vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Als de wilgen aan de waterbeken.
Jesaja 44:4
De wilg kan, zoals wij weten, niet leven zonder water; hij moet aan de oever van een beek of rivier geplaatst zijn, anders verwelkt en sterft hij. Neem een jonge wilg en plant die op een bergtop of in de zandwoestijn: hij laat spoedig zijn bladeren hangen en sterft. Maar neem een naakte tak van de wilg en plant die bij een stroom, zodat het water zijn wortel kan bereiken: spoedig zal hij uitspruiten en een krachtige stam opwaarts doen schieten. Zo is het met het kind der genade: het moet ook aan de oever der rivier leven; het moet zijn wortels door die „rivier” laten drenken, welker stromen de stad Gods verblijden, en zich er voortdurend in baden, of het valt af en sterft.
Het kan niet leven in de wereld, verwijderd van de Heere Jezus, Zijn Woord, Zijn voorschriften, Zijn huis, Zijn volk, Zijn tegenwoordigheid, Zijn Geest, Zijn genade, evenmin als een wilg leven kan op de top van een berg; het kan niet leven onder vleselijke mensen, afgesneden van de vereniging en de omgang met zijn groot en verheerlijkt Hoofd, evenmin als de wilg in de woestijn kan tieren en groeien. Hoe schoon wordt dit door de profeet Jeremia uitgedrukt: „Gezegend is de man, die op de Heere vertrouwt; en wiens vertrouwen de Heere is. Want hij zal zijn als een boom, die aan ’t water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen” (Jeremia 17:7, 8). De heiligen Gods dan groeien gelijk „de wilgen aan de waterstromen”.
Hoe duurzaam is ook de wilg! Welk een leven in elke tak! En zelfs wanneer hij laag is afgehouwen, herleeft hij nog „van den reuk der wateren” (Job 14:9), en schiet zijn takken opnieuw uit. Mogen wij hierin niet een gepast zinnebeeld zien van het kind van God, en met verwondering opmerken hoe het, gelijk de wilg, leven en kracht behoudt, wanneer de edeler bomen des wouds door de storm worden neergeworpen of tot brandhout worden geveld?
Dus krijg ik van mijn plicht,
o God, een klaar bericht.
Wat is ’t vooruitzicht schoon:
hij, die op U vertrouwt,
uw wetten onderhoudt,
vindt daarin grote loon.
Maar, Heer, wie is de man,
die op ’t nauwkeurigst kan
zijn dwalingen doorgronden?
O bron van ’t hoogste goed,
was, reinig mijn gemoed
van mijn verborgen zonden!
Ps. 19:6
Aan de lezer…
U die uw ziel voelt verwelken als een wilg op een kale bergtop, met hangende bladeren omdat u te lang verwijderd bent geweest van de Heere Jezus, van Zijn Woord, Zijn huis en Zijn volk, weet dit. Een kind der genade kan in de wereld niet leven, evenmin als een wilg in de zandwoestijn tieren kan. Is dat uw smart, dan is die smart zelf een teken dat er leven in u is dat naar het water dorst.
Zoek dan de oever der rivier, welker stromen de stad Gods verblijden. Gezegend is de man die op de Heere vertrouwt; hij gevoelt het niet wanneer er een hitte komt, en zelfs in een jaar van droogte houdt hij niet op vrucht te dragen. Zelfs een naakte tak schiet spoedig uit, wanneer het water zijn wortel bereikt. Laat dan uw wortels zich uitstrekken naar uw groot en verheerlijkt Hoofd, want uit Hem alleen komt de kracht om groen te blijven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als de wilgen aan de waterbeken.
Jesaja 44:4
De wilg kan, zoals wij weten, niet leven zonder water; hij moet aan de oever van een beek of rivier staan, anders verwelkt en sterft hij. Neem een jonge wilg en plant die op een bergtop of in de zandwoestijn: hij laat al snel zijn bladeren hangen en sterft. Maar neem een kale tak van de wilg en plant die bij een stroom, zodat het water zijn wortel kan bereiken: al snel zal hij uitlopen en een krachtige stam omhoog laten schieten. Zo is het met het kind van de genade: het moet ook aan de oever van de rivier leven. Het moet zijn wortels laten drenken door die „rivier” waarvan de stromen de stad van God verblijden, en zich er voortdurend in baden, of het valt af en sterft.
Het kan niet leven in de wereld, ver van de Heere Jezus, Zijn Woord, Zijn inzettingen, Zijn huis, Zijn volk, Zijn tegenwoordigheid, Zijn Geest, Zijn genade, net zomin als een wilg kan leven op de top van een berg. Het kan niet leven onder vleselijke mensen, afgesneden van de vereniging en de omgang met zijn groot en verheerlijkt Hoofd, net zomin als de wilg in de woestijn kan gedijen en groeien. Hoe mooi wordt dit door de profeet Jeremia uitgedrukt: „Gezegend is de man, die op de Heere vertrouwt; en wiens vertrouwen de Heere is. Want hij zal zijn als een boom, die aan ’t water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen” (Jeremia 17:7, 8). De heiligen van God groeien dan als „de wilgen aan de waterstromen”.
Hoe taai is ook de wilg! Wat een leven zit er in elke tak! En zelfs als hij laag is afgehouwen, leeft hij weer op „van den reuk der wateren” (Job 14:9) en schiet hij opnieuw takken uit. Mogen wij hierin niet een treffend beeld zien van het kind van God? En mogen wij ons niet verwonderen dat het, net als de wilg, leven en kracht behoudt, terwijl de edelere bomen van het woud door de storm worden omgeblazen of als brandhout worden omgehakt?
Dus krijg ik van mijn plicht,
o God, een klaar bericht.
Wat is ’t vooruitzicht schoon:
hij, die op U vertrouwt,
uw wetten onderhoudt,
vindt daarin grote loon.
Maar, Heer, wie is de man,
die op ’t nauwkeurigst kan
zijn dwalingen doorgronden?
O bron van ’t hoogste goed,
was, reinig mijn gemoed
van mijn verborgen zonden!
Ps. 19:6
Aan de lezer…
U die uw ziel voelt verwelken als een wilg op een kale bergtop, met hangende bladeren omdat u te lang ver bent geweest van de Heere Jezus, van Zijn Woord, Zijn huis en Zijn volk: weet dit. Een kind van de genade kan in de wereld niet leven, net zomin als een wilg in de zandwoestijn kan gedijen. Is dat uw smart, dan is die smart zelf een teken dat er leven in u is dat naar het water dorst.
Zoek dan de oever van de rivier waarvan de stromen de stad van God verblijden. Gezegend is de man die op de Heere vertrouwt; hij voelt het niet wanneer er hitte komt, en zelfs in een jaar van droogte houdt hij niet op vrucht te dragen. Zelfs een kale tak loopt al snel uit wanneer het water zijn wortel bereikt. Laat dan uw wortels zich uitstrekken naar uw groot en verheerlijkt Hoofd, want alleen uit Hem komt de kracht om groen te blijven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They shall spring up . . . as willows by the water courses.
Isaiah 44:4
The willow, we know, cannot exist without water; it must be near the brook or river, or it withers and dies. Take a young willow and plant it upon a mountain top or in the sandy desert, and it soon droops and perishes. But take the barest twig off the willow, and plant it near a stream, so that the water may reach it, and it will soon shoot downwards and push a vigorous stem upwards.
So it is with the child of grace—he must live by the river side; he must dip his roots into that “river, the streams whereof make glad the city of God,” and by it he must be continually bathed, or he droops and dies. He cannot live in the world, away from Jesus, His Word, ordinances, house, people, presence, Spirit, and grace, any more than a willow can live upon the mountain top. He cannot live among carnal men, cut off from union and communion with his great and glorious Head, any more than the willow can thrive and grow in the wilderness.
How beautifully is this set forth by the prophet Jeremiah—“Blessed is the man that trusts in the Lord, and whose hope the Lord is—for he shall be as a tree planted by the waters, and that spreads out her roots by the river, and shall not see when heat comes, but her leaf shall be green; and shall not be careful in the year of drought, neither shall cease from yielding fruit” (Jer. 17:7, 8). The saints of God, then, grow like “willows by the flowing streams.”
How enduring, also, is the willow. What life in every branch! and even when cut down low, still reviving “through the scent of water” (Job 14:9), and shooting out its branches afresh. May we not see in this a fitting emblem of the child of God, and admire how, like the willow, he preserves life and vigor when the nobler trees of the forest are blown down by the storm or are cut down for fuel?
To the reader…
You who feel your soul wither like a willow on a bare mountain top, with drooping leaves because you have been too long far from the Lord Jesus, from His Word, His house and His people: know this. A child of grace cannot live in the world, any more than a willow can thrive in the sandy desert. If that is your grief, then that grief itself is a sign that there is life in you that thirsts for water.
Seek, then, the bank of the river whose streams make glad the city of God. Blessed is the man that trusts in the Lord; he shall not see when heat comes, and even in the year of drought he does not cease from yielding fruit. Even a bare twig soon shoots out when the water reaches its root. Let your roots, then, spread out towards your great and glorious Head, for only from Him comes the strength to stay green.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y brotarán . . . como sauces junto a las riberas de las aguas.
Isaías 44:4
Sabemos que el sauce no puede existir sin agua; tiene que estar cerca del arroyo o del río, o se marchita y muere. Tome usted un sauce joven y plántelo en la cumbre de un monte o en el desierto arenoso, y pronto languidece y perece. Pero tome la ramita más desnuda del sauce y plántela junto a una corriente, de modo que el agua pueda alcanzarla, y pronto echará raíces hacia abajo y levantará hacia arriba un tallo vigoroso.
Así sucede con el hijo de la gracia: tiene que vivir a la orilla del río; tiene que hundir sus raíces en aquel río cuyos “conductos alegrarán la ciudad de Dios”, y ser continuamente bañado por él, o languidece y muere. No puede vivir en el mundo, lejos de Jesús, de Su Palabra, de Sus ordenanzas, de Su casa, de Su pueblo, de Su presencia, de Su Espíritu y de Su gracia, como tampoco un sauce puede vivir en la cumbre de un monte. No puede vivir entre hombres carnales, apartado de la unión y comunión con su grande y gloriosa Cabeza, como tampoco el sauce puede prosperar y crecer en el desierto.
¡Cuán hermosamente lo expone el profeta Jeremías! “Bendito el varón que se fía en Jehová, y cuya confianza es Jehová. Porque él será como el árbol plantado junto a las aguas, que junto a la corriente echará sus raíces, y no verá cuando viniere el calor, sino que su hoja estará verde; y en el año de sequía no se fatigará, ni dejará de hacer fruto” (Jer. 17:7, 8). Los santos de Dios, pues, crecen como “sauces junto a las corrientes de las aguas”.
¡Y cuán duradero es también el sauce! ¡Qué vida en cada rama! Y aun cuando se lo corta muy abajo, todavía revive “al percibir el agua” (Job 14:9) y echa de nuevo sus ramas. ¿No podemos ver en esto un emblema apropiado del hijo de Dios, y admirar cómo, igual que el sauce, conserva la vida y el vigor cuando los árboles más nobles del bosque son derribados por la tormenta o cortados para leña?
Al lector…
Usted que siente que su alma se marchita como un sauce en la cumbre desnuda de un monte, con las hojas caídas porque ha estado demasiado tiempo lejos del Señor Jesús, de Su Palabra, de Su casa y de Su pueblo, sepa esto: un hijo de la gracia no puede vivir en el mundo, como tampoco un sauce puede prosperar en el desierto arenoso. Si esa es su pena, entonces esa misma pena es señal de que hay en usted una vida que tiene sed de agua.
Busque, pues, la orilla del río cuyos conductos alegran la ciudad de Dios. Bendito el varón que se fía en Jehová; no verá cuando viniere el calor, y aun en el año de sequía no deja de hacer fruto. Hasta una ramita desnuda brota pronto cuando el agua alcanza su raíz. Extienda, pues, sus raíces hacia su grande y gloriosa Cabeza, porque solo de Él viene la fuerza para permanecer verde.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hebt de wereld niet lief
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Paulus zegt: „Ik heb een vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens”; toch zegt hij tegelijkertijd: „Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt” (Rom. 7:22 en 21). Nu is de vraag welk beginsel overheersend moet zijn. Dien ik, als ik de vreze des Heeren belijd, God te gehoorzamen, naar Zijn Woord en wil te luisteren, datgene te zoeken en te doen dat Hem behaagt? Of dien ik lief te hebben wat God verafschuwt, en mezelf dus in feite onder de gelederen van de vijanden van God en godsvreze te scharen? Het is zeker zo dat door onze liefde voor dingen het punt wordt bepaald waar ons hart en onze schat ligt. En dit geldt zowel wanneer we de regel toepassen om het geheel te beoordelen als wanneer we een gedeelte beoordelen.
Ik hoop dat ik de wereld niet net zo volledig liefheb als een vleselijk mens, voor wie de wereld zijn alles is; maar ik kan haar gedeeltelijk liefhebben, ook al heb ik haar niet volledig lief; ik kan een beetje van haar liefhebben, ook al heb ik haar niet in haar geheel lief; ik kan één plak cake begeren, ook al wil ik niet alles hebben en opeten. Maar in zoverre ik de wereld en hetgeen in de wereld is liefheb, heb ik Gods vijand lief; ik heb een toestand lief die recht tegen de geopenbaarde wil van God ingaat; ik laat mijn vaandel in de steek en schaar me onder de vijandige vlag; ik sta in de gelederen van degenen die tegen God strijden en tegen wie God strijdt. En door mijn liefde voor hen hecht ik mijn goedkeuring aan hun beginselen, grondstellingen, hun streven, hun gewoonten en hun manieren, en dus kies ik in mijn hart, zo niet in persoon, de zijde van degenen die onder de wraak en verdoemenis van God staan.
Dit is de reden waarom God mij gelast de wereld niet lief te hebben; want als ik de wereld liefheb, dwaalt mijn hart van het rechte pad af, glijdt het gemakkelijk in een greppel, wandelt het onderworpen aan degenen die over de brede weg gaan, en keert het, net als Efraïm, ofschoon bewapend, terug als de slag een aanvang neemt. God laat derhalve door middel van Zijn geïnspireerde apostel mij deze waarschuwing ter ore komen; en o, dat God de Heilige Geest aan mijn hart en het uwe en aan alle heiligen licht, leven en genade wil mededelen: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.”
Lezen: Romeinen 7:9-26
Aan de lezer…
Kent u, waarde lezer, die tweestrijd waarvan Paulus spreekt: een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens, en toch het kwade dat u bijligt wanneer u het goede wilt doen? Misschien zegt u bij uzelf: „Ik heb de wereld toch niet zo volledig lief als een vleselijk mens.” Maar wees eerlijk voor God. Een beetje liefde tot de wereld is toch liefde tot Gods vijand, en een hart dat daarin toegeeft, glijdt gemakkelijk in de greppel en keert, als Efraïm, terug wanneer de slag begint.
Laat deze waarschuwing u niet moedeloos maken, maar u uitdrijven tot Hem Die alleen licht, leven en genade kan mededelen. U kunt uw hart niet zelf van de wereld losmaken; maar de Heilige Geest kan het. Smeek dan om die genade, voor uzelf en voor al de heiligen, opdat uw liefde niet verdeeld blijve, maar uw hart en uw schat daar zijn waar uw God is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Paulus zegt: „Ik heb een vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens”; toch zegt hij tegelijk: „Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt” (Rom. 7:22 en 21). De vraag is nu welk beginsel de overhand moet hebben. Behoor ik, als ik de vreze des Heeren belijd, God te gehoorzamen, naar Zijn Woord en wil te luisteren, te zoeken en te doen wat Hem behaagt? Of behoor ik lief te hebben wat God verafschuwt, en mij dus in feite te scharen in de gelederen van de vijanden van God en van de godsvrucht? Het staat vast dat onze liefde tot de dingen bepaalt waar ons hart en onze schat is. En dat geldt zowel wanneer we de regel toepassen om het geheel te beoordelen als wanneer we een deel beoordelen.
Ik hoop dat ik de wereld niet zo volledig liefheb als een vleselijk mens, voor wie de wereld alles is. Maar ik kan haar gedeeltelijk liefhebben, ook al heb ik haar niet volledig lief; ik kan een beetje van haar liefhebben, ook al heb ik haar niet in haar geheel lief; ik kan één plak cake begeren, ook al wil ik niet alles hebben en opeten. Maar voor zover ik de wereld en wat in de wereld is liefheb, heb ik Gods vijand lief. Dan heb ik een toestand lief die recht tegen de geopenbaarde wil van God ingaat; dan laat ik mijn vaandel in de steek en schaar ik mij onder de vlag van de vijand; dan sta ik in de gelederen van hen die tegen God strijden en tegen wie God strijdt. En door mijn liefde tot hen keur ik hun beginselen, grondregels, streven, gewoonten en manieren goed. Zo kies ik in mijn hart, al is het niet in persoon, de zijde van hen die onder de wraak en verdoemenis van God staan.
Daarom gebiedt God mij de wereld niet lief te hebben. Want als ik de wereld liefheb, dwaalt mijn hart van het rechte pad af, glijdt het gemakkelijk in een greppel, loopt het in onderworpenheid mee met hen die over de brede weg gaan, en keert het, net als Efraïm, hoewel gewapend, terug wanneer de strijd begint. Daarom laat God mij door Zijn geïnspireerde apostel deze waarschuwing horen. En o, dat God de Heilige Geest aan mijn hart en het uwe en aan alle heiligen licht, leven en genade wil meedelen: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.”
Lezen: Romeinen 7:9-26
Aan de lezer…
Kent u die tweestrijd waarvan Paulus spreekt: een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens, en toch het kwade dat u bijligt wanneer u het goede wilt doen? Misschien zegt u bij uzelf: „Ik heb de wereld toch niet zo volledig lief als een vleselijk mens.” Maar wees eerlijk voor God. Een beetje liefde tot de wereld is toch liefde tot Gods vijand, en een hart dat daaraan toegeeft, glijdt gemakkelijk in de greppel en keert, als Efraïm, terug wanneer de strijd begint.
Laat deze waarschuwing u niet moedeloos maken, maar u uitdrijven naar Hem Die alleen licht, leven en genade kan meedelen. U kunt uw hart niet zelf van de wereld losmaken, maar de Heilige Geest kan het. Smeek dan om die genade, voor uzelf en voor alle heiligen, zodat uw liefde niet verdeeld blijft, maar uw hart en uw schat zijn waar uw God is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him. For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world. And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
1 John 2:15-17
Paul says, “I delight in the law of God after the inward man”; yet at the same time he says, “I find then a law, that, when I would do good, evil is present with me” (Romans 7:22 and 21). The question now is which principle is to have the upper hand. Am I, if I profess the fear of the Lord, to obey God, to listen to His Word and will, to seek and do what pleases Him? Or am I to love what God abhors, and so in fact to range myself in the ranks of the enemies of God and of godliness? It is certain that our love to things determines where our heart and our treasure are. And that holds good both when we apply the rule to judge the whole and when we judge a part.
I hope I do not love the world as wholly as a carnal man, to whom the world is everything. But I may love it partly, though I do not love it wholly; I may love a little of it, though I do not love it in its entirety; I may covet one slice of the cake, though I do not want to have and eat the whole. But so far as I love the world and the things that are in the world, I love God’s enemy. Then I love a state of things directly contrary to the revealed will of God; then I desert my standard and range myself under the enemy’s flag; then I stand in the ranks of those who fight against God and against whom God fights.
And by my love to them I approve of their principles, maxims, pursuits, habits and ways. So in heart, though not in person, I take the side of those who lie under the wrath and condemnation of God.
Therefore God commands me not to love the world. For if I love the world, my heart strays from the right path, easily slips into a ditch, walks in subjection with those who go along the broad road, and, like Ephraim, though armed, turns back when the battle begins. Therefore God makes me hear this warning by His inspired apostle. And O that God the Holy Ghost would communicate light, life and grace to my heart and yours and to all the saints: “Love not the world, neither the things that are in the world.”
Reading: Romans 7:9-25
To the reader…
Do you know that inner conflict of which Paul speaks: a delight in the law of God after the inward man, and yet evil present with you when you would do good? Perhaps you say to yourself, “Surely I do not love the world as wholly as a carnal man.” But be honest before God. A little love to the world is still love to God’s enemy, and a heart that gives way to it easily slips into the ditch and, like Ephraim, turns back when the battle begins.
Do not let this warning make you despondent, but let it drive you out to Him Who alone can communicate light, life and grace. You cannot loosen your heart from the world yourself, but the Holy Ghost can. Plead, then, for that grace, for yourself and for all the saints, so that your love may not remain divided, but your heart and your treasure may be where your God is.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo. Si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él. Porque todo lo que hay en el mundo, la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida, no es del Padre, mas es del mundo. Y el mundo se pasa, y su concupiscencia; mas el que hace la voluntad de Dios, permanece para siempre.
1 Juan 2:15-17
Pablo dice: “Según el hombre interior, me deleito en la ley de Dios”; sin embargo, al mismo tiempo dice: “Queriendo yo hacer el bien, hallo esta ley: Que el mal está en mí” (Romanos 7:22 y 21). La cuestión ahora es qué principio ha de prevalecer. Si profeso el temor del Señor, ¿he de obedecer a Dios, escuchar Su Palabra y Su voluntad, buscar y hacer lo que le agrada? ¿O he de amar lo que Dios aborrece, y así, de hecho, alistarme en las filas de los enemigos de Dios y de la piedad? Es cierto que nuestro amor a las cosas determina dónde están nuestro corazón y nuestro tesoro. Y eso vale tanto cuando aplicamos la regla para juzgar el todo como cuando juzgamos una parte.
Espero no amar al mundo tan enteramente como un hombre carnal, para quien el mundo lo es todo. Pero puedo amarlo en parte, aunque no lo ame del todo; puedo amar un poco de él, aunque no lo ame en su totalidad; puedo codiciar una porción del pastel, aunque no quiera tenerlo y comerlo entero. Pero en la medida en que amo al mundo y las cosas que están en el mundo, amo al enemigo de Dios. Entonces amo un estado de cosas directamente contrario a la voluntad revelada de Dios; entonces abandono mi estandarte y me alisto bajo la bandera del enemigo; entonces estoy en las filas de los que luchan contra Dios y contra quienes Dios lucha.
Y por mi amor a ellos apruebo sus principios, máximas, ocupaciones, costumbres y caminos. Así, de corazón, aunque no en persona, me pongo del lado de aquellos que yacen bajo la ira y la condenación de Dios.
Por eso Dios me manda no amar al mundo. Porque si amo al mundo, mi corazón se desvía del camino recto, resbala fácilmente a una zanja, anda sometido con los que van por el camino ancho, y, como Efraín, aunque armado, vuelve las espaldas cuando comienza la batalla. Por eso Dios me hace oír esta advertencia por medio de Su apóstol inspirado. ¡Y oh, que Dios el Espíritu Santo comunicara luz, vida y gracia a mi corazón y al suyo y a todos los santos: “No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo”!
Lectura: Romanos 7:9-25
Al lector…
¿Conoce usted ese conflicto interior del que habla Pablo: un deleite en la ley de Dios según el hombre interior, y sin embargo el mal presente en usted cuando quiere hacer el bien? Quizás se diga: “Ciertamente no amo al mundo tan enteramente como un hombre carnal”. Pero sea sincero delante de Dios. Un poco de amor al mundo sigue siendo amor al enemigo de Dios, y un corazón que cede a él resbala fácilmente a la zanja y, como Efraín, vuelve las espaldas cuando comienza la batalla.
No deje que esta advertencia le desanime, sino que le empuje hacia Aquel que es el único que puede comunicar luz, vida y gracia. Usted no puede desprender su corazón del mundo por sí mismo, pero el Espíritu Santo sí puede. Suplique, pues, esa gracia, para usted y para todos los santos, para que su amor no quede dividido, sino que su corazón y su tesoro estén donde está su Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonde wil, maar de geest is leven om der gerechtigheid wil.
Romeinen 8:10
Wij hebben twee dingen nodig in een levend werk: een geestelijke dood en een geestelijk leven. Wij hebben nodig dat de dood op het vlees wordt afgedrukt, op de zonde, op alles dat van het Goddelijke afwijkt, opdat het niet moge heersen of regeren; en wij behoeven ook de gemeenschap en onderhouding van een Goddelijk leven, dat naar God uitgaat, dat bestaat en leeft in hetzelfde hart en dat op hetzelfde ogenblik handelt. Hier strijdt de zonde om de heerschappij, maar hier is ook een gezicht op het kruis van Christus; hier is een bewijs van de bloedende en stervende liefde. Dit zet de dood op de zonde. Maar waar de dood op de zonde wordt afgedrukt en de begeerte wordt gefnuikt, gekruisigd, weerstaan of onderworpen, daar ontspringt tegelijkertijd een leven des geloofs en des gebeds, der hoop en der liefde, van berouw en Goddelijke droefheid over de zonde, van vernedering en geestelijke gezindheid, van een begeerte om te leven tot eer van God en te wandelen in Zijn vrees.
Van het kruis vloeien deze beide zaken af. Van het kruis komt de onderwerping der zonde; van het kruis komen leven en gerechtigheid. Van het kruis komt de genezing van elke bloedende wond, en van het kruis ontspringt beweging tot een godzalig leven. Zo is er in Gods verborgen, wijze handelingen een weg waarin de zonde kan verzoend, de wet verheerlijkt, gerechtigheid verhoogd, de zondaar verlost, de zonde onderworpen en gerechtigheid geschonken worden, en de ziel verwaardigd wordt om te wandelen in de wegen van vrede en heiligheid. O, welke diepten van wijsheid, barmhartigheid en genade worden hier gevonden!
Zie waarheen gij wilt, beproef elke vorm: indien gij oprecht handelt ten opzichte van de zaligheid uwer ziel, indien de Geest des Heeren de vreze Gods in uw hart geplant heeft, dan zult gij buiten deze geen andere weg vinden. Er is geen andere weg die leidt tot heiligheid hier en ten hemel hiernamaals; geen andere weg waarin de zonde kan verzoend en de ziel geheiligd worden. Het is ten opzichte van de zaligheid dat niet alleen de schuld, maar ook de kracht der zonde wordt weggenomen. Ten opzichte van de zaligheid wordt in deze weg de vloek der wet tenietgedaan, en hier ligt de bron van alle heilige, aanneembare gehoorzaamheid, die door alle eeuwen heen het kruis zo dierbaar heeft doen zijn voor de zielen van Gods kinderen, en die hen min of meer met Paulus heeft doen instemmen, toen hij zeide dat hij niet wenste te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd.
Aan de lezer…
Soms bent u bevreesd omdat u in uw hart zowel de zonde als een begeerte naar God gewaarwordt, die tegelijk in u schijnen te leven en te strijden. Het is geen vreemd ding; in een levend werk is er altijd een dood en een leven. De zonde strijdt om de heerschappij, maar waar een gezicht op het kruis van Christus gegeven wordt, daar wordt de dood op de zonde gezet en ontspringt een leven des geloofs, des gebeds en der hoop.
Zoek dan niet elders. Beproef elke vorm, zie waarheen u wilt: u zult buiten het kruis geen andere weg vinden waarin de zonde verzoend en de ziel geheiligd wordt. Daar wordt niet alleen de schuld, maar ook de kracht der zonde weggenomen; daar vloeit genezing voor elke bloedende wond. Moge uw ziel met Paulus niets anders willen weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonde wil, maar de geest is leven om der gerechtigheid wil.
Romeinen 8:10
In een levend werk hebben wij twee dingen nodig: een geestelijke dood en een geestelijk leven. Wij hebben nodig dat de dood gedrukt wordt op het vlees, op de zonde, op alles wat van het goddelijke afwijkt, zodat het niet kan heersen of regeren. En wij hebben ook de gemeenschap en instandhouding nodig van een goddelijk leven, dat naar God uitgaat, dat in hetzelfde hart bestaat en leeft en op hetzelfde ogenblik werkzaam is. Hier strijdt de zonde om de heerschappij, maar hier is ook een gezicht op het kruis van Christus; hier is een bewijs van de bloedende en stervende liefde. Dat zet de dood op de zonde. Maar waar de dood op de zonde gedrukt wordt en de begeerte wordt gefnuikt, gekruisigd, weerstaan of onderworpen, daar ontspringt tegelijkertijd een leven van geloof en gebed, van hoop en liefde, van berouw en goddelijke droefheid over de zonde, van vernedering en geestelijke gezindheid, van een verlangen om tot eer van God te leven en in Zijn vrees te wandelen.
Beide zaken vloeien voort uit het kruis. Uit het kruis komt de onderwerping van de zonde; uit het kruis komen leven en gerechtigheid. Uit het kruis komt de genezing van elke bloedende wond, en uit het kruis ontspringt de drang tot een godzalig leven. Zo is er in Gods verborgen, wijze handelen een weg waarin de zonde verzoend, de wet verheerlijkt, de gerechtigheid verhoogd, de zondaar verlost, de zonde onderworpen en gerechtigheid geschonken kan worden, en waarin de ziel verwaardigd wordt te wandelen op de wegen van vrede en heiligheid. O, welke diepten van wijsheid, barmhartigheid en genade worden hier gevonden!
Kijk waar u wilt, probeer elke vorm: als u oprecht bent met betrekking tot de zaligheid van uw ziel, als de Geest van de Heere de vreze Gods in uw hart geplant heeft, dan zult u buiten deze geen andere weg vinden. Er is geen andere weg die leidt tot heiligheid hier en tot de hemel hierna; geen andere weg waarin de zonde verzoend en de ziel geheiligd kan worden. In deze zaligheid wordt niet alleen de schuld, maar ook de kracht van de zonde weggenomen. In deze weg van zaligheid wordt de vloek van de wet tenietgedaan, en hier ligt de bron van alle heilige, aangename gehoorzaamheid. Dat heeft het kruis door alle eeuwen heen zo dierbaar gemaakt voor de zielen van Gods kinderen, en heeft hen min of meer doen instemmen met Paulus, toen hij zei dat hij niets wenste te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd.
Aan de lezer…
Soms bent u bang omdat u in uw hart zowel de zonde als een verlangen naar God bespeurt, die tegelijk in u lijken te leven en te strijden. Dat is niet vreemd; in een levend werk is er altijd een dood en een leven. De zonde strijdt om de heerschappij, maar waar een gezicht op het kruis van Christus gegeven wordt, daar wordt de dood op de zonde gezet en ontspringt een leven van geloof, gebed en hoop.
Zoek dan niet elders. Probeer elke vorm, kijk waar u wilt: u zult buiten het kruis geen andere weg vinden waarin de zonde verzoend en de ziel geheiligd wordt. Daar wordt niet alleen de schuld, maar ook de kracht van de zonde weggenomen; daar vloeit genezing voor elke bloedende wond. Moge uw ziel met Paulus niets anders willen weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And if Christ be in you, the body is dead because of sin; but the Spirit is life because of righteousness.”
Romans 8:10
We need two things in lively operation; a spiritual death and a spiritual life. We need death put upon the flesh, upon sin, upon everything which is ungodly, that it may not reign or rule; and we need also the communication and maintenance of a divine life which shall act Godwards, exist and co-exist in the same breast, and be in activity at the same moment.
Here is sin striving for the mastery; but here also is a view of the cross of Christ; here is a testimony of bleeding, dying love. This puts a death upon sin. But as death is put upon sin and the lust is mortified, crucified, resisted, or subdued, there springs up a life of faith and prayer, of hope and love, of repentance and godly sorrow for sin, of humility and spirituality, of a desire to live to God’s praise and walk in His fear. The cross gives both. From the cross comes death unto sin; from the cross comes life unto righteousness. From the cross springs the healing of every bleeding wound, and from the cross springs every motive to a godly life.
Thus, in God’s mysterious wisdom, there is a way whereby sin can be pardoned, the law magnified, justice exalted, the sinner saved, sin subdued, righteousness given, and the soul made to walk in the ways of peace and holiness.
Oh, what depths of wisdom, mercy, and grace are here! Look where you will, try every mode, if you are sincere about your soul’s salvation, if the Lord the Spirit has planted the fear of God in your heart, you will find no other way but this. There is no other way that leads to holiness here and heaven hereafter; no other way whereby sin can be pardoned and the soul sanctified. It is this view of salvation from sin not only in its guilt but also in its power, this deliverance from the curse of the law and well-spring of all holy, acceptable obedience, which has in all ages so endeared the cross to the souls of God’s family, and made all of them more or less to be of Paul’s mind, when he declared that he was determined to know nothing except Jesus Christ and Him crucified.
To the reader…
Sometimes you are afraid because you detect in your heart both sin and a longing for God, which seem to live and strive in you at the same time. That is not strange; in a living work there is always a death and a life. Sin strives for the mastery, but where a view of the cross of Christ is given, there death is put upon sin and a life of faith, prayer and hope springs up.
Do not look elsewhere, then. Try every mode, look where you will: you will find no other way outside the cross in which sin is atoned for and the soul sanctified. There not only the guilt but also the power of sin is taken away; there healing flows for every bleeding wound. May your soul, with Paul, desire to know nothing but Jesus Christ and Him crucified.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Empero si Cristo está en vosotros, el cuerpo a la verdad está muerto a causa del pecado; mas el espíritu vive a causa de la justicia.”
Romanos 8:10
Necesitamos dos cosas en viva operación: una muerte espiritual y una vida espiritual. Necesitamos que se ponga muerte sobre la carne, sobre el pecado, sobre todo lo que es impío, para que no reine ni gobierne; y necesitamos también la comunicación y el mantenimiento de una vida divina que obre hacia Dios, que exista y coexista en el mismo pecho, y que esté en actividad en el mismo momento.
Aquí está el pecado luchando por el dominio; pero aquí está también una vista de la cruz de Cristo; aquí está un testimonio de amor sangrante y agonizante. Esto pone muerte sobre el pecado. Pero a medida que se pone muerte sobre el pecado y la concupiscencia es mortificada, crucificada, resistida o sujetada, brota una vida de fe y oración, de esperanza y amor, de arrepentimiento y tristeza según Dios por el pecado, de humildad y espiritualidad, de deseo de vivir para alabanza de Dios y de andar en Su temor. La cruz da ambas cosas. De la cruz viene la muerte al pecado; de la cruz viene la vida a la justicia. De la cruz brota la sanidad de toda herida que sangra, y de la cruz brota todo motivo para una vida piadosa.
Así, en la misteriosa sabiduría de Dios, hay un camino por el cual el pecado puede ser perdonado, la ley engrandecida, la justicia exaltada, el pecador salvado, el pecado sujetado, la justicia dada, y el alma hecha andar en los caminos de la paz y la santidad.
¡Oh, qué profundidades de sabiduría, misericordia y gracia hay aquí! Mire donde quiera, pruebe todo medio: si es usted sincero acerca de la salvación de su alma, si el Señor el Espíritu ha plantado el temor de Dios en su corazón, no hallará otro camino sino este. No hay otro camino que lleve a la santidad aquí y al cielo en el más allá; ningún otro camino por el cual el pecado pueda ser perdonado y el alma santificada. Es esta visión de la salvación del pecado no solo en su culpa, sino también en su poder, esta liberación de la maldición de la ley y este manantial de toda obediencia santa y aceptable, lo que en todos los siglos ha hecho tan querida la cruz para las almas de la familia de Dios, y ha hecho que todos ellos sean más o menos del sentir de Pablo, cuando declaró que se había propuesto no saber nada sino a Jesucristo, y a Este crucificado.
Al lector…
A veces usted se asusta porque descubre en su corazón tanto pecado como un anhelo de Dios, que parecen vivir y luchar en usted al mismo tiempo. Eso no es extraño; en una obra viva hay siempre una muerte y una vida. El pecado lucha por el dominio, pero donde se da una vista de la cruz de Cristo, allí se pone muerte sobre el pecado y brota una vida de fe, oración y esperanza.
No busque, pues, en otra parte. Pruebe todo medio, mire donde quiera: no hallará fuera de la cruz otro camino en el que el pecado sea expiado y el alma santificada. Allí no solo se quita la culpa, sino también el poder del pecado; allí fluye sanidad para toda herida que sangra. Que su alma, con Pablo, desee no saber nada sino a Jesucristo, y a Este crucificado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl