of Christ ever more deeply upon the heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Así que, las iglesias eran confirmadas en fe, y eran aumentadas en número cada día.”
Hechos 16:5
¡Oh, qué misericordia inestimable es que un hombre conozca la verdad por sí mismo mediante enseñanza divina y testimonio divino; que la tenga aplicada a su corazón por una influencia llena de gracia y un poder celestial, de modo que sepa por sí mismo qué es la salvación, de dónde viene, y sobre todo que goce de una dulce persuasión de que esta salvación ha alcanzado su corazón! Sabrá entonces adónde ir en la hora de la angustia, a quién acudir cuando el dolor y la aflicción entren en su casa, o la enfermedad o la debilidad sacudan su tabernáculo. No será un extraño al trono de la gracia, ni a la dulzura del pacto ordenado en todas las cosas y será guardado.
Antes bien, le será dada de lo alto, de la plenitud de Cristo, tal gracia y fuerza que le sostendrán en la hora de la prueba. Es por estos tratos llenos de gracia con su alma que el creyente llega a ser “confirmado en la fe”. Más aún, las mismas tormentas por las que pasa solo le fortalecerán para asirse más firmemente de Cristo, y así ser más confirmado en la fe de Él.
Es en estas tormentas donde aprende más de su propia debilidad y de la fuerza de Cristo; más de su propia miseria y de la misericordia de Cristo; más de su propia pecaminosidad y de la gracia sobreabundante; más de su propia pobreza y de las riquezas de Cristo; más de lo que él merece, el infierno, y más de su título al cielo. Así llega a ser “confirmado en la fe”, porque el mismo bendito Espíritu Que comenzó la obra la lleva adelante, sigue completando el bosquejo original, grabando la imagen de Cristo con trazos más hondos en su corazón, y enseñándole más y más por experiencia la verdad tal como está en Jesús.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Una tormenta sopla sobre su vida. ¿Han entrado el dolor y la aflicción en su casa, o la enfermedad y la debilidad sacuden su tabernáculo? Puede parecerle que todo cede, pero escuche lo que el Señor obra precisamente por medio de tales tormentas. Hacen que una pobre alma se asga con tanta más firmeza de Cristo y la confirman tanto más en Él.
En la tormenta aprende usted más de su propia debilidad, pero también más de la fuerza de Cristo; más de su miseria, pero también más de Su misericordia; más de su pobreza, pero también más de Sus riquezas. Esa es una escuela amarga, pero ricamente bendecida. Sepa, pues, en la hora de la angustia, adónde debe ir: al trono de la gracia, donde se dan gracia y fuerza de la plenitud de Cristo. El bendito Espíritu, Que comenzó la obra, no la abandona, sino que graba la imagen de Cristo cada vez más hondamente en el corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl