5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De Heere bemint de poorten Sions.
Psalm 87:2
Waartoe dienen de poorten? Tot twee doeleinden: om in te gaan en uit te gaan. En Sion heeft ook haar poorten om uit te gaan en in te gaan; zij heeft haar poorten van toegang tot God, van ingang tot de tegenwoordigheid van de Allerhoogste; „de deur der hoop”, die haar opening heeft in „de vallei van Achor”. En wie heeft de deur geopend; of liever, wie heeft ze niet alleen geopend en gemaakt, dan Hij, Die Zelf de deur is? „Ik ben de deur,” zegt Jezus.
En werd „de deur” niet geopend door Zijn verscheurd vlees? Zoals de apostel zegt: „Hebbende daarom, broeders! de vrijmoedigheid in het heiligdom in te gaan door het bloed van Jezus, door een verse en levende weg, welke Hij voor ons heeft geheiligd, door het voorhangsel, dat is, Zijn vlees.” Door Zijn bloedende wonden, door Zijn doorboorde zijde, door Zijn doornagelde handen en voeten is er nu toegang tot God. Is er een andere toegang tot God dan door het geslachte Lam? „Door Hem hebben wij toegang door één Geest tot de Vader.” Er is geen andere; want Hij is „de Weg, de Waarheid, en het Leven, en niemand komt tot de Vader dan door Hem.”
Is dit geen open weg? Gaat de ziel niet door deze deur in en uit, en vindt zij geen weide, en komt zij niet tot de onmiddellijke nabijheid Gods? Vindt gij, mijne vrienden! ooit toegang tot God, een hart om te bidden, een gevoel van gebedsverhoring, een geopende deur, en de kracht om erin te gaan? Wat opent haar? Verdienste? Zet verdienste op de voorgrond en wij zijn allen verdoemd. Er is geen verdienste, groot noch klein; het is het bloed des Lams alleen, dat een weg gebaand heeft voor arme verloren zondaren, om ze tot God te brengen.
Verhoogt, o poorten, nu de boog,
rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog,
opdat de Koning in moog’ rijden!
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
’t Is God, d’almachtig’ Opperheer!
’t Is God, geweldig in het strijden!
Ps. 24:5
Aan de lezer…
Soms staat u voor de poort en durft u niet in te gaan. Zegt uw hart dat u te zondig, te koud, te onwaardig bent om tot God te naderen? Dan is het goed te weten dat er geen verdienste nodig is, groot noch klein. Zet verdienste op de voorgrond, en wij zijn allen verdoemd. Maar de deur is geopend door het verscheurde vlees van Christus, door Zijn bloedende wonden en Zijn doorboorde zijde.
Hij Zelf zegt: „Ik ben de Deur.” Niemand komt tot de Vader dan door Hem, maar ook niemand die door Hem komt, wordt buitengesloten. Hebt u ooit toegang gevonden, een hart om te bidden, een gevoel van verhoring? Dan was het het bloed des Lams dat de weg baande. Ga dan opnieuw in, met al uw armoede. De Heere bemint de poorten Sions, en Hij heeft ze geopend voor arme, verloren zondaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere bemint de poorten Sions.
Psalm 87:2
Waarvoor dienen poorten? Voor twee doeleinden: om naar binnen en om naar buiten te gaan. Ook Sion heeft haar poorten om uit te gaan en in te gaan. Zij heeft haar poorten van toegang tot God, van ingang tot de tegenwoordigheid van de Allerhoogste: „de deur der hoop”, die haar opening heeft in „het dal Achor”. En wie heeft die deur geopend? Of liever: wie anders heeft haar niet alleen geopend maar ook gemaakt dan Hij Die Zelf de Deur is? „Ik ben de Deur,” zegt Jezus.
En werd „de deur” niet geopend door Zijn verscheurde vlees? Zoals de apostel zegt: „Hebbende daarom, broeders! de vrijmoedigheid in het heiligdom in te gaan door het bloed van Jezus, door een verse en levende weg, welke Hij voor ons heeft geheiligd, door het voorhangsel, dat is, Zijn vlees.” Door Zijn bloedende wonden, door Zijn doorstoken zijde, door Zijn doorboorde handen en voeten is er nu toegang tot God. Is er een andere toegang tot God dan door het geslachte Lam? „Door Hem hebben wij toegang door één Geest tot de Vader.” Er is geen andere, want Hij is „de Weg, de Waarheid, en het Leven, en niemand komt tot de Vader dan door Hem.”
Is dit geen open weg? Gaat de ziel niet door deze deur in en uit, vindt zij geen weide, en komt zij niet in de onmiddellijke nabijheid van God? Vindt u, mijn vrienden, ooit toegang tot God, een hart om te bidden, een besef van gebedsverhoring, een geopende deur en de kracht om erdoor naar binnen te gaan? Wat opent haar? Verdienste? Zet verdienste op de voorgrond, en wij zijn allemaal verdoemd. Er is geen verdienste, groot of klein; het is alleen het bloed van het Lam dat een weg gebaand heeft voor arme, verloren zondaren, om hen tot God te brengen.
Verhoogt, o poorten, nu de boog,
rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog,
opdat de Koning in moog’ rijden!
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
’t Is God, d’almachtig’ Opperheer!
’t Is God, geweldig in het strijden!
Ps. 24:5
Aan de lezer…
Soms staat u voor de poort en durft u niet naar binnen te gaan. Zegt uw hart dat u te zondig, te koud, te onwaardig bent om tot God te naderen? Dan is het goed te weten dat er geen verdienste nodig is, groot of klein. Zet verdienste op de voorgrond, en wij zijn allemaal verdoemd. Maar de deur is geopend door het verscheurde vlees van Christus, door Zijn bloedende wonden en Zijn doorstoken zijde.
Hij Zelf zegt: „Ik ben de Deur.” Niemand komt tot de Vader dan door Hem, maar ook niemand die door Hem komt, wordt buitengesloten. Hebt u ooit toegang gevonden, een hart om te bidden, een besef van verhoring? Dan was het het bloed van het Lam dat de weg baande. Ga dan opnieuw naar binnen, met al uw armoede. De Heere bemint de poorten van Sion, en Hij heeft ze geopend voor arme, verloren zondaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD loveth the gates of Zion.
Psalm 87:2
What are gates for? Two purposes—entrance and exit. And Zion, also, has her gates of exit and entrance; she has her gates of access to God, entrance into the presence of the Most High; “the door of hope,” opened in “the valley of Achor.” And who has opened the door; or, rather, who has not only opened it and made it, but Himself IS the Door? “I am the Door,” says Jesus. And was not “the door” opened through His rent flesh? As the Apostle speaks—“Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by the blood of Jesus, by a new and living way, which He has consecrated for us, through the veil, that is to say, His flesh.” Through His bleeding wounds, through His pierced side, through His mangled feet and hands, there is now access to God—
“A door of hope is opened wide
In Jesus’ pierced hands and side.”
Is there any other access to God, but through the slaughtered Lamb? “Through Him we have access by one Spirit unto the Father.” There is no other; for He is “the way, the truth, and the life, and no man comes to the Father but by Him.” Is not this an open way? Does not the soul through this door “walk in and out and find pasture,” and enter into the immediate presence of God?
Do you, my friends, ever find access to God, a heart to pray, a sense of acceptance in prayer, an open door, and power to enter therein? What opens it? Merit? Set up merit, and we are all damned to a man. It is not merit, great or little; it is the blood of the Lamb which alone has opened a way for poor lost sinners to draw near to God.
To the reader…
Sometimes you stand before the gate and do not dare to go in. Does your heart say that you are too sinful, too cold, too unworthy to draw near to God? Then it is good to know that no merit is needed, great or small. Put merit in the foreground, and we are all condemned. But the door has been opened through the rent flesh of Christ, through His bleeding wounds and His pierced side.
He Himself says, “I am the Door.” No one comes to the Father but by Him, but neither is anyone who comes by Him shut out. Have you ever found access, a heart to pray, a sense of being heard? Then it was the blood of the Lamb that opened the way. So go in again, with all your poverty. The Lord loves the gates of Zion, and He has opened them for poor lost sinners.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ama Jehová las puertas de Sion.
Salmo 87:2
¿Para qué sirven las puertas? Para dos fines: entrar y salir. Y Sion tiene también sus puertas de salida y de entrada; tiene sus puertas de acceso a Dios, de entrada a la presencia del Altísimo; “la puerta de esperanza”, abierta en “el valle de Achor”. ¿Y quién ha abierto la puerta; o, mejor dicho, quién no solo la ha abierto y hecho, sino que Él mismo ES la Puerta? “Yo soy la puerta”, dice Jesús. ¿Y no fue abierta “la puerta” por medio de Su carne rasgada? Como dice el Apóstol: “Así que, hermanos, teniendo libertad para entrar en el santuario por la sangre de Jesucristo, por el camino que Él nos consagró nuevo y vivo, por el velo, esto es, por Su carne”. Por Sus heridas que sangran, por Su costado traspasado, por Sus pies y manos desgarrados, hay ahora acceso a Dios:
“Una puerta de esperanza está abierta de par en par
en las manos y el costado traspasados de Jesús.”
¿Hay algún otro acceso a Dios sino por medio del Cordero inmolado? “Por Él tenemos entrada por un mismo Espíritu al Padre”. No hay otro; porque Él es “el camino, y la verdad, y la vida; nadie viene al Padre, sino por Él”. ¿No es este un camino abierto? ¿No “entra y sale y halla pastos” el alma por esta puerta, y entra en la presencia inmediata de Dios?
¿Encuentran ustedes, amigos míos, alguna vez acceso a Dios, un corazón para orar, un sentido de ser aceptados en la oración, una puerta abierta y poder para entrar por ella? ¿Qué la abre? ¿El mérito? Pongan el mérito por delante, y todos sin excepción estamos condenados. No es el mérito, grande o pequeño; es la sangre del Cordero lo único que ha abierto un camino para que pobres pecadores perdidos se acerquen a Dios.
Al lector…
A veces está usted delante de la puerta y no se atreve a entrar. ¿Le dice su corazón que es demasiado pecador, demasiado frío, demasiado indigno para acercarse a Dios? Entonces es bueno saber que no se necesita ningún mérito, ni grande ni pequeño. Ponga el mérito por delante, y todos estamos condenados. Pero la puerta ha sido abierta por medio de la carne rasgada de Cristo, por Sus heridas que sangran y Su costado traspasado.
Él mismo dice: “Yo soy la puerta”. Nadie viene al Padre sino por Él, pero tampoco es excluido nadie que viene por Él. ¿Ha hallado usted alguna vez acceso, un corazón para orar, un sentido de ser oído? Entonces fue la sangre del Cordero la que abrió el camino. Entre, pues, de nuevo, con toda su pobreza. Ama Jehová las puertas de Sion, y las ha abierto para pobres pecadores perdidos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De gelovige moordenaar
Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
Lukas 23:42
Wat zei de stervende moordenaar behalve: „Heere, gedenk mijner”? Godsvrucht was bij hem iets persoonlijks; de verlossing van zijn ziel was zijn voornaamste zorg. Er waren nog slechts een paar uur te gaan voor zijn ogen zich voorgoed zouden sluiten, en welk een eeuwigheid zou hem ontvangen! Dit voelde hij; dit zat diepgeworteld in zijn geweten; en dit wekte vanuit zijn ziel de uitroep op: „Gedenk mijner.” Alsof hij moest zeggen: „Heere, wie Gij ook vergeet, gedenk mijner, denk aan mij, verlos mij, bevrijd mij.”
En is dit niet wat elke God-geleerde ziel voelt en uitroept? „Gedenk mijner, denk aan mij; vergeet mij niet. Laat mijn naam U dierbaar zijn, in Uw ogen en in Uw hart. Gij hebt veel om aan te denken, Heere, maar Heere, gedenk mijner. Ik ben een vervloekte stakker, een schuldige kwaaddoener, een verdoemde misdadiger die het verdient om duizend doden te sterven en duizend hellen te ondergaan. Maar denk aan mij, wees goed voor mij, verwerp mij niet.”
Merk ook op dat deze stervende misdadiger wist dat de Heere een Koninkrijk had. Wat een geloof had hij! Ja, en dat Hij op een dag in dat Koninkrijk zou komen. En als Hij in Zijn Koninkrijk kwam, omringd door al Zijn heiligen en engelen, dan was de uitroep en het verlangen van zijn ziel dat Jezus hem zou gedenken.
En merk op dat hij geen verheven plaats in dit Koninkrijk vraagt. Waarvoor gaat men naar de hemel? Om op een verheven zetel te zitten? O, God verhoede dat! „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen” (Joh. 14:2), maar geen verheven zetels, de ene hoger dan de andere. Allen zijn er gelijk. Wat geeft hun vreugde? Christus te zien zoals Hij is, van recht tegenover Hem, en voor altijd te hebben afgedaan met dit ellendige lichaam van zonde en dood.
Lezen: Psalm 40
Aan de lezer…
Arme zondaar, is de verlossing van uw ziel ook voor u iets persoonlijks geworden? Het is niet genoeg te weten dat de Heere zondaren redt; de vraag is of uw eigen hart roept: „Heere, gedenk mijner.” Wie U ook vergeet, vergeet mij niet. Ik ben een schuldige kwaaddoener die niets verdiend heeft, maar denk aan mij, wees goed voor mij, verwerp mij niet. Herkent u die zucht?
Dan staat u in het spoor van de stervende moordenaar. Hij vroeg geen verheven plaats in het Koninkrijk, alleen dat Jezus aan hem zou denken. En zo is het met elke ziel die door God geleerd is: zij wil geen ereplaats, maar Christus. Wat zal straks de vreugde zijn? Hem te zien zoals Hij is, en voor altijd verlost te zijn van dit lichaam van zonde en dood. Houd dan aan met dat korte gebed. De Heere heeft het al eens verhoord, en Hij is niet veranderd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
Lukas 23:42
Wat zei de stervende moordenaar behalve: „Heere, gedenk mijner”? Godsvrucht was voor hem iets persoonlijks; de verlossing van zijn ziel was zijn voornaamste zorg. Er waren nog maar een paar uur te gaan voordat zijn ogen zich voorgoed zouden sluiten, en wat een eeuwigheid zou hem dan ontvangen! Dat voelde hij; het zat diepgeworteld in zijn geweten, en het riep vanuit zijn ziel de uitroep op: „Gedenk mijner.” Het was alsof hij zei: „Heere, wie Gij ook vergeet, gedenk mijner, denk aan mij, verlos mij, bevrijd mij.”
En is dit niet wat elke door God geleerde ziel voelt en uitroept? „Gedenk mijner, denk aan mij; vergeet mij niet. Laat mijn naam U dierbaar zijn, in Uw ogen en in Uw hart. Gij hebt veel om aan te denken, Heere, maar Heere, gedenk mijner. Ik ben een vervloekte stakker, een schuldige kwaaddoener, een verdoemde misdadiger, die het verdient om duizend doden te sterven en duizend hellen te ondergaan. Maar denk aan mij, wees goed voor mij, verwerp mij niet.”
Let er ook op dat deze stervende misdadiger wist dat de Heere een Koninkrijk had. Wat een geloof had hij! Ja, en ook dat Hij op een dag in dat Koninkrijk zou komen. En wanneer Hij in Zijn Koninkrijk kwam, omringd door al Zijn heiligen en engelen, dan was de uitroep en het verlangen van zijn ziel dat Jezus aan hem zou denken.
Let er ook op dat hij geen verheven plaats in dit Koninkrijk vraagt. Waarvoor gaat men naar de hemel? Om op een verheven zetel te zitten? O, God verhoede het! „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen” (Joh. 14:2), maar geen verheven zetels, de een hoger dan de ander. Allen zijn er gelijk. Wat geeft hun vreugde? Christus te zien zoals Hij is, van aangezicht tot aangezicht, en voor altijd verlost te zijn van dit ellendige lichaam van zonde en dood.
Lezen: Psalm 40
Aan de lezer…
Arme zondaar, is de verlossing van uw ziel ook voor u iets persoonlijks geworden? Het is niet genoeg te weten dat de Heere zondaren redt; de vraag is of uw eigen hart roept: „Heere, gedenk mijner.” Wie U ook vergeet, vergeet mij niet. Ik ben een schuldige kwaaddoener die niets verdiend heeft, maar denk aan mij, wees goed voor mij, verwerp mij niet. Herkent u die zucht?
Dan staat u in het spoor van de stervende moordenaar. Hij vroeg geen verheven plaats in het Koninkrijk, alleen dat Jezus aan hem zou denken. Zo is het met elke ziel die door God geleerd is: zij wil geen ereplaats, maar Christus. Wat zal straks de vreugde zijn? Hem te zien zoals Hij is, en voor altijd verlost te zijn van dit lichaam van zonde en dood. Blijf dan aanhouden met dat korte gebed. De Heere heeft het al eens verhoord, en Hij is niet veranderd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lord, remember me when Thou comest into Thy kingdom.
Luke 23:42
What did the dying thief say but, “Lord, remember me”? Religion for him was a personal thing; the salvation of his soul was his chief concern. Only a few hours remained before his eyes would close for ever, and what an eternity would then receive him! This he felt; it was deeply rooted in his conscience, and it drew forth from his soul the cry, “Remember me.” It was as if he said, “Lord, whomever Thou forgettest, remember me, think of me, save me, deliver me.”
And is not this what every God-taught soul feels and cries? “Remember me, think of me; do not forget me. Let my name be dear to Thee, in Thine eyes and in Thine heart. Thou hast much to think of, Lord, but Lord, remember me. I am a cursed wretch, a guilty malefactor, a condemned criminal, who deserves to die a thousand deaths and to suffer a thousand hells. But think of me, be good to me, do not cast me away.”
Notice too that this dying malefactor knew that the Lord had a kingdom. What faith he had! Yes, and also that He would one day come into that kingdom. And when He came into His kingdom, surrounded by all His saints and angels, then the cry and desire of his soul was that Jesus would think of him.
Notice also that he asks for no exalted place in this kingdom. What does one go to heaven for? To sit on an exalted seat? Oh, God forbid! “In My Father’s house are many mansions” (John 14:2), but no exalted seats, one higher than another. All are equal there. What gives them joy? To see Christ as He is, face to face, and to be delivered for ever from this miserable body of sin and death.
Reading: Psalm 40
To the reader…
Poor sinner, has the salvation of your soul become a personal thing for you too? It is not enough to know that the Lord saves sinners; the question is whether your own heart cries, “Lord, remember me.” Whomever Thou forgettest, do not forget me. I am a guilty malefactor who has deserved nothing, but think of me, be good to me, do not cast me away. Do you recognise that sigh?
Then you are walking in the footsteps of the dying thief. He asked for no exalted place in the kingdom, only that Jesus would think of him. So it is with every soul taught of God: it wants no place of honour, but Christ. What will the joy be by and by? To see Him as He is, and to be delivered for ever from this body of sin and death. Keep on, then, with that short prayer. The Lord has answered it once already, and He has not changed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Acuérdate de mí cuando vinieres a Tu reino.
Lucas 23:42
¿Qué dijo el ladrón moribundo sino: “Señor, acuérdate de mí”? La religión era para él algo personal; la salvación de su alma era su principal preocupación. Solo quedaban unas pocas horas antes de que sus ojos se cerraran para siempre, ¡y qué eternidad le recibiría entonces! Esto lo sentía; estaba profundamente arraigado en su conciencia, y arrancó de su alma el clamor: “Acuérdate de mí”. Era como si dijera: “Señor, a quienquiera que olvides, acuérdate de mí, piensa en mí, sálvame, líbrame”.
¿Y no es esto lo que siente y clama toda alma enseñada por Dios? “Acuérdate de mí, piensa en mí; no me olvides. Sea mi nombre precioso para Ti, a Tus ojos y en Tu corazón. Tienes mucho en qué pensar, Señor, pero, Señor, acuérdate de mí. Soy un miserable maldito, un malhechor culpable, un criminal condenado, que merece morir mil muertes y sufrir mil infiernos. Pero piensa en mí, sé bueno conmigo, no me eches fuera.”
Fíjese también en que este malhechor moribundo sabía que el Señor tenía un reino. ¡Qué fe tenía! Sí, y también que un día Él vendría a ese reino. Y cuando viniera a Su reino, rodeado de todos Sus santos y ángeles, el clamor y el deseo de su alma era que Jesús pensara en él.
Fíjese además en que no pide ningún lugar elevado en ese reino. ¿Para qué va uno al cielo? ¿Para sentarse en un asiento elevado? ¡Oh, Dios nos libre! “En la casa de Mi Padre muchas moradas hay” (Juan 14:2), pero no asientos elevados, uno más alto que otro. Todos son iguales allí. ¿Qué les da gozo? Ver a Cristo tal como Él es, cara a cara, y ser librados para siempre de este miserable cuerpo de pecado y de muerte.
Lectura: Salmo 40
Al lector…
Pobre pecador, ¿ha llegado a ser también para usted la salvación de su alma algo personal? No basta con saber que el Señor salva a pecadores; la pregunta es si su propio corazón clama: “Señor, acuérdate de mí”. A quienquiera que olvides, no me olvides a mí. Soy un malhechor culpable que no ha merecido nada, pero piensa en mí, sé bueno conmigo, no me eches fuera. ¿Reconoce usted ese suspiro?
Entonces anda en las pisadas del ladrón moribundo. Él no pidió ningún lugar elevado en el reino, solo que Jesús pensara en él. Así sucede con toda alma enseñada por Dios: no quiere un lugar de honor, sino a Cristo. ¿Cuál será el gozo más adelante? Verle tal como Él es, y ser librado para siempre de este cuerpo de pecado y de muerte. Persevere, pues, en esa breve oración. El Señor ya la contestó una vez, y Él no ha cambiado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En verhoord zijnde uit de vreze…
Hebreeën 5:7
Er ligt iets ongemeen verborgen in mijn gemoed, en nochtans vind ik iets buitengewoon heerlijks in de uitdrukking „uit de vreze”. En het is goed er melding van te maken dat er enige moeilijkheid bestaat wat betreft de juiste vertaling van deze uitdrukking. Het woord in de oorspronkelijke tekst beduidt niet zozeer vrees, aantonende schrik en ontsteltenis, als wel een heilige verering en tedere voorzichtigheid. Het betekent letterlijk de grote zorg waarmede wij breekbare vaten behandelen. Zo wordt het in het Nieuwe Testament gebruikt en beduidt het een eerbiedige Godsvreze.
Het wordt bijvoorbeeld van Noach zo gezegd, waar wij in Hebreeën 11:7 van hem lezen: „en bevreesd geworden zijnde”. Nu, dit wordt vertaald door vreze Gods, volgens Hebreeën 12:28: „Door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid.” Het wil derhalve niet zeggen vrees in zodanige zin van het woord, als zou het inhouden een slaafse vrees. Het wil niet zeggen dat de Heere Jezus bezet was met een slaafse vrees voor de Almachtige, welke de goddelozen hebben en zij die nooit deelgenoten waren van de genade Gods. Maar onze Heere, als een patroon van elke genade des Geestes, was bezet met die heilige eerbied en Goddelijke vreze in een bijzondere mate, waarvan wij maar een klein deeltje hebben.
Nu, juist in evenredigheid tot de diepte der genade die in Hem was, en de kracht Gods die op Hem rustte, en de werkzaamheden en invloed van de Heilige Geest in Zijn ziel, was de mate van heilige eerbied en Goddelijke vreze die in Zijn geheiligde mensheid woonde. Aanschouwende dus de grootheid van het werk, voor ogen hebbende niet zozeer het lichamelijk lijden op het kruis, dan wel de geestelijke strijd, de nood der ziel, de worsteling met de wet in haar zwaarte en vloek; de verbolgenheid van de Almachtige tegen de zonde, in de Persoon van de Middelaar; de verberging van Zijns Vaders aangezicht en de onttrekking van het licht Zijns aangezichts — al dit smartelijk lijden van het kruis voor ogen hebbende en reeds smakende de eerste druppelen van die stortregen die spoedig op Zijn gezegend hoofd stond neder te vallen, vervulde Zijn heilige ziel met de diepste, eerbiedige vreze voor de majesteit Gods. Dit is de vreze waarvan onze tekst spreekt.
In de kanttekening staat: Zijn achting met liefde tot God. Maar eerbied, Goddelijke vreze, heilige vreze en teder ontzag drukken de bedoeling van het woord veel beter uit. Het was van Hem geprofeteerd dat op Hem rusten zou de Geest des Heeren, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest der kennis en der vreze des Heeren, Jesaja 11:2. Zo kwamen Zijn gebeden, Zijn sterke roepingen, Zijn smekingen en tranen met aangenaamheid op in de oren Zijns Vaders, omdat zij kwamen uit een hart vervuld met eerbiedige en Goddelijke vreze, onder de aansporing van de eeuwige Geest, Die in Hem elke genade wrocht, beide in het bezit en in de beoefening, en door Wie Hij Zichzelf zonder vlek Gode opofferde.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat de nood hoog is; hoe bidt u dan? Uit slaafse angst, of met eerbied voor de majesteit Gods? Hier zien wij de Heere Jezus in Zijn diepste strijd, met de beker voor ogen, de verberging van Zijns Vaders aangezicht en de vloek der wet. En toch was Zijn ziel vervuld met een heilige, tedere vreze, en uit die vreze werd Hij verhoord. Zijn gebeden kwamen met aangenaamheid op in de oren Zijns Vaders.
Van die heilige eerbied hebben wij maar een klein deeltje, en dikwijls is ons bidden meer onrust dan ontzag. Maar Hij is het volmaakte patroon van elke genade des Geestes, en Hij heeft Zichzelf zonder vlek Gode opgeofferd. Wanneer u in Zijn Naam tot God komt, wordt u om Zijnentwil aangenomen. Bid dan dat dezelfde Geest ook in u een kinderlijke vreze werke, die niet van God wegvlucht, maar met teder ontzag tot Hem nadert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En verhoord zijnde uit de vreze…
Hebreeën 5:7
Voor mijn gemoed ligt er iets ongewoon verborgens in de uitdrukking „uit de vreze”, en toch vind ik er ook iets buitengewoon heerlijks in. Het is goed te vermelden dat er enige moeilijkheid bestaat over de juiste vertaling van deze uitdrukking. Het woord in de oorspronkelijke tekst betekent niet zozeer vrees in de zin van schrik en ontsteltenis, als wel een heilige eerbied en tedere behoedzaamheid. Het betekent letterlijk de grote zorg waarmee wij breekbare vaten behandelen. Zo wordt het in het Nieuwe Testament gebruikt, en het betekent een eerbiedige godsvrucht.
Het wordt bijvoorbeeld zo van Noach gezegd, waar wij in Hebreeën 11:7 over hem lezen: „en bevreesd geworden zijnde”. Dit wordt ook weergegeven met vreze Gods, volgens Hebreeën 12:28: „Door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid.” Het betekent dus geen vrees in die zin van het woord dat het een slaafse vrees zou inhouden. Het wil niet zeggen dat de Heere Jezus vervuld was van een slaafse vrees voor de Almachtige, zoals de goddelozen die hebben en zij die nooit deel hadden aan de genade van God. Maar onze Heere, als voorbeeld van elke genade van de Geest, was in bijzondere mate vervuld van die heilige eerbied en goddelijke vreze, waarvan wij maar een klein deeltje hebben.
Juist in verhouding tot de diepte van de genade die in Hem was, de kracht van God die op Hem rustte en de werkingen en invloed van de Heilige Geest in Zijn ziel, was ook de mate van heilige eerbied en goddelijke vreze die in Zijn geheiligde mensheid woonde. Hij zag de grootheid van het werk. Hij had niet zozeer het lichamelijk lijden aan het kruis voor ogen, als wel de geestelijke strijd, de nood van de ziel, de worsteling met de wet in haar zwaarte en vloek, de verbolgenheid van de Almachtige tegen de zonde in de Persoon van de Middelaar, de verberging van het aangezicht van Zijn Vader en het onttrekken van het licht van Zijn aangezicht. Terwijl Hij al dit smartelijke lijden van het kruis voor ogen had en al de eerste druppels proefde van die stortregen die spoedig op Zijn gezegend hoofd zou neerkomen, werd Zijn heilige ziel vervuld met de diepste, eerbiedige vreze voor de majesteit van God. Dit is de vreze waarover onze tekst spreekt.
In de kanttekening staat: Zijn achting met liefde tot God. Maar eerbied, goddelijke vreze, heilige vreze en teder ontzag geven de bedoeling van het woord veel beter weer. Van Hem was geprofeteerd dat op Hem zou rusten de Geest des Heeren, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest der kennis en der vreze des Heeren, Jesaja 11:2. Zo kwamen Zijn gebeden, Zijn sterke roepingen, Zijn smekingen en tranen aangenaam in de oren van Zijn Vader. Want zij kwamen uit een hart dat vervuld was met eerbiedige en goddelijke vreze, gedreven door de eeuwige Geest, Die in Hem elke genade werkte, zowel in het bezit als in de beoefening ervan, en door Wie Hij Zichzelf onbevlekt aan God heeft opgeofferd.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat de nood hoog is; hoe bidt u dan? Uit slaafse angst, of met eerbied voor de majesteit van God? Hier zien wij de Heere Jezus in Zijn diepste strijd, met de beker voor ogen, de verberging van het aangezicht van Zijn Vader en de vloek van de wet. En toch was Zijn ziel vervuld met een heilige, tedere vreze, en uit die vreze werd Hij verhoord. Zijn gebeden kwamen aangenaam in de oren van Zijn Vader.
Van die heilige eerbied hebben wij maar een klein deeltje, en vaak is ons bidden meer onrust dan ontzag. Maar Hij is het volmaakte voorbeeld van elke genade van de Geest, en Hij heeft Zichzelf onbevlekt aan God opgeofferd. Wanneer u in Zijn Naam tot God komt, wordt u om Zijnentwil aangenomen. Bid dan dat dezelfde Geest ook in u een kinderlijke vreze werkt, die niet van God wegvlucht, maar met teder ontzag tot Hem nadert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And was heard in that He feared.”
Hebrews 5:7
There is something in my mind extremely mysterious and yet divinely blessed in the expression, “in that He feared,” and it is right to mention that there is some little difficulty as to the right rendering of the expression. The word means in the original not so much fear, as indicating dread or apprehension, as a holy reverence and tender cautiousness. It means literally the great care with which we handle brittle vessels, and, as used in the New Testament, signifies a reverential fear of God. It is used, for instance, of Noah, where he is said to be “moved with fear” (Heb. 11:7), and is translated “godly fear” in those words, “whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear” (Heb. 12:28).
It does not, therefore, mean fear in any such sense of the word as would imply a servile dread. It does not mean that our gracious Lord was possessed with that servile dread of the Almighty which reprobates feel and those who never were partakers of the grace of God. But our Lord, as an exemplar of every grace of the Spirit, was possessed of that holy reverence and godly fear in its abundant measure of which we have but a small portion. Now just in proportion to the depth of the grace that was in Him, the power of God that rested upon Him, and the operations and influence of the Holy Spirit in His soul, so was the measure of holy reverence and godly fear which dwelt in His sacred humanity.
Contemplating, therefore, the greatness of the work; having before His eyes not so much the bodily sufferings of the cross as all the mental agonies—the distress of soul, the conflict with the law in its load and curse, the indignation of the Almighty against sin in the Person of the Surety, the hidings of His Father’s face, and the withdrawal of the light of His countenance—foreseeing all these dolorous sufferings of the cross, and tasting the first drops of that shower which was so soon to fall upon His sacred head, it seemed as if His holy soul was filled with the most solemn reverence and deep apprehension of the majesty of God. This is the fear of which our text speaks. It is in the margin “His piety.” But reverence, godly fear, holy apprehension, and tender awe convey the meaning of the word much better than the expression “piety.”
It was prophesied of Him that “the Spirit of the Lord should rest upon Him, the spirit of knowledge and of the fear of the Lord, and should make Him of quick understanding in the fear of the Lord” (Isaiah 11:1, 2). Thus His prayers, His cries, His supplications, and His tears rose up with sweet acceptance into the ears of His Father, because they came out of a heart filled with reverence and godly fear under the promptings and influences of that eternal Spirit Who wrought in Him every grace both in its possession and its exercise, and through Whom He offered Himself without spot to God.
To the reader…
It may be that your need is great; how do you pray then? Out of slavish dread, or with reverence for the majesty of God? Here we see the Lord Jesus in His deepest conflict, with the cup before His eyes, the hiding of His Father’s face and the curse of the law. And yet His soul was filled with a holy, tender fear, and He was heard in that He feared. His prayers came with acceptance into the ears of His Father.
Of that holy reverence we have but a small portion, and our praying is often more unrest than awe. But He is the perfect example of every grace of the Spirit, and He offered Himself without spot to God. When you come to God in His Name, you are accepted for His sake. Pray, then, that the same Spirit may work in you too a childlike fear, which does not flee from God, but draws near to Him with tender awe.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Fue oído por Su reverencial miedo.”
Hebreos 5:7
Hay para mí algo sumamente misterioso y, sin embargo, divinamente bendito en la expresión “por Su reverencial miedo”, y es justo mencionar que hay alguna pequeña dificultad en cuanto a la traducción correcta de la expresión. La palabra en el original no significa tanto temor, en el sentido de pavor o aprensión, como una santa reverencia y una tierna cautela. Significa literalmente el gran cuidado con que manejamos los vasos frágiles, y, tal como se usa en el Nuevo Testamento, significa un temor reverente de Dios. Se usa, por ejemplo, de Noé, de quien se dice que “con temor aparejó el arca” (Heb. 11:7), y en aquellas palabras se traduce por “reverencia”: “sirvamos a Dios agradándole con temor y reverencia” (Heb. 12:28).
No significa, por tanto, temor en ningún sentido de la palabra que implique un pavor servil. No significa que nuestro clemente Señor estuviera poseído de aquel pavor servil del Todopoderoso que sienten los réprobos y los que nunca fueron partícipes de la gracia de Dios. Sino que nuestro Señor, como modelo de toda gracia del Espíritu, poseía en abundante medida aquella santa reverencia y aquel temor piadoso del que nosotros solo tenemos una pequeña porción. Ahora bien, en la misma proporción que la hondura de la gracia que había en Él, el poder de Dios que reposaba sobre Él y las operaciones e influencias del Espíritu Santo en Su alma, así era la medida de santa reverencia y temor piadoso que moraba en Su sagrada humanidad.
Contemplando, por tanto, la grandeza de la obra; teniendo ante Sus ojos no tanto los padecimientos corporales de la cruz como todas las agonías interiores: la angustia del alma, el combate con la ley en su carga y su maldición, la indignación del Todopoderoso contra el pecado en la Persona del Fiador, el ocultamiento del rostro de Su Padre y la retirada de la luz de Su semblante; previendo todos estos dolorosos padecimientos de la cruz, y gustando las primeras gotas de aquel aguacero que tan pronto iba a caer sobre Su sagrada cabeza, parecía como si Su santa alma estuviera llena de la más solemne reverencia y de una honda aprensión de la majestad de Dios. Este es el temor de que habla nuestro texto. En el margen dice “Su piedad”. Pero reverencia, temor piadoso, santa aprensión y tierno sobrecogimiento expresan el sentido de la palabra mucho mejor que la expresión “piedad”.
Se profetizó de Él que “reposará sobre Él el espíritu de Jehová; espíritu de conocimiento y de temor de Jehová. Y harále entender diligente en el temor de Jehová” (Isaías 11:1, 2). Así Sus ruegos, Sus clamores, Sus súplicas y Sus lágrimas subieron con dulce aceptación a los oídos de Su Padre, porque salían de un corazón lleno de reverencia y temor piadoso bajo los impulsos e influencias de aquel Espíritu eterno que obraba en Él toda gracia, tanto en su posesión como en su ejercicio, y por el cual Él se ofreció a Sí mismo sin mancha a Dios.
Al lector…
Puede ser que su necesidad sea grande; ¿cómo ora usted entonces? ¿Por pavor servil, o con reverencia ante la majestad de Dios? Aquí vemos al Señor Jesús en Su combate más hondo, con el vaso ante Sus ojos, el ocultamiento del rostro de Su Padre y la maldición de la ley. Y sin embargo, Su alma estaba llena de un temor santo y tierno, y fue oído por Su reverencial miedo. Sus ruegos llegaron con aceptación a los oídos de Su Padre.
De esa santa reverencia solo tenemos una pequeña porción, y nuestro orar es a menudo más inquietud que sobrecogimiento. Pero Él es el modelo perfecto de toda gracia del Espíritu, y se ofreció a Sí mismo sin mancha a Dios. Cuando usted viene a Dios en Su Nombre, es aceptado por causa de Él. Ore, pues, para que el mismo Espíritu obre también en usted un temor filial, que no huye de Dios, sino que se acerca a Él con tierno sobrecogimiento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl